Archive for juli, 2019

De plafondschildering van Caravaggio in het Casino dell’Aurora

25 juli 2019

In een vorige bijdrage bezochten we Villa Maraini in de wijk Ludovisi aan de Via Ludovisi in Rome. Hier vlakbij, in de Via Lombardia, bevindt zich nog een ander interessant gebouw. Op nummer 46 staan we voor het hek en de metershoge muren van het Casino dell’Aurora Boncompagni – Ludovisi. Het gebouw achter deze muren met de omringende tuin zijn de enige bewaard gebleven delen van de fabelachtige zeventiende-eeuwse Villa Ludovisi, op zijn beurt gebouwd op de plaats van de mooiste en grootste tuin uit de Romeinse tijd, de Horti Sallustiani.

Vandaag bevindt deze plek zich in het centrum van de stad, niet ver van de Via Veneto en het is moeilijk voor te stellen dat het domein in vroegere tijden op het platteland lag. Wat bewaard is van de uitgestrekte tuinen is maar een fractie van de terreinen en de gebouwen die kardinaal Ludovico Ludovisi (1595-1632) in 1621 en 1622 kocht. Zijn macht en rijkdom waren te danken aan zijn oom Alessandro Ludovisi (1554-1623), de latere paus Gregorius XV (1621-1623) die zijn neef hoge kerkelijke functies en grote inkomsten bezorgde. Vanaf het begin van zijn kardinaalschap begon Ludovico met het opkopen van wijngaarden en gebouwen in de buurt, waaronder de wijngaard en het Casino van kardinaal Francesco Maria Del Monte (1549-1627).

De villa die Ludovisi had gekocht van de familie Orsini liet hij restaureren en verfraaien door Domenichino (1581-1641) en de tuinen werden aangelegd door de Franse tuin- en landschapsarchitect André Le Nôtre (1613-1700) die onder meer de tuinen van het kasteel van Versaille had aangelegd. Het resultaat was één van de fraaiste tuinen ooit en een villa met één van de rijkste kunstcollecties uit de geschiedenis. Onder andere Goethe, Schiller, Stendhal en d’Annunzio bezochten het park en de kunstwerken en spraken er lyrisch over.

Kardinaal Ludovisi was een groot kunstkenner en -verzamelaar en zijn villa en tuin stonden vol kunstwerken: schilderijen, fonteinen, meer dan 450 antieke beelden, bas-reliëfs, zuilen, opschriften, sarcofagen, bustes en zelfs een obelisk. Een deel van de marmeren antiquiteiten was afkomstig uit opgravingen op zijn terreinen zelf, die, zoals we weten, boven de vroegere Horti Sallustiani lagen. Zo bezat hij onder andere de beroemde beelden van de Stervende Galliër en de Zelfmoordplegende Galliër (ook bekend als de Ludovisi Galliër), beelden die gevonden werden op zijn terreinen. Een deel van de kunstcollectie, waaronder een honderdtal beelden, is nu te bewonderen in Palazzo Altemps.

De prinses van Piombino, de huidige eigenares van de villa opent het hek op het afgesproken uur en laat ons binnen in het domein. We volgen de steile oprijlaan naar het Casino, in de tuin en voor het gebouw zien we enkele van de oorspronkelijke antieke beelden. Zoals verteld kocht kardinaal Ludovisi het Casino van kardinaal Del Monte. We kennen Del Monte als opdrachtgever en eerste beschermheer van Caravaggio, maar hij was behalve kunstliefhebber ook wetenschapper en alchemist, en had op de eerste verdieping van het Casino een alchemiekamer met distilleerapparatuur geïnstalleerd.

Om het plafond van zijn kabinet te verfraaien vroeg hij niemand minder dan de jonge Caravaggio (1571-1610). Caravaggio beschilderde het plafond, niet met een fresco, maar met olieverf. Deze plafondschildering is een unicum, het is de enige muurschildering die Caravaggio ooit maakte. Caravaggio zou hier gewerkt hebben tussen november 1596 en september 1597. In de loop der eeuwen bedekten dikke lagen roet de schildering en raakte ze vergeten. Pas bij een restauratie in 1990 werd de plafondschildering toevallig herontdekt.

Zoals verteld gaat het om een olieverfschildering en niet om een fresco. Het voordeel van olieverf ten opzichte van de frescotechniek was dat Caravaggio niet verplicht was te werken met schetsen, zoals bij fresco’s het geval is, want schetsen maken deed de schilder nooit; er zijn van Caravaggio’s schilderijen geen voorstudies bekend. We bekijken het schilderij even van dichtbij. We zien drie figuren, drie naakte mannen. Het gaat driemaal om Caravaggio zelf: het zijn allemaal zelfportretten. De schilder beeldt zichzelf af als de drie oppergoden van de kosmos: Jupiter, god van de aarde, Neptunus, god van het water, en Pluto, god van de onderwereld, met hun respectievelijke attributen.

Deze goden zijn niet willekeurig gekozen. De drie elementen die ze symboliseren, water, aarde en lucht, komen overeen met de drie stadia van de alchemie: vast, vloeibaar en vluchtig. Het is met deze drie elementen dat de kardinaal in dit kabinet probeerde het vierde element te bekomen: vuur. We zien dus drie keer een zelfportret van de naakte Caravaggio maar dan van onder naar boven gezien, een op zijn minst opmerkelijk perspectief. Men veronderstelt dat hij bij het schilderen een spiegel gebruikte om het perspectief weer te geven, de spiegel zou op de stelling gestaan hebben en de schilder rechtop of gehurkt boven de spiegel.

Caravaggio wilde hiermee bewijzen dat hij de allernobelste kunst beheerste, namelijk die van het perspectief. Het effect van het verkort perspectief in deze kleine ruimte, die niet meer is dan een doorgang tussen twee kamers, is indrukwekkend. De drie goden worden telkens afgebeeld met een dier: Jupiter met een arend, Neptunus met een paard met vinnen in plaats van met poten, en Pluto met de driekoppige hond Cerberus. Ook deze hond zou geschilderd zijn naar levend model, namelijk Cornacchia, de zwarte poedel van Caravaggio.

In het midden van het schilderij zien we een hemelsfeer, de kosmos, en daarin onderscheiden we twee planeten en vier tekens van de dierenriem. Ook deze afbeelding is niet willekeurig gekozen. Caravaggio zou hiermee een hommage hebben gebracht aan een bekende van kardinaal Del Monte, namelijk de wetenschapper Galileo Galilei (1564-1642) en aan zijn toen revolutionaire theorieën. Op het plafond van de grote salon van het Casino wacht ons nog een ander meesterwerk: l’Aurora (1621-1623) van Giovanni Francesco Barbieri (1591-1666), ook bekend als (Il) Guercino (de schele). Ook hier gaat het niet om een fresco, maar om schildering met tempera.

L’Aurora vertelt het verhaal van de Dageraad die, gezeten op een wagen, bloemen uitstrooit in het hemelgewelf en de zon aankondigt. De wagen van de godin wordt getrokken door twee vliegende gevlekte paarden, het lichte van kleur symboliseert de dag, het donkere de nacht, onderaan zien we een weergave van de tuin en de villa.

De Dageraad laat haar slaapplaats achter die ze deelde met haar oudere minnaar Tithonus en, voorafgegaan door de Uren, doorklieft ze de duisternis om de nieuwe dag aan te kondigen. Het schilderij, gemaakt in opdracht van kardinaal Ludovisi, heeft een allegorische betekenis: het kondigt een nieuwe dageraad aan voor de familie Ludovisi, het begin van een glorieus tijdperk.

Links en rechts van het plafondschilderij zien we de Dag en de Nacht verbeeld: de Dag wordt voorgesteld als een gevleugelde jongeman met een toorts in de hand, de Nacht is een vrouw gekleed in het wit, naast haar twee slapende kinderen die de Slaap en de Dood symboliseren, en op de achtergrond een uil en een vleermuis.

De eerste werken van Il Guercino herinneren aan Ludovico Carracci maar met toevoeging van Caravaggio-toetsen. Daarna kwam hij tot de soms dramatische, soms speelse belichting, heftige kleuren en breed, krachtig borstelwerk. Het plafondfresco in het Casino dell’ Aurora wordt als zijn meesterwerk beschouwd, het is één van de mooiste barokdecoraties ooit.

Dit schilderij moest een antwoord bieden op en wedijveren met de gelijknamige schildering l’Aurora van 1613 van Guido Reni (1575-1642) in het Casino Rospigliosi-Pallavicini op de Quirinaalheuvel. Vergeleken met het fresco van Reni is de versie van Guercino duidelijk meer ‘barok’. Waar we in het Casino Rospigliosi-Pallavicini de Dageraad in zijaanzicht zien, toont Il Guercino een sterk staaltje perspectief schilderen: hij beeldt de figuren en paarden af van onderuit bekeken.

In een gids lezen we over het fresco van Il Guercino: ‘it is a dizzying work creating the impression that the Casino has no roof, but lies open to a cloudy sky, across which horses pull Aurora’s carriage from the darkness of night towards the light of day’. En zo is het. Eigenaardig is dat Guercino in 1642 in Bologna het atelier overnam van de overleden Guido Reni die hem bij leven vaak van plagiaat had beschuldigd. Het werk van Il Guercino werd met de tijd kalmer en lichter van kleur, zodat het steeds meer op het werk van Reni ging lijken. Guercino was ook de meest briljante etser van zijn tijd.

De indrukwekkende trompe-l’oeileffecten van muren en zuilen, waardoor het plafond veel hoger lijkt dan het is, zijn van de hand van Agostino Tassi. Agostino Tassi was de medewerker van Orazio Gentileschi en is berucht omdat hij diens dochter Artemisia Gentileschi (1593-1652), aan wie hij schilderles gaf, aanrandde.

Na een glorieus verleden vallen de villa en de tuinen na de eenmaking van Italië ten prooi aan bouwspeculatie: er was immers ruimte nodig voor de stijgende bevolkingsaangroei en voor administratieve gebouwen in de nieuwe hoofdstad. Uit op geldgewin verkoopt prins Rodolfo Boncompagni-Ludovisi onder algemeen protest, het domein. In 1883 wordt het terrein verkaveld. 200.000 m² van de 247.000 m² worden verkocht aan de Società Generale Immobiliare. In mei 1885 worden de tuinen en de villa leeggehaald en wordt alles verwoest: de standbeelden, de gebouwen en zelfs de bomen moeten eraan geloven. Alleen het Casino dell’Aurora blijft gespaard.

In 1901 laat prins Boncompagni-Ludovisi de collectie kunstwerken veilen. De Italiaanse staat koopt de belangrijkste stukken. 104 beelden krijgen een plaats, eerst in het Museo Nazionale Romano alle Terme di Diocleziano, nu in het Museo Nazionale Romano di Palazzo Altemps. Een klein aantal beelden bleef ter plaatse, andere werden ondergebracht in de vlakbij gelegen Amerikaanse ambassade, mindere werken gingen naar Villa Ada of werden te koop aangeboden.

In de Via Lombardia bevond zich vroeger het Hotel du Sud waar de Nederlandse schrijver Louis Couperus (1863-1923) vele malen logeerde. Louis Couperus was één van de grote figuren van de Nederlandse letteren, we herinneren ons vooral zijn ‘Eline Vere’ uit 1889. In zijn Reis-impressies, een bundeling brieven die voor het eerst in boekvorm verscheen in 1894 op ongeveer 1.500 exemplaren, bevindt zich ook een ‘Brief uit Rome’. Met een beetje geluk kan je nog een origineel exemplaar van deze Reis-Impressies op de kop tikken bij een antiquariaat.

In zijn ‘Brief uit Rome’ geeft Couperus flink wat kritiek op het nieuwe Palazzo Piombino en de in zijn ogen goedkope huisvesting van de Boncompagni-Ludovisi-collectie. Palazzo Piombino heet tegenwoordig Palazzo Margherita maakt deel uit van de Amerikaanse ambassade. Sinds 1946 is het eigendom van de Amerikaanse regering.

Casino Boncompagni Ludovisi (dell’Aurora Ludovisi)
Via Lombardia 46, Rome

Bezoek na reservatie
(groep van minimum 15 personen, aansluiten bij anderen is mogelijk)

Kostprijs: 20 euro per persoon

Reserveren verplicht:
Tel. +39 06 483 942 (maandag, woensdag en vrijdag van 9 tot 14 uur)
Email: tatiana@principedipiombino.com

Praktische informatie

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

De fraaie villa van suikerproducent Maraini

23 juli 2019

Vandaag brengen we een bezoek aan Villa Maraini, gebouwd in 1905 door de Zwitserse grootindustrieel Emilio Maraini (1853-1916), de eerste producent van suiker uit suikerbiet in Italië. De man die met zijn suikerraffinaderij in Rieti een enorm fortuin wist te vergaren, kan worden beschouwd als de oprichter van de Italiaanse suikerindustrie. We zijn in de stadswijk Ludovisi, de plaats waar zich in de oudheid de meest uitgestrekte en schitterende tuinen bevonden, en veel later één van de grootste villa’s in het hart van Rome.

maraini1

Emilio was pas 20 toen hij zijn moeder verloor en besloot om de familie economisch te ondersteunen en naar Nederland uit te wijken; hij vond werk in Rotterdam bij Koch & Flierbohm, een handelaar in koloniale waren. Al snel kon Emilio zich opwerken en kreeg hij een belangrijke positie in de importhandel van rietsuiker. Om de productie van suiker uit suikerbiet te bestuderen, ging hij naar Praag waar hij al spoedig een eigen exportbedrijf stichtte dat suiker uitvoerde naar Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

Overtuigd dat hij ook suiker zou kunnen verkopen in Italië (tot dan toe was Italië volledig afhankelijk van de invoer van suiker uit het buitenland) verhuisde hij eerst naar Rome en daarna naar Rieti, waar hij in 1887 de plaatselijke suikerfabriek kocht. Na een ontmoeting met prins Giovanni Potenziani (1850-1899) zette hij een samenwerking op met deze landeigenaar om op zijn uitgestrekte gronden suikerbieten te kweken. Door het gebruik van nieuwe technieken werd de suikerbietenteelt een groot succes en zou Rieti uitgroeien het centrum van de Italiaanse suikerproductie. Vervolgens stichtte Emilio Maraini ook suikerfabrieken elders in Italië.

Toen Emilio een stuk bouwgrond zocht in Rome om van daaruit zijn zakelijke belangen beter te kunnen behartigen, viel zijn oog op een stortplaats met bouwafval en aarde, afkomstig van de net aangelegde Via Ludovisi. Het was de laatste kavel van een immens bouwproject, een terrein dat niemand wilde en dat dus goedkoop kon worden aangekocht. Hij besloot het stort niet te ruimen, maar zijn villa met dépendances en belvédèretoren bovenop de hoop met puin te bouwen. Dat verklaart waarom de toren van de villa vandaag één van de hoogste van Rome is.

Tijdens een geleid bezoek aan Villa Maraini kan je deze toren beklimmen via een smalle en steile wenteltrap (niet voor wie hoogtevrees heeft). Eenmaal boven word je beloond met een fantastisch panoramisch uitzicht van 360° op Rome. Aan de overkant zie je het hoogste uitkijkpunt op Rome, de 3 m hogere lantaarn op de koepel van de Sint-Pietersbasiliek.

maraini2

Emilio Maraini brengt het laatste deel van zijn leven door in zijn villa in Rome waar hij carrière maakt: hij wordt verkozen tot gemeenteraadslid en van 1900 tot 1916 is hij volksvertegenwoordiger. Hij wordt vicevoorzitter van het Italiaanse Rode Kruis en krijgt de medaille van ‘Cavaliere del Lavoro’ uitgereikt. Ook zijn charmante echtgenote Carolina Maraini Sommaruga (1869-1959) was een bekend personage. Ze deed haar hele leven aan liefdadigheid en werd voor al dat goede werk door Vittorio Emanuele III (1869-1947) in de adelstand verheven als gravin.

De architect van de imposante villa was Emilio’s jongere broer Otto (1863-1944). Otto liet zich inspireren door de villa’s uit de tijd van de Romeinen en koos voor een residentie in eclectische stijl. Hij bouwde de villa in een recordtijd van een paar jaar dankzij een nieuwe cementsoort: de vloeren en decoratieve elementen, zowel voor de binnen- als de buitenzijde, liet hij maken uit portlandcement, bekend om zijn snelle droogtijd.

In de gebouwen en in de weelderige tuin werden authentieke Romeinse beelden geplaatst die waren gevonden bij opgravingen op het terrein, maar ook fraaie kopieën kregen een plaatsje in de villa. In de tuin bouwde men ook een nymphaeum in de vorm van een grot. De resten van deze ’grotten’ kan je zien liggen als je vanaf de straatkant van de Via Ludovisi door het hek kijkt. Voor de grotten werd materiaal gebruikt afkomstig van de afbraakwerken in de Ludovisi-wijk.

maraini3

Otto Maraini was ook de architect van het prestigieuze hotel Excelsior in de Via Veneto dat in 1905 werd gebouwd. Na de dood van Emilio, om onenigheid tussen de erfgenamen te vermijden (de Maraini’s hadden geen kinderen) besloot de weduwe Carolina Maraini-Sommaruga in 1946 de gebouwen te schenken aan hun thuisland Zwitserland. In 1949 werd het gebouw in gebruik genomen als het Zwitsers Cultureel Instituut en dat is het vandaag nog steeds. Het Istituto Svizzero bevordert de wetenschappelijke en artistieke uitwisseling tussen Zwitserland en Italië en verwelkomt jaarlijks ook jonge Zwitserse kunstenaars en wetenschappers.

Villa Maraini – Istituto Svizzero
Via Ludovisi 48, Rome

Je kan een geleid bezoek (5 euro, elke maandag om 15 uur en 16 uur) reserveren via visite@istitutosvizzero.it.
Keuzetaal: Italiaans, Duits of Engels, bezoek met begeleiding.

Op deze website vind je alle praktische informatie.

Tel. +39 06 420421 – 06 42042420
www.istitutosvizzero.it
roma@istitutosvizzero.it

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Het Bataafse kerkhof

22 juli 2019

Avonturen met opschriften – III

Sinds kort kan je regelmatig een bijdrage lezen in de nieuwe reeks ‘Avonturen met opschriften’. Die is speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar is uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Deel I en Deel II kreeg je al te lezen; dit is de derde bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. zal ik enkele van deze teksten voorstellen. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 3, speciaal ‘Vur ons moeder. Ze wit wel waorum’.

Voor de opschriftenminnaar zijn er verschillende favoriete leesplekken in Rome. Het Forum Romanum (zie de eerste twee delen in deze reeks) en de Via Appia Antica zijn zeker daarbij, maar er is een derde, minder voor de hand liggende plaats waar de opschriften zowat voor het grijpen liggen. En zelfs gratis.

Tegenover Stazione Termini bevindt zich in de Thermen van Diocletianus een deel van het Museo Nazionale Romano. Tussen de museumingang en de Piazza dei Cinquecento ligt een haast idyllisch oord, met een grote fonteinvaas tussen cipressen. Daaromheen staan tussen buxusheggen heel wat opschriften, vooral grafschriften, die hier vanuit heel Rome en omgeving zijn samengebracht. Tegen de buitenwand van het Thermencomplex staan daar zo vier stenen, cippi – zoals de technische term is – die een bijzondere betekenis voor inwoners uit de Lage Landen hebben.

Dat wij vredelievend zijn, weet iedereen wel. Maar het is ooit anders geweest. Keizer Pertinax (192-193) werd vermoord door een onvervalste Tongenaar in zijn lijfwacht, Tausio genaamd. Deze was niet het enige lid van de keizerlijke lijfwacht uit onze contreien. Ook keizer Nero werd beschermd door Laaglanders, meer bepaald door een korps Bataven, afkomstig uit het gebied tussen de grote rivieren Rijn en Maas met Nijmegen (Nouiomagus) als hoofdplaats.

Men heeft in het verleden diverse opschriften met betrekking tot deze Bataafse lijfwacht gevonden, maar de meeste daarvan zijn verloren gegaan. Zo trof men in 1947 langs de oude Via Portuensis op ruim 2 km van de Porta Portese vijf cippi aan die naar deze tuin bij de Thermen van Diocletianus werden overgebracht. Eén van deze stenen was opgericht voor de Ubiër Fannius (die dus uit de omgeving van Keulen kwam); de vier andere waren grafmonumenten voor Bataven.

De bekendste steen is wellicht die van Indus. Deze steen werd al enkele malen in bloemlezingen gepubliceerd en becommentarieerd. Kalligrafisch gezien is het zeker ook de mooiste steen.

De tekst luidt:

(Museo Nazionale Romano, inventarisnummer 125660; L’Année épigraphique (AE) (1952), p. 46, nr. 148; http://www.manfredclauss.de/: EDCS-13900425)

INDVS
NERONIS CLAVDI
CAESARIS AVG.
CORPOR. CVSTOS
DEC. SECVNDI
NATIONE BATAVVS
VIX. ANN. XXXVI H.S.E.
POSVIT
EVMENES FRATER
ET HERES EIVS EX COLLEGIO
GERMANORVM

Indus / Neronis Claudi / Caesaris Aug(usti) / corpor(is) custos / dec(uria) Secundi / natione Batavus / vix(it) ann(os) XXXVI h(ic) s(itus) e(st). / Posuit / Eumenes frater / et heres eius ex collegio / Germanorum.

‘Indus, lijfwacht van keizer Nero, uit de decurie van Secundus, Bataaf, die 36 jaar geleefd heeft, is hier begraven. (Dit monument) heeft zijn broer en erfgenaam Eumenes uit de vereniging van de Germanen opgericht’

De tekst vertoont enkele typische kenmerken van de Romeinse grafinscripties. Zo vinden we (niet helemaal onverwacht) de naam van de overledene die bovendien geïdentificeerd wordt door zijn functie en zijn herkomst. Dat laatste is bij ons ongebruikelijk.

In plaats van de bij ons vermelde levensdata wordt de leeftijd gegeven, soms (maar niet hier) aangevuld door het aantal dienstjaren. Dat laatste – als dat het geval is – stemt oud-historici bijzonder gelukkig, want hierdoor krijgen ze tenminste een beetje statistiek. Gegevens uit de oudheid zijn over het algemeen erg moeilijk kwantificeerbaar.

Tot slot wordt ook de persoon die het monument heeft opgericht, expliciet vermeld. Dat laatste is bij ons totaal onbekend, maar speelde in de Romeinse oudheid blijkbaar een belangrijke rol. Het betekent ook dat we met één grafschrift vaak tenminste twee personen hebben. Wat de oud-historici andermaal bijzonder gelukkig stemt en bijdraagt tot het buitengewone belang van epigrafische bronnen voor onze kennis van de klassieke oudheid.

In dit opschrift ontbreekt het bekende element D M = Dis Manibus = ‘Aan de goden van de onderwereld’, maar omdat deze formule pas vanaf de Flavische periode (69-96) echt in gebruik komt, is dat niets bijzonders voor een lijfwacht van Nero.

Bijzonder is wel dat deze Bataven lid waren van een begrafenisclub, het Collegium Germanorum. Normaal mochten soldaten niet van zoiets lid zijn, maar blijkbaar werd er voor deze buitenlanders een uitzondering gemaakt. De Romeinse overheid is altijd beducht geweest voor (geheime) genootschappen.

De naam Indus betekent overigens niet – zoals men wel leest – ‘de Indiër’ en was ook niet een soort koosnaampje voor een exotische lijfwacht. In feite kennen we diverse figuren met de naam Indus die afkomstig zijn uit het land van de Treviren: het gaat om een Keltische naam. Of Eumenes (die wel een Griekse naam lijkt te hebben) inderdaad zijn broer in onze betekenis was of dat hij een ander soort familielid was of eventueel zelfs een ‘bloedbroeder’, onttrekt zich volledig aan onze kennis.

De andere drie grafschriften zijn minder bekend. Voor twee is dat ook geen wonder. Hier ontbreekt het bovenste stuk van de tekst, zodat van ééen van deze Bataven de volledige naam verdwenen is, terwijl van de tweede hoogstens nog te lezen is: TE[R?…], dat men tot tertius heeft willen aanvullen. Dit soort tekstverlies maakt het uiteraard niet gemakkelijk. Maar direct rechts van Indus staat nog een volledige steen, voor Gamo, die een Germaanse naam draagt/

(Museo Nazionale Romano, inventarisnummer 125661; AE (1952), p. 46, nr. 147; http://www.manfredclauss.de/: EDCS-13900424)

GAMO
NER. CLAVD. CAES.
AVG. CORP. CVST.
DEC. PACATI
NAT. BATAVS
VIX ANN XXV
H.S.E. POSVIT
HOSPES DEC. PACATI
FRATER ET HERES EIVS
EX COLLEGIO
GERMANORVM

Gamo / Ner(onis) Claud(ii) Caes(aris) / Aug(usti) corp(oris) cust(os) / dec(uria) Pacati / nat(ione Bataus / vix(it) ann(os) XXV / h(ic) s(itus) e(st). Posuit / Hospes dec(uria) Pacati / frater et heres eius / ex collegio / Germanorum.

‘Gamo, lijfwacht van keizer Nero, uit de decurie van Pacatus, van afkomst Bataaf, die 25 jaar geleefd heeft, is hier begraven. (Dit monument) heeft Hospes geplaatst, uit de decurie van Pacatus, zijn broer en erfgenaam uit de vereniging van de Germanen’

Van Gamo wordt evenmin vermeld hoeveel dienstjaren hij had, maar het zullen er ongeveer vijf of zes zijn geweest. Wie de twee opschriften vergelijkt vanuit puur esthetisch oogpunt, ziet meteen dat de Gamo-tekst minder mooi over de regels verdeeld is. Het Indus-opschrift is wat dat betreft een schoolvoorbeeld van een fraai uitgewerkt grafschrift.

Het ging dan natuurlijk ook niet om de eerste de beste. Verschillende Romeinse keizers gaven er de voorkeur aan hun lijfwacht uit buitenlanders te kiezen. Dan liepen ze ook minder risico op een moordaanslag, omdat deze lijfwachten door een bijzondere persoonlijke band met de keizer verbonden waren. Dat werkte niet altijd (zoals het geval Tausio laat zien), maar over het algemeen ging dit idee aardig op.

In principe moeten we ons deze lijfwachten voorstellen als ruiters te paard. Germanen werden bijzonder geschikt geacht voor deze functie, omdat ze een bijzonder strijdlustige reputatie hadden. In hun maatschappij speelden militaire deugden een bijzonder grote rol. Bovendien hadden ze nog het fysieke voordeel dat ze met kop en schouder boven de meestal aanzienlijk kleinere Romeinen uitstaken. Voeg daarbij nog huiveringwekkende details als blonde haren, woeste snorren en blauwe ogen en je zou voor minder schrik hebben.

Dat zij direct aan de persoon van de keizer gebonden waren, was niet alleen een betere garantie voor de veiligheid des keizers, maar maakte deze lijfwachten ook bij uitstek geschikt voor het opknappen van akelige karweitjes, van het type dat onder Nero herhaaldelijk voorkwam (verhoren op niet zachtzinnige wijze, begeleiden van zelfmoorden).

Nero’s Bataven vormden een kleine gemeenschap die weinig affectieve betrekkingen had met de Romeinse omgeving en dus niet snel door gevoelens van sympathie voor de slachtoffers weerhouden werden. Of iemand van ons nu echt een glas zou hebben willen pakken met Indus of Gamo blijft hoogst onzeker.

Na de Bataafse opstand van 69-70 verdwenen de Bataafse lijfwachten een tijdje, maar al snel keerden Germaanse krijgers terug om het hoofd van het Romeinse keizerrijk te beschermen. Gereorganiseerd als de equites singulares maakten ze nog lang de keizers veilig (en de omgeving van de keizers wellicht iets minder veilig…).

Zie over Indus en de andere Bataven in de keizerlijke lijfwacht onder meer ook het artikel van de auteur van deze bijdrage: ‘Vier Bataven bij Termini. Een epigrafische oefening bij de Thermen van Diocletianus’, Kleio. Tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur, 45 (2015-2016), 64-84.

Ook Robert Nouwen besteedt in zijn lezenswaardige boek De onderdanen van de keizer aandacht aan Indus. In dit boek probeert de auteur aan de hand van opschriften uit het noorden van het Romeinse rijk een beeld te schetsen van de samenleving. Daarmee is dit een boeiende illustratie van de bijdrage van opschriften aan onze historische kennis.

Schrijver Andrea Camilleri (93) overleden in Rome

21 juli 2019

De Italiaanse schrijver en regisseur Andrea Camilleri is woensdag op 93-jarige leeftijd in Rome overleden. Hij is vooral bekend dankzij zijn veelgelezen thrillers met inspecteur Salvo Montalbano in de hoofdrol. De in Sicilië geboren auteur was half juni in kritieke toestand in het ziekenhuis opgenomen na problemen met de bloedsomloop en een ademstilstand. Andrea Camilleri wordt beschouwd als een van meest kritische maar ook geestigste auteurs van het land; sommigen omschreven hem weleens als het geweten van Italië. Ook in zijn detectives wist hij altijd de vinger te leggen op gevoelige kwesties zoals corruptie of georganiseerde misdaad.

Hij schreef meer dan honderd boeken, maar brak pas op 69-jarige leeftijd echt door met zijn Montalbano-detectives. Tot zijn dood zou hij in 24 jaar 27 romans en een aantal bundels korte verhalen schrijven over de creatief vloekende speurneus die tussen copieuze lunches en knetterende ruzies met zijn vriendin door tragische misdaden oplost en de georganiseerde misdaad op zijn eiland aanpakt. “Wat zijn werk zo aantrekkelijk maakt, is de combinatie van literaire eruditie, het vileine en sarcastische portret van fascisme en corruptie in het Italië van Berlusconi en de platte humor. De verhalen zijn adembenemend spannend, onderhuids verontrustend en zitten boordevol eten en seks”, schrijft De Volkskrant in een mooi portret.

De detectiveverhalen werden voor het eerst in 1994 in Italië uitgegeven maar worden vandaag wereldwijd verspreid in 32 talen, waaronder het Nederlands. Camilleri verkocht reeds meer dan 30 miljoen boeken. De vorm van water (La forma dell’acqua)  was zijn debuut in 1994. Daarna volgden in een verschroeiend tempo vele andere romans, zoals De hond van terracotta (1996), De gestolen twaalfuurtjes (1996) en De stem van de viool (1997) om slechts enkele titels te vermelden.

De voorlopig laatste uitgave is Net van bescherming (La rete di protezione) uit 2017. De meeste Montalbano-titels zijn ook door de openbare zender RAI bewerkt tot een nationaal en internationaal succesvolle televisiereeks. Ook de BBC verfilmde een aantal episodes. Zijn dood heeft in Italië tot bedroefde reacties geleid van schrijvende en filmende collega’s, maar ook van de Italiaanse president Sergio Mattarella, nochtans een politicus en een beroepsgroep die er in de boeken van Camilleri  doorgaans flink van langs krijgt.

Het allerlaatste Montalbano-boek – dat volgens Italiaanse bronnen Riccardino gaat heten – ligt al jaren in een kluis bij de uitgever. Camilleri wilde niet dat de detective na zijn dood doorleeft en staat erop dat hij persoonlijk een eind maakt aan diens carrière.

Het Egyptische Museum in Rome

20 juli 2019

Wie in Rome wil kennismaken met een fantastische verzameling artefacten en kunstvoorwerpen uit het oude Egypte kan natuurlijk terecht in het Museo Gregoriano Egizio, zeg maar de Egyptische afdeling van de Vaticaanse Musea. Veel minder bekend in Rome is het Museo Egizio Roma. Niet soveel mensen weten dat je naast de collectie in Vaticaanstad, ook op het grondgebied van Rome een Egyptisch museum aantreft. Het 220 m² grote museum bevindt zich aan de rand van het park Villa Borghese in de Egyptische Academie en is bovendien gratis te bezoeken.

Een centraal deel van de permanente tentoonstelling in het museum is gewijd aan de ontdekking van het graf van Toetanchamon, met replica’s van de prachtigste funeraire voorwerpen van de farao, zoals het gouden gezichtsmasker en de gouden sarcofaag, de albasten kist en één van zijn strijdwagens. Maar niet alles in het museum is namaak.

De ongeveer tweehonderd tentoongestelde voorwerpen in het Museo Egizio Roma behoren tot de meest gewaardeerde antiquiteiten van Egypte en omvatten onder meer ook nog een levensgroot beeld van de farao Chefren (Chafra) uit de vierde dynastie, een enorm boek met goudversierde pagina’s, de sfinx van Thoetmosis en een gelakte sarcofaag. Chefren was de zoon van Cheops. In het museum vind je ook nog de fraaie kist van een mummie en een lang uitgerolde papyrusrol uit 1500 v. Chr. in vrijwel perfecte staat.

Het museum bevindt zich in de kelder van het gebouw en de omgeving is eerder schaars verlicht. Dat draagt bij tot het mysterieuze gevoel dat artefacten van het oude Egypte vaak oproepen. De talrijke onschatbare voorwerpen die worden tentoongesteld werden gekozen uit verschillende Egyptische musea, waaronder het bekende Egyptische museum van Caïro. De collectie is gratis te bezoeken van maandag tot vrijdag van 10 tot 17 uur. De modaliteiten voor het bezoek vind je op de website van de Academie.

De Accademia D’Egitto werd in november 2010 na een grondige verbouwing die meer dan twee jaar had geduurd opnieuw geopend. De officiële opening gebeurde door de toenmalige Egyptische president Hosni Moebarak en de Italiaanse premier Silvio Berlusconi. Al meteen werd duidelijk dat er geen kosten waren gespaard voor de bouw van de luxueuze nieuwe versie van de Egyptische Academie in Rome.

Het gebouw onderging een grondige transformatie. De vroegere grauwe en grijze buitenkant werd vervangen door een indrukwekkende en mooie gevel van bruin getint glas en zacht okerkleurig travertijn. Hoewel het voor de overgrote meerderheid van de bezoekers onleesbaar zal zijn, werd op het front van de Academie een tekst in hiërogliefen aangebracht. Het zijn instructies die een Egyptische wijsgeer uit 2600 v. Chr. aan zijn zoon gaf. Vrij vertaald staat er: ‘Wees niet trots op je kennis: raadpleeg de onwetende zoals je de wijze zou doen’.

Elke kamer in het gebouw werd volledig opnieuw ontworpen en het hele interieur werd vernieuwd. De bedoeling was het antieke Egyptische erfgoed te combineren met modernisme. Zo vind je aan de muren in de Academie ook hedendaags werk van de beste Eyptische kunstenaars. De ultramoderne faciliteiten omvatten een hightech bibliotheek met tienduizend boeken, een restaurant, een bioscoop annex theater met tweehonderd zitplaatsen, tien kunstenaarsstudio’s en een galerij met belangrijke Egyptische schilderijen uit de periode 1940 en 1950. Op de eerste verdieping bevindt zich een selectie replica’s van oude Egyptische beelden die hier destijds werden geplaatst in opdracht van de Egyptische koning Farouk I die in Rome in ballingschap leefde en in 1965 stierf.

Net als soortgelijke instituten uit andere landen is het hoofddoel van de Egyptische Academie de promotie van de eigen nationale cultuur in Italië. De Academie verwelkomt jaarlijks ook een aantal Egyptische studenten kunstgeschiedenis die in het instituut maximum twee jaar mogen verblijven. Gedurende het hele jaar vinden hier allerlei artistieke evenementen plaats, waaronder hedendaagse Egyptische kunsttentoonstellingen, lezingen, vertoningen van Egyptische films en theaterproducties.

De geschiedenis van de Accademia D’Egitto begint in 1924, toen de gevierde Egyptische expressionistische schilder Ragheb Ayad (1892-1982) vanuit Rome een brief schreef aan de regering in Caïro. De brief luidde als volgt:

“Er zijn academies in Rome die studenten in de kunstwetenschappen verwelkomen om hun studies te ondersteunen; deze academies zijn ondergebracht in grote gebouwen met studio’s voor elke kunstvorm, en alle uitgaven ter ondersteuning van de instelling worden volledig gesubsidieerd door de overheid. Aan het einde van het jaar is er een tentoonstelling voor de kunstenaars van elke academie om hun werk te tonen aan het publiek. Deze tentoonstelling wordt geopend door de koning van Italië en zijn ministers. Daarom vraag ik u om na te gaan of de stichting van een soortgelijke instelling voor ons land in Rome mogelijk is, dit met de bedoeling om Egyptische kunstenaars te huisvesten die na hun studies in ons thuisland hun kennis van kunst in Rome verder willen ontwikkelen”.

De brief van Ayad raakte een gevoelige snaar bij de Egyptische regering die al vrij snel daarna een decreet opstelde dat de oprichting van de academie mogelijk maakte. In 1929 werden twee architecten, twee beeldhouwers en schilder Ragheb Ayad de eerste kunstenaars die in de nieuwe residentie van de pas opgerichte Academie zouden verblijven. Een aanzienlijk deel van hun uitgaven werd gefinancierd door prins Youssef Kamal die in 1908 de school voor Schone Kunsten in Caïro had opgericht.

De Accademia D’Egitto in Rome was oorspronkelijk gehuisvest in het Casina dell’Orologio op Piazza di Siena in het park Villa Borghese, vooraleer ze werd overgebracht naar de Colle Oppio, vlakbij het Colosseum. Dertig jaar later werd een nieuwbouw opgetrokken op een stuk grond aan de Via Omero dat door Italië aan Egypte werd geschonken. De Eyptenaren kregen als buren de British School in Rome en de Academia Belgica. In januari 1966 opende de nieuwe Egyptische Academie haar deuren.

Ter nagedachtenis aan dit evenement vernoemde de Italiaanse overheid een nabijgelegen plein in Villa Borghese naar de grote Egyptische dichter Ahmed Shawqi (1868-1932). De Egyptische regering was erg blij met dit gebaar en schonk op haar beurt een groot bronzen standbeeld van Shawqi aan Rome. Het beeld werd gemaakt door Gamal El-Sagini en bevindt zich tot vandaag op het plein.

Accademia d’Egitto di Belle Arti – Museo Egizio di Roma
VI a Omero 4, Rome
Tel. (+39) 06 320 1896
Tel. (+39) 06 320 1907
info@accademiaegitto.it
Klik hier voor de website

Nieuw ondergronds gedeelte in Thermen van Caracalla tijdelijk open voor publiek

19 juli 2019

Een nieuw gedeelte van de ondergrondse gangen van de Thermen van Caracalla is tijdelijk geopend voor het publiek. Je kan het bezoeken tot 29 september. Het publiek kan er kennismaken met de tentoonstelling ‘Plessi a Caracalla. Il segreto del tempo’. Fabrizio Plessi is een hedendaagse kunstenaar en een pionier van videokunst. Hij maakte voor het ondergrondse gedeelte van het thermencomplex een visuele voorstelling die een hulde brengt aan Rome en haar geschiedenis.

Het nieuw geopende keldergedeelte strekt zich uit over een lengte van zowat 200 m en werd recent volledig gerestaureerd. Het gaat om het gedeelte onder de exedra van het calidarium, destijds het kloppende hart van de thermen en een uniek voorbeeld van het hoogtechnologische niveau dat de Romeinen toen al hadden bereikt.

plessi (2)

De twaalf video-installaties van Plessi en de tentoonstelling samengesteld door Alberto Fiz, richten zich op klassieke thema’s zoals water en vuur om vervolgens ook de geschiedenis van de badinrichting en de figuur van keizer Caracalla te tonen. De ovens en het vernuftige watertransportsysteem dat ooit draaiende werd gehouden door duizenden slaven treden in dialoog met de levensgrote videoinstallaties.

De oorspronkelijke structuren, omringd door de duisternis, worden benadrukt door videobeelden die verwijzen naar de Romeinse architectuur, terwijl zuilen materialiseren en weer smelten, het hoofd van keizer Caracalla transformeert in een zeegezicht bedekt een wolk van rook. Het is meteen ook een hulde aan etser-graveur Piranesi.

plessi (1)

De ruïnes van de Thermen van Caracalla behoren tot de meest indrukwekkende restanten van de Romeinse oudheid. Het complex geeft een idee van de grandeur waarmee de keizers zich in de oudheid omringden. Deze thermen, die waren uitgebouwd over twee verdiepingen en drie ondergrondse niveaus, zijn bovendien een schitterend voorbeeld van de Romeinse bouwkunst en het technische vernuft waarover de Romeinen destijds beschikten.

In het ondergrondse gedeelte kom je terecht in de labyrintische gangen, de tunnels die werden gebruikt door slaven die ondergronds tonnen hout moesten verbranden in grote ovens om het water te verwarmen dat naar het caldarium moest vloeien. Eveneens in de ondergrond bevindt zich een Mithrasheiligdom met de fossa sanguinis. Dit ondergrondse gedeelte vormde in feite het ingenieuze en technologische hart van de Thermen van Caracalla en is vele eeuwen lang ongezien gebleven. De Mithrastempel werd ongeveer honderd jaar geleden ontdekt en was tot voor enkele jaren alleen maar beschikbaar en toegankelijk voor wetenschappers.

plessi (3)

Er werd 360.000 euro uitgetrokken om de ruimte volledig te restaureren. Ook de 2,5 m diepe fossa sanguinis, een vierkante put waarin tijdens initiatierites (vermoedelijk) de ingewijden werden neergelaten om te baden in het bloed van een geofferde stier hoort daarbij.

Het mithraïsme was een mysterie-cultus die in heel het Romeinse rijk werd beoefend vanaf ongeveer de eerste tot de vijfde eeuw na Christus. Het was een geheimzinnige, geritualiseerde cultus die niet gebaseerd was op heilige geschriften, zoals het jodendom en het christendom dat wel waren. Daardoor is er niet zoveel bekend over deze godsdienst. De aanhangers vereerden de god Mithras, gebaseerd op de Oud-Perzische god Mithra.

De cultus was vooral populair bij de Romeinse soldaten. Alleen mannen mochten lid worden. Na een initiatierite werden ze ingewijd in de geheimen van het geloof. In de periode na 300 na Chr. begon door de opkomst van het christendom in Rome het mithraïsme geleidelijk af te zwakken, al bleef het nog lange tijd een belangrijke godsdienst in het West- en Oost-Romeinse Rijk.

Het Mithraeum in de Thermen van Caracalla doet denken aan een grot, weliswaar duidelijk door mensen vervaardigd en uitgegraven. Sporen van fresco’s versieren de nissen in de wanden. Voor zover we weten is dit het grootste Mithrasheiligdom in Rome.

Praktische informatie Plessi a Caracalla – Il segreto di tempo

Praktische informatie – Sotterranei e Mitreo delle Terme di Caracalla

Praktische informatie – Terme di Caracalla

Een bezoek aan de Horti Sallustiani

17 juli 2019

Vandaag brengen we een bezoek aan de restanten van de fabelachtige villa en tuinen van Sallustius, de Horti Sallustiani. Om de beklemmende hitte, de drukte en de chaos van de binnenstad te ontvluchten, had de Romeinse hogere klasse in de oudheid de gewoonte de gezonde lucht van de heuvels (binnen de muren) op te zoeken. De allerrijkste Romeinen hadden daar monumentale parken aangelegd om te verpozen en vooral om mooie sier en indruk te maken op hun tijdgenoten.

Zo ontstond vanaf de eerste eeuw v. Chr. een ononderbroken groene gordel van tuinen rond de stad. De hellingen van de heuvels waren het meest in trek omdat daar bronnen en waterloopjes aanwezig waren voor het besproeien en irrigeren van de tuinen en voor de vele fonteinen en nymphaea.

hortisallustio (1)

Op de Pincio, de Collis Hortulorum, lagen de legendarische tuinen van Lucullus. Op de Quirinaal, bij de Servische Muur, bevond zich de tuin van Julius Caesar. Die had al uitgestrekte tuinen langs de Via Portuense, maar zou hier een tuin hebben aangelegd omwille van de nabijheid van de tempel gewijd aan Fortuna Publica, de godin van wie Caesar meende dat hij er zijn overwinningen aan te danken had.

Na de dood van Caesar in 44 v. Chr. werd zijn Horti Caesaris verkocht aan de historicus en schrijver Gaius Sallustius Crispus (86-35 v. Chr.). Sallustius was proconsul van de provincie Africa Nova (het oostelijke deel van Numidië) geweest en had daar op verdachte wijze een groot fortuin vergaard. Na zijn tumultueuze politieke carrière trok Sallustius zich na de moord op zijn beschermheer Julius Caesar in vrijwillige ballingschap terug in zijn tuin, waar hij zich gedurende de laatste negen jaar van zijn leven wijdde aan het schrijven van geschiedkundige en literaire werken.

Met het enorme fortuin dat hij had vergaard, kon hij zijn tuinen uitbreiden en verfraaien. De Horti Sallustiani omvatte een groot gebied tussen de huidige Via Salaria, de Via Veneto, de Via XX Settembre en de Aureliaanse Muur. Sallustius verwierf ook het terrein waarop de tempel van Venus Erycina uit 187 v. Chr. stond. Deze ronde tempel werd in de zestiende eeuw teruggevonden. De geel marmeren zuilen en het overige marmer werden ‘gerecycleerd’ en hergebruikt in de San Pietro in Montorio.

hortisallustio (3)

Bij opgravingen in deze zone van het domein werden een aantal spectaculaire kunstwerken ontdekt, die wellicht behoorden tot deze tempel. Het gaat onder meer om de beroemde Ludovisi-troon met als hoofdreliëf ‘Aphrodite ontspruit aan de zee’ en de Ludovisi Acroliet, beiden Griekse originelen uit de vijfde eeuw v. Chr. en afkomstig uit Zuid-Italië. Deze beelden zijn vandaag te zien in het Museo Nazionale Romano di Palazzo Altemps.

Ook het fraaie beeld De Stervende Galaat (beter bekend als De Stervende Galliër), één van de pronkstukken in de Capitolijnse Musea, werd hier ontdekt (foto hieronder). De obelisk die sinds 1789 bovenaan de Spaanse Trappen voor de kerk Trinità dei Monti staat, komt eveneens uit de tuin van Sallustius.

Na de dood van Sallustius ging het domein naar zijn neef Sallustius Crispus, een vertrouweling van Augustus en Tiberius. In 21 na Chr., bij de dood van Sallustius Crispus die geen erfgenamen naliet, kwamen de villa en het park in keizerlijke handen. Tiberius was toen aan de macht. De gunstige ligging van de tuinen, op een heuvel en dicht bij de Castra Pretoria, maakte de villa aantrekkelijk voor verschillende keizers. Sommigen verbleven liever hier dan in hun officiële residentie op de Palatijn. Zo zou Nero hier vaak zijn toevlucht hebben gezocht na zijn nachtelijke uitspattingen.

Keizer Vespasianus verbleef hier ook graag en opende het grote park voor het publiek. Keizer Nerva bracht in deze tuin de laatste jaren van zijn leven door en stierf hier ook. Onder keizer Hadrianus werd het park heraangelegd en het is uit deze periode dat de tot vandaag bewaarde gebouwen dateren. Keizer Aurelianus liet een monumentale portiek bouwen: de Porticus Miliariensis, met een lengte van 300 m, geplaveid met geel marmer waar hij met zijn paard oefende.

hortisallustio (2)

In 410 vielen de Goten onder Alarik I Rome binnen. Zij kwamen door de poorten van de Horti Sallustiani de stad binnen en richten daarbij grote schade aan het complex aan. De prachtige tuinen werden grotendeels vernietigd, een verwoesting die ze in de komende eeuwen niet meer te boven zouden komen. Tot in de middeleeuwen lag het domein er grotendeels verlaten bij. Het gebied werd gebruikt als moestuin en tussen de ruïnes stonden enkele hutjes. Pas toen paus Sixtus V een aquaduct had hersteld en er weer water naar de hoger gelegen delen van Rome stroomde, bouwde men hier weer huizen omgeven door moestuinen, wijngaarden en siertuinen.

Van alle gebouwen, portieken, tempels, fonteinen, thermen, paviljoenen en nymphaea die de tuinen sierden, blijven enkele zichtbare monumentale resten over in de Via Sallustiana. Waar in de oudheid de villa op een hoogte lag, moeten we nu 15 m onder straatniveau afdalen naar de ingang van het paviljoen, dat hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakte van de keizerlijke residentie van Hadrianus.

Wat we te zien krijgen, zijn de naakte muren, maar eens waren de buiten- en binnenmuren, de vloeren en gewelven, bekleed met marmer. Het paviljoen bestaat uit verschillende ruimtes. De grote glaspartij aan de ingang is een recente toevoeging. We gaan het paviljoen even binnen. Door het rechthoekige vestibulum komen we in een indrukwekkende ronde ruimte met een diameter van 12 m en een koepelgewelf met een hoogte van 13 m. De ruimte stond ooit vol beelden, de muren en vloeren waren uitgevoerd in kostbare marmersoorten, en het gewelf was bezet met veelkleurig stucwerk. Links en rechts van deze grote ruimte lagen vermoedelijk twee nymphaea. Achter de zaal lag nog een vestibulum met een nymphaeum. De rechthoekige ruimte was waarschijnlijk een zomereetzaal, die met gordijnen kon worden afgesloten. Via de trap kon je naar het terras. De overige ruimtes maakten deel uit van een insula waar het
personeel van de villa woonde.

hortisallustio (4)

Aan het begin van de zeventiende eeuw kocht kardinaal Ludovico Ludovisi het terrein waaron zich eeuwen geleden Horti Sallustiani en liet er een nieuw park aanleggen, waarin hij de Villa Ludovisi liet bouwen. Het is tijdens deze werkzaamheden dat de fraaie beelden en kunstwerken waarvan eerder sprake werden opgraven. In die periode werden tevens restanten van een cryptoporticus en een watertank ontdekt. De terreinen van de eens zo luisterrijke Horti Sallustiani vielen na de eenmaking van Italië uit elkaar. De Villa Ludovisi werd in 1894 afgebroken en het bijbehorende park werd verkaveld en in kleine delen verkocht.

Zo werd het gebied rond Piazza Sallustio in 1870 gekocht door de Duitse antiquair en uitgever Joseph/Giuseppe Spithoever. Enkele jaren na de aankoop verkavelde hij het domein en bij het ophogen en nivelleren van het gebied verdwenen de meeste antieke resten onder de grond. Rond de resten van de villa van Hadrianus bouwde hij hoge muren, zodat de gebouwen nu niet meer op een hoogte lagen, maar 15 m onder het straatniveau kwamen te liggen.

Op het terrein bevinden zich ook twee moderne constructies: een conferentiezaal en een villino. Spithoever bouwde boven het centrale gedeelte van het gebouw van Hadrianus een artiestenstudio, maar het paviljoen, dat zijn naam draagt, wordt nu gebruikt als conferentiezaal door Unioncamere. De kantoren van Unioncamere zijn gehuisvest in Villino Maccari uit 1902.

Gaius Sallustius Crispus was een bevoorrechte getuige van de geleidelijke ondergang van de Romeinse Republiek. Hij was een tijdgenoot van machtige en ambitieuze mannen zoals Caesar en Pompeius. Als 23-jarige jongeman maakte hij de mislukte staatsgreep van Catilina mee. Sallustius huwde met Terentia Varrones, de eerste vrouw van zijn politieke tegenstander Cicero van we ze na meer dan 30 jaar huwelijk gescheiden was. Er wordt ook verteld dat Sallustius door Milo betrapt werd op overspel met diens vrouw, Cornelia Fausta, de dochter van Sulla.

hortisallustio (5)

Antieke bronnen maken melding van zijn politieke engagement aan de zijde van de populares, maar ook van zijn morele falen in zijn persoonlijk en openbare leven. De belangrijkste werken van Sallustius zijn historische monografieën over de ‘Oorlog tegen Jugurtha’ (Bellum Iugurthinum) en de ‘Samenzwering van Catilina’ (De Coniuratione Catilinae).

Historiae (Romeinse Geschiedenis), in vijf boeken, was Sallustius’ belangrijkste werk, maar er zijn enkel fragmenten van overgebleven: vier redevoeringen en twee brieven. Het werk behandelde de gebeurtenissen uit de Romeinse geschiedenis na de dood van Sulla, van 78 tot 67 v.Chr.

Op naam van Sallustius staan ook nog de Invectiva in Ciceronem, een kort strijdschrift tegen Cicero dat veeleer afkomstig lijkt uit een school voor welsprekendheid, en twee Epistulae ad Caesarem senem de re publica , brieven waarin de auteur aan Gaius Iulius Caesar politieke wenken geeft.

Sallustius’ taal, stijl en spelling zijn erg persoonlijk. De hoofdkenmerken ervan zijn: streven naar bondigheid in de uitdrukking, stelselmatige archaïsering, waarnaast toch enkele gedurfde innovaties en een overvloedig gebruik van variatie en andere stijlfiguren. Als historicus is hij niet onpartijdig (hij is fel gekant tegen de optimates), maar toch streeft hij naar objectiviteit. Hierin en in zijn stijl is de Griek Thucydides zijn voorbeeld. Op zijn beurt diende Sallustius dan weer Tacitus tot voorbeeld.

In al zijn werken trekt Sallustius hard van leer tegen de zedenverwildering en de corruptie in zijn tijd. Altijd komt hij terug op de twee oorzaken die volgens hem het morele verval veroorzaken: de heerszucht en de hebzucht. Maar na een leven als het zijne was hij wellicht niet de juiste persoon om anderen de les te spellen.

Horti Sallustiani
Piazza Sallustio 21, Rome

www.hortisallustiani.it
Tel. +39 06 4201 1597

Praktische informatie

De site kan worden bezocht worden door verenigingen, groepen en wetenschappers op zaterdag van 9 tot 13 uur en op maandag van 9.30 tot 11.30 uur. Je moet vooraf een aanvraag indienen via convegni@hortisallustiani.it.

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Ninfeo degli Specchi op de Palatijn gereconstrueerd

15 juli 2019

Het Ninfeo degli Specchi op de Palatijnse heuvel is heropgebouwd. De vernuftig geconstrueerde Farnese-fontein met een ondergronds verborgen verrassing die de niets vermoedende voorbijgangers overrompelde, wordt toegeschreven aan Pirro Ligorio (1510-1583) die onder meer ook in Villa d’Este fraai werk afleverde. Het waterspel raakte in onbruik door verwaarlozing nadat de tuin werd verlaten door de adellijke familie. Het nymphaeum werd pas in 1914 herontdekt door archeoloog Giacomo Boni (1859-1925), de eerste directeur van het Forum Romanum.

specchi (2)

Het nymphaeum ligt aan de zuid-oostkant van de Horti Farnesiani, waar Giacomo Boni zelf werd begraven, een uitzonderlijke eer. Oorspronkelijk was het nymphaeum bedekt door een koepel om eruit te zien als een grot. In de nissen bevonden zich drie saters die spiegels in hun handen hielden. Het geheel was rijkelijk versierd met glaspasta en mozaïeken. Het nymphaeum werd gevoed door water dat afkomstig was uit de inmiddels verdwenen Fontana dei Platani, de fontein van de platanen.

specchi (1)

Door de afwezigheid van de dakkoepel koos landschapsarchitect Gabriella Strano voor de reconstructie van het nymphaeum voor een moderne installatie die, met respect voor het historische gebouw, een soortgelijke ervaring oproept. Zo zijn er nu tientallen waterstralen die uit de rand van de fonteinkuip en uit de muren komen en lichtspiegelingen creëren. Eén van de oorspronkelijke saters die de fontein sierden is teruggevonden en geïdentificeerd en zal binnenkort eveneens worden tentoongesteld. Ook de originele mozaïekvloer zal spoedig worden hersteld.

specchi (3)

Volgens Alfonsina Russo, de directeur van het Parco Archeologico del Colosseo is met het nymphaeum het ‘waterpad’ op de Palatijn verrijkt: je maakt letterlijk een frisse reis tussen de vele tijdperken die de heuvel heeft meegemaakt en die vandaag mee het uitzicht ervan bepalen. Het project maakt deel uit van de geplande herontwikkeling van alle fonteinen, oud en modern, van het Parco Archeologico del Colosseo.

Een vroegchristelijk doopbassin onder de San Marcello al Corso

12 juli 2019

Over de barokke San Marcello al Corso heb je recent al enkele bijdragen kunnen lezen. Maar in de ondergrond van Piazza di San Marcello en onder de kerk ligt een interessante bezienswaardigheid verborgen: een middeleeuws doopbassin gebouwd op een vroegchristelijke doopvont (late vierde of vroege vijfde eeuw) opgetrokken op de plaats van een catabulum of poststation uit de tijd van Augustus.

Dat catabulum werd gebouwd in de eerste eeuw v. Chr. (einde bouw in 7 v. Chr.) als hoofdstation van het segment van de cursus publicus aan de Via Flaminia/Via del Corso en was dus voorzien van grote paardenstallen. Zoals we weten was de cursus publicus de keizerlijke koerier- en postdienst van het Romeinse Rijk.

De belangrijke heirbanen werden op regelmatige afstanden voorzien van een halteplaats (statio) of fort (castellum), waar paarden konden worden gewisseld en reparaties aan koetsen en karren konden worden uitgevoerd. De reizigers moesten over een door de keizer getekend document beschikken om van deze wegen gebruik te mogen maken. De koeriers te paard waren meestal legionairs en de koetsen werden gebruikt door magistraten.

De Romeinen baseerden hun koeriersdienst op het systeem dat werd gebruikt in het Perzische Rijk. Keizer Augustus gebruikte in eerste instantie hetzelfde systeem als de Perzen, waarbij op de halteplaatsen de berichten aan een andere koerier werden doorgegeven, maar hij stapte al snel over op een systeem waarbij dezelfde koerier steeds van paard verwisselde. Dit was efficiënter omdat zo de koerier zelf, die de berichten van de verzender had ontvangen, naar extra informatie kon worden gevraagd. De transportsnelheid was wel iets lager, maar de berichtgeving was veiliger en betrouwbaarder.

Dankzij deze sneldienst kon Augustus dagelijks nieuws uitwisselen met zijn generaal Agrippa, met zijn raadgever Mecenas en met zijn vrouw Livia, waar ze zich ook bevonden. Op de plaats waar deze keizerlijke paardenstallen lagen, zou de Heilige Marcellus als martelaar gestorven zijn.

De bronnen over het leven van Paus Marcellus I(308-309) zijn niet eenduidig. Hij wordt soms verward met de paus vóór hem, de Heilige Marcellinus die ook stierf als martelaar en op dezelfde dag, 16 januari, maar een paar jaar eerder in 304. Mogelijk gaat het zelfs om één en dezelfde persoon en heeft één van beiden nooit bestaan.

Volgens sommige bronnen werd Marcellus door keizer Maxentius gearresteerd en veroordeeld tot dwangarbeid in het postsorteercentrum naast de stallen, waar hij tewerkgesteld was als slaaf in de afdeling zwaar vervoer. Volgens een andere versie zou Marcellus op bevel van de keizer hier jaren als stalknecht gewerkt hebben en moest hij de stallen onderhouden. De oude paus moest deze stallen met de blote handen schoonmaken en zou bezweken zijn aan nausea (misselijkheid) ten gevolge van de stank.

Nog een andere overlevering vertelt dat hij na negen maanden werd bevrijd door het volk of de Romeinse clerus, maar vervolgens opnieuw gearresteerd voor het inzegenen van een huiskerk. Dat huis zou dan omgevormd zijn tot stal, waar hij na enkele dagen stierf van uitputting op 16 januari 309. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Heilige Marcellus de patroon is van de stalknechten en paardenfokkers. Volgens nog andere bronnen werd Marcellus uit Rome verbannen naar een onbekend oord en stierf hij in ballingschap.

In de vierde eeuw werd op of vlak bij de plaats van de stallen (volgens sommige bronnen aan de overkant van de straat) en het martelaarschap van Marcellus een kerk gebouwd, de Titulus Marcelli. De oude doopkapel van die kerk werd in 1912 ontdekt en ligt nu onder de Banca di Roma links van de kerk. Vanuit de salon van de bank kan je door een koepel in de vloer een blik werpen op het middeleeuwse doopbassin, maar wij daalden via een toegang in de sacristie van de kerk af in de ondergrondse ruimtes.

Onder de vloer van de middeleeuwse doopvont uit de twaalfde-dertiende eeuw werd in 1978 een nog oudere, vroegchristelijke (eind vierde – eerste helft vijfde eeuw) doopvont bloot gelegd met dezelfde vorm, het middeleeuwse bassin werd bovenop het oude gezet en heeft de oorspronkelijke achthoekige vorm behouden. De vrijwel intacte structuur valt op door haar grootte, de dopeling kon er gedeeltelijk worden in ondergedompeld, een eerder uitzonderlijk gegeven binnen de muren in Rome. Goed zichtbaar zijn ook de nissen aan de binnenzijde en de marmeren bekleding.

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Het miraculeuze kruisbeeld van de San Marcello al Corso

10 juli 2019

In de San Marcello al Corso, waar we de voorbije dagen verbleven, bevindt zich boven het altaar van de vierde kapel rechts, de Cappella del Crocifisso, een vijftiende-eeuws crucifix waarvan het corpus in prachtig zwart hout indrukwekkend is. De San Marcello is bekend omwille van de verering van dit kruisbeeld. Dit realistische beeld van de stervende Christus, dat als het ware niet naar het leven gesneden is maar naar de dood, gaf aanleiding tot een macaber verhaal.

Er wordt verteld dat de onbekende kunstenaar op zoek ging naar een model om het lijden van de Heer zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Op straat vond hij een arme drommel die er uitzag alsof hij niet lang meer zou leven en de kunstenaar nam hem mee naar zijn atelier. Bij wijze van vergoeding liet hij de man zich eerst opwarmen en gaf hij hem overvloedig te eten en te drinken. Toen het model zich te goed gedaan had en voldaan begon te poseren, vertoonde hij echter helemaal niet meer de trekken van een stervende, waarop de kunstenaar hem meedogenloos zou toegetakeld hebben om de doodstrijd te kunnen uitbeelden. Nadat het werk voltooid was, dumpte hij het lijk van de ondertussen overleden man in de Tiber.

Na de alles vernielende kerkbrand van 22 mei 1519, waarbij het gebouw instortte, werd het kruisbeeld onbeschadigd teruggevonden. Na een processie in 1522 waarbij het met goudpoeder beklede crucifix door de stad werd gedragen, stopte plots de heersende pestepidemie. Dit was de aanleiding tot de oprichting van de broederschap van de ‘Sanctissimo Crocifisso’.

Tijdens de volgende eeuwen werd het kruisbeeld van de San Marcello bij verschillende gelegenheden doorheen de stad gedragen en bij de opening van elk heilig jaar in processie naar de Sint-Pietersbasiliek gebracht. Tijdens de hele vastentijd van het heilig jaar 2000 kreeg het een plaats naast het pauselijk hoogaltaar van de Sint-Pietersbasiliek.

Aan de voet van het kruis celebreerde paus Johannes-Paulus II de ‘Giornato del Perdono’, de dag van de vergiffenis. Bij de opening van het Tweede Vaticaans Concilie werd het kruis eerst naar de Santa Maria Maggiore gebracht en daarna naar de Sint-Jan van Lateranen. Ook vandaag is het kruis nog steeds een bron van verering.

Voor alle persoonlijke intenties die men hier kan noteren, wordt elke maand op de eerste vrijdag en op de 23ste, ter herinnering aan het terugvinden van het kruis op 23 mei 1519, een speciale mis opgedragen. Het indrukwekkende kruisbeeld heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het muzikale ‘oratorium’. Deze muziekvorm ontstond zowat gelijktijdig met de opera op het einde van de zestiende eeuw en net als de opera bestond het oratorium uit solopartijen met recitatieven, een koor en musici maar de tekst was spiritueel en religieus gebonden.

Het idee kwam van Filippo Neri die de gelovigen een meer directe en emotionele vorm van geloofsbelijdenis wilde geven. Op informele bijeenkomsten werd een speciaal daartoe gecomponeerd muziekstuk uitgevoerd samen met een preek. De eerste dergelijke door Neri georganiseerde muzikale ontmoetingen vonden plaats in een bidruimte (oratorium) naast de in aanbouw zijnde Santa Maria in Vallicella, beter bekend als de Chiesa Nuova.

Met de tijd werden de uitgevoerde composities, die in tegenstelling tot de opera meestal beroep deden op een verteller en zonder enige enscenering uitgevoerd werden, oratoria genoemd. Tijdens de zeventiende eeuw was Giacomo Carissimi (1605-1674), nu door bijna iedereen vergeten, de leidende oratoriumcomponist in Rome.

Ondanks vele prestigieuze aanbiedingen zoals deze van opvolger van Monteverdi in de San Marco in Venetië, bleef Carissimi zijn hele leven ‘maestro di cappella’ van het Collegium Germanicum, het machtige jezuïetenbastion in Rome. Hij componeerde zijn talrijke oratoria echter niet voor het collegium maar voor de broederschap van het heilige kruis in de San Marcello.

Tijdens de plechtigheden ter ere van het ‘Sanctissimo Crocifisso’ werden de composities van Carissimi met groot succes uitgevoerd. Händel was zo onder de indruk dat hij van Carissimi de finale koorpartij ontleende van zijn ‘Jepthe’ voor zijn eigen oratorium ‘Samson’. In een commentaar over dit werk van Händel lazen we in een New Yorkse krant ‘you would swear that you hear the sobs and moans of the weeping girls’.

Wat Bach betekende voor de cantate was Händel voor het oratorium, vele grote componisten wijdden zich aan deze muziekvorm, we denken alfabetisch aan Beethoven (Christus am Ölberge), Berlioz, Brahms, Elgar, Franck, Gounod, Haydn, Honegger, Liszt, Mendelssohn, Saint-Saëns, Schütz, Stradella en zelfs Stravinsky, maar de geestelijke vader was dus Carissimi. Ook vandaag worden nog regelmatig fraaie concerten opgevoerd in de San Marcello al Corso. Deze zijn doorgaans gratis bij te wonen.

We blijven bij de vierde kapel waarvan de decoratie werd uitgevoerd door Perino del Vaga (1501-1547). Deze meester, die heel wat succes had met zijn gesofistikeerde en vernieuwende stijl, kennen we vooral van zijn fresco’s in de Engelenburcht. Hij was net als Michelangelo een leerling van Domenico Ghirlandaio (1449-1494) en behoorde in Rome tot de kring rond Rafaël.

Bij de Sacco di Roma in 1527, waarvan Erasmus schreef ‘niet de stad is ten onder gegaan maar de wereld’, kwamen de decoratiewerken van deze kapel stil te liggen omdat de schilder, net als de architect van de San Marcello, de stad ontvluchtte. Del Vaga had dan reeds de ‘Schepping van Eva’ (middendeel van het gewelf) en de evangelisten Marcus en Johannes beëindigd. Decennia later werden de plafondfresco’s voltooid met de twee overige evangelisten door Daniele da Volterra (1509-1566) en Pellegrino Tibaldi (1527-1596).

Deze laatste, ook een alleskunner, werd zoals da Volterra sterk beïnvloed door Michelangelo, we herinneren ons zijn fresco’s in de San Luigi dei Francesi. Tibaldi, die door de Romeinen Pelligrino Pellegrini genoemd werd, kennen we vooral als de decorateur van het Escurial-complex nabij Madrid waar hij niet minder dan 46 verbluffende fresco’s schilderde.

Nog in de vierde kapel van de San Marcello al Corso zien we onder het altaar een derde-eeuwse Romeinse cippus, een vierhoekig zuiltje dat hier gebruikt werd voor het bewaren van relieken. Aan de zijkanten van deze stele zien we militaire versierselen, de voorkant heeft een veelkleurig twaalfde-eeuws marmeren paneel. In het oude Rome was het ‘pomerium’, de stadsgrens, afgebakend met deze witte zuiltjes, de cippi. Oorspronkelijk bepaalden ze de door Romulus omgeploegde grenslijn van de pas gestichte stad, maar met de tijd breidde Rome zich uit en schoven de cippi verder op.

Leuk om weten: het Latijnse woord voor stad is ‘urbs’ (vandaar urbaan, urbanisatie) dat zelf afgeleid is van het oud-Latijnse woord ‘urvum’ dat de staart van een ploeg betekent. Zo verwees het woord naar de ploeg waarmee Romulus het pomerium afbakende van het Roma Quatrate, en die gevisualiseerd werd door de cippi.

We verplaatsen ons naar de linker zijbeuk. In de tweede kapel links, werden de gewelfschilderingen uit 1549 uitgevoerd door ene Lorenzo di Rotterdam, hier aangegeven als een Vlaamse meester. In de kerstperiode staat in deze kapel een uiterst aantrekkelijke kerststal.

De vierde kapel links toont een reünie van het oud-Romeinse geslacht Frangipani, tijdens de late middeleeuwen hadden zij hun vesting in het Colosseum. Omstreeks 1635 portretteerde Alessandro Algardi (1598-1654) zes leden van deze familie, al worden volgens de recente literatuur enkel nog de drie beelden rechts aan de meester zelf toegeschreven.

Algardi was naast Bernini de belangrijkste beeldhouwer in Rome, maar zijn werken zijn soberder en klassieker van opzet. Enkel mannenbustes worden hier getoond, maar de ironie wil dat het een vrouw was, Jacoba Frangipani (Jacoba de’Settesoli), die de familienaam eeuwige bekendheid gaf. Ze was een volgelinge van Franciscus van Assisi (dertiende eeuw) en de bedenkster van het amandelgebakje dat we nu nog kennen als frangipane. Zij zou amandelkoekjes hebben gebakken voor de stervende Franciscus.

De overige decoratie van deze vierde kapel is het werk van de begaafde gebroeders Zuccari. Deze fresco’s die het leven van Paulus tonen verdienen aandacht want ze vormen één van de belangrijkste cycli uit de zestiende eeuw. Het topwerk van de kapel is het op leisteen geschilderde altaarstuk uit 1564-1566 met de ‘Val van Paulus’, een mooi werk van Taddeo Zuccari (1529-1566), de belangrijkste vertegenwoordiger van het Romeinse maniërisme.

De iconografie van dit altaarstuk gaat terug tot een werk van Michelangelo in de niet te bezoeken Cappella Paolina in het Apostolische paleis in Vaticaanstad. Als gevierd frescoschilder maakte Taddeo Zuccari een synthese van Michelangelo en Rafaël, maar zijn stijl was vrij droog en houterig. Hij werd in het Pantheon begraven vlakbij Rafaël die op dezelfde leeftijd stierf, namelijk 37.

Op de linkermuur in deze vierde kapel wordt de blindmaking van Elymas getoond, uitgevoerd door Taddeo en zijn broer Federico, rechts zien we de genezing van een kreupele, eveneens een gezamenlijk werk. Zowel het gewelf als de beschilderde boog zijn het werk van Taddeo, men merkt hier de invloed van de klassieke, schilderachtige Rafaël. De gebroeders Zuccari ontmoeten we in vele Romeinse kerken en paleizen.

Het mooie plafond van de middenbeuk van de San Marcello al Corso heeft brede, veelkleurige cassettes en fonkelt van het goud. Het dateert uit 1592 en maakt op zich al een bezoek aan de San Marcello de moeite waard. Het werd geschilderd door Giovanni Battista Ricci (1537-1627), niet te verwarren met de beter gekende Sebastiano Ricci (1659-1734).

Boven het hoogaltaar hangt een ‘moderne’ (1866) Triomf van San Marcello door de Romeinse schilder en decorateur Silverio Capparoni (1831-1907). De fresco’s van de in drie delen opgesplitste concha zijn ook het werk van voornoemde Giovanni Battista Ricci: ze tonen de dood, kroning en hemelvaart van Maria.

Als we ons omdraaien zien we boven de hoofdingang het immense fresco met de ‘Kruisiging’ uit 1613 dat eveneens van de hand is van Ricci. Let op het witte paard dat we ook in het altaarstuk van de vierde kapel links zagen. Van deze meester herinneren we ons de beschilderde gewelven boven het graf van Santa Monica in de Sant’ Agostino, evenals de prachtige fresco’s in het transept van de San Giovanni in Laterano die Ricci uitvoerde in samenwerking met de iets minder begaafde Cavalier d’ Arpino.

In de sacristie rechts van het koor (toegang langs de vijfde kapel rechts) bevindt zich uiterst rechts een klassieke ‘Kruisiging’ door Antoon Van Dyck (1599-1641). Hier vinden we ook de toegang tot de meestal gesloten crypte met overblijfselen van een zeshoekige bakstenen kuip die in de eerste San Marcello gebruikt werd voor het doopsel door onderdompeling.

Ze heeft een doorsnede van 3,2 m en is 1,2 m diep. De oudste bouwelementen van de crypte dateren uit de vierde eeuw, en brengen ons terug tot ons beginpunt, de titulus van San Marcello. Over deze doopkapel lees je maandag meer in het laatste deel van deze minireeks over de San Marcello al Corso.