Archive for april, 2018

De wonderlijke Santo Bambino

30 april 2018

De tweede kapel vooraan in de Santa Maria in Aracoeli in Rome bevat tijdens de kersttijd de beroemdste kerststal van Rome, maar het is zeker niet de mooiste. De ‘bewoner’ van deze kapel, de Santo Bambino, is echter wel wereldberoemd. Het beeld van het kindje Jezus draagt tijdens de kersttijd een kroon en is dan gehuld in een met edelstenen bezet gouden gewaad. Vóór de kapel staat in de kerstperiode een soort preekstoel, waarop kinderen hun aan het Kind opgedragen gedichten of gebeden komen voordragen.

De Cappella del Santo Bambino bevindt zich vlakbij de plaats waar keizer Augustus zijn visioen zou gehad hebben. Het originele beeld van het Kindje Jezus werd aan het eind van de vijftiende eeuw in Jeruzalem door een franciscaner broeder gesneden uit het hout van een boom uit de Hof van Olijven of Getsemane. Het gezichtje, de voetjes en de handjes zouden daarbij miraculeus zijn beschilderd door een engel die uit de hemel neerdaalde omdat de broeder niet over voldoende verf beschikte. De monnik-houtsnijder wilde het beeldje naar Italië meebrengen, maar onderweg leed de onfortuinlijke franciscaan schipbreuk en sloeg het beeldje overboord. Gelukkig spoelde het aan in Livorno, vanwaar het in triomf naar de Santa Maria in Aracoeli in Rome werd gebracht.

Vandaag is het nog steeds een wereldwijd intens vereerd beeldje dat tussen Kerstmis en Driekoningen in de tweede kapel van de linker zijbeuk wordt uitgestald als middelpunt van een zoals gezegd niet zo aantrekkelijke kerstkribbe. Vooral rond die tijd van het jaar krijgt de Santo Bambino veel post uit de hele wereld. De stapel brieven en kaarten wordt rond het beeldje verzameld. De brieven worden wel geopend om de omslagen te controleren op mogelijke giften, maar worden na verloop van tijd ongelezen verbrand.

Omdat het beeldje zo beroemd is, volstaat als adressering ‘Santo Bambino Roma’. Aan het beeldje worden miraculeuze genezende krachten toegeschreven. Ernstig zieken moesten het beeldje kussen of aanraken. Indien de patiënt op genezing mocht hopen werden de lippen van het beeldje donkerrood, zo niet werden ze bleek. Charles Dickens schreef dat mensen bij dergelijke gebeurtenissen soms zodanig schrokken dat ze dood neervielen, ‘not unfrequently frightened them to death’.

Doorheen de eeuwen duiken getuigenissen op van mensen die beweren dat ze de lippen van Santo Bambino zagen bewegen of dat de gelaatstrekken van het beeldje veranderden. Het is nog steeds de gewoonte om juwelen of geld aan Santo Bambino te schenken indien de smeekbede om genezing heeft geholpen.

De paters beschikten destijds over een speciaal rijtuig om de Santo Bambino bij de zieken thuis te brengen. Dat was een voormalige koets van paus Leo XII (1823-1829). Toen bij de revolutie van 1848 de meeste Vaticaanse rijtuigen op de Piazza del Popolo werden verbrand, werd deze ene koets gespaard en aan de franciscanen geschonken om er de Santo Bambino mee te vervoeren. De koets werd later aan Pius IX teruggegeven en wordt nu bewaard in het Musea di Roma in Palazzo Braschi.

Een nieuwe koets werd ter beschikking gesteld door prins Torlonia en nog later, tot een heel eind in de twintigste eeuw, gebruikten de paters zelfs een Rolls Royce om het beeldje rond te rijden. Vandaag gebeurt dat niet meer: tegenwoordig moeten de zieken het meestal stellen met een afbeelding of een gezegend bidprentje, want de Santo Bambino wordt nog maar hoogst zelden op verplaatsing naar zieken of stervenden gebracht.

In 1798 werd het beeldje door ene Serafino Petrarca behoed voor vernietiging door de troepen van Napoleon. De soldaten, die enkel uit waren op het goud en de juwelen waarmee de Santo Bambino versierd was, hechtten aan het houten beeldje zelf niet de minste waarde en wilden het verbranden. Door een hoog losgeld te betalen kon hij hen van hun plannen afhouden en de Santa Bambino voor de Romeinen redden. De reputatie van het beeldje bracht paus Leo XIII (1878-1903) en het Vaticaans kapittel ertoe om de Santo Bambino in 1897 plechtig te kronen. Vrouwen in verwachting bezoeken nog steeds de Santo Bambino om een gezonde baby af te smeken.

Jammer genoeg is het huidige beeld echter een kopie van het origineel. De echte Santo Bambino werd in 1994 gestolen wat tot grote nationale verontwaardiging leidde. Tot groot leedwezen van de paters en elke gelovige Romein is het beeld tot op heden nog steeds niet teruggevonden.

In de kerstnacht van 1995 kreeg het nieuwe beeld ook een nieuwe gouden kroon, aangeboden door een rijke Romeinse familie die anoniem wil blijven. Elke 25ste van de maand is er om 17 uur een misviering ter ere van de Santo Bambino en voor de intenties van de gelovigen. Tot slot: kijk in de kapel van Santo Bambino, behalve naar het beeldje, toch ook even naar het mooie altaarstuk met de ’Heilige Familie’ uit de school van Giulio Romano.

Santa Maria in Aracoeli
Scala dell’Arce Capitolina 12, Rome
(tussen het Vittoriano en de Capitolijnse Musea, Piazza del Campidoglio)

 

Het graf van de ontdekker van de Laöcoongroep

29 april 2018

We bevinden ons nu al meer dan een week in de Santa Maria in Aracoeli. Schuin voor de toegang naar de sacristie (een winkeltje) staat een rond tempeltje dat oorspronkelijk dateert uit 1602, maar dat na de verwoesting door de Franse troepen in het begin van de negentiende eeuw heropgericht werd. Dit is de plaats waar keizer Augustus kort voor zijn dood een altaar opstelde gewijd aan de Zoon van God, de ‘ara coeli’ of het hemelse altaar.

Paus Innocentius II (1130-1143) liet boven deze plaats de relieken van de heilige Helena (248-329) plaatsen, de moeder van Constantijn I (de Grote). De overblijfselen van deze heilige hadden toen al een lange zwerftocht achter de rug. Ze rusten in de purperen sarcofaag (nu altaar) onder de achthoekige koepel. Op het tempeltje en de reislust van de relieken van Helena komen we eerstdaags nog even terug.

Vóór het ronde tempeltje, ter hoogte van de drie trappen in de linker zijbeuk, bevindt zich onderaan tegen de zijmuur het graf van Felice de Fredis die beroemd werd door op 14 januari 1506 de Laöcoongroep te vinden tijdens het omspitten van zijn wijngaard, niet ver van Nero’s voormalige Domus Aurea. De man verwittigde onmiddellijk kunstenaar Michelangelo en samen met een andere beeldhouwer, Giuliano da Sangallo (1445-1516), trokken ze naar de vindplaats.

‘Nadat we het voldoende bewonderd hadden gingen we naar huis om te eten’ schrijft Antonnio, de zoon van Giuliano da Sangallo (niet te verwisselen met Antonio die de broer is van Giuliano). Na de maaltijd werd de Laocoön in een triomfwagen naar het Capitool gebracht. Later verhuisde de fraaie beeldengroep naar het Vaticaan, maar pas nadat Bramante een speciale ruimte voor het beeld had gebouwd. Toen de stoet het Vaticaan binnenreed daverden de kanonnen van de Engelenburcht. Over de vondst van dit beeld zei Michelangelo dat dit kunstwerk de geschiedenis van de beeldhouwkunst veranderde.

De beeldengroep werd enkele tientallen jaren v. Chr. vervaardigd in het Griekse Rhodos. Door wie het naar Rome werd gehaald is niet bekend. Vermoedelijk heeft het beeld in de Domus Aurea van keizer Nero gestaan. Zeker is dat ook keizer Vespasianus het in zijn bezit heeft gehad. Napoleon roofde de beeldengroep in 1799 uit het Vaticaan en verplaatste het naar het Louvre in Parijs. Daar bleef het tot Napoleons definitieve nederlaag in de slag bij Waterloo in 1815. De Britten stuurden de Laöcoongroep in 1816 terug naar het Vaticaan.

De Laöcoongroep is vandaag één van de pronkstukken in de Vaticaanse collectie en bevindt zich in het Museo Pio-Clementino. Toen Felice de Fredis het beeld het beeld in zijn wijngaard ontdekte, ontbraken enkele stukken: het meest opvallende was het onderste gedeelte van Laocoöns rechterarm, die bij de schouder afgebroken was.

Paus Julius II organiseerde een wedstrijd waarbij men de houding van de arm kon bepalen. De kunstschilder Rafaël was juryvoorzitter. Een uitgestrekte arm won de wedstrijd, hoewel Michelangelo van mening was dat de arm gebogen achter Laocoöns achterhoofd moest zitten. In 1957 werd in Rome de originele rechterarm teruggevonden, die inderdaad gebogen was en achter Laocoöns hoofd hoorde. De uitgestrekte arm werd verwijderd en het origineel herbevestigd.

Tussen de tweede en de derde kapel in de linkerzijbeuk in de Santa Maria in Aracoeli staat het grote beeld van Paulus III Farnese (1534-1549), de paus die Michelangelo de opdracht gaf voor de nieuwe Piazza del Campidoglio. Zoals het beeld aan de overkant in de rechterzijbeuk, is het een werk van Guglielmo della Porta (1516-1577).

Het is zijn meesterwerk, de invloed van Michelangelo is duidelijk. Alexander Farnese werd kardinaal dank zij de charmes van zijn zuster ‘Julia la bella’ die Alexander VI Borgia graag ter wille was in ruil voor interessante gunsten. De derde kapel, naast het grote beeld, werd tijdens de vijftiende eeuw met fresco’s versierd door de zeer gewaardeerde Benozzo Gozzoli (1421-1497). Maar van deze fresco’s resteert vandaag helaas nog enkel de ‘Sint Antonius van Padua met twee gelovigen’, boven het altaar.

Gozzoli was afkomstig uit Firenze en werkte met Ghisberti aan de deuren van het baptisterium. Hij was een medewerker van Fra Angelico in Rome en in Orvieto. Zijn absolute meesterwerk is de wonderlijke kapel in het palazzo Medici in Firenze, één der hoogtepunten van de renaissance.

Gozzoli schilderde een frescocyclus in het middeleeuwse Tor de’ Specchi klooster van San Francesco Romana (Monastero delle Oblate di santa Francesca Romana) aan de Via del Teatro di Marcello 32, slechts enkele honderden meter van hier verwijderd. Het klooster is slechts één dag per jaar te bezoeken.

In de vijfde kapel heeft Pietro della Valle die omwille van zijn reislust ‘il pellegrino’ genoemd werd, in 1626 zijn (volgens de verhalen) buitengewoon mooie Perzische echtgenote begraven (niet zichtbaar). De man moet erg van zijn knappe vrouw hebben gehouden, want opmerkelijk is dat hij het dode lichaam van zijn geliefde gedurende vijf jaar tijdens zijn omzwervingen in Azië met zich heeft meegevoerd. De kapel is nog steeds eigendom van de familie.

Ondertussen heeft iedereen het al begrepen: in deze kerk vinden we op enkele tientallen meters van mekaar, origineel werk van Donatello en Cavallini, en in een volgende kapel zien we werk van Giotto. Welk museum doet dit na? En dan hebben we de echte raadsels van deze basilica nog niet ontsluierd…

De inspiratieplek van Edward Gibbon

28 april 2018

We bevinden ons nu al meer dan een week vrijwel dagelijks in de Santa Maria in Aracoeli. Ga vandaag even zitten voor het fraaie hoogaltaar en bedenk dat op deze plaats de bekende historicus en schrijver Edward Gibbon (1737-1794) op 5 oktober 1764 aan het luisteren was naar een aantal zingende monniken.

Wat ze precies zongen is niet bekend. Maar op die dag, op deze plek, kreeg Edward Gibbon het idee om zijn ‘Decline and Fall of the Roman Empire’ te schrijven, een absoluut meesterwerk in de Romeinse geschiedschrijving, dat tot vandaag nog regelmatig wordt herdrukt en ook (nog steeds) in het Nederlands verkrijgbaar is.

‘Verval en ondergang van het Romeinse Rijk’ verscheen oorspronkelijk in 1788 en wordt nog altijd beschouwd als een standaardwerk over de geschiedenis van het Romeinse keizerrijk.

Edward Gibbon zat dus in de Santa Maria in Aracoeli (al dan niet mediterend of in gedachten verzonken) en noteerde later zijn ervaring op die dag in deze basiliek als volgt voor het nageslacht: ‘sat musing amidst the ruins of the Capitol, while friars were singing the vespers, that the idea of writing the decline and fall of the City first started to my mind’.

De eerste zin van het originele zesdelige boek luidt: ‘In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse Rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht’. In dit beklijvende zesdelige boek schrijft Gibbon dat volgens hem de negen decennia tussen 98 en 190 de gelukkigste van de mensheid zijn geweest.

In het linkertransept, tegen de buitenmuur, naast de deur in de hoek die naar de sacristie leidt, bevindt zich de graftombe van de generaal der franciscanen, kardinaal Matteo d’Acquasparta (1240-1302). Dante vermeldt hem in zijn Paradiso, zang 12-124, zeggende dat hij de strenge regel schond.

Hij behoorde tot de strekking van de ‘conventuali’ die het ‘gemeenschappelijk’ bezit voor de volgelingen van Franciscus aanvaardbaar achtten. Het conflict was ontstaan toen men na de dood van Franciscus, in Assisi een grafkerk met een klooster wilde bouwen. De meeste broeders vonden dat dit tegen de regel was die stelde dat men geen enkel bezit mocht hebben.

Deze tombe is een karakteristiek Italiaans-gotisch grafmonument waarbij de compositie in de hoogte is uitgewerkt. Let op de engelen die het gordijn sluiten voor het doodsbed, het doet denken aan het monument voor kardinaal Consalvo Garcia Rodriguez rechts van de apsis in de Santa Maria Maggiore.

De versiering is inderdaad het werk van Giovanni di Cosma die we kennen uit de Santa Maria Maggiore en de Santa Maria sopra Minerva. Hij was één der laatste telgen uit de beroemde Cosmafamilie, de marmorari romani, en zou kort na 1300 overleden zijn.

De zwanenzang van de cosmatenkunst (al verdween het grootste deel van de steentjes) is hier wel zeer duidelijk. Zodra de pausen zich in 1309 in Avignon zullen vestigen, zal deze kunstvorm volledig uit Rome verdwijnen.

De muurschildering vertoont overeenkomsten met de stijl van Pietro Cavallini (1259-1330), volgens sommige bronnen zou dit zelfs zijn laatste werk zijn. Dat is niet met zekerheid vast te stellen. We zien de Madonna met Kind en de heiligen Petrus en Franciscus die de prelaat aanbevelen, dit alles onder een gotisch baldakijn.

Tegen de linkermuur van het linker transept staat het enorme zestiende-eeuwse beeld van de kunst- en genotminnende paus Leo X – Giovanni de’ Medici (1513-1521), hij werd begraven in het koor van de Santa Maria sopra Minerva. Als zoon van Lorenzo il Magnifico werd hij kardinaal-diaken na zijn dertiende verjaardag en paus op zijn 37ste.

Na zijn verkiezing moest hij eerst priester gewijd worden, wat minder schokkend is dan men denkt. In principe kon immers elke gedoopte man tot paus gekozen worden, al was het sinds 1389 gebruikelijk dat alleen kardinalen voor het ambt in aanmerking kwamen. Omdat kardinaal een eretitel was, zoals een adellijke titel, moest men niet noodzakelijk (eerst) priester zijn, een voorwaarde die pas in 1917 ingevoerd werd.

Er bestaat een beroemd schilderij van deze paus, in 1518 geschilderd door Rafaël. Het bevindt zich in de Galleria degli Uffizi in Firenze. Het was deze paus die verklaarde: ‘Als God heeft gewild dat we paus werden, waarom zouden we dan ook niet genieten van het pausdom?’. Maar bij zijn dood liet Leo X, die de schat van Julius II geërfd had, na een pontificaat van acht jaar, het pausdom achter op de rand van het bankroet.

Het graf van het vriendje van Michelangelo

27 april 2018

In de rechterzijbeuk van de Santa Maria in Aracoeli, in de passage na de zevende kapel die leidt naar de rechter zijuitgang van de kerk, staat rechts tegen de muur het graf van de jonge Cecchino Bracci. De opbouw van het monument is geraffineerd in zijn eenvoud, het werd duidelijk getekend door Michelangelo (1475-1564). Dat is geen toeval.

De kunstenaar, die toen bijna zeventig was, ging veel om met Florentijnse ballingen in Rome waaronder een zekere Luigi del Riccio. Die had een jongen in huis genomen, Cecchino Bracci, die zeldzaam charmant en bijzonder levendig van geest was. Michelangelo koesterde een bijzondere belangstelling voor de jongeling.

Volgens heel wat bronnen zou Tommaso dei Cavalieri de grote liefde geweest zijn van Michelangelo, maar de kunstenaar raakte in ieder geval ook van de jonge Cecchino Bracci helemaal in vervoering. Maar in januari 1544 stierf de knaap. Michelangelo was een hele tijd ontroostbaar en schreef tal van lijkdichten over Cecchino en ontwierp bovendien ook het graf voor de engelachtige jongen. De bouw werd uitgevoerd door een leerling van de meester die het toen druk had met de Sint-Pietersbasiliek.

In de volgende kapel, dus net vóór de trap die naar het transept leidt, werd in 2000 een erg mooi dertiende eeuws fresco blootgelegd, wellicht van de hand van Pietro Cavallini. In het rechter transept zie je links en rechts de prachtige graftombes van de familie Savelli. Rechts, kijkend naar de buitenmuur, werd Giacomo of Jacopo Savelli alias paus Honorius IV (1285-1287) begraven, maar de resten van de paus werden later overgebracht naar de Sint-Pietersbasiliek zodat het graf hier leeg achterbleef. Eronder bevindt zich het graf van zijn moeder Vana Aldobrandeschi di Santa Fiora.

Dit uiterst mooie geheel van de hand van de architect van deze kerk, Arnolfo di Lapo, ook wel bekend als Arnolfo di Cambio (1232-1302) stond oorspronkelijk in de Vaticaanse grotten maar werd in 1545 in opdracht van Paulus III naar hier overgebracht. Honorius IV leed zo erg aan jicht dat, als hij de mis wilde opdragen, er boven het altaar een toestel werd geplaatst waarmee de sacramenten mechanisch werden opgeheven, want daartoe was hijzelf niet meer in staat.

Terwijl Honorius IV de pauselijke stoel bezette was zijn eveneens jichtige broer Pandolfo senator, zodat de Savelli’s een tijdlang alle macht over Rome in handen hadden. De liggende figuur van Honorius IV helt naar voor en het hoofd wordt door twee kussens omhoog geduwd. De hele steenbewerking wordt gekenmerkt door de zachte modellering en de decoratieve details van de gewaden, de tiara en het kussen.

De figuur van Honorius IV wordt afgesloten door de fragmenten van een gordijn aan het hoofdeinde wat herinnert aan het type grafmonument dat Arnolfo reeds vroeger invoerde, bijvoorbeeld in de rechterbeuk van de Santa Croce in Firenze. Het werk sluit hierdoor ook nauw aan bij de andere liggende figuren van de Toscaanse kunstenaar.

Het grafmonument van moeder Vanna Aldobrandeschi onder het vorige graf bestaat uit een derde-eeuwse sarcofaag met een mozaïek van familiewapens: twee van de Savelli en in het midden dit van de Aldobrandeschi. De hoge sokkel wordt gevormd door drie boven elkaar gestapelde parallelle elementen, waarbij de twee bovenste delen met decoraties van de Cosmati zijn verfraaid.

Bovenaan de linker muur in dezelfde kapel werd bovenaan senator Pandolfo Savelli, de broer van de paus begraven; eronder bevindt zich het graf van Luca Savelli, de vader van de Honorius IV. Het bovenste graf (dit van Pandolfo) werd ontworpen door Giotto (1267-1337). De mozaïeken en de kleine ‘Madonna met Kind’ zijn echter van Arnolfo di Cambio.

Er bestond in de dertiende eeuw nog vrijwel geen grafkunst, die zien we hier in de Santa Maria in Aracoeli geboren worden in een mengeling van antieke sarcofagen, cosmatenwerk en als absolute nieuwigheid een tabernakel met ‘Maria en Kind’. Het is slechts één van de vele redenen om deze fraaie museumkerk te bezoeken. Het onderste graf (dit van Luca) is een laat werk van dezelfde Arnolfo di Cambio, die daarvoor een klassieke guirlandesarcofaag uit de derde eeuw na Chr. gebruikte waarop steenplaten met inscripties en een prachtige gotische bekroning rusten.

Het belang van Arnolfo di Cambio voor de Santa Maria in Aracoeli (1245-1302) kan niet voldoende benadrukt worden. In 1265, toen hij in de kathedraal van Siena werkte, werd hij vermeld als een leerling van Nicola Pisano. In 1276 komt de Cambio naar Rome en maakt er het indrukwekkende beeld van Charles d’Anjou, te zien in de Capitolijnse Musea.

Ook als architect was di Cambio leidinggevend, zo tekende hij de Santa Maria del Fiore in Firenze en Vasari stelt zelfs dat hij ook de ontwerper is van de Santa Croce en het Palazzo Vecchio in deze stad. In Rome kennen we di Cambio in als een belangrijke beeldhouwer en als de ontwerper van ciboria in de San Clemente en de Sint-Paulus buiten de Muren, maar het is in Orvieto dat hij geschiedenis schrijft. Hij ontwerpt er het prototype van de latere grafkunst, zijnde de ‘muurtombe’. Na 1282 vinden we hiervan prachtige voorbeelden in Rome, waaronder hier in de Santa Maria in Aracoeli.

In de muur, links van het linker Savelli-grafmonument, werden na exact zeven eeuwen de resten geplaatst van broeder Ginepro (Iuniperi), gestorven op 22 juni 1258. Hij was de levenslange metgezel van Franciscus van Assisi. Rechts van het hoogaltaar van de Santa Maria in Aracoeli, zien we de Franciscuskapel, met rechts daarvan de Cappella di Santa Rosa (dus in de verste hoek naast het rechtertransept en ermee evenwijdig).

Een heel mooi maar wat ruw uitgevoerd mozaïek uit het einde van de dertiende eeuw is met enige moeite zichtbaar aan de linkerwand. Het toont Franciscus terwijl hij de voor hem knielende senator Giacomo Capocci, let op zijn kledij, aan de Madonna voorstelt. De figuur naast de Madonna is Johannes de Doper.

Trouw aan de traditie van de bedelordekerken bestaat de apsis (de halfronde of veelhoekige nisvormige ruimte aan een basilica) uit een recht afgesloten koor met zijkapellen. Het indrukwekkende dertiende-eeuwse hoogaltaar werd eeuwenlang, maar door sommige gidsen ook nu nog, aanzien als het oorspronkelijke Aracoeli van keizer Augustus.

Er boven hing ooit ‘De Madonna van Foligno’ door Rafaël, dat werk bevindt zich nu in de Vaticaanse Musea. Op dezelfde plaats zien we nu een volgens de overlevering door de evangelist Lucas eigenhandig geschilderd portret van de Madonna, dat net als dat van de Santa Maria Maggiore de eretitel ‘salus populi romani’ draagt, heil van het Romeinse volk. Lucas is niet toevallig de patroonheilige van schilders en beeldsnijders (denk aan het Sint-Lucasgilde). Volgens de legende schilderde Lucas Maria met het kind Jezus naar het leven. Verschillende voorstellingen van de Madonna worden vereerd als werk van de heilige Lucas.

Het thema ‘Lucas die de Madonna met Kind schildert’ is afgebeeld op vele altaarstukken, vooral op deze van de plaatselijke schildersgilden. Het op beukenhout geschilderde exemplaar dat we hier in de Santa Maria in Aracoeli zien, lijkt afgaande op de stijl en afwerking ontstaan te zijn tijdens de zesde eeuw toen de Byzantijnse monniken hier nog verbleven. Het is in ieder geval een erg oud schilderij.

Links en rechts tegen de alleenstaande pilaren staan de preekstoelen, de ambonen of ambo’s. Net zoals de omliggende vloer zijn het juweeltjes van cosmatenkunst. Aan de zeer bewerkte stijl kan je ze dateren uit het einde van de twaalfde eeuw. Deze ambonen werden gesigneerd door Lorenzo di Cosma en zijn zoon Giacomo, de stichters van de cosmatenfamilie. Een ambo is een benaming voor een kleine stenen preekstoel in oud-christelijke basilieken.

Vaak waren er twee ambo’s aan de uiteinden van de afsluiting van het koor en het schip van de kerk. Zij waren bestemd voor de lezing van het epistel en het evangelie. Onder invloed van de vernieuwing van de liturgie sinds het Tweede Vaticaans Concilie raakte de ambo weer in gebruik. De ambo’s zijn dus eigenlijk de voorloper van de kansel die een combinatie is van een preekstoel en een lezenaar. De praktijk van voorlezingen op bepaalde kalenderdagen en het commentaar daarop in een openbaar gebedshuis, heeft de vroegchristelijke liturgie overgenomen van de synagoge.

Pinturicchio op zijn best in de Santa Maria in Aracoeli

26 april 2018

We bevinden ons nog steeds in onze fraaie museumkerk van de voorbije dagen. De kapellen in de Santa Maria in Aracoeli in Rome die uitgeven op de linker- en rechterbeuk, zijn niet opgelijnd volgens de middenzuilen. Het is niet bij iedereen bekend, maar zoals in praktisch alle oude Romeinse kerken zijn ze nog steeds privaat eigendom en in het beste geval worden ze ook nog steeds door de eigenaars of hun afstammelingen onderhouden. Voor ons bezoek van vandaag beginnen we in de rechterzijbeuk, kijkend naar het hoogaltaar.

De fresco’s in de eerste kapel rechts, de Capella Bufalini, tonen in de prachtige heldere stijl van de renaissance het leven en de dood van San Bernardino di Siena (1380-1444). Niet meteen een prettig onderwerp, maar de schildering is zo fraai dat je er bijna vrolijk van wordt. San Bernardino was een beroemde prediker die tijdens zijn leven de Santa Maria in Aracoeli vaak heeft bezocht.

De fresco’s uit 1486 zijn het werk van Bernardino Betti of Bernardino di Betto di Baggio, beter bekend als Pinturicchio (1454-1513). Hij werd zo genoemd omdat hij klein van gestalte was: het schildertje dus. Hij schilderde hier dus ter ere van zijn eigen patroonheilige. De opdracht voor het kapelfresco werd hem bezorgd door de jurist Niccoló di Manno Bufalini.

Voor kunstliefhebbers is het interessant deze fresco’s bij gelegenheid eens te vergelijken met deze in de Santa Maria del Popolo (of hier) uit 1488-1490 en deze die werden uitgevoerd in 1490 door Filippino Lippi in de Santa Maria sopra Minerva.

Pinturicchio (ook weleens geschreven als Pintoricchio) was behalve klein ook behoorlijk doof en werd daarom ook vaak Il Sordicchio genoemd. Vermoedelijk was hij een leerling van Fiorenzo di Lorenzo. Zeker is dat hij omstreeks 1481 zijn stadsgenoot en andere leermeester Perugino hielp bij de decoratie van de Sixtijnse kapel. De gevolgen van deze samenwerking zijn ook hier in de Cappella Bufalini duidelijk terug te vinden in de zoeterige, elegante figuren.

Zijn gave voor vertellende taferelen spreekt overtuigend uit zijn fresco’s in de Sixtijnse Kapel, de Borgia-appartementen (1492-1495) in het Vaticaan en de charmante cyclus van taferelen uit het leven van Aenea Silvio Piccolomini (paus Pius II) in de Libreria Piccolomini in de kathedraal van Siena (1502-1505).

Zijn ingetogen kleurschakeringen verlevendigde hij graag met accenten in goud; de achtergronden worden vaak gevormd door vriendelijke en soms ook zeer stemmingsvolle landschappen. Pinturicchio, die een groot oeuvre naliet, behoorde tot de eerste schilders die in het ornament gebruik maakten van grotesken. Zijn kleuren bezitten een grote lichtintensiteit. Let in de kapel ook op de fraai uitgewerkte vloer en het plafond.

In Rome was Pinturicchio één van de meest gevraagde schilders, hij gebruikte een elegante, soms genreachtig vertellende, zoetige stijl met (soms iets te veel) aandacht voor het decoratieve effect. Sterke dramatische elementen moet men bij hem niet zoeken. Behalve in Perugia en Rome werkte Pinturicchio ook in Orvieto, Spoleto, Spello en vooral Siena waar hij zich in 1502 vestigde.

De fresco’s in de Cappella Bufalini schetsen ons, in een koel ochtendlicht, alleszins een sprankelend beeld van de leefwereld tijdens de renaissance. Het hoofdfresco achteraan toont de ‘Begrafenis van Bernardus’, het plein waar de heilige ligt opgebaard past met zijn alledaagse tafereeltjes in elke Italiaanse stad uit die tijd.

Verschillende burgers, monniken, priesters en leden van de familie Bufalini omringen de katafalk. De perspectivische opzet gaat duidelijk terug op ‘De overhandiging van de sleutel’, een werk dat Perugino schilderde op de rechterwand van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan. Zijn stijl viel in de smaak bij zijn tijdgenoten en opdrachtgevers, waaronder de pausen Sixtus IV, Alexander VI en Pius III.

De schilder, architect en kunsthistoricus Giorgio Vasari (1511-1574) noemt hem daarentegen en nogal vreemd ‘een oppervlakkige decoratieve schilder’. Maar Pinturicchio schilderde in 1497 wel één van de eerste series fresco’s die historische gebeurtenissen weergeven in het Castello de Sant’Angelo. Zo getuigde hij van de belangrijkste politieke gebeurtenissen van zijn tijd. Zijn invloed op de (interpretatie van de) geschiedenis is niet te onderschatten.

Iets verder, tegen de scheiding tussen de tweede en de derde kapel, staat het gigantische beeld van paus Gregorius XIII (1572-1585), een typisch werk uit de contrareformatie uitgevoerd door Guglielmo della Porta (1516-1577) die geen familie was van Giacomo della Porta.

Dit is de paus die in 1582 de nieuwe tijdrekening invoerde (eigenlijk een correctie van de kalender die Julius Caesar in 45 v. Chr. had gelanceerd). Deze paus erkende tevens de orde der jezuïeten, stichtte het Collegio Romano in Rome en de naar hem genoemde universitei

Rome staat op nummer 1 als stad met het lekkerste eten ter wereld

26 april 2018

Wij wisten dit natuurlijk al lang, maar het wordt nu nog eens bevestigd door TripAdvisor. De reiswebsite maakte een wereldomvattend lijstje in welke steden je het beste en lekkerste eten vindt. Helemaal bovenaan staat Rome. Onze lievelingsstad wordt op de voet gevolgd door Firenze. Op drie staat Parijs, daarna komen Barcelona en New Orleans.  In de top tien vinden we achtereenvolgens ook nog New York City, Venetië, Madrid, Tokio en Bangkok. Bezoekers waarderen tijdens hun citytrip vooral het lokale voedsel, streekproducten dus. Ook kooklessen en begeleide foodtrips langs verschillende restaurants zijn eveneens populair.

Pordenone levert dit jaar de Vaticaanse kerstboom

26 april 2018

Ze zijn er snel bij; de Vaticaanse persdienst maakt bekend dat de kerstboom op het Sint-Pietersplein dit jaar zal komen uit Pordenone, de hoofdstad van de gelijknamige provincie in de regio Friuli-Venezia Giulia in het noordoosten van Italië. Het oudste gedeelte van Pordenone dateert uit de Romeinse tijd, de plek heette toen Portus Naonis. De kerstboom voor het Sint-Pietersplein wordt samen met een reeks kleinere bomen die bestemd zijn voor de pauselijke vertrekken geschonken ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de oprichting van de provincie Pordenone. Vorig jaar kwam de kerstboom van de paus uit Polen.

Palazzo Montemartini in handen van Radisson Hotel Group

25 april 2018

De Radisson Hotel Group neemt vanaf juni 2018 het klassehotel Palazzo Montemartini in Rome over. Het pand werd gebouwd in 1818 en bevindt zich aan Largo Giovanni Montemartini, in de omgeving van station Termini en de Thermen van Diocletianus. Palazzo Montemartini telt 82 kamers en verschillende evenementenruimtes, voorzien van natuurlijk daglicht. Gasten kunnen in het restaurant en de bar Senses genieten van lokale gerechten, terwijl ze uitkijken op de Muur van Servius Tullius.  In de Montemartini SPA by Caschera kunnen gasten relaxen in de verschillende baden.

De meesterwerken van Andrea Bregno

25 april 2018

De Santa Maria in Aracoeli is een basiliek die we bijna eerder als een museum dan als een kerk zouden durven omschrijven. De oorspronkelijke kerk dateert uit de vroegere middeleeuwen, de basilica zoals we die kennen en de komende dagen zullen bezoeken is een ‘nieuwbouw’ uit de dertiende eeuw.

In 1260 volgen de franciscanen het basilicale plan dat zich sinds het begin van de twaalfde eeuw als standaard had opgedrongen en dat in de literatuur gekend is als de ‘christelijke renaissance van de twaalfde eeuw’. Dat betekent concreet: drie brede beuken die gescheiden worden door bogen, een continu transept, een enkelvoudige apsis beperkt tot het middenschip en een cosmatenvloer.

Deze constructie ligt in de lijn van andere bekende Romeinse kerken en basilica’s, zoals de Santa Maria in Cosmedin (1123), de San Crisogono in Trastevere (1123-1130), de Santa Croce in Gerusalemme (1144, dus vóór de herbouw), de San Bartholomeo op het Tibereiland (1160) en de Santa Francesca Romana op het forum (1220).

Rechts van de hoofdingang (dus kijkend naar het hoogaltaar) staat tegen de gevelmuur het graf uit 1465 van kardinaal d’Albret, maar op het monument staat in behoorlijk grote letters Paolo II (1417, paus van 1464-1471) die echter in de Sint-Pietersbasiliek begraven werd. Het voor paus Paulus II (die onder meer het Palazzo Venezia liet bouwen) bedoelde grafmonument werd dan maar aan de kardinaal verkocht. Waarom dit foute opschrift nooit werd verwijderd is niet duidelijk; wellicht was de familie fier op het feit dat dit graf oorspronkelijk bestemd was voor een paus.

Dit grafmonument is één van de beste werken van de Lombardische beeldhouwer en architect Andrea (di Cristoforo) Bregno (1418-1506), die ook geweldig werk leverde in onder meer de Santa Maria del Popolo. De fijnheid van de motieven en de architecturale elementen zoals bogen en pilasters zijn kenmerkend voor zijn stijl. Het is een bijzonder fraai werk van een grote en vandaag enigszins onderschatte en zelfs door een heleboel mensen vergeten of nauwelijks bekende kunstenaar.

Andrea Bregno afkomstig uit de buurt van Como, was vanaf 1460 de meest gewaardeerde beeldhouwer van Rome en werd door zijn tijdgenoten zelfs vergeleken met de befaamde Polycletus (Polykleitos) de Oudere, een Griekse beeldhouwer uit de vijfde eeuw v. Chr. In tegenstelling tot andere belangrijke beeldhouwers zoals Bernini en Michelangelo, wordt Bregno vandaag weliswaar gewaardeerd, maar vreemd genoeg vaak beschouwd als een relatief kleine meester.

Dat is onterecht. Vooral in Rome leverde Bregno fantastisch werk. Hij beschikte over een grote werkplaats bevolkt met de beste leerlingen uit die tijd en waar hij onder andere samenwerkte met Mino da Fiesole (1429-1484) wiens echte naam Mino di Giovanni Mini da Poppi was. Bregno kreeg veel opdrachten van paus Sixtus IV – della Rovere (1414, paus van 1471-1484) en ontwierp veel graven van kardinalen en vooraanstaande figuren uit de pauselijke curie.

Omstreeks 1496 ontmoet Bregno de 21-jarige beeldhouwer Michelangelo. Deze laatste wordt sterk beïnvloed door Andrea Bregno, die één van zijn referentiepunten wordt, zozeer zelfs dat Michelangelo later, tussen 1501 en 1505, na de dood van Andrea accepteerde om het Piccolomini-altaar in de kathedraal van Siena af te maken dat was begonnen door Bregno.

Hoewel het genie van Michelangelo de oudere Andrea Bregno al snel in de schaduw zou stellen, bleef tussen de twee tot aan het overlijden van Bregno een hechte vriendschap bestaan. Wellicht had het werk van Michelangelo er vandaag wel anders uitgezien indien hij nooit had kennisgemaakt met Andrea Bregno.

Andrea Bregno produceerde hoogwaardige maar volgens sommige critici in hun ontwerp soms wat stereotype muurgrafmonumenten. Misschien heeft dat meegespeeld in de geschiedkundige beoordeling van Bregno’s kunst. In Rome vinden we zijn werken behalve in de Santa Maria in Aracoeli en in de Santa Maria sopra Minerva (waar hij begraven werd, foto boven), onder meer terug in de Santi XII Apostoli, de San Clemente, de Santa Maria in Monserrato, de Santa Prassede, de San Giovanni in Laterano, de San Andrea della Valle en vooral in de Santa Maria del Popolo. Een volledige opsomming van alle beelden en tombes die Bregno in Rome realiseerde is onbegonnen werk.

Andrea Bregno was dol op het antieke Rome en beschikte over een diepgaande kennis van de Klassieke Oudheid, mede omdat hij door zijn handel in antieke kunstwerken zelf eveneens een belangrijke verzameling bezat, waaronder de beroemde Torso van Belvedère, die vandaag te zien is in de Vaticaanse Musea.

Links van dit grafmonument en rechtstaand tegen de vooruitkomende zuil, zien we de dekplaat van het graf van Giovanni Crivelli, de aartsdiaken van Aquileia, een stadje in de provincie Udine (regio Friuli-Venezia Giulia). De zerk die oorspronkelijk op de grond lag, stelt het lichaam van de dode voor in een schelpvormige nis.

Doordat de plaat niet meer op de vloer ligt, is de vermelding ‘opus Donatelli’ boven oogniveau zichtbaar op de linker verticale rand (iets hoger dan het hoofd van de figuur, juist waar de boog begint ter hoogte van de kwast). Daardoor is dit het enige gekende gesigneerde werk van Donatello (1386-1466), de vader van de renaissance-beeldhouwkunst.

Donatello was de pionier van dit soort halfreliëf dat men ‘rilievo schiacciato’ of vlakreliëf noemde. Deze reliëfstijl met geringe hoogteverschillen in het oppervlak, zodat er bijna schilderkunstige nuances en een schijnbaar onbegrensde ruimtelijkheid ontstaan, werd door Donatello ontwikkeld. Schiacciato betekent letterlijk ‘geplet’ en vandaag wordt met een ‘schiacciata’ ook wel een dunne pizza bedoeld.

Aartsdiaken Crivelli stierf op 29 juli 1432 zodat de uitvoering van de grafzerk gesitueerd wordt tussen augustus 1432 en het voorjaar van 1433, het tijdstip waarop Donatello naar Firenze terugkeerde. De voorstelling strookt niet met wat we van Donatello zouden verwachten, maar Crivelli was zelf verantwoordelijk voor de uitgesproken traditionele typologische voorstellingswijze.

Het is misschien interessant te weten dat het allereerste bronzen ruiterstandbeeld, na de val van het Romeinse Rijk in 1453 vervaardigd werd door deze Donatello. Het staat op de Piazza del Santo in Padova en toont de condottiere Erasmo da Nardi, gekend als Gattamelata.

Word nu lid van S.P.Q.R.

24 april 2018

21 april, de officiële stichtingsdag van Rome, markeert tevens het begin en einde van ons werkjaar. Wil je vanaf nu tot 21 april 2019 ook deel uitmaken van S.P.Q.R., genieten van kortingen op activiteiten en vrijwel elke werkdag een geïllustreerde nieuwsbrief ontvangen? Word dan nu lid van onze vereniging.

S.P.Q.R. is een niet-commerciële vereniging die nu reeds meer dan 16 jaar actief is. Bij ons is iedereen welkom die zich op een of andere manier verbonden voelt met de eeuwige kunststad Rome en Italië in het algemeen. De leden komen regelmatig vrijblijvend samen voor activiteiten zoals een lunch, een (Italiaanse) film, het bezoek aan een kunsttentoonstelling of beurs, een Italiaanse kookcursus, een degustatie van Italiaanse wijnen, een uitstapje, enz.  Zeer regelmatig organiseren we wandelingen in Rome.

S.P.Q.R. fungeert tevens als forum om tips, weetjes en informatie over Rome uit te wisselen, als platform om contacten te leggen met andere Rome-reizigers en als mogelijkheid om ieders kennis van de stad Rome te vergroten. Leden ontvangen vrijwel elke werkdag een nieuwsbrief over Rome.

Een lidmaatschapskaart van S.P.Q.R. kost 25 euro per jaar (het werkjaar begint en eindigt in principe op 21 april, de officiële stichtingsdatum van Rome, maar je kan op eender welk moment lid worden), te storten op rekening nr. BE91 6528 4463 6676 van S.P.Q.R. in B-3000 Leuven (België). Om internationale Europese betalingen te verrichten heb je soms een BIC-nummer (HBKABE22) nodig.  Nieuwe leden verzoeken we vriendelijk even dit formuliertje in te vullen of hun contactgegevens door te sturen via info@spqr.be.

De lidmaatschapskaart van S.P.Q.R. heeft ook dit jaar het formaat en uitzicht van een klassieke bankkaart en is vervaardigd uit hetzelfde materiaal. Het is ook dit jaar weer een hebbeding waarop heel wat mensen jaloers zullen zijn. De ledenbijdrage blijft ook na zeventien jaar nog steeds behouden op 25 euro.

Wij probeerden het voorbije werkjaar heel wat leuke en gevarieerde activiteiten te organiseren en, gezien jullie enthousiasme, deelname aan activiteiten, reacties en vele vragen over allerlei zaken in Rome, hebben we hopelijk voldoende krediet om voort te doen. We hopen jullie het volgende werkjaar nog talrijker en minstens even enthousiast te mogen ontmoeten in onze nog steeds groeiende Rome- en Italiëgroep.