Horrea Agrippiana open voor publiek

In Rome is de Horrea Agrippiana geopend voor het publiek. Dat is de enorme opslagplaats uit de tijd van keizer Augustus, die zich aan de rand van het Forum Romanum en de Palatijnse heuvel bevindt en grenst aan de San Teodoro-kerk. Tijdens de opgravingen die hier de voorbije jaren plaatsvonden werden belangrijke ontdekkingen gedaan, waaronder een goed bewaarde mozaïekvloer, marmeren restanten van het Forum Romanum en de fraaie sculptuur van een sfinx in Grieks marmer die wellicht heeft dienst gedaan als basis voor een tafel. Er werd ook een put ontdekt die gevuld was met vrijwel intacte amforen uit de laatste jaren van de Romeinse Republiek. Niet alles op de site is al opgegraven, die werkzaamheden gaan gewoon voort. In afwachting is nu wel reeds een interessant gedeelte van het Forum Romanum toegankelijk gemaakt voor bezoekers.

Je bereikt de Horrea Agrippiana als je voorbij de Santa Maria Antiqua de Vicus Tuscus (de weg die het Forum Romanum verbond met het Forum Boarium, waar zich de oudste rivierhaven van de Tiber bevond) nog iets verder in dezelfde richting volgt, dus weg van het Forum. Aan dezelfde kant van de weg (dus links) zie je een groot complex uitgevoerd in bakstenen.

De grote, hoge, open ruimte kreeg in de literatuur verschillende namen. In sommige teksten noemde men deze plaats de tempel van Augustus, wat zeker niet correct is, soms werd ze de Bibliotheek van Augustus geheten en de meest nuchtere auteurs opteerden kortweg voor ‘de bakstenen zaal’. Vandaag weten we dat de Romeinen deze zaal Atheneum noemden, maar toch is de werkelijkheid iets ingewikkelder.

Deze grote hal behoorde tot een complex dat door keizer Domitianus (81-96) gebouwd werd. Tot het geheel behoorde een vereringsplaats voor Minerva, de godin van de wijsheid, wetenschap en kunst, die de studieactiviteiten beschermde. Het was in deze tempel van Minerva dat de lijsten uitgehangen werden van de militairen die eervol met verlof gestuurd werden. Bij die tempel hoorde ook een grote gewelfde zaal die wellicht een bibliotheek was.

In de met marmer belegde muren bevonden zich boven elkaar liggende nissen die langs hangende galerijen bereikt konden worden. Vespasianus (69-79) was de eerste keizer die aan retoricaleraars een wedde uitbetaalde, daarom zou het kunnen dat zijn jongste zoon Domitianus hier een bibliotheek liet oprichten. Maar zeker is dat niet. Wel zeker is dat keizer Hadrianus bijna veertig jaar later een verbinding liet aanleggen tussen dit complex en het precies hierboven liggende keizerlijke paleis, het Domus Tiberiana op de Palatijn.

Voor het vermeende Atheneum bevonden zich langs de kant van de Vicus Tuscus een reeks winkeltjes (eveneens uit de tijd van Hadrianus) en langs de kant van het Forum Romanum bevond zich een porticus welke zich op de plaats bevond van het afgesloten wegje dat naar de ingang van de Santa Maria Antiqua loopt.

Achter de hoge bakstenen muur voor ons bevindt zich de langwerpige ruimte, evenwijdig met de Vicus Tuscus, waarin zich de Santa Maria Antiqua bevindt. Rechts van de voormelde ‘bakstenen zaal’, vinden we de zogenaamde horrea Agrippiana waarvan een deel bezet wordt door de achter de struiken verscholen orthodoxe San Teodoro-kerk aan de Via di San Teodoro.

Het is een grote, open ruimte, met de resten van enkele gebouwen en kamers. Zij behoorden tot de opslagplaatsen die horrea Agrippiana werden genoemd. Het complex werd op het einde van de eerste eeuw gebouwd door Marcus Agrippa (63 v. Chr. – 12 v. Chr.), de beste vriend en rechterhand van Octavianus, de latere keizer Augustus en de echtgenoot van diens dochter Julia.

De horrea waren de pakhuizen die verspreid lagen over de stad en waar alle ingevoerde producten vanuit de haven van Rome, het emporium (een handelsplaats of een gebied dat vrijwel uitsluitend voor en door de handel werd gebruikt) werden opgeslagen. Sommige waren speciaal bestemd voor één bepaalde soort goederen, zoals de horrea chartaria op de Esquilinus waar papyrusrollen en perkamentbladen opgeslagen werden, terwijl in de horrea piperataria voorraden peper, gember en andere specerijen lagen opgestapeld.

De meeste horrea waren echter voor allerlei producten bedoeld, zoals ook deze horrea Agrippiana, gelegen tussen de Clivius Victoriae en de Vicus Tuscus. Hier bevonden zich verschillende gebouwen waar goederen in afwachting van de verkoop tijdelijk konden worden opgeslagen. De horrea Agrippiana waren de verzamelnaam van een enorm magazijncomplex in tufsteen van twee verdiepingen hoog.

Het gebouw had een oppervlakte van 50 x 54 m en was aan de vier zijden omgeven door een zuilengalerij. Uit vondsten weten we dat de binnenhof van het pakhuis rijk versierd was met korintische zuilen en halfzuilen. Het complex is gecentreerd rond drie binnenplaatsen, elk omringd door twee verdiepingen van kamers die hebben gediend als winkels of opslag. Elke binnenplaats had een plat houten dak dat werd ondersteund door stenen zuilen.

Op de middelste binnenplaats bevond zich een altaar met de beschermgod van de horrea en een fontein. Aan de voorzijde van het gebouw bevond zich een portiek in travertijn. De enorme ruimtes werden met bakstenen verdeeld in kleinere kamers die fungeerden als winkels of tavernes. Aan elke boog van de porticus had je een ruimte met een diepte van ongeveer 9 m waar de goederen werden opgeslagen; in het voorste gedeelte vond de handel plaats.

Terloops iets over de Romeinse bouwtechnieken. Wat we hier zien zijn slechts de muurkernen. Tussen twee opgemetselde muren werd een laag mortel gestort, bestaande uit water, drie delen zand en één deel kalk, daarbij werd fijn gemalen tufsteen (tras) gevoegd waardoor een specie ontstond die zowel onder water als in de lucht zeer hard werd. Hierop werd een laag stenen gelegd waarmee de specie zich vermengde.

Zodra alles verhard was werd de volgende laag op dezelfde wijze aangebracht. De gaten die we nu in de muren zien, zijn sporen van weggerotte dwarsbalken, waarop de steigerplanken rustten. Deze openingen verdwenen achter de bekleding met marmerplaten. Behalve marmer werd ook gebruik gemaakt van baksteenafwerking.

Het gebouw liep fameuze schade op door twee branden: in het jaar 27 onder keizer Tiberius en vervolgens bij de beruchte grote brand in 64 onder keizer Nero. Het zou bijna dertig jaar duren vooraleer het complex in opdracht van keizer Trajanus werd gerestaureerd. Bij die gelegenheid werd ook een derde verdieping aan het gebouw toegevoegd.

Uit die tijd dateert ook de zwart-witte mozaïekvloer die tijdens de recente opgravingen werd ontdekt en nu te bezichtigen is. In het centrale deel van de binnenplaats werd bovendien een extra tongewelf gebouwd als gevolg van de alsmaar uitbreidende commerciële activiteiten. In de middeleeuwen werden muren afgebroken en werden op de binnenplaatsen huizen gebouwd, waardoor het uitzicht van het hele gebied grondig wijzigde.

MARCUS AGRIPPA – ACHTERGROND

Marcus Vipsanius Agrippa werd in 64 of 63 v. Chr. geboren in Dalmatië. De latere Romeinse generaal, afkomstig uit een Romeins riddergeslacht, was de beste vriend, raadsman en in feite de mederegent van keizer Augustus. Na de moord op Gaius Julius Caesar steunde Agrippa Octavianus (de latere keizer Augustus) in Rome in diens strijd om de macht tegen Marcus Antonius, werd in het jaar 43 volkstribuun en nam deel aan de Slag bij Philippi (in 42), waarin Caesars moordenaars Brutus en Cassius door Marcus Antonius en Octavianus werden verslagen. Ook in de oorlog tussen deze laatsten om Perusia speelde hij een rol. Als gouverneur van Gallia Transalpina (39-38) bracht hij het volk der Ubii over naar de linker Rijnoever, waar Oppidum Ubiorum (het latere Keulen) hun hoofdstad werd.

Als consul reorganiseerde Agrippa in 37 de Romeinse vloot en maakte van Misenum aan de Golf van Napels de voornaamste Romeinse marinebasis; tevens bracht hij het Verdrag van Tarente tot stand, waarbij het van 43 daterende triumviraat of driemanschap van Octavianus (in het westen), Marcus Antonius (in het oosten) en Lepidus voor vijf jaar werd verlengd. In 36 overwon Agrippa in een zeeslag bij Naulochos (Noordoost-Sicilië) Sextus Pompejus die, met Sicilië als basis, getracht had Italië door een blokkade uit te hongeren.

Na vlootoperaties in Illyrië begon Marcus Agrippa in 33 als aedilis met de bouw van aquaducten, badhuizen en andere constructies in Rome. Vervolgens versterkte hij de marine weer met het oog op een dreigend conflict met Antonius en Cleopatra van Egypte. Beiden werden in 31 bij Actium door Octavianus’ vloot onder commando van Agrippa verslagen, waarmee definitief een einde kwam aan de burgeroorlogen.

Terwijl Octavianus, voortaan Augustus, oorlog voerde in Spanje, was Agrippa van 27 tot 24 in Rome zijn plaatsvervanger. Daar voltooide hij o.a. op het Marsveld in 25 het Pantheon (dat later door keizer Hadrianus werd herbouwd) en begon met de bouw van de ten zuiden daaraan grenzende ‘thermen van Agrippa’, de eerste van de monumentale openbare badinrichtingen in Rome.

In 23 werd Augustus tijdelijk zeer ernstig ziek en overhandigde Agrippa zijn zegelring, het symbool voor het keizerschap. Agrippa werd in hetzelfde jaar inspecteur-generaal van de oostelijke provincies, maar werd in 21 door Augustus teruggeroepen om in het onrustige Rome de orde te herstellen. Omdat Augustus zich van 21 tot 19 in het oosten bevond om de Parthische kwestie te regelen, had hij het imperium maius (algemene bevelsmacht, zie ook imperium) over Rome en het westen overgedragen aan Agrippa.

Deze moest echter van 20 tot 19 de pacificatie van Spanje voltooien door in het noordwesten de Cantabri en Astures te onderwerpen. Hij kreeg in 18 het buitengewoon imperium in het gehele rijk en de tribunicia potestas (de bevoegdheden van een volkstribuun.) voor vijf jaar en kon in 17, na met Augustus de ludi saeculares (eeuwfeesten) gevierd te hebben, weer naar het Oosten vertrekken. Na de terugkeer van beiden in Rome (13) werd hun tribunicia potestas met vijf jaar verlengd, maar Agrippa stierf kort daarop in Campanië (in 12 v. Chr.). Augustus sprak bij zijn begrafenis in het Mausoleum Augusti de lijkrede uit.

Uit zijn eerste huwelijk had Agrippa een dochter Vipsania Agrippina (de eerste vrouw van de latere keizer Tiberius). In 28 trouwde hij met Claudia Marcella, de dochter van Augustus’ zuster Octavia. Hij moest echter van haar scheiden na de dood van haar broer, de aspirant-opvolger Marcellus (in 23), en met diens weduwe, Augustus’ dochter Julia, zijn derde huwelijk aangaan (in 21). Hieruit werden vijf kinderen geboren, Gaius, Lucius, Vipsania Iulia Agrippina, Vipsania Agrippina Maior en Agrippa Postumus (postuum geboren). De eerste twee werden nog tijdens het leven van hun vader als zoons geadopteerd door Augustus, die een dynastie wilde stichten, maar beide kinderen stierven nog vóór hem.

Marcus Agrippa’s positie als tweede man van Rome was uniek. Zij wordt in deze vorm in de hele Keizertijd niet meer aangetroffen. Als kundig geograaf schreef hij de Commentarii (geographici), ook genaamd Descriptio orbis: een systematisch overzicht van de toen bekende wereld, dat na zijn dood werd gepubliceerd, maar helaas verloren is gegaan.

Op grond van deze ‘aantekeningen’ was Agrippa begonnen een wereldkaart te ontwerpen (de eerste kaart met lengte- en breedtegraden), die Augustus met behulp van nagelaten gegevens liet voltooien en later, overeenkomstig Agrippa’s plan, als muurkaart in een zuilenhal liet aanbrengen.

Deze is niet te verwarren met de Forma Urbis Romae, de grote marmeren stadskaart van Rome uit het begin van de derde eeuw die zich op de muur van de Vredestempel van keizer Vespasianus bevond.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.