Een meesterwerk van Carlo Maratta

We bevinden ons voor de derde en laatste dag in de San Carlo al Corso, de dagelijkse naam voor de Basilica di Santi Ambrogio e Carlo waarover je eerder al een paar bijdragen kon lezen. In de basiliek zie je boven het hoogaltaar ‘De apotheose van de H. Ambrosius en de H. Carolus’ (1685-1690) een meesterwerk van Carlo Maratta. De heiligen worden afgebeeld met hun symbool, voor Ambrosius de pastorale staf en voor Carolus zijn motto ‘Humilitas’.

Carlo Maratta (1625-1713) was de belangrijkste schilder in het Rome van de late barok. Hij was een leerling van Andrea Sacchi (1559-1661) van wie we ons de vele fresco’s in de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) herinneren. Na de dood van Sacchi opent Maratta zich voor de barok en voor de invloed van da Cortona (1596-1669), de grote opponent van Sacchi. Later koesterde hij een terugkeer naar de kalme, edele stijl van Rafaël en de Carracci’s, in tegenstelling tot het meer dramatische werk van Pietro da Cortona.

Maratta schilderde in de stijl die men weleens ‘gusto grande’ noemde, een theoretische, academische stijl afgeleid van het werk van Rafaël. Daarbij werkte men volgens vaste concepten zoals: het onderwerp moet op een verhoog staan, achtergronden met landschappen mogen slechts minimaal aanwezig zijn, individuën mogen geen eigen bijzonderheden of karakteristieken hebben enz.

Maratta was een zeer goede frescoschilder en in zijn tijd de beste portretschilder in Rome. Na de dood van Bernini in 1680, werd Maratta de onomstreden leider van de Romeinse kunst, men noemde hem de ‘Romeinse Apelles’. In Italië was zijn succes enorm, hij diende zeven pausen, zijn mythologische en religieuze werken inspireerden jonge schilders in heel Europa.

Maar de Grand Tour-reizigers hielden niet van de verheven classicistische decoratiestijl van Maratta die naadloos aansloot bij de doctrinaire en emotionele vereisten van de katholieke Kerk. Na de dood van deze invloedrijke ‘virtuoso’ zakte zijn reputatie snel, ook al omdat zijn leerlingen onder zijn naam nog een heleboel minderwaardige werken afleverden. Hij verdween in de vergetelheid en pas in de twintigste eeuw werd zijn werk weer enigszins naar waarde geschat. Dit geldt ook vandaag nog: voor zover we weten werd in geen enkel hedendaags museum ooit een retrospectieve gewijd aan Maratta.

In Rome vinden we veel werk van Carlo Maratta, onder meer in het Palazzo Venezia, de San Marco, de Santa Maria sopra Minerva, de Gesu, de Santa Maria del Popolo, de Santa Maria in Vallicella, de Sant’ Andrea al Quirinale, in Palazzo Colonna en op nog heel wat andere plaatsen. Ook zijn ‘Doopsel van Christus’ in de Santa Maria degli Angeli waar Maratta begraven werd in een door hemzelf ontworpen tombe (foto hieronder) is een fraai stuk. Een fantastische maar vandaag helaas miskende en zelfs enigszins vergeten kunstenaar.

Ook het hoogaltaar in de San Carlo al Corso verdient enige aandacht, dat heeft alles te maken met Franz Liszt (1811-1886). Muziekliefhebbers kennen wellicht het verhaal. Na een langdurige relatie met gravin d’Agoult, met wie hij drie kinderen had, ontmoette Liszt in 1847 de gehuwde Russische prinses Carolyne Sayn-Wittgenstein die hij omschreef als ‘een buitengewoon en compleet prachtexemplaar van ziel, geest en verstand’.

Het was meteen de grote liefde, al moest het koppel zeventien jaar wachten op de pauselijke toelating om te huwen. In 1860 was de prinses naar Rome gekomen om haar zaak te bepleiten, haar scheiding was immers volgens het kerkelijk recht mogelijk daar zij als minderjarige en tegen haar eigen wil getrouwd was. De paus had er wel oren naar. In oktober 1861 komt ook Liszt naar Rome. Hij betrekt twee kamers aan de Via Sistina, Carolyne verblijft in een appartement aan de nabijgelegen Via del Babuino. Maar enkele dagen vóór het voltrekken van het huwelijk dat in de San Carlo al Corso voor dit altaar moest plaatsvinden, besliste de paus er anders over.

Liszt trekt zich terug in het klooster van Santa Maria del Rosario (nu een ‘slotklooster’ voor nonnen) op de flank van de Monte Mario voorbij de Ponte Milvio. Daar bewaart men nog, gewikkeld in inpakpapier met een touw errond, het kleine klavier dat Liszt er gebruikte voor zijn composities. Paus Pius IX kwam er Liszt zelfs bezoeken op 11 juli 1863. Toen in 1865 de verbreking van het prinselijk huwelijk definitief voor onmogelijk werd verklaard nam Liszt de lagere wijdingen aan. Voortaan noemde hij zich l’abbé Liszt, en ook ‘de zigeuner-franciskaan’.

Tegen de pilaar links van het hoogaltaar, net voor het hekken van de rondgang, bevindt zich een klein, wit vijftiende-eeuws tabernakel voor de heilige olie. Het komt uit de vroegere kerk, de oude Sant’ Ambrogio. De kooromgang (let op het tongewelf) is voor Rome uitzonderlijk, en is wellicht een verwijzing naar de gotische kathedraal van Milaan. In de kapel rechts halfweg de kooromgang, dus voorbij het hekken, wordt het hart van Carlo Borromeo bewaard. Het werd door de aartsbisschop van Milaan op 29 januari 1612 aan de Romeinse gemeenschap geschonken op de dag dat de eerste steen werd gelegd van de huidige basiliek.

Borromeus is één van Rome’s meest populaire heiligen, hij was de neef van Pius IV die hem promoveerde tot kardinaal. Hij deed echter afstand van deze functie om zich te wijden aan de armen van zijn stad. Ambrosius (339-397) was één van de bekwaamste voorvechters van het christendom, die zelfs Theodosius durfde te trotseren (hij weigerde hem de toegang tot zijn kerk wegens de bloedige onderdrukking van een opstand). Als 35-jarige magistraat ontving Ambrosius in één week tijd, het doopsel, de lagere wijdingen en de bisschopswijding.

Hij is naast kerkvader ook de grondlegger van het antifonale psalmgezang. Dank zij zijn muzikale en poëtische vaardigheden slaagde hij erin het zingen van hymnen in Gallië en het toenmalige westen te introduceren, daarbij was Ambrosius zowel componist als tekstschrijver. Augustinus (354-430) die door Ambrosius werd gedoopt, hij was dan 32, getuigt van de grote ontroering die deze hymnen bij hem wekten.

Toen Augustinus de bisschop van Milaan voor het eerst ontmoette, stelde hij tot zijn grote verwondering vast dat ‘als hij een tekst las, gleden zijn ogen over de bladzijden, overwoog hij van binnen de betekenis, maar zijn stem en tong waren in rust’, terwijl Augustinus als ‘provinciaaltje’ enkel hardop kon lezen. Ambrosius sterft twee jaar na Theodosius de Grote, het West-Romeinse keizerrijk had dan nog minder dan een eeuw te gaan.

Destijds kwam de paus met veel vertoon op 4 november naar de San Carlo al Corso ter gelegenheid van het feest van de heilige Carolus Borromeus. In Rome zijn drie kerken naar Carolus vernoemd: de San Carlo al Corso, de San Carlo alle Quattro Fontane en de San Carlo ai Catinari.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.