Archive for september, 2019

Een bezoek aan de San Francesco a Ripa

30 september 2019

Vandaag bezoeken we een iets minder bekende kerk, de San Francesco a Ripa (ook wel San Francesco d’Assissi a Ripa geheten of Chiesa di San Francesco a Ripa Grande). Ze is gelegen in Trastevere, niet ver van Porta Portese en gewijd aan de heilige Franciscus van Assisi. De extensie in de naam kreeg deze kerk van de voormalige haven aan de Tiber, de Ripa Grande, die in het begin van de twintigste eeuw buiten bedrijf werd gesteld.

In de kerk bevinden zich relikwieën van Franciscus van Assisi en een aantal belangrijke kunstwerken, waaronder een fantastisch beeldhouwwerk van Gian Lorenzo Bernini. Vreemd genoeg komen weinig toeristen hiernaar kijken. De San Francesco a Ripa is de titelkerk van de Mexicaanse kardinaal Norberto Rivera Carrera (77).

In 1210 was Franciscus van Assisi (1182-1226) al eens naar de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) gekomen om paus Innocentius III (1198-1216) de instelling van zijn orde ter goedkeuring voor te leggen. In 1219 kwam hij nogmaals twee keer naar Rome, en vond toen onderdak in het hospitium van de San Biagio de Hospitale. Franciscus deed daar zoveel godvruchtig werk dat op voorstel van paus Gregorius IX (1227-1241), zijn medebroeders het hospitium na de dood van Franciscus in 1226 mochten overnemen. Daarmee was ook de eerste franciscaanse nederzetting in Rome een feit.

De plek werd een klooster waaraan in 1229 een kerk werd toegevoegd die de naam van Franciscus van Assisi zou krijgen. Die kerk was geen nieuwbouw, maar het resultaat van een verbouwing van een oudere kerk, de San Biagio de Curte. Deze kerk maakte deel uit van een ziekenhuis. De bouw van de huidige kerk begon in 1603, door Onorio Longhi (1568–1619), beginnend bij de apsis. Na 1681 werd de San Francesco herbouwd in barokstijl, een project dat tot 1701 zou duren. De kerk bestaat uit drie schepen met aan iedere zijde vier kapellen.

De Romeinse architect Mattia de Rossi (1637-1695) voorzag de kerk in 1682 van een nieuwe gevel. De Rossi was een leerling en assistent van Bernini met wie hij ook samenwerkte aan de Sant’ Andrea al Quirinale. Hij is ook de man achter de mooie stucco’s, de orgelpartij en het cantoria in de Santa Maria della Vittoria. Tussen 1873 en 1943 deed een gedeelte van het klooster onder de naam La Marmora dienst als kazerne voor de Bersaglieri, een legereenheid die een vrij grote rol speelde bij de eenwording van Italie in 1870.

Het interieur van de kerk is niet bijzonder aantrekkelijk, maar een aantal kunstwerken zijn dat wel. In de eerste kapel links zien we aan de linkerzijde een zeer mooie ‘Geboorte van Maria’ door Simon Vouet (1590-1649), die Caravaggio’s realisme combineerde met het classicisme van Poussin. Hier bevindt zich ook een werk van Antonio della Cornia (Maria-Hemelvaart).

Links achterin deze kapel bevindt zich achter de afgesloten doorgang het graf van de in Griekenland geboren Giorgio de Chirico (1888-1978). Hij was de grondlegger van de metafysische schilderkunst. Een tijdje geleden publiceerden we een bijdrage over deze kunstenaar die in vroegere eeuwen John Keats als buurman zou hebben gehad.

Boven het altaar hangt de interessante ‘Onbevlekte Ontvangenis’, een werk uit 1560 dat hier, maar ook in vrijwel alle reisgidsen en zelfs op de officiële website van de kerk wordt toegeschreven aan de Antwerpse kunstschilder Maarten (of Maerten) De Vos ((1531-1603). Dat is fout. In werkelijkheid gaat het om een werk van de Brusselse kunstschilder Antoon Sallaert (1594-1650). Nog niet zo heel lang geleden zijn kunstkenners het er eindelijk over eens geraakt dat dit werk lange tijd onterecht werd toegeschreven aan De Vos.

Bekijk dit schilderij met aandacht, het is één van de rijkste iconografische interpretaties die we kennen van het dogma. We wijzen hierna op enkele opmerkelijke details. Maria staat centraal en draagt in haar armen Jezus die de wereldbol vasthoudt terwijl Zijn moeder aan haar voet de slang van de ketterij verplettert. Twee engelen dragen een banderol met ‘Aeternitas’ dat aan haar eeuwige aanwezigheid in Gods gedachten herinnert. Tussen de wolken verschijnen God de Vader en de duif van de Heilige Geest omgeven door de hemelse heirscharen.

Wat lager zit links de Dood in de vorm van een geraamte, hij wijst met zijn vinger in de richting van het opschrift ‘in momento pendeo’ (ik overleg op welk moment). Die dreiging van de dood wordt nog benadrukt door een raaf die, zittend aan de voeten van het skelet, een huisjesslak oppikt met de letters CRA, waarschijnlijk een zinspeling op de spreuk ‘hodie mihi cras tibi’ (vandaag ik, morgen jij).

Rechts op het schilderij verbeeldt de groep van Adam en Eva de mogelijkheid tot verlossing van de erfzonde die geboden wordt door Maria. In het onderste gedeelte waar geschreven staat ‘aeternum quod cruciat’ of de eeuwige kwelling, herkennen we in de hel tussen de geketende verdoemden Tantalus die de alwetendheid der goden op de proef stelde, en Prometheus de schepper van de mens en de beschaving, en die de goden trotseerde. In een grillige rotsholte beveelt Lucifer zijn duivels.

Dit ongelooflijk gedetailleerde stuk van het doek werd enkele jaren geleden afgesneden en gestolen maar nadien teruggevonden, weer aangehecht en gerestaureerd. Dit werk, dat in de recente vakliteratuur nu algemeen aanvaard als een Antoon Sallaert (hoewel dat zoals verteld vrijwel nergens wordt vermeld), toont diens vorming in het milieu van het late maniërisme in het begin van de zeventiende eeuw, nog voordat Rubens en Van Dyck hun stempel op deze stijl zouden drukken.

Sallaert toonde steeds een voorliefde voor het grisaille en had een tomeloze fantasie. Zijn kleurengamma is zeer persoonlijk, een vermenging van goudgelen met onverwachte schakeringen van zacht paars en parelgrijs. Dat deze zeer begaafde en toch onbekende schilder ooit in Rome is geweest, is voor zover we weten niet gedocumenteerd, maar zeker is dat hij nog zeer jong, eind 1605, terug in Brussel actief was en die stad niet meer zou verlaten. In Rome vind je ook in het Palazzo del Quirinale werk van deze kunstenaar.

In de tweede kapel links zien we naast de fresco’s van Giovanni Battista Ricci, vooral de ‘Annunciatie’ van de belangrijke Francesco Salviati (1510-1563), een Florentijnse maniërist en een navolger van Parmigianino en van Rafaël. Il Salviati heette eigenlijk Francesco de’ Rossi maar nam de naam van zijn kardinaal-broodheer over. Dat is het bewijs dat er absoluut geen verband bestaat tussen de schilder en de voormelde architect-gevelontwerper Mattia de Rossi. Ook deze fout wordt regelmatig verteld door en gedrukt in gidsen.

Van Salviati kennen we ook de mooie fresco’s in onder meer de Santa Maria dell’Anima en de San Marcello al Corso. Zijn meesterwerk bevindt zich in palazzo Farnese. Terloops kunnen we vermelden dat het werk van Salviati grote invloed had op de Amsterdamse schilder Pieter Lastman (1583-1633), de leermeester van Rembrandt. De buste van Laura Frangipani (1637) in de derde kapel aan de linkerkant is gemaakt door Andrea Bolgi.

In de vierde kapel links, de zogenaamde Altieri- of Paluzzi-Albertoni-kapel, is ‘De extase van de Gelukzalige Ludovica Albertoni’ uit 1674 te bewonderen, één van de late meesterwerken van Bernini (1598-1680). Het werk heeft een duidelijke band met de veel bekendere ‘De extase van de heilige Theresia’ uit 1646 in de Santa Maria della Vittoria en de dertig jaar jongere Raimondi-kapel in de San Pietro in Montorio.

Ook deze Ludovica geeft zich in de San Francesco a Ripa hartstochtelijk en haast willoos over aan haar religieuze extase. Ludovica Albertoni (1474-1533) die onder het altaar begraven ligt, behoorde tot de reguliere derde orde van Franciscus van Assisi. Tot deze orde traden mensen toe die geen priester of non wilden worden, maar wel de idealen van Franciscus (liefde, armoede en nederigheid) wilden naleven.

De weduwe Albertoni wijdde haar laatste levensjaren aan het verzorgen van de armen in Trastevere. Toen ze doodziek de communie kreeg, raakte ze in mystieke extase en overleed meteen daarna. Dat is het moment dat door Bernini werd uitgebeeld. In 1671 werd Ludovica zalig verklaard.

Haar rijke familie (de Santa Maria in Campitelli staat ongeveer op de plaats van hun vroegere paleis) bestelde de praaltombe bij Bernini. De kunstenaar vereeuwigde de dame op het moment dat ze zalig en verzadigd het goddelijke licht ontvangt. Vandaag kijken bezoekers nog altijd vol verbazing naar deze ‘Estasi di Beata Ludovica Albertoni’.

Het beeld ligt boven en achter het altaar en vormt door de lichtinval vanuit een verborgen zijvenster een frappant contrast met de schemerige kapel ervoor. Aan de zijkanten zijn twee zestiende-eeuwse fresco’s te zien met rechts de heilige Ludovica en links de heilige Clara. Tijdgenoten verweten dit werk zijn overdreven pathetiek, een gebrek dat men verklaarde door Bernini’s ouderdom, hij was toen 76. Het waren vooral reacties van jaloerse, gefrustreerde en veel jongere collega’s die nooit het niveau van de meester zouden bereiken.

Boven het altaar hangt een werk van Baciccio (1639-1709) met de ‘Maagd en Kind met de heilige Anna’. Let ook op het mooie achttiende-eeuwse hoogaltaar met een veelkleurig beeld van Franciscus, het werk van een plaatselijke monnik. In de eerste kapel rechts bevinden zich fresco’s van Fra Emanuele da Como. Domenico Guidi vervaardigde het monument voor kardinaal Michelangelo Ricci.

In de tweede kapel rechts zien we fresco’s uit 1725 die werden gemaakt door Domenico Maria Muratori uit 1725. Ze verbeelden het leven van San Giovanni van Capestrano. Het altaarstuk in de derde kapel rechts is gemaakt door Stefano Maria Legnani en dateert uit 1685.

In het transept bevindt zich de Rospigliosi-Pallavicini-kapel, waaraan de architect Nicola Michetti en de beeldhouwer Ludovico Rusconi samen gewerkt hebben. Hier bevinden zich onder andere de grafmonumenten van leden van de twee families die hun naam hebben gegeven aan de kapel. Het altaarstuk is vervaardigd met veelkleurig marmer en de door Tommaso Chairi geschilderde afbeeldingen zijn van San Pietro d’Alcantara en San Pasquale Babylon. De beelden naast de sarcofaag verbeelden Kracht (links) en Rechtvaardigheid, terwijl Dood er bovenuit torent. Aan de andere kant wordt de sarcofaag vergezeld door Liefdadigheid en Voorzichtigheid.

In het linkertransept bevindt zich de door Giacomo Mola ontworpen Paluzzi-Albertoni-kapel, waar Bernini’s hierboven genoemde meesterwerk zich bevindt. Achter het beeldhouwwerk hangt een schilderij van Giovanni Battista Gaulli (Sint-Anna en de Maagd). Het hoofdaltaar (1746) toont een door Fra Diego da Careri gemaakt beeld van San Franciscus en een doek dat de Heilige Drie-eenheid verbeeldt en door Paris Nogari gemaakt is.

Het aanpalende klooster is te bezoeken via de sacristie, links van het hoogaltaar, waar men zich eerst moet melden. In het klooster vinden we de cel van Franciscus, oorspronkelijk een eenvoudige kloostercel. In 1603 werd het kamertje echter vergroot door de aangrenzende cel erbij te betrekken. In 1698 werd het geheel voorzien van een houten lambrisering en met barokke draperieën versierd. Uiteindelijk werd de cel een pronkjuweel van kerkelijke pracht en praal. Franciscus zou dat waarschijnlijk niet prettig hebben gevonden.

Achter een traliewerk in de rechtermuur wordt Franciscus’ hoofdkussen bewaard, namelijk een zwarte stenen blok. Het schilderij dat boven het altaar hangt werd waarschijnlijk nog tijdens Franciscus’ leven gemaakt en moet dus behoorlijk levensecht zijn. Het werk is van Margaritone (Margarito) d’Arezzo (1250-1290). Wat je hier ziet is een kopie, het origineel bevindt zich in de Pinacotheek in de Vaticaanse Musea. Aan weerszijden van het portret ziet men beroemde leden van de orde, we herkennen de heilige Antonius van Padua en Saint Louis de Toulouse.

Er is ook een ingenieuze reliekhouder, waarin met behulp van allerlei mechaniekjes talrijke heilige resten zichtbaar gemaakt kunnen worden, niet minder dan 18.000 in totaal. In de kloostertuin is een sinaasappelboom te zien waarvan gezegd wordt dat hij door de heilige Franciscus zou geplant zijn, dit in navolging van de heilige Dominicus (1170-1221), een tijdgenoot en ‘concurrent’ van Franciscus, die hetzelfde had gedaan in de tuin van de Santa Sabina op de Aventijn. Het feest van de heilige Franciscus valt op 4 oktober, niet per toeval ook Werelddierendag.

De Ionische zuil op het plein vóór de kerk is afkomstig van de ruines van Veii (Veio), een stad uit de negende eeuw v. Chr. die zich op een kleine 20 km ten noorden van Rome bevindt en die lange tijd het centrum van de Etruskische beschaving was. De zuil was in 1847 op Piazza di Francisco d’Assisi in Rome geplaatst in opdracht van paus Pius IX. De paus verontschuldigde zich bij de franciscaner paters over de geringe afmetingen van de zuil met de woorden: “Jawel, het is een kleine zuil, maar ook het plein is klein”.

San Francesco a Ripa
Piazza di San Francesco d’Assisi 88, Rome
www.sanfrancescoaripa.it

Luchthaven Rome investeert miljarden in grote uitbreiding

29 september 2019

De Italiaanse regering investeert 2,1 miljard euro in de uitbreiding van de luchthaven Leonardo da Vinci in Fiumicino vlakbij Rome. Het betreft de eerste fase in de realisatie van het masterplan ‘Fiumicino Nord’, een project dat bijna een verdubbeling van de Romeinse luchthaven omvat. Er komen twee nieuwe start- en landingsbanen en twee nieuwe terminals. Rome wil daarmee de verwachte forse groei van het aantal passagiers opvangen en wil tegen 2044 jaarlijks 100 miljoen passagiers kunnen verwerken. De totale kostprijs wanneer alle werkzaamheden zijn afgerond, wordt geraamd op 12 miljard euro.

Studies wijzen op een grote toename van het aantal reizigers in de komende jaren. Dat een dergelijke gigantische uitbreiding van de luchthaven niet overdreven is, werd een tijd geleden bevestigd door een analyse van de International Air Transport Association (IATA) die stelt dat de vraag naar vliegreizen de komende twintig tot dertig jaar bijna zal verdubbelen. Volgens de IATA zullen omstreeks 2036 wereldwijd 7,8 miljard mensen het vliegtuig nemen, tegen de bijna 4 miljard passagiers die dit jaar worden verwacht.

De internationale luchtvaartorganisatie gaat uit van een gemiddelde groei van het aantal vliegtuigpassagiers met 3,8% per jaar. Vooral in Azië wordt een sterke groei verwacht. Momenteel zijn de Verenigde Staten nog de grootste luchtvaartmarkt, maar die zullen vermoedelijk reeds in 2020 hun eerste plaats moeten afstaan aan China.

De luchthaven Leonardo da Vinci bij de gemeente Fiumicino in Rome werd in 1960 in gebruik genomen. De Romeinse luchthaven beschikte toen nauwelijks over infrastructuur, had slechts één vliegstrook waarop de vliegtuigen zowel moesten landen als opstijgen en geen terminal voor de afhandeling van bagage en passagiers. De plannen voor de luchthaven kwamen in 1956 in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat de Olympische Spelen van 1960 in Rome zouden plaatsvinden.

De bestaande luchthaven Ciampino zou te klein zijn om de drukte op te vangen en de overheid besliste een tweede luchthaven te bouwen. Er werden kosten noch moeite gespaard om de stad in vier jaar tijd een luchthaven van enige allure te bezorgen. De voltooiing van het project lukte slechts op het nippertje. De Olympische Spelen waren al vijf dagen aan de gang toen de Italiaanse president de luchthaven officieel opende.

Het zou echter duren tot de nacht van 14 op 15 januari 1961 vooraleer de eerste buitenlandse luchtvaartmaatschappijen zich fatsoenlijk konden installeren in een terminal die de naam waardig was. Dat gebeurde in het gebouw dat vandaag bekend staat als Terminal 3.

De keuze om de eerste terminal precies daar neer te zetten was niet toevallig, want die omgeving sloot perfect aan op de spoorlijn naar Roma Termini, het spoorwegstation van waaruit later de Leonardo Express-trein snelle shuttle-verbindingen van en naar de luchthaven zou verzorgen. Het was ook handig dat zowel het vertrek als de aankomst van de vliegtuigpassagiers op hetzelfde niveau konden gebeuren. Voorts bevonden zich in de nieuwe luchthaven een apotheek, een krantenwinkel, een bank, een bar en een postkantoor.

De komende jaren zal fors worden geïnvesteerd in de luchthaven van Fiumicino, die nu al veel groter is dan Ciampino, een luchthaven die dichter bij het historische stadscentrum ligt en een jaarlijkse trafiek heeft van bijna vijf miljoen reizigers die van en naar een zestigtal bestemmingen vliegen. Omwille van de geluidshinder zal het aantal vliegbewegingen in Ciampino op termijn verminderen.

Fiumicino ligt vlak naast de zee en beschikt vandaag over vier startbanen, drie terminals, 355 check-in desks en 83 boarding gates. Ongeveer honderd binnenlandse en internationale luchtvaartmaatschappijen bieden ruim tweehonderd bestemmingen aan. Vorig jaar werden 43,6 miljoen passagiers verwerkt. Recent opende een nieuwe aankomst- en landingspier die beschikt over 22 poorten en 16 laadbruggen en zal gebruikt worden voor vluchten van en naar de Schengenlanden, goed voor zes miljoen extra passagiers per jaar.

Rome is één van de drukste luchthavens van Europa. Ze bevindt zich zowel op strategisch als logistiek vlak in een zeer gunstige positie en vormt een perfecte draaischijf tussen Europa en de andere continenten. Bovendien ligt de luchthaven van Fiumicino vlakbij de zee, ongeveer 35 km van het centrum van Rome, waardoor nooit noemenswaardige klachten over geluidshinder opduiken.

In 2018 kregen beide luchthavens meer dan 45 miljoen passagiers te verwerken, een stijging met 4% vergeleken met een jaar geleden. Reeds in 2021 zal Rome naar verwachting mogen rekenen op zowat 50 miljoen passagiers. Tegen 2044 wordt een trafiek van 90 tot 100 miljoen reizigers verwacht. Rome wil er tegen dan klaar voor zijn.

Fiumicino Nord is de naam van een ambitieus masterplan dat luchthavenbeheerder Aeroporti di Roma (ADR) tegen 2044 wil realiseren. ADR is een privébedrijf, de meeste aandelen zijn in handen van de Edizione Holding, een investeringsmaatschappij van de familie Benetton, onder meer de eigenaar van de gelijknamige kledinggroep. ADR werd in juli 1997 naar de beurs gebracht en in 2000 volgde een volledige privatisering toen de luchthavenaandelen die nog in handen van de Italiaanse staat waren eveneens werden verkocht. ADR is tevens de beheerder van de luchthaven Ciampino in Rome en heeft ook een klein belang in de luchthaven van Genua.

Dertien van ’s werelds toonaangevende studiebureaus en in luchthaveninfrastructuur gespecialiseerde engineeringgroepen schreven acht jaar geleden in op de internationale aanbesteding om het masterplan voor de luchthavenuitbreiding op te stellen. Uiteindelijk werden tien projecten ingediend, waarvan acht binnen de vooropgestelde termijn.

De toekenningscommissie gaf punten voor de manier waarop het lokale grondgebied werd geïntegreerd in de reeds bestaande luchthaveninfrastructuur, voor de kwaliteit van de infrastructuur, de energie-efficiëntie en de energiebesparing, de ecologische duurzaamheid en hield uiteraard ook rekening met de prijs.

Het internationale ingenieursbureau URS Scott Wilson, dat een team vormde met 3TI Progetti uit Rome en Pascall+Watson Architecture uit Londen, won in juli 2012 de aanbesteding. URS Scott Wilson werd vier jaar geleden overgenomen door de Amerikaanse multinational AECOM.

Het masterplan werd gerealiseerd onder coördinatie van Aeroporti di Roma en met de medewerking van deskundigen van Changi Airport. Deze laatste is de exploitant en beheerder van de luchthaven van Singapore die in deze sector wereldleider is inzake kwaliteit, efficiency en afhandeling. Het ontwerp omvat, naast een uitbreiding van de oppervlakte met 1.300 ha, ook twee nieuwe start- en landingsbanen en de bouw van twee terminals, goed voor 100 nieuwe poorten, waarvan er 70 zullen worden voorzien van laadbruggen. Er komen ook 170 standplaatsen om vliegtuigen te parkeren.

De eerste nieuwe terminal van 650.000 m² zal als een reusachtige letter ‘H’ tussen de bestaande start- en landingsbanen worden gerealiseerd. In de eerste fase worden de interventies gepland in het bestaande luchthavengebied; in een volgende fase zal de luchthaven uitbreiden naar de noordwaarts gelegen terreinen. 65.000 m² van de nieuwe terminal wordt gereserveerd voor winkels.

Samen met de eerste nieuwe terminal wordt ook een nieuw station gebouwd, van waaruit een snelspoor de verbinding met Rome-centrum zal maken. De Leonardo Express van de luchthaven naar het spoorwegstation Termini op de rand van de historische binnenstad van Rome doet daar vandaag 30 minuten over.

Met moderne spoorwegtechnologie zal dat veel sneller kunnen. De dienstregeling zal in de toekomst tenminste 170 dagelijkse ritten aanbieden. ADR verwacht dat in de toekomst minstens de helft van de passagiers het openbaar vervoer zal gebruiken om zich van of naar de luchthaven te begeven.

Het aantal start- en landingsbanen in Fiumicino zal uitbreiden van vier naar zes, waardoor dagelijks tenminste 140 extra toestellen zullen kunnen landen en opstijgen. Daarbij horen ook een nieuw signalisatiesysteem en bijkomende stroken om te taxiën, dit om ook aan de grond een vlotte doorstroming van de vliegtuigen mogelijk te maken.

Op het luchthaventerrein moeten nieuwe technologisch geavanceerde centrales instaan voor de productie van 600 miljoen kWh elektriciteit. 85% van de energie zal worden geproduceerd met behulp van natuurlijke bronnen, waaronder voornamelijk zonne-energie. Fiumicino bouwt ook een warmtekrachtkoppelingscentrale.

De bestaande terminals moeten nog beter op elkaar en op de parkings en het openbaar vervoer aansluiten. Tussen de terminals moet ook een nieuw verbindingssysteem komen om de reizigers toe te laten snel te wisselen tussen het binnenlandse, het internationale en het intercontinentale verkeer.

Om de toegankelijkheid te verbeteren zal een nieuw geautomatiseerd transportsysteem worden gebouwd, een Ground Rapid Transit System of GRTS. Er wordt tevens geïnvesteerd in een nieuw bagage afhandelingsysteem, een scanningsysteem voor de security, nieuwe congrescentra, kantoren, hotels en bijkomende parkeergarages en parkeerterreinen voor bezoekers en werknemers van de luchthaven.

Het huidige luchthaventerrein heeft een oppervlakte van zowat 1.600 ha, op lange termijn gaat het dus om bijna een verdubbeling van de nuttige ruimte. De realisatie van de nieuwe infrastructuur gebeurt in verschillende fasen, dit om de komende jaren steeds een evenwicht tussen vraag en aanbod te bewaren en om de dienstverlening aan de passagiers te behouden.

Indien Rome de Olympische Spelen van 2020 of 2024 had mogen organiseren waren de werkzaamheden wellicht nu al in een stroomversnelling geraakt, maar de crisis in Italië, de torenhoge schuldenberg en de tegenvallende economie van de voorbije jaren hebben de financiering van het project behoorlijk afgeremd. Ook de groeicijfers van het aantal passagiers en de vliegbewegingen zijn ondertussen enigszins bijgestuurd.

De werkzaamheden lang uitstellen is echter geen optie, de uitbreiding moet er zo snel mogelijk komen. Het aantal zakelijke bezoekers voor Rome stijgt jaarlijks en ook het toerisme blijft groeien. Het Vaticaan zorgde met de organisatie van een Jubeljaar in 2016 voor de uitzonderlijke komst van ongeveer 18 miljoen extra toeristen, al arriveerden die bezoekers uiteraard niet allemaal per vliegtuig. Bovendien wordt de Romeinse luchthaven ook steeds belangrijker als hub naar andere internationale bestemmingen.

De geplande infrastructuurwerken zullen duren tot tenminste 2044. Tegen dan moet de luchthaven in staat zijn om jaarlijks een trafiek van 90 tot 100 miljoen passagiers aan te kunnen. De geplande groei moet zich tegen dan ook vertalen in tenminste 100.000 directe arbeidsplaatsen. In andere, bij de luchthaven betrokken industrieën, worden nog eens 250.000 nieuwe jobs verwacht.

Het grootste knelpunt bij dit alles is natuurlijk de kostprijs van het project. Die wordt geraamd op 12 miljard euro, maar of dat bedrag zal volstaan valt nog af te wachten. In Rome en bij uitbreiding in heel Italië blijken dergelijke ramingen uiteindelijk altijd veel te laag.

Tariefverhogingen voor allerlei diensten in en rond de luchthaven zijn op termijn onvermijdelijk. Een gedeelte zou kunnen worden gefinancierd met de opbrengst van duurdere landingsrechten en de huurgelden uit de vele winkels die in de luchthaven actief zijn. Ook de opbrengsten uit de eigen hotels en de verhuur van kantoorruimte en concessies kunnen de kassa spijzen.

ADR garandeert dat in de nieuwbouw veel aandacht zal gaan naar ecologie en duurzaamheid. De toekomstige luchthaven wordt omschreven als een technologisch vooruitstrevende hub, waarbij emissie en geluidshinder tot een absoluut minimum zullen worden beperkt.

Wanneer men tijdens de werken op archeologische vondsten stoot – wat in Rome bijna onvermijdelijk is – zullen deze indien mogelijk worden geïntegreerd in de nieuwe infrastructuur. Dergelijke ontdekkingen zullen echter ook zorgen voor een vertraging van de bouwwerkzaamheden, een fenomeen waarmee ook de nieuwe metrolijn C die momenteel in Rome wordt aangelegd al vaak te maken kreeg: dat project heeft al jaren vertraging opgelopen en zag de geraamde kostprijs al meer dan verdubbelen, hoewel de werkzaamheden nog maar halfweg zijn.

De herontdekking van de klassieken in de actuele kunst

27 september 2019

Het Nederlands Klassiek Verbond afdeling West-Vlaanderen (NKV) organiseert op 15 oktober in Brugge en op 17 oktober in Kortrijk een lezing met als onderwerp ‘De herontdekking van de klassieken in de actuele kunst’.  Beide lezingen beginnen om 20 uur en worden verzorgd door Felix Claus.

Wat heeft de actuele kunst nog met de klassieke oudheid te maken? Liggen de oude Grieken en de Romeinen al niet zover van ons af dat het stellen van deze vraag bevreemdend, laat staan absurd klinkt? Het antwoord is verrassend: heel wat actuele kunstenaars refereren direct of indirect aan de klassieke oudheid. En hun aantal neemt zelfs toe.

In de lezing neemt de spreker de toehoorders mee op een ontdekkingstocht door de actuele kunst en wijst hij op de verrassende verbanden met de klassieke oudheid. Die verbanden zijn heel verschillend. Sommige kunstenaars zijn geïntrigeerd door de antieke kunst, andere door geschiedenis en archeologie, weer andere door goden en mythen, nog andere door thema’s en concepten die in de klassieke oudheid voorkomen. Hoe leggen zij in hun werk verbanden en wat drijft hen daartoe? Dat zijn slechts enkele vragen die tijdens deze lezingen aan bod komen.

De lezingen zijn geïllustreerd met visueel en auditief materiaal. Er komen talrijke Hedendaagse kunstenaars aan bod, zowel gevestigde waarden zoals Michelangelo Pistoletto, Jef Koons, Damien Hirst, Anselm Kiefer en William Kentridge, als recente kunstenaars waaronder het kunstenaarscollectief AES+F, David LaChapelle, Francesco Vezzoli, David Quinn. De lezing wordt door recent werk van bekende en nieuwe kunstenaars voortdurend bijgewerkt.

Spreker Felix Claus is classicus van vorming. In het begin van zijn loopbaan was hij leraar klassieke talen in Eeklo (België). Hij werkte vervolgens als stafmedewerker in het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs in de ‘Guimardstraat’ (nu: Katholiek Onderwijs Vlaanderen) in Brussel. Hij was tevens coördinator van het Algemeen Secundair Onderwijs en gedurende vele jaren voorzitter van de leerplancommissie Latijn. Felix Claus is met pensioen maar nog altijd bedrijvig in het onderwijs.

De lezingen vinden plaats op de volgende locaties:

BRUGGE

Dinsdag 15 oktober 2019
Hof van Watervliet
Oude Burg 27
om 20 uur

KORTRIJK

Donderdag 17 oktober 2019
Centrale Bibiotheek
Leiestraat 30
om 20 uur

Kardinaal William Levada (84) overleden

27 september 2019

De Amerikaanse kardinaal William Joseph Levada, van 2005 tot 2012 prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, is gisteren op 84-jarige leeftijd overleden. In 2005 volgde hij kardinaal Joseph Ratzinger op, die de congregatie 24 jaar had geleid, toen die als paus Benedictus XVI aan zijn pontificaat begon. Nooit eerder bekleedde een Amerikaan zo’n belangrijke functie in Rome. Als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer was kardinaal Levada ook voorzitter van de Internationale Theologische Commissie, de Bijbelcommissie en de Commissie Ecclesia Dei.  Levada leidde de Congregatie tot in 2012. 

Fiumicino uitgeroepen tot beste Europese luchthaven

26 september 2019

Wellicht zal niet iedereen er altijd even goede ervaringen hebben, maar voor het tweede jaar op rij is de luchthaven Leonardo da Vinci in Fiumicino uitgeroepen tot beste Europese luchthaven. De grootste luchthaven van Rome staat op de eerste plaats in de ranglijst van de twintig Europese luchthavens met meer dan 25 miljoen passagiers en steekt daarmee prominente concurrenten zoals München, Kopenhagen, Dublin, Istanbul Sabiha Gökçen, Londen Gatwick, Moskou Sheremetyevo en Wenen voorbij.

De ranglijst wordt samengesteld door de Airports Council International (ACI), de wereldwijde overkoepelende belangenorganisatie van luchthavenbedrijven. ACI is een non-profitorganiatie en heeft wereldwijd momenteel 575 leden die actief zijn op 1.633 luchthavens in 179 landen. De leden zijn luchthavenexploitanten, nationale luchthavenverenigingen, onderwijsinstellingen en internationale zakenpartners.

ACI Europe vertegenwoordigt meer dan 500 luchthavens in 45 Europese landen. De leden verzorgen meer dan 90% van het commerciële luchtverkeer in Europa, wat vorig jaar goed was voor 2,3 miljard passagiers, 21,2 miljoen ton vracht en 25,7 miljoen vliegtuigbewegingen. De Europese afdeling is gevestigd in Brussel, telt 22 medewerkers en onderhoudt sterke banden met de andere ACI-regio’s elders in de wereld.

ACI doet permanent onderzoek naar de tevredenheid van passagiers op de belangrijkste luchthavens van de wereld. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat de beste quotering twee opeenvolgende jaren aan dezelfde luchthaven wordt gegeven.

De luchthaven in Fiumicino krijgt vooral lof voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de passagiers, de technologische innovaties en de functionaliteit van de infrastructuur. Daarnaast krijgt de Romeinse luchthaven ook positieve kritiek voor de operationale efficiëntie van het luchthavenverkeer die ertoe leidde dat Leonardo da Vinci vorig jaar één van de meest stipte luchthavens van Europa is.

De onafhankelijke jury is samengesteld met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, The Single European Sky ATM Research (SESAR) en de Europese Conferentie van burgerluchtvaart en de European Union Safety Agency (EASA).

De Leonardo da Vinci-luchthaven komt van ver. Vijf jaar geleden bengelde de Romeinse luchthaven nog helemaal onderaan de ranglijst. De forse stijging in de ranglijst gebeurde na een ommezwaai bij de beursgenoteerde Atlantia-groep die de jongste jaren flink investeerde in de luchthaven, vooral op technologisch vlak.

De Italiaanse holding Atlantia SpA (voorheen Autostrade SpA) is de grootste private wegbeheerder van Europa en bestaat uit verschillende tolwegexploitanten die gezamenlijk 5.000 kilometer tolweg beheren, waarvan 60% in Italië. Dochteronderneming Autostrade per l’Italia is de grootste exploitant van wie de concessie pas afloopt in 2038.

Via een andere dochteronderneming, Aeroporti di Roma (ADR), is Atlantia ook de beheerder van de luchthavens Fiumicino en Ciampino in Rome. Vorig jaar maakten meer dan 45 miljoen passagiers gebruik van de twee luchthavens.

De goede resultaten van ADR woren overigens ook bevestigd door Skytrax, het toonaangevende internationale ratingbedrijf voor de luchthavensector, dat de Romeinse luchthaven vier sterren geeft.

De kapel van Palazzo del Monte di Pietà

25 september 2019

Aan de Piazza del Monte di Pietà vind je op de nummers 32 en 33 het Palazzo del Monte di Pietà, het gebouw waar de Monte di Pietà, de Berg van Barmhartigheid, en een bankkantoor onderdak vinden. Maar niets laat vermoeden dat je achter deze sobere gevel een verborgen parel kan ontdekken: een schitterend gedecoreerde barokke kapel.

Om woekeraars de pas af te snijden en zo de armen te beschermen, stichtte minderbroeder Giovanni da Calvi in 1527, samen met enkele kapitaalkrachtige Romeinse edelen, de Monte di Pietà. In 1539 keurde paus Paulus III Farnese de oprichting goed van ‘een congregatie van bemiddelde personen die tegen onderpand renteloos geld leenden aan de armen’.

De administratie van het pandjeshuis werd aanvankelijk verzorgd door medeoprichter Giovanni da Calvi, later door Franciscaner kardinalen. Onder hen was ook kardinaal en aartsbisschop van Milaan Carlo Borromeo (1538–1584), die door paus Paulus V in 1610 heilig zou worden verklaard. Hij is in de Nederlanden vooral bekend onder zijn Latijnse naam Carolus Borromeus.

Borromeo maakte zich bijzonder verdienstelijk: hij stelde het eerste reglement van het pandjeshuis op en stelde zijn eigen palazzo ter beschikking van de instelling, want aanvankelijk had het instituut geen vaste zetel. Het pandjeshuis had zo’n succes dat er meer ruimte nodig was voor het opslaan van de in pand gegeven voorwerpen, die vaak erg omvangrijk waren.

Paus Sixtus V kocht daarom in 1585 voor 7.000 scudi een gebouw op de boek van de de huidige Piazza di Monte Vecchio en de Via dei Coronari. Dat gebouw bestaat nog altijd. Aan de overzijde van de straat vind je Piazza di San Simeone, in dezelfde hoek er tegenover begint de Vicolo di Montevecchio. Het gaat om het huidige huis nr. 31. Vandaag wordt het gelijkvloers ingenomen door een bar en een winkel. Maar ook deze ruimte werd al snel te klein voor het bewaren van de in pand gegeven goederen.

In de daaropvolgende 60 jaar bouwden verschillende pausen de activiteiten van de instelling verder uit, zodat uit het pandjeshuis onder paus Sixtus V een depositobank ontstond. Die fungeerde niet alleen als publieke bank, maar ook als veilige bewaarplaats voor de opslag van kostbaarheden en documenten. Het stevige gebouw en de constante bewaking door een afdeling van de Zwitserse Garde garandeerden de veiligheid van de opgeslagen goederen.

Het was zelfs zo dat de Romeinen in de zomer nutteloze kostbaarheden, zoals bontjassen en dure tapijten, naar het pandjeshuis brachten om ze daar in bewaring te geven. Dat was namelijk veiliger en goedkoper dan een opslagplaats te huren. Ook juwelen en kunstvoorwerpen vertrouwde men liever toe aan de Berg van Barmhartigheid dan dat men ze bewaarde in een brandkast.

We zagen al dat het pandjeshuis in de loop van zijn bestaan geen vaste zetel had en steeds op zoek was naar ruimere huisvesting. In 1604 vestigde de instelling zich in het huidige gebouw aan de Piazza del Monte di Pietà toen twee gebouwen werden gekocht nabij de kerk Trinità dei Pellegrini.

Het centrale gedeelte van het complex is gebouwd in opdracht van kardinaal Prospero Santacroce, hij gaf in 1588 opdracht aan Ottaviano Nonni, bijgenaamd il Mascherino (Bologna, 1524 – Roma, 1606) tot de bouw van een residentie voor zijn familie. Na de dood van de kardinaal verkochten zijn erfgenamen het complex aan de twee broers Settimio en Fantino Petrignani, en die verkochten het op hun beurt in 1603 aan de Sacro Monte di Pietà.

Om het gebouw uit te breiden en geschikt te maken als pandjeshuis werd de hulp ingeroepen van niemand minder dan Carlo Maderno en Francesco Borromini. Ze bouwden een vleugel bij aan de rechterkant van het bestaande huis en lieten er een kapel optrekken die werd ingewijd in 1618. Paus Urbanus VIII liet het complex nogmaals uitbreiden en het plein voor de gebouwen heraanleggen. Met de dood van Carlo Maderno in 1630 kwamen de werken in handen van achtereenvolgens Filippo Breccioli en Francesco Peparelli.

Deze laatste kreeg de opdracht een nieuwe kapel op te trekken, hij liet daarvoor in 1639 een volledige kerk slopen, de San Salvatore in Campo. De kerk werd hetzelfde jaar nog herbouwd door Peparelli een eind verderop aan de Piazza di San Salvatore in Campo en bestaat nog steeds.

Daarmee was de bouw van het pandjeshuis echter nog niet voltooid. Na nog meer uitbreidingswerken aan de bestaande gebouwen bleek de ruimte andermaal te klein en werd in 1759 een derde aanpalend gebouw gekocht, het Palazzo Barberini ai Giubbonari, ook bekend als het Casa grande dei Barberini.

Dit enorme pand was de oorspronkelijke woning van de familie Barberini, vooraleer Maffeo Barberini (1623-1644, de latere paus Urbanus VIII) in 1625 van kardinaal Alessandro Sforza de site aan de Via delle Quattro Fontane zou kopen waar later het huidige Palazzo Barberini zou worden opgetrokken en waar de Barberini vanaf 1553 hun intrek zouden nemen. Zoals bekend huisvest Palazzo Barberini vandaag de Galleria Nazionale d’Arte Antica, de belangrijkste nationale verzameling oudere schilderijen in Rome.

Het voormalige Casa grande dei Barberini ligt aan de overkant van de straat en werd in 1768 met het hoofdgebouw verbonden door een gewelfde boog die vandaag nog steeds bekend staat als de Arco del Monte. Ook het onderliggende straatje is ernaar vernoemd. In de decennia daarna en na verschillende wijzigingen aan het grondplan werden zowel de kapel als de koepel door een keur aan artiesten rijkelijk versierd met marmer, bas-reliëfs en beelden. De kapel was op tijd afgewerkt voor het Heilig Jaar 1725, al werd ze pas ingewijd in 1730. Het is deze kapel die we vandaag in al zijn pracht en praal kunnen bewonderen.

De bas-reliiëfs en beelden zijn uitgevoerd in wit Carraramarmer tegen een achtergrond van rode en groene marmersoorten uit Sicilië en geel marmer uit Klein-Azië. De koepel is bezet met verguld stucwerk, met daarin medaillons die de geschiedenis van de Berg van Barmhartigheid uitbeelden. Boven het altaar hangt een Pietà door Domenico Guidi, in de zijkappellen staan beelden die de theologale deugden en scènes uit het Oude Testament voorstellen.

Ook wie de kapel van de Monte di Pietà niet bezoekt, mag niet nalaten de voorgevel van het complex even te bewonderen. Het uurwerk links boven de gevel dateert van het einde van de achttiende eeuw. Tegen het midden van de façade staat een mooie fontein, ze dateert uit het begin van de zeventiende eeuw en werd in opdracht van paus Paulus V Borghese door Carlo Maderno ontworpen.

Boven het bekken, tegen de achtergrond van een geopende schelp, herkennen we de arend uit het wapenschild van de familie Borghese. Het water stroomt uit het masker en de twee draken links en rechts van het masker; ook de draak behoort tot het familiewapen van de Borghesefamilie. De fontein werd samen met het gebouw grondig opgeknapt tijdens de jongste restauratiebeurt van 2012.

Boven de fontein hangt een rijkelijk versierde plaat met opschrift, met verschillende wapenschilden en ornamenten. De gevelplaat is eveneens van de hand van Carlo Maderno. Boven de tekst zien we Jezus die opstaat uit het graf. De wapenschilden aan de zijkanten zijn die van paus Paulus III Farnese, de stichter van de Monte di Pietà, en van paus Clemens VIII Aldobrandini, die het gebouw aankocht.

De tekst van het opschrift luidt ongeveer als volgt: ‘Paus Clemens VIII hevelde de Monte di Pietà, opgericht ten voordele van de armen, over van de zetel aangekocht door Sixtus V naar deze ruimere zetel, opdat de kleine ruimtes de groei van de activiteiten niet zouden belemmeren, en begunstigde haar met voordelen, in het jaar des heren 1604, het 13de jaar van zijn pontificaat, onder bescherming van kardinaal Pietro Aldobrandini’.

CLEMENS VIII PONT MAX MONTEM PIETATIS PAUPERUM COMMODO INSTITUTUM NE CRESCENTIS OPERIS AUGUMENTUM LOCI PRAEPEDIRET ANGUSTIA EX AEDIBUS A SIXTO V.P.M. COEMPTIS IN HAS AMPLIORES TRANSTULIT ET BENEFICIIS AUXIT ANNO SAL MDCIIII PONTIF XIII PETRO CARDINALI ALDOBRANDINO.

Het oorspronkelijke pandjeshuis zou in de daaropvolgende eeuwen indirect aan de basis liggen van een machtige financiële groep. In de achttiende eeuw groeide de Sacro Monte van caritatieve instelling uit tot de bank van de Pauselijke Staat. In 1836 wordt de Cassa di Risparmio di Roma opgericht, waar de activiteiten van de bank worden in ondergebracht, gescheiden van die van het pandjeshuis. De Monte di Pietà was één van de eerste aandeelhouders.

In 1937 werd de Monte di Pietà volledig opgeslorpt door de bank. In 1992, na de fusie met Banco di Santo Spirito en Banco di Roma, wijzigde de naam in Banca di Roma. In 2002 volgde de fusie met de Bipop Carire-groep waardoor de groep Capitalia ontstond. De holding Capitalia SpA controleerde nu volledig zowel de Banca di Roma, maar ook de Banco di Sicilia, Bipop Carire en Mediocredito Centrale (MCC). In 2006 werd ook de FinecoBank opgenomen in de groep. Een jaar volgde de fusie tussen Capitalia SpA en UniCredito Italiano SpA tot de UniCredit Group.

Die is vandaag nog steeds eigenaar van het gebouw. Ook het pandjeshuis is nog altijd actief. Als je er vandaag iets in onderpand wil geven (gouden, zilveren, met diamanten of edelstenen bezette juwelen, zilverwerk, uurwerken of munten) kan je elke werkdag van 7.40 uur tot 14.10 uur terecht op de eerste verdieping van de Monte di Pietà.

Je neemt een volgnummer en gaat in de ruime wachtzaal zitten. Experts schatten de waarde van je kleinoden en stellen je een bedrag voor, dat bedrag krijg je in contanten. Als je binnen de 3 of 6 maanden het geleende bedrag met interest terugbetaalt, kom je weer in het bezit van je eigendom, zo niet wordt het bij opbod verkocht.

De gevel van het complex werd in 2012 volledig gerestaureerd. Bij die gelegenheid verdween ook de sinds vele jaren zo typische roestbruine kleur. Steeds meer gebouwen en monumenten in Rome worden op deze manier aangepakt. Niet iedereen vindt dat even mooi. Het argument om dit zo aan te pakken is dat de bruine terracottakleur doorgaans niet de originele is.

De kapel van de Monte di Pietà is in principe enkel vrij te bezoeken tijdens het evenement Invito a palazzo. De ABI, dat is de Italiaanse vereniging van Banken (Associazione Bancaria Italiana) stelt dan een aantal monumentale bankgebouwen en de meest recente bankgebouwen van succesvolle hedendaagse architecten in heel Italië gedurende één dag open voor het publiek. Deze gebouwen zijn doorgaans kantoren, dus het publiek krijgt de kunstwerken in de panden en het interieur nooit te zien.

Dit jaar gebeurt dat voor de achttiende keer op zaterdag 5 oktober van 10 tot 19 uur. Kijk vooraf op de website van de honderdjarige ABI om te zien of het bankgebouw dat je wil bezoeken op het lijstje staat. Het kan tot kort vóór het evenement duren vooraleer de volledige lijst online staat.

Een bezoek aan de kapel van Palazzo Monte di Pietà (of Palazzo Santacroce Aldobrandini zoals het ook weleens wordt genoemd) is eveneens mogelijk voor kleine groepen op afspraak via het telefoonnummer 06 684 420 01.

Palazzo del Monte di Pietà
Cappella del Monte di Pietà

Piazza del Monte di Pietà 33, Rome

Praktisch

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Opschriften voor beginners

24 september 2019

Avonturen met opschriften – V

Een aantal weken geleden begonnen we met de nieuwe rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de vijfde bijdrage in deze reeks. De vorige bijdragen kan je hier nalezen.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel V.

Uit de vorige afleveringen is het wel duidelijk geworden dat het lezen van opschriften eigenlijk gewoon leuk is. In tegenstelling tot de literaire teksten die wij op zijn vroegst uit middeleeuwse handschriften kennen en die we meestal in moderne edities en/of vertalingen raadplegen en/of lezen, bieden opschriften ons een direct materieel contact met de periode waarin de tekst is ontstaan.

Opschriften (3)

Er is in principe geen verschil tussen een Romein uit de oudheid die de tekst las of ons. We staan op gelijke hoogte als we een grafschrift lezen of zien wie verantwoordelijk was voor een bepaald gebouw. En dat is een bijzondere gewaarwording.

Enige vereiste: je moet wat Latijn kennen. Enig nadeel: niet iedereen beschikt over die kennis. En die mensen missen toch een deel van het typische plezier. Om nog maar te zwijgen van het feit dat voor de niet-Latijnstaligen deze afleveringen wat mysterieus of moeilijk blijven. Vandaar dat deze bijdrage gaat proberen om daar iets aan te doen…

Vraag 1: wat is een opschrift?

Die is nog gemakkelijk. Een opschrift is een tekst die op duurzaam materiaal is aangebracht, meestal door inkerving, soms door beschildering. In het laatste geval is er meestal weinig van over, behalve in Pompeii en andere uitzonderlijke gevallen. Maar de Romeinen waren verwoede steenkervers en -kappers en er zijn tienduizenden, mogelijk honderdduizenden van die opschriften bewaard gebleven.

Het materiaal heeft echter een aantal beperkingen, onder meer in de ruimte. Eisen van leesbaarheid en problemen van kosten hebben ertoe geleid dat er zich een letterlijk lapidaire stijl ontwikkeld heeft met een relatief homogeen beeld in heel het Romeinse rijk. Zo worden de meeste opschriften gekenmerkt door het gebruik van bepaalde formules, hebben ze een min of meer vaststaande structuur en wemelen ze van de afkortingen.

Vraag 2: wat is daar het gevolg van?

Eigenlijk ook nogal gemakkelijk: ook een niet-Latijnstalige kan bij bepaalde typen opschriften een heel eind komen. Hij/zij kan dan wellicht niet de juiste vorm van de afkorting oplossen, maar weet wel wat er bedoeld is. Dit geldt met name voor de grafschriften, maar daar zijn er dan ook hele hopen van.

Zo beginnen (niet-christelijke) grafschriften vanaf de Flavische periode (69-96) vaak met de afkorting D M = Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’ of D M S = Dis Manibus sacrum ‘gewijd aan de goden van de onderwereld’, waarbij dan meer specifiek de beschermende machten van de zielen van de overledenen worden bedoeld.

Normaal volgt dan de naam van de overledene, gevolgd door de leeftijd en door de naam van degene die het monument heeft laten oprichten, soms met nog een precisering. Wanneer het een gemeenschappelijk graf betreft, volstaat het opschrift soms met de opsomming van de namen.

Opschriften (4)

Hierbij worden ook steeds bepaalde conventies gerespecteerd. Zo bestaat een naam uit een aantal vaste elementen. Eerst de naam van een vrijgeboren man, meer bepaald een Romeins burger: daar onderscheiden we de voornaam of praenomen, normaal in afkorting (A. = Aulus, C. = Gaius, M. = Marcus, L. = Lucius, Q. = Quintus, Cn. = Gnaeus), de familienaam of het nomen gentilicium (Antonius, Claudius, Iulius) en het cognomen of de bijnaam die het individu binnen die grote familie situeert.

Tussen familienaam en cognomen staan vaak twee elementen: de aanduiding van de vader en de zgn. tribus of het kiesdistrict waartoe de burger behoort (bijv. OUF = Oufentina). Dat laatste is altijd in afkorting en is voor het begrip van minder belang. De vadersnaam wordt normaal aangegeven door de voornaam van de vader in afkorting, gevolgd door F. = filius ‘zoon’.

Vrijgeboren vrouwen moeten het met twee dingen minder doen: zij hebben geen praenomen en geen kiesdistrict. De naam van de vader wordt niet altijd aangegeven; F. is voor vrouwen uiteraard filia ‘dochter’.

Een groot deel van de populatie was echter niet vrijgeboren. Vrijgelatenen vermelden normaal niet hun vader, maar hun voormalige meester. Aangezien ze normaal praenomen en familienaam van die meester overnemen worden deze dan gevolgd door de afkorting van de voornaam van hun gewezen meester en L = libertus (vrouwelijk: liberta) ‘vrijgelatene’. Daarna volgt als cognomen hun voormalige slavennaam.

Vrouwen hebben hier opnieuw geen praenomen. Slaven ten slotte of niet-burgers (buitenlanders en zo) hebben normaal alleen een enkele naam, al kan die voor buitenlanders weer vergezeld gaan van de naam van de vader.

Omdat hetzelfde geldt voor degene die het opschrift heeft opgericht, is hiermee meer dan de helft van de meeste opschriften al te lezen. Normaal staat de naam van de overledene in een grafschrift eerst en wordt deze gevolgd door de naam van degene die het grafmonument heeft opgericht. Maar dat is niet altijd zo. Tijd om het te hebben over die huiveringwekkende dingen, de naamvallen…

Het Latijn wordt in hoge mate gekenmerkt door het feit dat de vorm van een woord heel veel grammaticale informatie bevat. Anders gezegd: de functie van een zelfstandig naamwoord of substantief in de zin wordt aangeduid door de vorm van het woord.

De nominatief geeft het onderwerp aan, de accusatief het lijdend voorwerp, de datief het meewerkend voorwerp, de genitief verbindt twee substantieven (bijvoeglijke bepaling) en de ablatief is de naamval van de bijwoordelijke bepaling (plaats, middel, verwijdering, reden, …). Althans dat zijn de grote lijnen. Er zijn altijd afwijkingen, uitbreidingen en wat weet ik allemaal meer.

Omdat een grafschrift normaal de structuur heeft ‘Voor X heeft Y (dit) opgericht’, volgt daaruit dat de naam van de overledene meestal in de datief staat en die van de oprichter in de nominatief. Een enkele maal is het opschrift puristisch en heeft men de naam van de overledene geconstrueerd bij / afhankelijk gemaakt van Dis Manibus: in dat geval staat dat in de genitief (want de verbinding tussen twee substantieven).

Om het niet te moeilijk te maken: de meeste namen van mannen eindigen in de nominatief op -us en hebben een datief op -o, terwijl de meeste vrouwennamen in de nominatief op -a uitgaan en in de datief op -ae. Dus: Claudius, datief Claudio, naast Claudia, datief Claudiae.

Opschriften (5)

Er bestaat een groep substantieven en namen die een stam om een medeklinker hebben en waarvan de nominatief meestal op -s uitgaat, maar de kans is groot dat er altijd wel één naamdeel tot de net besprokene behoort en dat volstaat om de functie te zien en dus te weten wie het monument heeft opgericht en voor wie. Het lijdend voorwerp blijft meestal onuitgedrukt of liever: is eigenlijk de steen zelf. Dat moeten we er dus eigenlijk bij denken.

Even in een schema, niet poëtisch, wel handig:

Nominatief Claudi-us Claudi-a
Genitief Claudi-i Claudi-ae
Datief Claudi-o Claudi-ae
Accusatief Claudi-um Claudi-am
Ablatief Claudi-o Claudi-a

Het werkwoord op grafschriften blijft vaak eveneens achterwege, maar als het erbij staat, staat het meestal in de derde persoon enkelvoud of meervoud van de aantonende wijs (indicatief) van de voltooide tijd (perfectum). Enkelvoud gaat uit op –t, meervoud op –nt. Voorbeelden: fecit ‘heeft gemaakt’ (van facere), fecerunt ‘hebben gemaakt’.

Dezelfde vorm vinden we in veel grafschriften in uixit ‘heeft geleefd’ (vaak in afkorting VIX). Dat kan voorafgegaan worden door het betrekkelijke voornaamwoord ‘die’: qui (mannelijk) of quae (vrouwelijk), maar dat is zeker niet altijd het geval. Bij soldaten wordt vaak de diensttijd aangegeven, met het werkwoord militauit (afkorting: MIL of MILIT) ‘heeft dienst gedaan’.

De tijd wordt dan uitgedrukt met ANN (annis of annos), M of MENS (mensibus of menses) en D (diebus of dies), voor resp. jaren, maanden en dagen. Hier komt zowel de accusatief (op –os en –es) als de ablatief (op –is en –ibus) voor.

In een aantal gevallen zijn er nog toevoegingen te vinden. Dat kunnen ambtelijke waardigheden of andere prestaties zijn, maar vaak ook iets als coniugi of uxori ‘voor (zijn) vrouw’ of marito ‘voor haar man’, patri ‘voor zijn/haar/hun vader’ (nominatief: pater), matri ‘voor zijn/haar/hun moeder’ (nominatief: mater), parentibus ‘voor zijn/haar/hun ouders’ (nominatief: parentes), benemerenti (in afkorting BM of BENEM etc.) ‘voor wie dit echt heeft verdiend’, piissimo of piissimae ‘voor de zeer vrome / respectueuze’, carissimo of carissimae ‘voor de zeer geliefde’, optimo/optimae ‘voor de beste’, sanctissimo/sanctissimae ‘voor de meest zuivere, eerbiedwaardige’ e.d.

Soms liet de overledene het graf zelf maken. Bij zijn leven uiteraard. Dat blijkt dan uit VIVVS uiuus ‘levend, bij zijn leven’ of een formule als uiuus sibi fecit ‘maakte dit bij zijn leven voor zichzelf’. Vaak was deze persoon in een genereuze bui en bestemde hij het graf voor een heleboel andere personen: et suis libertisque et libertabus posterisque eorum ‘en voor de zijnen en zijn mannelijke en vrouwelijke vrijgelatenen en hun nakomelingen’. Het Latijn kent verschillende woorden voor ‘en’: et, atque en –que dat achter het woord staat.

Keizers gebruiken graag veel titulatuur. Die stelt ons vaak in staat het opschrift (en dus het monument in kwestie) te dateren, maar hoeft de beginnende lezer niet te vermoeien. Langere opschriften met de teksten van decreten en zo zijn ook niet voor beginners geschikt.

Maar met deze noties kan ook een niet-Latijnstalige tenminste begrijpen waar het opschrift (in ieder geval het grafopschrift) in grote lijnen over gaat. Probeer bij een grafschrift altijd de grondvormen van de datief en de nominatief terug te vinden en de verschillende formules die hier werden behandeld, en u bent al een heel eind.

Een voorbeeld. Als u toch in de rij staat voor het Pantheon, kunt u het grote opschrift op de architraaf eens onder handen nemen:

M AGRIPPA L F COS TERTIVM FECIT

De werkwoordsvorm fecit hebben we net gezien. We zien verder geen datief, maar wel Agrippa, een nominatief. Taal is nooit 100% logisch. Hoewel de uitgang op -a meestal vrouwelijke personen aanduidt, zijn er woorden die daar aan ontsnappen.

Agrippa is de beroemde rechterhand en schoonzoon van keizer Augustus en een man. Dat bleek ook al uit het praenomen M = Marcus. L F is dan Luci filius ‘zoon van Lucius’, waarbij de voornaam van de vader in de genitief staat, want er worden twee substantieven met elkaar verbonden.

Opschriften (1)

Het enige dat we in bovenstaande niet hebben gezien is dus cos tertium, waarbij cos de afkorting is voor consul en tertium ‘voor de derde maal’ betekent. Daarmee wordt de bouw van het (oorspronkelijke) Pantheon dus gedateerd tijdens het derde consulaat van Marcus Agrippa. Gelukkig voor de beginnende lezer staan getallen meestal in cijfers genoteerd. Romeinse cijfers wel te verstaan. Dit is eerder een uitzondering.

Het opschrift zonder afkortingen luidt dus:

M(arcus) Agrippa L(uci) f(ilius) co(n)s(ul) tertium fecit ‘Marcus Agrippa, zoon van Lucius, voor de derde maal consul heeft (dit) gemaakt’.

Alleen jammer dat het niet klopt, want – zoals u wellicht weet – is het Pantheon in zijn huidige vorm door keizer Hadrianus gebouwd, nadat het oorspronkelijke Pantheon van Agrippa was afgebrand. Onder deze regel staat overigens nog een lang opschrift van Septimius Severus, waar we bij een andere gelegenheid nog op terug komen.

Overigens is dit opschrift op het Pantheon ook om een andere reden weer een intrigerend voorbeeld van de lapidaire stijl: wát Agrippa nu eigenlijk gebouwd heeft, wordt er niet bij gezegd. Het lijdend voorwerp was eigenlijk het hele gebouw zelf. De archeologen twisten dan ook nog steeds over de vraag aan wie het Pantheon nu eigenlijk gewijd was…

Naast COS voor consul, vindt men in bouwopschriften ook nog vormen als IMP voor imperator, PONT MAX voor pontifex maximus, TRIB POT voor tribunicia potestate ‘bekleed met de macht van volkstribuun’, P P pater patriae ‘vader des vaderlands’.

Een grafschrift dan. Van een van de grootste Romeinse grafmonumenten, de grote marmeren tombe langs de Via Appia:

CAECILIAE
Q CRETICI F
METELLAE CRASSI

De uitgang -ae geeft de datief aan en er is geen praenomen: het gaat dus om een dame uit de familie van de Caecilii die dan ook Caecilia heette. Zij was f(ilia) van Q(uintus) Creticus (in de genitief). Metellae is opnieuw een datief en vormt de tweede naam van Caecilia. Crassi is een genitief, maar er is in dit geval geen ander substantief waar dit bij staat. Hier is bij te denken coniugi ‘vrouw ‘, ‘van Crassus’ dan. Dat geeft dan als eindresultaat:

Caeciliae Q(uinti) Cretici f(iliae) Metellae Crassi ‘Voor Caecilia Metella, dochter van Quintus Creticus, (vrouw) van Crassus’.

Opschriften (2)

Vraag 3: waar kan ik opschriften lezen?

Ook een gemakkelijke vraag. Eigenlijk overal in Rome. Mooie concentraties zijn te vinden langs de Via Appia Antica of in de tuin tussen de Thermen van Diocletianus – zetel van een deel van het Museo Nazionale Romano – en de Piazza dei Cinquecento. Maar in historische kerken in Rome vindt u vaak in de portiek ook enkele opschriften. Christelijke opschriften hebben uiteraard christelijke elementen zoals in pace ‘in vrede’ of symbolen, maar ook hier zijn dezelfde elementen terug te vinden.

Bij de bij deze bijdrage gevoegde foto’s kunt u alvast eens proberen… Succes!

Vaticaanstad automatiseert apotheek

23 september 2019

De apotheek van het Vaticaan heeft sinds kort een automatische medicijnverdeler in gebruik genomen. De verdeelrobot moet de taken van het personeel vergemakkelijken. Volgens de verantwoordelijken van de apotheek bespaart het nieuwe digitale systeem ruimte en maakt het de jaarlijkse inventaris overbodig. De automaat werd ontwikkeld door de Duitse firma Rowa, een dochteronderneming van het Amerikaanse medische technologiebedrijf BD, dat gespecialiseerd is in de automatisering van apotheken en ziekenhuizen.

De Vaticaanse apotheek werd in 1874 door Eusebio Ludwig Fronmen (Hospitaalbroeders van Sint-Johannes de Deo) opgericht. Na de Lateraanse verdragen van 1929 werd de apotheek verplaatst naar de huidige locatie in Palazzo Belvedere , achter het Vaticaanse centrale postkantoor en tegenover de Vaticaanse supermarkt.

Bij buitenlanders is de apotheek, die in eerste instantie voor geestelijken en andere medewerkers van het Vaticaan is bestemd, nauwelijks bekend. Toch is het de drukst bezochte apotheek van Italië. Dagelijks komen er 2.000 tot 2.500 klanten uit Rome over de vloer omdat de geneesmiddelen er gemiddeld 15 tot 25% goedkoper zijn dan in Italië.

Wie niet in het Vaticaan werkt moet zich voor een tijdelijke pas laten inschrijven in een speciaal register en moeten ook over een geldig medisch voorschrift beschikken. De ongeveer 10.000 leden van het privégezondheidsplan van het Vaticaan hebben een permanente pas om de apotheek te gebruiken. Vandaag telt de apotheek een zestigtal werknemers.

In de apotheek zijn ongeveer 42.000 verschillende producten beschikbaar, maar voorbehoedsmiddelen of viagra ga je er niet vinden. Wel is sinds enkele jaren een gamma cosmetica- en hygiëneproducten te koop. Die kwamen er op vraag van de klanten van de apotheek. De opening van de afdeling maakte deel uit van de herstructurering en hervorming van de apotheek.

Vorig jaar kwam de apotheek ook al in het nieuws omdat ze parfum begon te verkopen. Een Rosa Mistica-setje bevat vier parfums met namen die verwijzen naar de Bijbel. De collectie omvat onder meer de geuren goud, wierook en mirre. De apotheek deed de jongste jaren onderzoek naar beschrijvingen en verwijzingen naar geuren in de Bijbel. De parfums zijn gebaseerd op planten uit het Middellandse Zeegebied. De productie gebeurt door de Fatebenefratelli in Rome en zij streven ernaar de parfums zo dicht mogelijk bij de originele geuren te laten aansluiten.

Als je na de San Giovanni Calibita-kerk op het Tibereiland in Rome even rechtdoor wandelt vind je rechts achter enkele hoge bomen het in 1548 gestichte ziekenhuis van de Fatebenefratelli. Het hospitaal wordt geleid door de paters van de Portugese ‘congregatie der Broeders van Barmhartigheid’, de Frati Ospedalieri, die gesticht werd door San Giovanni di Dio (1495-1550) bij ons gekend als Johannes de Deo.

Deze paters liepen al bedelend door de straten van Rome om zieken en krankzinnigen bij te kunnen staan, daarbij prevelden ze voortdurend ‘fate bene fratelli’ wat leidde tot de huidige naam van het ziekenhuis. Gedurende eeuwen heeft de orde zich over dit hospitaal ontfermd, vandaag beheert ze verscheidene hospitalen in Italië en Spanje en zijn tevens de uitbaters van de Vaticaanse apotheek.

San Giovanni di Dio is uiteraard de patroon der zieken, der verpleegsters en van de stad Granada waar de Portugese heilige stierf, zijn feest valt op 8 maart. Verscheidene ordebroeders werden in de loop der eeuwen heilig verklaard.

Romeinse kunstjagers en hun navolgers

21 september 2019

Het verzamelen van Griekse en Romeinse oudheden is geen recent fenomeen. Zegevierende veldheren namen de fraaiste beelden mee naar Rome en toonden die in triomftochten aan het volk. Bij sommige senatoren ging hebzucht boven staatsbelang. Sommigen moesten zich daarvoor zelfs bij de rechtbank verdedigen. De beruchtste Romeinse kunstrover is Gaius Verres, van wie Cicero een onthutsend beeld schetst.

De Romeinse elite betaalde grof voor Griekse kunstobjecten. Sommige collecties waren beroemd. Talloze voorwerpen werden per schip naar Rome gebracht, maar een aantal heeft zijn bestemming nooit bereikt. Onderzoekingen op de zeebodem vertellen verhalen over exorbitant dure sculpturen, maar ook over gemengde ladingen met kunst voor liefhebbers met een kleine beurs.

Het Romeinse rijk ging ten onder, maar de praktijken van toen keerden terug. Napoleon bracht enorme ladingen roofkunst uit Italië naar het Louvre. Kunstenaars, architecten en gefortuneerde liefhebbers kochten vazen en beelden in Italië en Griekenland en overschreden daarbij soms de grenzen van het betamelijke. De discussie over ‘kunstrovers’ gaat door tot vandaag.

Historicus en auteur Fik Meijer ging op zoek naar kunstverzamelaars in de Romeinse tijd en kwam tot verrassende ontdekkingen. Op woensdag 25 september om 20 uur presenteert hij in de Tempelzaal van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden zijn boek over dit onderwerp: Schoonheid voor het oprapen.

Na afloop van de lezing kan het boek worden gekocht en zal de auteur het graag signeren. De toegang tot de lezing is gratis (exclusief de toegang tot het museum zelf), maar vooraf inschrijven is nodig. Dat kan via het formulier op deze link.

Fik Meijer is op zaterdag 5 oktober ook te gast op het Geschiedenisfestival in Haarlem. Op deze link lees je meer over dit evenement.

Fik Meijer, emeritus-hoogleraar oude geschiedenis, schreef de afgelopen vijftien jaar vele boeken, waaronder Gladiatoren, Keizers sterven niet in bed, Macht zonder grenzen en Via Appia. Ook schreef hij over de Griekse en Romeinse zeegeschiedenis. Op een toegankelijke en pakkende wijze weet hij de oudheid onder de aandacht te brengen van een groot publiek.

Schoonheid voor het oprapen
Romeinse kunstjagers en hun navolgers
Auteur: Fik Meijer
Taal: Nederlands
Aantal pagina’s: 280
Uitgever: Athenaeum
Eerste druk: 12 september 2019
EAN 9789025310394
Prijs: 24,99 euro

Rijksmuseum van Oudheden Leiden
Website Fik Meijer

Een archeologisch bezoek aan de Villa Medici

19 september 2019

Wie benieuwd is welke schatten er onder Villa Medici verborgen liggen en meer wil te weten komen over een boeiend stukje Romeinse geschiedenis, kan een geleid bezoek volgen aan de ondergrondse ruimtes en gangen van dit gebouw. De villa zelf werd in 1540 voor kardinaal Ricci di Montepulciano gebouwd, de gevel werd nooit gewijzigd. De architect was Annibale Lippi, de zoon van Nanni di Baccio Bigio (in feite Giovanni Lippi), bekend van de polemieken met Michelangelo.

In 1576 werd de villa eigendom van kardinaal Ferdinand II de’ Medici. Kardinaal Alessandro di Medici, de latere paus Leo XI (hij was slechts 26 dagen paus – in 1605), woonde ook in deze villa. De villa werd intern herschikt om plaats te maken voor het antieke beeldhouwwerk uit de de’ Medici-verzameling, de stukken verhuisden later naar de Galleria degli Uffizi in Firenze.

In 1803 werd de villa door Napoleon gekocht om er de Académie de France te vestigen. Deze academie was reeds in 1666 in opdracht van Lodewijk XIV gesticht door Jean-Baptiste Colbert. De bedoeling was de kennis van getalenteerde jonge Fransen te verdiepen op het gebied van de oudheid en de Italiaanse renaissance en hen te confronteren met de uitdagingen van de barok.

De tuin van de Villa Medici in Rome is eveneens de moeite waard en werd in 2015 nog uitgeroepen tot het mooiste park in Italië.

De gids wacht ons op in de inkomhal, het bezoek kan beginnen. Vanuit de inkomhal dalen we af naar de ruimtes onder de villa, een gebied dat zich uitstrekt van de Muro Torto tot het aan het Casina Valadier. Op een eerste ondergronds niveau vinden we Romeinse resten van waterleidingen en van verschillende cisternes.

Op de heuvel waren geen bronnen of grondwaterlagen aanwezig en dus waren de bewoners aangewezen op reservoirs met regenwater. De Romeinen hakten een uitgebreid netwerk aan kanaaltjes en putten uit in de tufsteen. De wanden van de gangen en waterreservoirs bekleedden ze met cocciopesto, een waterdicht materiaal.

Via een deur in het portiek in de tuin en een lange trap komen we in ondergrondse ruimtes, de zogenaamde grotte. In deze kelderruimtes werden eeuwenlang olie en wijn bewaard. De witte bepleistering van de muren langs de trap en in de grotte dateert uit de Tweede Wereldoorlog, toen de Banco di Roma de toestemming kreeg om de vroegere kelders van Ferdinando de Medici te gebruiken als caveau.

In januari 1943 werden de bombardementen door de gealliëerde troepen steeds heviger en was de Banco di Roma op zoek naar een schuilkelder voor haar waardepapieren en documenten. De kelders onder Villa Medici boden een ideale ruimte, gelegen in het centrum van de stad en 11 tot 16 m onder het niveau van de Villa.

Vooraleer de documenten te verhuizen, liet de bank een luchtverversingssysteem aanleggen om de vochtige lucht te verdrijven, evenals sanitair, een communicatiesysteem, verlichting, afsluitingen en geblindeerde deuren. De Banco di Roma nam de ruimtes in gebruik, maar liet, om tot nu toe nog niet opgehelderde redenen, de toegang tot één van de zalen dichtmetselen. Het gaat om een ruimte van 2 x 3 m, met een hoogte van 2,5 m.

Op het einde van 1944 verliet de bank de Villa, maar de di dichtgemetselde kamer bleef afgesloten. De technici van de Accademia di Francia beweren dat de ingreep noodzakelijk was om de stabiliteit te garanderen, maar de directie van de Villa is tot dusver niet ingegaan op aanvragen om de ruimte te mogen onderzoeken.

Er wordt al lange tijd druk gespeculeerd over wat er in deze ondergrondse ‘schatkamer’ zou kunnen verborgen zijn: kostbare boeken of kunstschatten die de nazi’s van de Joodse gemeenschap hadden gestolen tijdens de Tweede Wereldoorlog? Dat zou volgens sommigen ook verklaren waarom de ‘voorwerpen’ nooit werden opgevraagd.

Recent kreeg dit verhaal nog een verrassend staartje. De Joodse Gemeenschap van Rome kreeg het verhaal van deze speculaties ook te horen en vroeg aan de Franse Ambassade en de directie van de Villa Medici om de ruimte te mogen onderzoeken. Deze toelating werd geweigerd… De directeur van de Villa voerde aan dat er een paar weken eerder al een onderzoek had plaatsgevonden en dat er geen kunstschatten aanwezig waren… Wordt zeker en vast vervolgd.

We dalen verder af tot 10 m onder het niveau van het plein voor de Villa. We komen in een labyrint van tunnels en smalle gangen uit de Republikeinse periode, uitgegraven in de tufsteen. We zien tevens een recente ontdekking: één van de armen van de waterleiding die afkomstig is van de l’Acqua Marcia, een gang van 2,5 m hoog en 35 cm breed, is volledig intact bewaard.

In het gewelf en de wanden zien we duidelijk de sporen gemaakt bij het uithakken van de ruimte en de kalkafzettingen uit verschillende Romeinse periodes. Een deel van de kanalen is nog niet uitgegraven en wacht nog op verdere ontdekking.

Vanaf de renaissance werd de ‘grotte’ gebruikt als steengroeve voor het delven van tufsteen en pozzolana (puzzolaan) dat in combinatie met kalk een relatief sterk, duurzaam en onder water uithardend bouwmateriaal vormt.

Villa Medici
Viale della Trinità dei Monti 1, Rome

Praktisch:

De rondleiding duurt ongeveer 1,5 tot 2 uur.
In het Italiaans: op vrijdag, zaterdag en zondag om 15 uur
In het Frans: op zaterdag om 15 uur

De wandeling leidt ook nog naar het grote terras boven de Muro Torto, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt op de omgeving.

visiteguidate@villamedici.it
www.villamedici.it

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER