De laatste rustplaats van Keats en Severn

Het Cimitero Acattolico per gli Stranieri, ook wel bekend als het Cimitero degli Inglesi (Kerkhof van de Engelsen), of kortweg het Cimitero dei protestanti, is een kerkhof in de wijk Testaccio, vlak achter de Piramide van Cestius en dichtbij de Porta San Paolo en Piazzale Ostiense. Onder oude cipressen liggen hier vele Noord-Europeanen die nooit meer de weg over de Alpen hebben teruggevonden. De begraafplaats is vooral bekend als de laatste rustplaats van John Keats en Joseph Severn, maar bevat zeer veel fraaie tombes en monumenten. Deze al bij al stemmige dodenakker heeft op vele mensen een bijzondere aantrekkingskracht.

Het kerkhof is minder oud dan velen vermoeden, hoewel hier al sinds 1738 met pauselijke toestemming nu en dan niet-katholieke burgers van enig aanzien werden begraven. Het eigenlijke kerkhof is pas ontstaan in het begin van de negentiende eeuw toen paus Pius VII (1800-1823) een stuk grond ter beschikking stelde aan Wilhelm von Humboldt om daar zijn twee zonen, die in 1803 en 1807 waren gestorven, te kunnen begraven. Von Humboldt was de Pruisische gezant bij de Heilige Stoel.

De vastgoedwaarde van de grond was voor het Vaticaan op dat moment vrijwel nihil, de grond in kwestie was nutteloos. Het was een weide voor geiten en schapen. Indien deze grond vandaag beschikbaar zou worden gesteld als bouwgrond is de plek miljoenen waard. De paus vond het openen van een begraafplaats voor niet-katholieken noodzakelijk door het toenemende aantal toeristen en bezoekers in Rome. Het was in die tijd verboden om niet-katholieken te begraven in gewijde grond en daarom werden die meestal ’s nachts ter aarde besteld op allerlei willekeurige plaatsen buiten de stad.

De paus wilde een einde maken aan die praktijken en vond het een goed idee om een speciale en centrale begraafplaats in te richten voor alle niet-katholieken die in Rome overleden. Ook de Joden hadden reeds in 1645 op de Aventijn, vlakbij het Circus Maximus, een eigen begraafplaats ingericht. Op die plek bevindt zich vandaag de stedelijke rozentuin, de Roseto Comunale (Via di Valle Murcia 6).

In 1934 vaardigde de stad Rome een decreet uit dat de Joodse gemeenschap verbood op deze plek nog langer te begraven.Het gebied werd toen omgevormd tot een openbare groene ruimte. De oude Joodse begraafplaats werd overgebracht naar een afzonderlijk deel van het grote Romeinse kerkhof Campo Verano. De ruimte aan de Aventijnse heuvel bleef er een beetje verlaten bijliggen tot de Joodse gemeenschap in 1950 een akkoord bereikte met de initiatiefnemers van Roseto Comunale, om op hun voormalige begraafplaats een rozentuin in te richten.

Vóór de ingang van de tuin werd een ster geplaatst om de bezoekers ook vandaag nog te herinneren aan de sacrale historiek van het gebied. Als dank voor het gebruik van de grond werden de diverse wandelpaden in de Rozentuin aangelegd in de vorm van een reusachtige menora, de typische zevenarmige joodse kandelaar, het oude symbool voor het Hebreeuwse volk en één van de oudste symbolen voor het jodendom in het algemeen.

Maar even terug naar het protestantse kerkhof. Er is een aangenaam evenwicht tussen verwildering en zorg, de bloemen en de planten vormen als het ware een deken tussen de graven. Voor zover mogelijk op een dodenakker is het in warmere maanden vooral ’s morgens ‘aangenaam’ wandelen, wanneer al het groen net gesproeid werd.

Omstreeks 1900 schreef de Engels-Amerikaanse auteur Henry James (1843-1916): ‘The most beautiful thing in Italy, almost, seemed to me … the exquisite summer luxuriance of that spot… below the great grey wall, the cypresses and the time silvered Pyramid. It is tremendously, inexhaustibly touching, its effect never fails to overwhelm.’

Met zijn bomen en bloemen roept het Cimitero Acattolico inderdaad wel wat de sfeer op van een Engels plattelandskerkhof. Ondanks de naam en hoewel de plek was bedoeld voor buitenlanders, werden hier onder de cipressen en dennen ook leden van de oosters-orthodoxe kerk en niet-katholieke Italianen begraven. Meer dan vierduizend mensen vonden hier sinds het einde van de achttiende eeuw een laatste rustplaats. Velen rusten in imposante en rijk versierde tombes, andere graven zijn dan weer zeer eenvoudig. Tot halfweg de negentiende eeuw mochten de doden hier enkel ‘s nachts ter aarde worden besteld.

Rondwandelend op het kerkhof tref je tussen twee hoge bomen een steen aan met een bronzen medaillon dat het graf aanduidt van August, de zoon van de Duitse wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). August overleed in Rome in 1830 op veertigjarige leeftijd. De man werd geboren uit de toen onwettige relatie van Goethe met Christiaene Vulpius die later zijn vrouw werd.

Goethe junior was zwaar verslaafd aan alcohol, en zijn vrouw Ottilie had de reputatie het geld over de balk te gooien. Op de grafsteen wordt de naam van August overigens niet vermeld, maar staat er enkel ‘Goethe filius Patri Antevertens obiit annor XL’, naar verluidt een idee van de vader. Johann Wolfgang von Goethe had zelf deze plaats reeds in 1786 bezocht en schreef toen dat hij hier zou willen begraven worden ‘o, moge de god Hermes mij hier op een dag nabij de piramide van Cestius, naar het diepe Hades voeren…’.

Wandelend over een pad tot je de achterzijde van de Piramide van Cestius bereikt (waarvan de ware hoogte van hieruit gezien veel duidelijker is) volg je het wegje tot in de verste uithoek. Tussen twee hoge lariksen vinden we het graf van de jong gestorven John Keats.

Zijn trouwe vriend Joseph Severn die naast hem begraven ligt, noteerde zijn laatste woorden: ‘Did you ever see anyone die – no – well then I pity you poor Severn – what trouble and danger you have got into for me – now you must be firm for it will not last long I shall soon be laid in the quiet grave – thank God for the quiet grave – O! I can feel the cold earth upon me – the daisies growing over me – Oh for this quiet – it will be my first’.

Het graf van John Keats (1795-1821) vermeldt opmerkelijk genoeg zijn naam niet, maar er staat wel de volgende tekst: ‘This grave contains all that was mortal of a young English poet, who on his death bed in the bitterness of his heart at the malicious power of his enemies desired these words to be engraven on his tombstone – here lies one whose name was writ in water – February 24 1821’.

Of: dit graf bevat alles wat sterfelijk was aan een jonge Engelse dichter, die op zijn sterfbed, in de bitterheid van zijn hart, in de kwaadaardige macht van zijn vijanden, de volgende woorden op zijn grafsteen wenste: Hier ligt iemand wiens naam geschreven stond in water).

Deze befaamde zin die John Keats volgens zijn eigen wens op zijn graf wilde moet vagelijk gebaseerd geweest zijn op ‘Hendrik VIII’ van Shakespeare, want daar lezen we: ‘Het slechte van de mensen leeft in koper voort, hun deugden schrijven we in water’. Let ook hier op de foutieve sterfdatum: 24 februari in plaats van 23 februari.

De schrijver en dichter Oscar Wilde (1854-1900) ergerde zich aan de eenvoud van Keats’ onverzorgde en gedeeltelijk met onkruid vervuilde graf in een stad waar pausen en heiligen meestal in goed onderhouden praalgraven rustten. Hij schreef: ‘O triestigste dichter die de wereld zag, in water was jouw naam geschreven als gezang, maar onze tranen houden jouw gedachtenis in leven en zullen ze als koningskruid doen bloeien’.

De Nederlandse schrijver en dichter Felix Rutten (1882-1971), ook wel de Limburgse Romein genoemd, schreef over het graf van John Keats:

Slaap onder uw zo dierbare violen
De zachte slaap van wie onsterflijk zijn.
Wat sterflijk van u was houdt rosmarijn
En bloeiende camelia verscholen.

Iets verder staat op een herdenkingsplaat (bevestigd aan de muur) een antwoord op de graftekst van Keats: ‘Keats! If thy cherished name be ‘writ in water’, each drop has fallen from some mourner’s cheek”.

Naast Keats ligt zoals verteld zijn trouwe vriend en schilder Joseph Severn, en hier lezen we: ‘To the memory of Joseph Severn, devoted friend and death-bed compagnion of John Keats whom he lived to see numbered among the immortal poets of England’. Tussen de beide graven werd Arthur Severn begraven, de zoon van Joseph.

Wat verderop, in de kromming van de eerste toren van de stadmuur werd Percy Byssche Shelley (1792-1822) begraven, hij stierf zoals eerder verteld eveneens erg jong. Hij schreef in ‘tempo non suspecto’ bij een bezoek aan dit kerkhof ‘it might make one in love with death to think that one should be buried in so sweet a place’. Niet vermoedend hoe snel hij zelf ook zou sterven en hier eveneens zou begraven worden, schreef de in zijn tijd reeds gewaardeerde Shelley een lijkdicht op Keats.

Op 8 juli 1822 kwam Shelley tijdens een storm op de Golf van Spezia met zijn zeilboot in moeilijkheden en verdronk. Toen het lichaam elf dagen later aanspoelde kreeg het eerst een voorlopig graf. Midden augustus verbrandden zijn vrienden in het bijzijn van lord Byron (1788-1824) op een houtstapel aan het strand het overschot van de verdronken dichter. Zijn vooraf verwijderde hart ging naar Engeland, enkel de as die overbleef van de brandstapel werd hier op het kerkhof begraven.

Op de steen op het graf van Shelley liet Byron ‘cor cordium’, hart van alle harten, graveren. De volledige tekst luidt ‘Percy Bysshe Shelley, cor cordium, natus IV august 1792, obiit 8 juli 1822, nothing of him that doth fade, but doth suffer a sea-change. Onto something rich and strange’.

De tekst verwijst naar het lied van Ariel in de ‘Tempest’ van William Shakespeare ‘Nothing of him that cloth fade / But doth suffer a sea-change / Into something rich and strange’. Ook Shelley’s zoontje William werd hier begraven. Naast Shelley rust zijn makker Edward Trelawny, een fantast die overigens ook het schip liet ontwerpen waarmee Shelley later in de golven verdween.

Enkele andere bekende personen die op dit kerkhof begraven werden zijn de Amerikaanse dichter Gregory Corso, de Italiaanse schrijver Carlo Emilio Gadda, de Italiaanse schrijver, filosoof en communist Antonio Gramsci, de Russische schilder Aleksandr Ivanov, de Russische dichter Vjatsjeslav Ivanov, de Tsjechische sopraan Mathilde Weissmann, de Friese beeldhouwer Pier Pander en de Russische schilder Karl Brjoellov.

Bij het verlaten van het kerkhof denken we aan de versregel van Carducci ‘l’ora presente è in vano, non fa che percuotere e fugge, sol nel passato è il bello, sol ne la morte è il vero’. De Nederlandse schrijfster Rosita Steenbeek vertaalde het ooit zo: ‘het nu ontsnapt voortdurend, slechts in het verleden is schoonheid te vinden en waarheid alleen in de dood’.

www.cemeteryrome.it

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.