Archive for 15 april 2018

Een huiskerk in de Case Romane

15 april 2018

Wie in de tijd van keizer Hadrianus (117-138) vanaf het Colosseum de Caeliusheuvel (Monte Celio) opklom en naar de Clivus Scauri (Clivo di Scauro) wou gaan, had het niet zo gemakkelijk als nu. Tegenwoordig stap je gewoon de Via Claudia op. Je passeert voorbij restanten van het tempelplatform van keizer Claudius (41-54) en een eind verder, net vóór de Santa Maria alla Navicella (Santa Maria in Domnica), sla je rechtsaf. Je wandelt door naar de boog van Dollabella (consul in 10 na Chr.), eigenlijk de Porta Celimontana in de muur van Servius Tullius. Deze boog bevindt zich onder de arcaden van het viaduct van keizer Nero (54-68).

Zo stap je de Clivo di Scauro in, alhoewel het eerste deel nu Via San Paolo della Croce heet. We bereiken weldra ons doel: de Piazza Santi Giovanni e Paolo. Onder deze kerk zijn restanten van enkele Romeinse huizen te vinden, de Case Romane. Volgens een bepaalde hypothese was in deze woonsite, in de derde eeuw, een christelijke huiskerk gevestigd. Wij leggen deze hypothese voor die ontwikkeld werd in het midden van vorige eeuw.

Op het punt waar je de Piazza (2) betreedt splitste in de oudheid een weg af naar rechts (er ontstond zowat een pleintje) langs de westflank van Claudius’ platform. Daarvan zie je nog de zuidwesthoek, nu het fundament van een klokkentoren. Wie toen dat straatje insloeg kwam al vlug aan een weg parallel met de Clivo di Scauro. In deze trapeziumhoek stond, aan de kant van het Claudianum, een herenhuis (R-U), gebouwd ten tijde van Hadrianus (117-138) of al vroeger.

Ten zuiden ervan kwam in de tweede eeuw ook nog een woonblok (insula) (B-J), uitgevend op de Clivo di Scauro. Dit wooncomplex is, zoals gezegd, algemeen bekend onder de benaming Case Romane. Het gelijkvloers van deze woonsten kan je bezoeken: de ingang is sinds 2002 links van de kerk, vóór de laatste boog die de straat overspant.

Tussen het herenhuis R-U en Claudius’ platform stonden nog arcaden van Nero’s aquaduct. De ruime kamers van deze stadswoning waren versierd met stucco’s, wandschilderingen en wandmozaïeken. Het was tegen een helling opgebouwd en onder de luxueuze woonvertrekken, in de benedenverdieping, bevond zich een badinstallatie (R).

Het woonblok B-J had een gelijkvloers en twee verdiepingen. Tussen dit woonblok en het herenhuis liep een smalle binnenkoer (A). De voorgevel stond 6 m van de Clivus Scauri en waarschijnlijk werd hij voorafgegaan door een porticus (K-O). Gelijkvloers waren er vijf winkels (E-J) met achterkamer (B-J) en op de eerste en tweede verdieping woonkamers.

In kamer E  is de oorspronkelijke structuur van de binnenvertrekken nog duidelijk zichtbaar. De zoldering heeft de vorm van een tongewelf, het hoogste punt van de kamer is 6 m; op een hoogte van 2,40 m zitten gaten voor balken die de vloer van een bovenliggende vliering (mezzanine) droegen. In de hoek staan twee opgemetselde treden, het begin van een houten trap naar boven (de deur rechts is van latere datum). Tussen de winkels onderling waren aanvankelijk geen doorgangen; zij stonden dus niet met elkaar in verbinding. Op de binnenkoer was één deuropening naar het herenhuis toe.

Vanaf het midden van de derde eeuw tot eind vierde eeuw zijn in het gehele wooncomplex opmerkelijke verbouwingen en verfraaiingen uitgevoerd. Om te beginnen worden herenhuis en woonblok vanaf ongeveer het jaar 250 samengevoegd tot één luxewoning. De binnenkoer tussen deze twee woonsten wordt overdekt. Men veronderstelt dat het wooncomplex in handen kwam van één eigenaar. Vlak aan de straat verrijst een nieuwe voorgevel, zes meter naar voor gebracht, voorzien van zes doorgangen met rondbogen. In deze tijd wordt ook westelijk van de insula nog een woning opgetrokken met onderaan winkels en twee verdiepingen woonvertrekken (W).

De linkerhelft van de voorgevel van het woonblok vertoont twee rijen van vijf vensters, één rij voor elke verdieping, bestemd voor woonruimten (of dienstruimten?). De rechterhelft heeft per verdieping ook twee rijen van zes vensters, dicht bij elkaar, er waren geen tussenmuren mogelijk. Men leidt nu uit deze vensterschikking en de voormalige positie van de binnenmuren af dat zich hier één grote ruimte bevond die de twee verdiepingen innam en zich uitstrekte over de binnenkoer en het herenhuis heen. Een boogconstructie in de zaal moest het dak mee dragen. Om deze bogen te ondersteunen werd de muur tussen de vierde en de vijfde winkel (I en J) flink verstevigd.

In de derde winkel (G-H) wordt een tussenmuurtje gebouwd. Via een inkomhal (H) en een voorkamer (G) bereikt men kamer D. Vlak achter deze kamer (waarvan de deur werd verbreed) wordt een trap geïnstalleerd naar de eerste verdieping, naar de nieuwe zaal, en de tweede verdieping. Zo bereikten de gelovigen hun plaats van samenkomst.

In deze hypothese immers, het eerst geformuleerd in 1939 en daarna verder uitgewerkt, werd hier een zaal voor christelijke erediensten ingericht. Eigenlijk was deze centraal gelegen op een prestigieuze plek: vlakbij het tempelcomplex van keizer Claudius, nabij het Colosseum. Men beroept zich daarbij op sommige wanddecoraties op het gelijkvloers (cf. infra). Dit proces zou voltooid zijn tegen het einde van de derde eeuw. Op de maquette zijn deze veranderingen in blauw en blauwwit aangeduid.

Halfweg de derde eeuw kende het christendom in Rome voortdurend uitbreiding ondanks de vervolgingen door keizer Decius (249-251, edict in 250) en keizer Valerianus (253-260, edicten in 257 en 258). Keizer Gallienus (260-268, edict 260) gaf ze de toestemming hun godsdienst weer te beoefenen en schonk hun de plaatsen van eredienst en begraafplaatsen terug.

Deze tolerantie betekende nog geen wettelijke toelating. De nood aan grotere ruimten voor samenkomsten bleef toenemen. Zij werden nog steeds gevestigd in private eigendommen, zoals de kleinere huiskerken (domus ecclesiae) van weleer. Hier stonden de christelijke gemeenten in voor eredienst, catechese, doopsel, begraving, diaconie (dienstverlening aan armen). Zij hadden een eigen vermogen en eigen presbyters (oudsten, priesters).

Het blijft gissen en zoeken naar plaatsen waar die grotere huiskerken zich in Rome bevonden. Het is niet noodzakelijk dat op de plek van een huiskerk later een kerk gebouwd werd. Onder bisschop Cornelius (251-253) waren in Rome, volgens de kerkhistoricus Eusebius, 46 priesters. Het aantal christelijke huiskerken schat men dan tussen vijftien en twintig, verdeeld over verschillende wijken van de stad.

Een aantal huiskerken/kerken werd mettertijd aangeduid met de term titulus, bekend uit de notulen van de Romeinse synode in 499. Deze term verwijst naar een eigendom, vergezeld van de naam van de eigenaar. De huiskerk aanwezig in de Case Romane zou de titulus Byzantis (kerk van Byzas) geweest zijn, genoemd naar de eigenaar van het huis.

Zoals gezegd ging de herinrichting van het wooncomplex gepaard met een decoratie van de benedenvertrekken. De winkels verdwenen dus. Naar het einde van de derde eeuw worden in de binnenkoer (A) twee nimfea (wandfonteinen) geïnstalleerd. Boven het nimfeum aan het westelijke uiteinde is een indrukwekkend fresco te zien van drie op vijf meter. Op een rots of een eiland in het water zitten twee vrouwelijke figuren, een derde mannelijke figuur schenkt een drank in een drinkschaal. Rondom rond zien we spelende en vissende eroten.

Zou het Proserpina zijn die bij het begin van de lente terugkeert uit de onderwereld in gezelschap van haar moeder Ceres en haar broer Bacchus? Houdt zij een schaal in de hand waarin Bacchus een offer plengt? Of is het Venus, de beschermster van de zeevaarders? Sommigen kiezen voor Venus, omdat het tafereel doet denken aan het Isola Sacra van Ostia dat aan haar toegewijd is. De binnenkoer lijkt wel ingericht als een viridarium in een stadsvilla: een frisse plek met een waterpartij om te genieten en te relaxen.

Eveneens eind derde eeuw zijn muurschilderingen aangebracht in kamer B, palend aan het nimfeum. Het zijn de mooiste van heel het huis. Was deze kamer, evenals kamer V, een eetruimte? De bekleding van de onderste wand is verdwenen (hout?, marmer?). Erboven, op een tweede register staan jonge mannen. Ze zijn met tien, doch waarschijnlijk waren het er twaalf, verwijzend naar de maanden van het jaar. Of zijn het de beschermers, de genii, van de seizoenen?

Zij hebben een mantel om de schouder en dragen een lange veelkleurige guirlande. Het lijken wel efeben. De kamer wordt dan ook de kamer van de genii of van de efeben genoemd. Tussen hen stapt en fladdert groot en klein gevogelte, een scène vol leven. Op het tongewelf zijn eroten bezig met de wijnoogst ook te midden van een levendige natuur. Deze taferelen doen onmiddellijk denken aan de eroten en het plengen van wijn op de muurschildering boven het nimfeum, vlak ernaast, en versterken de indruk van een viridarium.

De wandschilderingen in de kamers C-D en F-G zijn typisch vierde-eeuws. De wanden tonen een naschildering van veelkleurig inlegmarmer. Op de zoldering, in vakken verdeeld, zijn figuren geschilderd, zoals in kamer D. De muurschilderingen in deze kamer werden aangebracht begin de vierde eeuw. We zijn in de tijd van keizer Constantijn de Grote (306-337). Op de wanden treffen we (zoals in kamers C-F) imitatiemarmer aan, daarboven loopt een band van guirlandes de kamer rond. Het gewelf is in 12 secties opgedeeld maar het centrale gedeelte is verdwenen.

Er zijn o.m. een orante, mannen in pallium (een met boekrol en een met schrijftafeltje), maskers, schapen en bokken afgebeeld. Er is een idyllische, bucolische sfeer aanwezig, erg verspreid en geliefd. In een christelijke omgeving drukken dergelijke taferelen rust, zegen en geluk uit van gelovigen. De personages die bezig zijn te schrijven of te lezen kunnen filosofen zijn, maar in een christelijke duiding verdiepen zij zich in de leer (en belering) van het ware geloof. Sommigen zien er apostelen in.

Een orante is een (meestal vrouwelijke) figuur in staande houding met uitgestrekte armen, de handpalmen opwaarts gekeerd. Deze vinden we ook in de catacomben (b.v. catacomben van Priscilla en de Petrus-en-Marcellinuscatacomben, ca. 300 n.C.) en op sarcofagen (b.v. sarcofaag van S. Maria Antiqua (derde/vierde eeuw). De figuur staat symbool voor pietas, toewijding. De orans kan ook fungeren als een christelijk embleem. In een christelijke context gaat het om toewijding in het geloof. Voor de hypothese dat in het wooncomplex een huiskerk werd ondergebracht is deze afbeelding een beslissende aanwijzing.

Naar het einde van de vierde eeuw herstructureert men in de binnenkoer de trap vlak achter de deuropening van kamer D. Men onderbreekt de trap (a) op het niveau van de vliering van kamer I en legt een overloop aan, bijna vijf meter lang. Deze loopt uit op een rechthoekige ruimte (b), iets meer dan één vierkante meter, een confessio.

In de achterwand vertoont zich een rechthoekige opening die uitgeeft op een vierkante schacht (c). Deze werd opgericht om relikwieën van martelaren te bewaren. Hij verheft zich vanaf het gelijkvloers tot in de zaal van de eerste verdieping. Een confessio is eigenlijk het graf van een heilige (martelaar) onder een altaar in een kerk, waarvoor gelovigen kunnen bidden. Het graf of de relikwieën zijn dikwijls zichtbaar door een opening.

De heilige is een voorbeeld in het belijden (confessio, belijdenis) en beleven van het geloof en is er soms voor gestorven. Hier zou men het een belijdeniskapel kunnen noemen, de wanden beschilderd met zeven taferelen. Verdere verbouwingen moesten gebeuren om de zaal voor christelijke erediensten en de bovenste verdieping nog te kunnen bereiken.Toen begin vijfde eeuw in de plaats van het wooncomplex een basilica werd opgericht bleef het gelijkvloers, met deze confessio, gespaard maar was niet meer toegankelijk.

In 1887 en 1913 voerden de Passionisten van het naburige klooster opgravingen uit onder de kerk in het gelijkvloers van de Case Romane. Zij gingen op zoek naar Johannes en Paulus, de patroonheiligen van de kerk (niet de apostelen). Bij de eerste opgravingen ontdekte men de confessio. Bij de tweede legde men eerst twee graven onderaan de schacht en daarna drie graven nabij de apsis van de kerk bloot.

De ontdekking van de graven en de afbeeldingen van de confessio betekenden voor hen een bevestiging van het lijdensverhaal van Johannes en Paulus. De twee martelaren hadden gediend in het leger Constantijn de Grote (306-337) en waren lijfwachten geweest van zijn dochter Constantina. Na haar dood trokken zij zich terug in hun huis op de Caelius en wijdden zich, met de nalatenschap van Constantina, aan de zorg voor de armen.

Keizer Julianus de Afvallige (361-363) eiste hen terug op in zijn leger. Hij stuurde Terentianus, een legeroverste, op hen af, maar zij weigerden te offeren voor de keizer omwille van hun christelijk geloof; ter plaatse in hun huis op de Caelius werden zij onthoofd en begraven. Dit gebeurde in de nacht van 26 op 27 juni 362. Op deze dagen zullen zij elk jaar gevierd worden. In een uitbreiding van het verhaal worden hun drie medewerkers, Crispus, Crispinianus en Benedicta ook in het huis van Johannes en Paulus gedood en begraven. Het verhaal kende nog andere varianten en uitbreidingen.

De inrichting van de kapel en de wandschilderingen worden helemaal vanuit dit verhaal uitgelegd. De opening in de achterwand geeft uit op de schacht waarin onderaan de martelaren begraven liggen. Links en rechts ervan staan twee figuren, Johannes en Paulus, nog half zichtbaar. Onder de opening staat een orante, te identificeren met Christus. Twee figuren zitten links en rechts op de knieën (proskynesis, verering met diepe buiging). Zijn dit ook niet de twee martelaren?

Op het linkse register bovenaan vindt de arrestatie plaats van twee mannen en een vrouw door twee militairen of politiemensen (zie beret). Op het rechterregister boven worden ze terechtgesteld. Het gaat om Crispus, Crispinianus en Benedicta, de volgelingen van de vereerde heiligen; zij werden ook in het huis op de Caelius begraven.

Dat deze figuren drie martelaren zijn is een constante in de interpretatie van de gehele beeldtaal in deze confessio/bidkapel. Onderaan op de linkerwand schrijden twee mannen naar voor, een ervan draagt liturgisch vaatwerk. Het zijn Crispus en Crispinianus. Aan de rechterzijde begeven zich twee vrouwen naar de confessio, Benedicta en een andere vrouw uit hun christelijke kring.

Reeds in de dagen toen deze verklaring van de muurschilderingen opgeld maakte werden ernstige vragen gesteld over historiciteit van het martelaarschap. Vanuit historisch standpunt weze inderdaad gezegd dat keizer Julianus de Afvallige (361-363), hoezeer hij zich ook keerde tegen het christendom, er zich steeds tegen verzet heeft dat er christelijke martelaren zouden vallen. Toch heeft latere christelijke literatuur talloze martelaren aan hem toegeschreven, ook in Rome, bijvoorbeeld Johannes en Paulus. Hun lijdensverhaal (passio) was in Rome al bekend begin zesde eeuw.

Begin vijfde eeuw (vanaf ca. 410) werden de Case Romane, inclusief de huiskerk, afgebroken op de gelijkvloerse verdieping na en de voorgevel die nu, langs de Clivo di Scauro, de linkerzijgevel vormt van de basilica die in de plaats van de huizen werd opgericht. De kerk werd aanvankelijk genoemd naar Pammachius. Hij staat bekend als een vriend van Hiëronymus (vertaalde in opdracht van paus Damasus (366-384) de bijbel in het Latijn (Vulgaat).

Een altaar vooraan rechts in de middenbeuk was aan de martelaren gewijd. Het zou daar in de vijfde of zesde eeuw geplaatst zijn en is nog betuigd in 1573. Het is intussen verdwenen. In de plaats ervan ligt een gedenksteen met als opschrift: LOCUS MARTYRII SS. IANNIS ET PAULI IN AEDIBUS PROPRIIS. Plaats van het martelaarschap van de heiligen Johannes en Paulus in hun eigen huis.

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel II van een vijfdelige bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.

Filmregisseur Vittorio Taviani (88) overleden in Rome

15 april 2018

De Italiaanse filmregisseur Vittorio Taviani is op 88-jarige leeftijd in Rome overleden. Taviani maakte vanaf 1960 samen met zijn twee jaar jongere broer Paolo talrijke films en documentaires. Ze begonnen hun loopbaan als journalisten, maar kwamen in de filmwereld terecht toen ze in 1960 een documentaire maakten samen met de Nederlandse documentairemaker Joris Ivens (1898-1989), L’Italia non è un paese povero (Italië is geen arm land).

De twee broers maakten vervolgens tal van belangrijke films voor de historie van het Italiaanse witte doek, zoals Padre Padrone (Vader en Meester, 1977), La notte di San Lorenzo (De Nacht van de vallende sterren, 1982) en Kaos (Chaos 1984). In de jaren ’90 van de vorige eeuw leek hun carrière vast te lopen, maar ze keerden met succes terug, onder meer als makers van tv-series. Ook hun film Cesare deve morire (Cesar moet sterven) uit 2012 was een succes. Die won een Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn.