Archive for 4 juli 2018

De strategische Muur van Aurelianus

4 juli 2018

We hadden het gisteren over Walls. Le Mura di Roma, de nieuwe fototentoonstelling over de Aureliaanse Muur in Rome die nog tot 9 september te zien is in het Ara Pacis-museum. Vandaag gaan we even dieper in op de muur zelf. Slechts elf jaar na een redelijk geslaagde restauratie op diverse fronten verkeert de Aureliaanse Muur (Mura Aureliane) in Rome op verschillende plaatsen opnieuw in slechte staat. Regelmatig valt wel ergens een steen naar beneden of brokkelt een stuk van de muur af.

De aftakeling vindt doorgaans niet plaats aan het origineel gebouwde monument, wel aan de herstellingen die in 2007 meer dan waarschijnlijk slecht of met matige bouwmaterialen werden uitgevoerd. Vooral aan Porta San Lorenzo is de toestand slecht. Bij iedere stevige regenperiode kijken buurtbewoners angstvallig naar de muur om te zien wat er ditmaal weer naar beneden zal komen.

Het goede nieuws is dat de oorspronkelijke kern van de Aureliaanse Muur intact blijft. Maar het herstellings- en metselwerk van de voorbije jaren maakt de omgeving van de muur op verschillende plaatsen ronduit onveilig. Boze buurtbewoners verwijzen naar 2007, toen de muur, niet ver van Piazza Sisto V, over een afstand van zowat vijftien meter lengte in elkaar stortte.

Dat was het jaar waarin meteen opdracht werd gegeven om de meest bedreigde gedeeltes van de muur in kaart te brengen en te herstellen. Dat is toen ook gebeurd, maar de uitvoering liet duidelijk heel wat te wensen over, zo blijkt uit de haast wekelijkse meldingen over losgeraakte stenen die ongeruste bewoners en automobilisten haast wekelijks naar het stadhuis sturen.

Feit is dat de Aureliaanse Muur steeds kwetsbaarder wordt. Het verkeer rond de stad doet het monument uiteraard geen deugd, maar ook het slechte onderhoud, het woekerende onkruid op sommige gedeelten en het voormelde gebrekkige herstelwerk zorgen voor steeds meer ongerustheid. Grote incidenten blijven voorlopig uit. Vóór de instorting in 2007 gebeurde het meest dramatische in 2001, toen in de buurt van Porta Ardeatina na een forse voorjaarsbui een stuk muur van twaalf meter instortte. De herstelling duurde vijf jaar.

Weinig toeristen doen het, en al zeker niet degenen die voor het eerst of slechts enkele dagen in Rome zijn, maar het loont beslist de moeite om de hele stad eens rond te wandelen of te fietsen, terwijl je probeert zo dicht mogelijk bij de muur te blijven. Maak er gerust een meerdaagse tocht van, je zal onderweg fraaie bouwkundige staaltjes tegenkomen die je nooit eerder zag of waarvan je zelfs niet besefte dat ze bestonden. De muur toont op vele plaatsen sporen van het woeste verleden, tot en met ingeslagen kanonskogels.

Het is jammer dat niet meer mensen het enorme historische belang van de muur beseffen, vooral omdat deze omwalling tot de meest indrukwekkende nog bewaarde monumenten van Rome behoort. Als geheel is de Aureliaanse Muur een nauwelijks te overtreffen magnifiek staaltje van Romeinse bouwkunst.

De Aureliaanse muur is de derde omwalling in de geschiedenis van de stad. De Romeinen noemden hem ‘il muro torto’, de kromme muur. Bij de stichting van de stad werd een eerste muur rond de Capitolijnse heuvel gebouwd, waarvan nog sporen te zien zijn bij Piazza Venezia. De tweede stadsmuur beantwoordde tijdens de Romeinse Republiek aan een behoefte aan veiligheid aan de vooravond van de Punische oorlogen. Dat was de zogenaamde Muur van Servius Tullius, waarvan we onder andere nog resten zien aan stazione Termini.

Gedurende de volgende eeuwen had Rome geen behoefte aan grote, stevige stadsmuren. De Pax Romana, de uitgestrektheid van het Romeinse Rijk en de vlotte communicatie dankzij het uitgebreide wegennet zorgde ervoor dat elke nadering van een potentiële vijand meteen zou worden gesignaleerd. Pas op het einde van de derde eeuw ontstond de behoefte aan een nieuwe degelijke omwalling voor de stad.

Hoewel keizer Aurelianus (270-275) de Alemanni na twee veldslagen definitief verslagen had, omringde hij Rome daarna met een nieuwe stadsmuur. De werken vorderden snel en werden beëindigd door keizer Probus (276-282). Aanvankelijk vormde de muur een nogal bescheiden verdediging die weliswaar volstond om weinig ontwikkelde volkeren tegen te houden, maar die zeker geen langdurig beleg kon doorstaan. Bovendien waren niet alle veertien districten van de stad beschermd en hield de muur geen rekening met de officiële grenzen van de stad.

De Romeinse ingenieurs streefden ernaar de meest strategische punten met mekaar te verbinden en daarbij zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande bouwwerken, zoals aquaducten. Zo zijn er bv. tussen de Pincio en de Porta Salaria tolpalen (cippi) uit deze periode ontdekt die tot 100 m buiten de muren stonden. Van de Porta Prenestina tot de Porta Asinaria (Lateranen) strekte het vijfde distrikt zich nog over 300 m buiten de wallen uit, en voor het veertiende distrikt (Trastevere) was dat zelfs 1.800 m.

De stadsmuur van Aurelianus was destijds 18,837 km lang en omvatte ongeveer 1.386 ha. Dat is een vierkant met een zijde van zowat 3,7 km of een cirkel met een straal van 2,1 km. Zoals we reeds vertelden: een monument dat kan tellen. De bakstenen muur had een kern van beton, was 3,5 m dik en gemiddeld ongeveer 6 m hoog. Om de 50 m werd een vierkante toren geplaatst, 381 in totaal waarvan 13 grote. De 18 poorten beschikten over een overdekte dubbele ingang met aan beide zijden een halfronde toren.

Vanaf de Porta Flaminia (de huidige Porta del Popolo) liep de muur over de Pincio tot de Porta Salaria. Daar draaide het bouwwerk naar het zuid-oosten, omvatte het Castro Pretorio en liep tot de Porta Tiburtina (de huidige Porta San Lorenzo) en de Porta Prenestina (vandaag de Porta Maggiore). Daar draaide de muur bruusk naar het zuid-westen richting Porta Asinaria (Lateranen) en voorts de Porta Metronia. Dit is het meest indrukwekkende nog bestaande deel van de muur.

Vervolgens liep de Aureliaanse muur naar het zuiden tot de Porta Appia (de huidige Porta San Sebastiano) zodat een deel van de consulaire Via Appia binnen de stadsmuren kwam te liggen. Dit was het meest zuidelijke punt van de muur die na de Porta Ardeatina westwaarts richting Porta Ostiensis liep (vandaag de Porta San Paolo, aan de Piramide van Cestius). Uiteindelijk bereikte de stadsmuur de oever van de Tiber, waarna de rivier noordwaarts gevolgd werd tot het Emporium, de haven van de stad. Bij de Ponte Sublicius, nu de Ponte Aventino, werd de Tiber overgestoken.

De muur liep noord-west vanaf de Porta Portuensis naar de Porta Aurelia, het meest westelijke punt van de muur, om noord-oost de Porta Settimiana te bereiken, waar de Tiber opnieuw werd overgestoken. Ten slotte werd de linkeroever van de Tiber gevolgd om uiteindelijk, na het bruggenhoofd aan de Engelenburcht, zich te sluiten aan de Porta Flaminia.

Dertig jaar na Probus verdubbelde keizer Maxentius (306-312) de hoogte van de muur waarbij een borstwering werd toegevoegd. De keizers Honorius (395-423) en Arcadius versterkten de muren vanaf 401 en vervingen de borstwering door een overdekte tunnel met daarop een nieuwe borstwering met kantelen. Deze ingrepen konden echter niet verhinderen dat in 410 de Goten onder Alarik (dus 800 jaar na de inval der Galliërs in 390 v. Chr.) Rome binnenvielen en plunderden. Hieronymus schrijft ‘capitus urbs, quae totum cepit orbem’, ze werd veroverd de stad die de hele wereld veroverde. De ontzette Augustinus reageerde met zijn ‘Civitas Dei’.

Het zwakke punt in de verdediging van Rome was echter niet de Aureliaanse Muur, maar wel het gebrek aan verdedigingstroepen. In 410 bevond het gros van het Romeinse leger zich met de keizer in Ravenna. De schade was, achteraf bekeken, misschien niet zo heel groot, het schrikeffect was echter gigantisch, zoals ook uit notities van verscheidene schrijvers uit die tijd blijkt. Veel rampzaliger was de plundering van Rome door de Vandalen in 455, al gebeurde dat zonder bloedvergieten. Dat kon gebeuren doordat een aantal Goten die in het dienst van het Romeinse leger waren, verraad pleegden en de deuren van de (vandaag niet meer gebruikte) Porta Asinaria openden.

De overblijfselen van de Porta Asinaria vind je naast de betrekkelijk moderne Porta San Giovanni, in het verlengde van de lange muur naast de basiliek van Sint-Jan-in-Lateranen. Naast de zestiende eeuwse poort van Giacomo della Porta verrijzen de torens van de oude Porta Asinare, de poort van de ezeldrijvers. Het poortgebouw dateert uit de derde eeuw, de ronde torens en de kantelen werden zoals gezegd toegevoegd in het begin van de vijfde eeuw. De buitenkant werd gedeeltelijk bedekt met travertijn.

Het was aan de achterzijde van dit poortgebouw dat in 546 een aantal Goten die in het Romeinse leger dienden, de poorten openden voor de horden van de Ostrogoot Totila. De barbaren plunderden daarna de stad. Toen de op wraak beluste Hendrik IV (herinner Canossa) in 1084 de stad binnentrok, gebeurde dat eveneens langs deze kleine poort. Hij was toen vergezeld van Ghiberto die als antipaus de naam Clemens III (1080-1100) droeg.

De vaak herstelde muren boden de stad bescherming tot 1870, toen de koninklijke troepen met gebruik van moderne artillerie een bres sloegen bij de huidige Porta Pia. Van de Aureliaanse Muur zijn er vandaag nog ongeveer 13 km intact, waaronder indrukwekkende delen zoals links en rechts van de Porta Latina, van Porta Latina tot de Porta San Sebastiano en bij de Porta Metronia, ten westen van Lateranen.

Interessant voor wie belang stelt in de geschiedenis van de Romeinse muren is het kleine Museo della Mura, een museum dat gevestigd is in de Porta San Sebastiano (stadskant). Er zijn vijf ruimtes met documenten en maquettes over de ontwikkeling van de verdedigingsmuur van de Oudheid tot heden. Vooraleer een museum te worden, tot aan het einde van Wereldoorlog II, was het poortgebouw bewoond. Het museum is tegenwoordig gratis toegankelijk. Groepen kunnen een begeleid bezoek boeken.

Vanaf de Porta San Sebastiano konden bezoekers vroeger een wandeling over de muren maken tot aan de Via Cristoforo Colombo (dat is het verlengde van de Via delle Terme di Caracalla) over een afstand van zowat 400 m. Deze attractieve en interessante wandelweg is helaas al een hele tijd gesloten voor het publiek.

Keizer Aurelianus Lucius Domitius (geboren in de noordelijke Balkan 214 en gedood in 275 in Thracië) is één van de zogenaamde Romeinse ‘soldatenkeizers’ en regeerde van 270 tot 275. Aurelianus maakte carrière als cavaleriecommandant en was met zijn voorganger en begunstiger Claudius II Gothicus medeplichtig aan de moord op keizer Gallienus (268). Toen Claudius in 270 tijdens een epidemie stierf, werd Aurelianus door zijn soldaten aan de Donau tot keizer uitgeroepen en herstelde met ijzeren hand de discipline in het leger.

Hij erkende in het oosten voorlopig de minderjarige Vabalathus als heerser van het Palmyreense Rijk onder het regentschap van zijn moeder, koningin-weduwe Septimia Zenobia. Aurelianus kreeg hierdoor de handen vrij om tijdens enkele veldtochten de Donaugrens te herstellen en Germaanse invallers uit Noord-Italië terug te drijven. Hij begon in 271 behalve andere Italiaanse steden ook Rome met een geweldige muur te omgeven.

Omdat Zenobia ondertussen Vabalathus tot keizer had laten uitroepen, rukte Aurelianus naar Syrië op. Hij versloeg haar bij Emesa (thans Homs) en belegerde Palmyra, dat zich overgaf toen Zenobia in gevangenschap geraakte. De stad kwam in 273 weer in opstand en werd door Aurelianus in een tweede veldtocht geplunderd. Hetzelfde jaar leverde in het westen de usurpator Tetricus, sinds 270 deelkeizer van Gallia en Hispania en door zijn eigen soldaten in het nauw gebracht, in de Catalaunische velden zijn leger en rijk aan Aurelianus uit.

Aurelianus probeerde ondertussen in het binnenland het muntwezen te saneren (wat in 271 in Rome een bloedig neergeslagen opstand van het muntpersoneel met aanhang uitlokte), verhief de Syrische zonnegod onder de naam sol invictus ( ‘onoverwinnelijke zon’) tot rijksgod met een tempel in Rome en trad onder de titel dominus et deus ( ‘heer en god’) als absoluut heerser op, met diadeem en pronkgewaad.

Hij bereidde een veldtocht tegen Perzië voor, maar werd op weg daarheen eind 275 in Thracië door een samenzwering van zijn secretaris vermoord; hierdoor vond ook de reeds dreigende christenvervolging geen doorgang. Hoewel hij ten noorden van de Donau de provincie Dacia (het huidige Roemenië) definitief moest prijsgeven, werd hij niet helemaal onterecht restitutor imperii, ‘hersteller van (de eenheid van) het Romeinse Rijk’, genoemd.