Archive for november, 2019

Het klooster van Trinità dei Monti

30 november 2019

De voorbije twee dagen brachten we door in de Trinità dei Monti, een kerk die, ook al heb je ze nooit bezocht, bij vele Romebezoekers erg bekend is omdat ze als het ware deel uitmaakt van het decor van de Spaanse Trappen. Ook het interieur van deze kerk bevat heel wat interessante kunstwerken. Voor wie in het centrum van Rome een verborgen pareltje wil ontdekken en daarbij intrigerende fresco’s en een bijzondere meridiaan wil zien, is een bezoek aan het klooster van Trinità dei Monti zeker een aanrader. Dit is het derde en laatste deel van een minireeksje over de Trinità dei Monti.

De kerk en het klooster werden in 1494 gesticht door de Franse koning Karel VIII, uit dankbaarheid voor de hulp die zijn doodzieke vader Lodewijk XI had gekregen van Francesco da Paola, Franciscus van Paula.

Toen de koning op zijn sterfbed lag in Plessis-lès-Tours vroeg hij aan de paus om Francesco da Paola naar hem toe te sturen om hem te genezen. Francesco kon de koning echter niet redden en in 1483 stierf Lodewijk XI in zijn armen. Zijn zoon en opvolger, Karel VIII, had een grote bewondering voor de heilige en bouwde overal kloosters ter ere van hem, ook in Rome.

Zoals zijn naam al aanduidt, was Francesco afkomstig van het plaatsje Paola in Calabrië, waar hij werd geboren in 1416. Hij werd 91 jaar oud en stierf in Plessis in Frankrijk in 1507. Al in 1512 verklaarde paus Julius II hem heilig. Francesco da Paola stichtte een kloostergemeenschap, de Ordo Minimorum, de Miniemen.

Het klooster van Trinità dei Monti werd gebouwd als huisvesting voor de Franse Miniemen. De bouw van de kerk en het klooster duurde precies een eeuw, maar de werken lagen zowat 60 jaar stil ten gevolge van de Sacco di Roma in 1527, de plundering van de stad door de landsknechten van keizer Karel. Exact een eeuw na de eerste steenlegging, in 1594, werd het heiligdom ingewijd.

Na een lang verblijf door de Miniemen, en vervolgens door andere religieuze ordes, kreeg het klooster in 2016 nieuwe bewoners. Volgens een akkoord tussen de Heilige Stoel en de Franse staat wordt het gebouw toevertrouwd aan de internationale Gemeenschap Emmanuel. Vandaag wonen er vijf priesters, vier zusters en twee families van de Gemeenschap.

De grote binnenplaats is langs de vier zijden omgeven door een mooie kloostergang. In deze gang zien we fraai gerestaureerde lunetten met scènes uit het leven van Francesco da Paola. Boven de lunetten in de medaillons zijn de Franse koningen afgebeeld (van de eerste tot aan Lodewijk XIV), en onder elke lunet staat een Latijnse tekst.

We gaan het gebouw binnen naar de rijk gedecoreerde refter. De wanden en het plafond van de vroegere eetzaal zijn volledig beschilderd met heerlijke scènes door een eminent kenner van het trompe-l’oeil, Andrea Pozzo, die zich onder meer ook mocht uitleven in de Sant’Ignazio, de kerk waar we eveneens een fantastische plafondschildering van zijn hand kunnen bewonderen.

De schilder ontwierp hier een compleet fictieve ruimte met ‘100’ zuilen: door optische illusies lijken de vier wanden van de refter open ruimtes te zijn, we zien een gewelf dat er geen is, zuilen waar er in werkelijkheid geen zijn. Als je op het punt staat in de zaal waar de perspectieflijnen samenkomen, op ongeveer 1,60 m hoogte, zijn de echte zuilen niet te onderscheiden van de geschilderde.

Assistenten van Andrea Pozzo gaven vorm aan de personages. We zien de Glorie van de Drievuldigheid met de heiligen Francesco, Paulus en Franciscus van Sales. En de voorstelling, niet ongebruikelijk in een refter, van de bruiloft van Kana.

In de gangen rond de binnenplaats op de eerste verdieping ontdekken we twee schitterende voorbeelden van anamorfe kunst. Het zijn twee muurschilderingen gemaakt door de Franse Miniemen Padre Emmanuel Maignan (1601-1676) en zijn leerling Padre Jean François Nicéron (1613-1646).

Een anamorfose is een vertekende afbeelding, die er slechts gezien vanuit een bepaalde hoek of onder bepaalde optische voorwaarden realistisch uitziet. De anamorfe schilderingen in het klooster laten telkens twee verschillende voorstellingen zien, afhankelijk van de hoek van waaruit je ze bekijkt.

Padre Emmanuel Maignan was behalve theoloog ook kenner van het perspectief, wetenschapper en wiskundige. De muurschildering die hij maakte is ongeveer 16 m lang en stelt ogenschijnlijk een landschap voor met daarin een zeilbootje en twee figuren.

Men heeft er Francesco da Paola en een medebroeder in herkend die op miraculeuze wijze de Straat van Messina oversteken. De legende vertelt inderdaad dat Francesco op zijn mantel de zeestraat zou zijn overgezeild, nadat een visser hem de overtocht had geweigerd.

Als we echter naar het begin of het einde van de gang stappen en van daaruit naar het fresco kijken, dan verandert het tafereel van gedaante: we zien nu geen landschap meer, maar de biddende Francesco groot afgebeeld in gebed onder de takken van een olijfboom.

In de tegenoverliggende gang schilderde een andere kenner van het perspectief, Padre Jean François Nicéron, het tafereel van Johannes de Evangelist die de Apocalyps schrijft op het eiland Patmos. Deze schildering werd pas een tiental jaren geleden zichtbaar.
Om de ruimte te steriliseren tijdens een cholera-epidemie tijdens de Franse bezetting van Rome, had men het fresco met vele lagen kalk overschilderd en zo raakte de voorstelling twee eeuwen lang in de vergetelheid. Tijdens restauratiewerken in 2009 werd de schildering herontdekt, maar ze is duidelijk in minder goede staat dan die van Emmanuel Maignan.

Het fresco is ongeveer 20 m lang en beslaat de hele lengte van de muur. Kijken we vanaf het begin of het einde van de gang, dan zien we de figuur van Johannes de Evangelist die bezig is met het schrijven van de Apocalyps. Als we vlak voor de schildering staan in het midden van de gang zien we enkel het landschap van het eiland Patmos. Bij het blootleggen van het fresco werden een Griekse inscriptie ontdekt en de afbeelding van een uiltje, symbool van wijsheid.

In de zuidelijke gang ontdekken we een derde verbluffend fresco: een catoptrische meridiaan, zoals we er al één zagen in Palazzo Spada. De auteur van beide meridianen is Padre Emmanuel Maignan. Het fresco beslaat de muur en het plafond over de hele lengte van de gang.

In het midden van de gang in de vensterbank zit een klein spiegeltje dat het zonlicht weerkaatst op de muren en het gewelf. Valt de zonnestraal op zwarte Arabische cijfers langs de zwarte lijnen, dan lees je het Romeinse uur af, dat een uur voorop loopt ten opzichte van de meridiaan van Greenwich.

Valt het licht op een Romeins cijfer langs de groene lijnen, dan weet je hoeveel uur nog te gaan tot zonsopgang. Verder onderscheiden we nog rode lijnen, de twaalf tekens van de dierenriem, en de naam van een aantal steden, gaande van Mexico, de Salomoneilanden tot Goa. Ook voor al deze exotische plaatsen kan je op de meridiaan het lokale uur aflezen.

Het is mogelijk om een rondleiding door het klooster van Trinità dei Monti mee te maken. De bezoeken gebeuren in het Italiaans en vinden enkel plaats op de tweede en vierde woensdag van de maand (om 17 uur) en op zaterdag om 9.30 uur en 11 uur. Een bezoek kost 12 euro (jongeren tot 12 jaar gratis, studenten, jongeren en priesters betalen 6 euro).

Reserveren is verplicht via:
secretariat.tdm@emmanuelco.org.

Praktische informatie

Dit was een bijdrage van
clublid ANN DE LATTER

Het interieur van de Trinità dei Monti

29 november 2019

Het interieur van de mooie Trinità dei Monti  wordt in twee gedeeld door een gesloten ijzeren hekken. Het plan met een enkel schip en communicerende kapellen herinnert vaag aan dat van de gotische kerken uit het zuiden van Frankrijk. De eerste kapel links herbergt een gipsen model van een piëta door Wilhelm Achtermann (1799-1884), een geschenk van de kunstenaar. Het origineel stond in de Dom van Munster maar werd tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield.

In de tweede kapel links (Cappella Bonfil) is één van de bekendste fresco’s van Rome te zien, een ‘Kruisafneming’ uit 1541, het ingrijpend gerestaureerde meesterwerk van Daniele da Volterra (1509-1566). Het ontwerp is wellicht van Michelangelo (1475-1564) wiens beste leerling da Volterra was.

Oorspronkelijk was het zeker een uitzonderlijk werk (400 x 280 cm), maar bij de overbrenging op doek en daarna op leder, raakte het zwaar beschadigd en heeft het aan kleur ingeboet. Toeschouwers merken wel met welk talent da Volterra de ruimte beheerst waarin het bleke lichaam van Christus centraal staat. De invloed (of misschien zelfs de hand) van Michelangelo is duidelijk merkbaar in de sterk gespierde lichamen.

Daniele da Volterra was zoals zijn artiestennaam het al aangeeft, inderdaad afkomstig uit Volterra, zijn echte naam was Ricciarelli. Bij zijn aankomst in Rome in 1536 werd hij medewerker van Rafaël, maar na een oplopende ruzie tussen beide in de Farnesina, veranderde da Volterra van kamp.

Hij raakte bevriend met Michelangelo die hem opdrachten bezorgde en hem met schetsen hielp. Bij de dood van Michelangelo stond da Volterra aan zijn sterfbed en maakte het bronzen dodenmasker dat we vandaag in Casa Buonarroti in Firenze kunnen zien.

Ellendig is dat Daniele da Volterra bij het grote publiek vooral herinnerd wordt als de man die kort voor zijn dood in opdracht van paus Pius IV de’ Medici (1559-1565) de naakten op Michelangelo’s Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel zedig moest aankleden. Hij werd door zijn tijdgenoten daarom smadelijk ‘il Bragghettone’ genoemd, de broekenmaker. Een spotnaam die deze belangrijke kunstenaar zeker niet verdiende.

De Kruisafneming in de Trinità dei Monti is geïnspireerd op een werk van Rosso Fiorentino (1495-1540) dat zich in het museum van… Volterra bevindt. In Rome bracht da Volterra wel veel persoonlijke toetsen aan. Het schilderij in de Trinità was in de tijd van zijn ontstaan al zeer beroemd. Talloze kunstenaars hebben op deze plek gestaan om het werk in detail te bestuderen.

Nicolas Poussin (1594-1665) die naast de Trinità dei Monti woonde, noemde de Kruisafneming het derde mooiste schilderij ooit in de wereld. Domenichino kopieerde het (nu te zien in Newcastle upon Tyre) en Rubens heeft dit werk zeker in gedachten gehad voor zijn Kruisafneming in de kathedraal van Antwerpen.

Napoleon gaf de opdracht het werk naar Parijs over te brengen, maar de mannen die de klus moesten klaren konden het transport onder valse voorwendsels net zolang uitstellen tot Napoleon ten val kwam, waardoor het doek in Rome bleef.

Er recht tegenover in de tweede kapel rechts, hangt een portret van Francesco di Paola dat geschilderd werd op planken afkomstig van het bed van de heilige. Het werd uitgevoerd door een zuster van de Sacré-Coeur. Francesco was afkomstig uit het Italiaanse Calabrië.

Hij had zo’n reputatie dat de zwaar zieke Franse koning Lodewijk XI (1461-1483) hem bij zich ontbood. Franciscus wees de stervende vorst brutaalweg op zijn fouten, de koning kwam tot inkeer en stierf vredig in Franciscus’ armen. Franciscus van Paola werd in 1512 heilig verklaard door paus Julius II.

Vóór het hekken bevat de derde kapel rechts, de cappella Lucrezia della Rovere, een zeer mooie maar gehavende ‘Hemelvaart van Maria’ uit 1548-1550, eveneens een werk van Daniele da Volterra. Het schilderij heeft een ongewone, krachtige compositie en dramatische kleuren. De figuur rechts in het rood is het portret van Michelangelo. Let op het mooie effect van de ‘zuilen’ links en rechts. Het cirkelende ontwerp met gesticulerende figuren en dansende engelen heeft veel gemeen met de sierlijke stijl van Rafaël.

Op de linker zijwand van de kapel zien we de ‘Moord op de Onschuldige Kinderen’ door Michele Alberti (actief in de periode 1535-1568) die ook een leerling was van Michelangelo en de meest nabije medewerker van da Volterra. Rechts zien we de ‘Voorstelling in de tempel’, alweer een werk van da Volterra. In de zesde kapel rechts (laatste) vinden we een cyclus met een ‘Ascensione’ uit de school van Perugino (1517).

Het gewelf van het transept, het oudste deel van het gebouw, is versierd met ‘nervures en résille’ (netgewelf, latticework), kenmerkend voor de laat-gotiek. Het linker transept is belangrijk, het bevat een ‘Hemelvaart’ (kant apsis) met enkele Romeinse monumenten zoals de zuil van Trajanus, en de ‘Dood van Maria’ (kant ingang) door Taddeo Zuccari (1529-1566).

Taddeo mag niet verward worden met zijn broer Federico (1540-1609) die na de vroege dood van Taddeo diens studio overnam en onder meer de Sala Regia in het Vaticaan schilderde. Op een bepaald ogenblik behoorde Federico Zuccari tot de beroemdste schilders van Europa. Taddeo werd in het Pantheon naast Rafaël begraven.

Recente opgravingen links van de kerk (niet zichtbaar) hebben de resten blootgelegd van een groot kromlijnig nymfaeum dat tijdens het bewind van keizer Claudius (41-54) door de uit Gallië afkomstige politicus Valerius Asiaticus (5 v. Chr. – 47 na Chr.). Eén van zijn voorouders had het Romeinse staatsburgerschap gekregen van Gaius Valerius Flaccus die toen gouverneur was van Gallia Transalpina en ook diens naam.

Valerius Asiaticus kwam op jonge leeftijd in Rome terecht en raakte goed bevriend met de leden van de Julisch-Claudische dynastie. Zo kwam hij vaak op bezoek in het huis van Antonia minor, de moeder van keizer Claudius. Asiaticus trouwde met Lollia Saturnia wiens zus zou trouwen met Caligula. In het jaar 35 wordt Valerius Asiaticus door keizer Tiberius benoemd tot consul suffectus, waarmee hij de eerste Galliër werd die deze positie bekleedde.

Valerius Asiaticus begon Caligula te haten nadat de keizer de vrouw van Asiaticus als zijn minnares koos. Asiaticus wordt dan ook beschouwd als één van de samenzweerders die achter de moord op de keizer zaten. Hierop deed Asiaticus zelf een poging om de macht te grijpen, maar dit mislukte. Toch streed hij aan de zijde van Claudius tijdens de Romeinse verovering van Britannia in 43. Drie jaar later werd hij consul ordinarius.

Caligula’s opvolger Claudius had onder zware druk van de Senaat alle officiële besluiten van zijn voorganger ongeldig laten verklaren, geschriften over zijn regering laten vernietigen, standbeelden laten verwoesten en munten met de beeltenis van Caligula aan het geldverkeer laten onttrekken. Tot een echte damnatio memoriae van Caligula lijkt het niet gekomen te zijn, wellicht omdat Claudius uiteindelijk de oom was van Caligula.

Valerius Asiaticus had in de loop van de jaren veel rijkdom vergaard en was onder meer ook eigenaar geworden van de befaamde Tuinen van Lucullus. Een jaar na zijn consulaat werd hij aangeklaagd wegens overspel door Publius Suillius Rufus. Die had daartoe opdracht gekregen van Messalina, de derde vrouw van keizer Claudius. Zij wilde namelijk de tuinen als haar eigendom inpalmen. Onder druk gezet veroordeelde de keizer Valerius Asiaticus tot de dood. Die wachtte niet op zijn terechtstelling, maar pleegde zelfmoord door zijn aderen door te snijden.

De fotogenieke Trinità dei Monti

28 november 2019

Vandaag staan we even stil bij één van de meest gefotografeerde kerken van Rome, wanneer we de Vaticaanse Sint-Pietersbasiliek tenminste niet meetellen. De Trinità dei Monti bevindt zich immers bovenaan de druk bezochte Spaanse Trappen en is daardoor onlosmakelijk met het decor verbonden. Al van honderden meters ver, wandelend door de Via della Fontanella di Borghese en later doorheen de Via dei Condotti, zie je de kerk met zijn dubbele toren geleidelijk steeds prominenter in de verte verschijnen.

Trinita (1)

De plannen voor de bouw van de Trinità dei Monti (ook wel Santissima Trinità al Monte Pincio geheten) die nog steeds Frans bezit is, dateren uit 1495. Het was de Franse koning Karel VIII (1470-1498) die het initiatief nam, dit op aandringen van Franciscus van Paola of Francisco da Paola (1416-1507) ten behoeve van de door hem gestichte Orde der Miniemen.

De eigenlijke bouw begon in 1502 en zou pas eindigen in 1587 met de plaatsing van de mooie elegante trap voor de kerk door Domenico Fontana (1543-1607), de lievelingsarchitect van Sixtus V. De gevel met de twee klokkentorens werden ontworpen door Giacomo della Porta (1533-1602) en uitgevoerd in opdracht van een Franse hertog die gecharmeerd was door de torentjes van de Sant’ Atanasio dei Greci in de Via del Babuino.

In 1613 werd de grote klok geplaatst. Paus Sixtus V had de kerk reeds in 1586 gewijd. De Trinità dei Monti werd op het einde van de achttiende eeuw zwaar beschadigd door Franse revolutionairen en daarna bij de bezetting door de troepen van Napoleon. De kerk stond in begin van de negentiende eeuw een tijdje leeg en werd toen gebruikt als atelier en woonvertrekken voor kunstenaars.

Trinita (4)

In 1816 werd de kerk op kosten van Lodewijk XVIII volledig gerestaureerd door de Franse architect François Mazois (1783-1826), bijgestaan door de bewoners van de Villa Medici. De Trinità dei Monti is de titelkerk van de Franse kardinaal Philippe Barbarin.

Het klooster links van de kerk werd eerst bewoond door paters, later door zusters. In 1828 werden de kerk en het klooster door Karel X geschonken aan les Soeurs du Sacré-Coeur, die er nog steeds verblijven. Over dit klooster lees je overmorgen meer.

De obelisk voor de kerk werd opgericht in 1787. Hij is bijna 14 m hoog, maar staat op een wat overgedimensioneerde sokkel. Deze obelisk stond oorspronkelijk in de fabelachtige tuinen van Sallustius. Over deze Horti Sallustiani kon je al eerder een bijdrage lezen. In één van de komende nieuwsbrieven laten we je overigens ook meegenieten met een obeliskenwandeling doorheen Rome.

Trinita (3)
Deze obelisk is een antiek-Romeinse imitatie naar Egyptisch model, zoals ook het exemplaar voor het Quirinaal-paleis en op de Pincio. Hij werd teruggevonden bij de Porta Pia. Paus Sixtus V (1585-1590) wilde de obelisk aanvankelijk voor de Santa Maria degli Angeli plaatsen, maar zijn onverwachte dood doorkruiste dat plan.

Het was Pius VI (1775-1799) die de obelisk op de huidige plaats voor de Trinità dei Monti liet opstellen. Dat gebeurde in aanwezigheid van Johann Wolfgang (von) Goethe die van 30 oktober 1786 tot 24 april 1788 in een huis aan de Via del Corso 18 verbleef. Dat weten we zo exact omdat de parochieregisters van de kerk Santa Maria del Popolo nauwgezet alle wijkbewoners registreerde. Het Casa di Goethe is vandaag een museum.

Toen tijdens de grondwerken die aan de plaatsing van de obelisk vooraf gingen enkele antieke objecten gevonden werden, kocht Goethe van de werklui een scherf versierd met griffoenen. Goethe was behalve wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman ook een grote verzamelaar. Tijdens zijn leven verzamelde hij 24.000 artefacten, gravures, etsen, porselein, munten, tekeningen en bracht hij een bibliotheek van 6.500 boeken bij elkaar.

Trinita (2)
De hiërogliefen op de obelisk zijn kopieën van die op de Egyptische obelisk op de Piazza del Popolo, maar de Romeinse steenhouwer uit die tijd zette er een aantal op hun kop. Let op de weinig Egyptische houding van de ingebeitelde figuren onderaan. Bovenaan wordt de obelisk bekroond met een kruis en de Franse lelie.

De immense sokkel is niet meer de originele, die werd door Mussolini overgebracht naar de tuin links van het Palazzo Senatorio, vandaag het stadhuis van Rome op Piazza del Campidoglio. De sokkel werd daar getransformeerd tot het ‘Ara dei Caduti Fascisti’, een monument opgedragen aan de gevallen fascisten.

In 1946 werd het vernietigd. Het altaar werd gestript, ontdaan van alle decoratie en versieringen en vervolgens vlakbij het Capitool tegen een muur gezet. Daar, langs de Scala dell’Arce Capitolina, ligt het nog altijd, volkomen vergeten.

Mausoleum van Helena opnieuw open voor publiek bezoek

27 november 2019

Precies 1690 jaar na de dood van Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, heropent haar mausoleum na een langdurige restauratie opnieuw de deuren voor het publiek. Een bezoek aan dit monumentale Romeinse juweeltje aan de Via Casilina 641 en het antiquarium is verbonden met een bezoek aan de Catacombe dei Santi Marcellino e Pietro, die vijf jaar geleden opnieuw werd opengesteld voor publiek bezoek.

Helena (248-329) stierf wellicht in Trier, helemaal zeker weten we dat niet en ook het overlijdensjaar is niet helemaal met zekerheid vast te stellen. Het gebeurde alleszins vrij kort na haar terugkeer uit Jeruzalem in 328 of 329.

Het enorme mausoleum dat haar naam draagt is ook omstreeks die tijd gebouwd in opdracht van haar zoon Constantijn. Het gebouw bleef ook nadien keizerlijk bezit en grensde aan de basiliek van de heiligen Marcellinus en Petrus en de bijhorende catacomben.

Keizer Constantijn had hier inderdaad, toen hij het Christendom steeds meer begon te omarmen, tussen 315 en 326 een basiliek laten bouwen gewijd aan de heiligen Petrus en Marcellinus. Die werden begraven in de aanpalende catacomben.

Later, tussen 326 en 330, werd vlakbij de basiliek een mausoleum gebouwd, waarschijnlijk bedoeld als grafmonument voor de keizer en de keizerlijke familie, maar dat later dus uitsluitend zou worden gebruikt voor het begraven van Helena, Constantijns moeder.

Het monument aan de Via Casilina ligt vandaag een beetje verstopt achter een school, net naast nr. 643. Het gebouw is uitwendig cirkelvormig en inwendig achthoekig. Het voormalige mausoleum domineert zowat de hele omgeving. Het gebouw, in de volksmond net als de wijk Torpignattara geheten, bestaat uit twee gestapelde cilinders met een diameter van meer dan 20 m.

In de diepte bevonden zich acht rechthoekige en halfronde nissen, waarvan eentje de ingang vormt. In de andere nissen konden sarcofagen worden geplaatst. De tombe van Helena werd in de grootste nis geplaatst. De bovenste cilinder, die bereikbaar was via een trap tussen twee nissen, had acht vensters. De muren waren bedekt met marmeren platen.

De muren waren oorspronkelijk gedecoreerd met allerlei versieringen en fraaie fresco’s en bovenop het geheel bevond zich een imposante koepel. Om het gewicht van de structuur te verlichten werden aan de basis daarvan in het cement lege amforen (pignatte) geplaatst.

Aan deze ‘Torre Pignattara’ ontleent de wijk zijn naam (Tor Pignattara of Torpignattara). De benaming dook voor het eerst op in 1547. De amforen werden recent eveneens gerestaureerd en zijn vandaag nog altijd zichtbaar.

Het monument bevindt zich in een omgeving die destijds bekend stond als Ad Duas Lauros, een naam die wellicht is afgeleid van de aanwezigheid van twee laurierbomen. Een andere versie is dat een villa die zich hier bevond deze naam droeg omdat het gebouw gedecoreerd was met twee lauriermotieven. In dit laatste verhaal gaat het wellicht om het gebouw dat door Helena als residentie was gekozen.

Tijdens de middeleeuwen werd het mausoleum gebruikt als fort. In 1632 werd in het mausoleum in opdracht van paus Urbanus VIII een kleine kerk gebouwd (vandaag het antiquarium), gewijd aan de heiligen Marcellinus en Petrus. De ruimte bleef eeuwenlang verlaten, alleen Giuseppe Valadier ondernam in 1836 een poging tot restauratie.

Pas in 1993 beslisten de Soprintendenza en de Pontificia Commissione di Archeologia Sacra samen te werken om de complexe oorspronkelijke architecturale structuur veilig te stellen voor de toekomst. Het gebouw was er niet zo best aan toe en er moesten vrij drastische verstevigingswerken gebeuren. Onder paus Pius XI (1922-1939) werd de moderne kerk naast het monument opgetrokken, eveneens gewijd aan de beide heiligen.

Op een lijst van de overvloedige gaven die Constantijn in het mausoleum zou hebben achtergelaten, onder andere zilveren kandelaars die elk 90 kg wogen, wordt ook een enorm zilveren altaar vermeld dat net vóór de reusachtige porfieren sarcofaag van Helena stond. Halverwege de twaalfde eeuw vond paus Anastasius IV dat deze enorme sarcofaag een prima doodkist voor hemzelf zou zijn en liet ze overbrengen naar de Lateraanse basiliek.

Uiteindelijk is ze door toedoen van paus Pius VI in de Vaticaanse musea beland, waar ze te zien is in de Sala a Croce Greca. Het is een enorm ding, een tombe bijna, uitgevoerd in rode porfier en met een decoratief patroon met militaire taferelen. Dit laat vermoeden dat het oorspronkelijk inderdaad niet de bedoeling was om Helena hierin te begraven, maar dat de kist bestemd was voor haar man of haar zoon Constantijn. Zeker geweten is dit niet.

Toen paus Anastasius IV de sarcofaag van Helena voor zichzelf reserveerde, bleek deze zo goed als leeg. Het lichaam van Helena bleek grotendeels verdwenen, enkel haar hoofd bevond zich nog in de tombe.

Een bron uit de negende eeuw vermeldt dat een monnik, Theogisus, in 840 een gedeelte van Helena’s zorgvuldig gekoesterde overschot had gestolen en om veiligheidsredenen had overgebracht naar de benedictijnenabdij van Hautvillers nabij Reims.

Drie eeuwen later beval paus Innocentius II (1130-1143) dat alles wat nog overbleef van Helena’s stoffelijk overschot (haar hoofd of schedel was dus nog intact) bij elkaar moest worden gezocht en moest worden overgebracht naar de Santa Maria in Aracoeli, vlak naast het Capitool in Rome.

Al wat nog restte van Helena (erg veel kan dat niet meer geweest zijn) werd verzameld en in een porfieren urn geplaatst met een opschrift dat bevestigt dat zich hierin de resten van de heilige Helena bevinden. Het is deze urne die in het tempeltje van de Santa Maria in Aracoeli werd geplaatst, meer bepaald in het altaar, precies onder de achthoekige koepel.

In 1963 werd de urne door een gespecialiseerd archeologisch team in het bijzijn van Vaticaanse afgevaardigden geopend. Men vond daarin een prachtig van sandelhout vervaardigd twaalfde-eeuws kistje dat inderdaad relieken bevatte. Het kistje (vandaag niet zichtbaar voor bezoekers) bleek een zeldzaam voorbeeld van Arabisch-Siciliaanse kunst en werd na onderzoek teruggeplaatst.

Onderaan, op een lager niveau dan de kerkvloer, kunnen we overigens nog steeds overblijfselen zien van het zogenaamde ‘Ara Coeli’ met pre-cosmatenwerk dat teruggaat tot de tijd van Anacletus II (1130-1138), de tegenpaus die de kerk aan de benedictijnen schonk.

Het nu voltooide restauratieproject aan het mausoleum van Helena resulteerde ook in de creatie van een speciale route die het bezoek aan de catacombe combineert met het mausoleum, zodat één samenhangende archeologische maar ook religieuze site is ontstaan.

* * * * *

Het mausoleum is vanaf nu open voor het publiek en dit van 10 tot 12 uur en van 15 tot 17 uur. Donderdag gesloten. Het is nodig om je bezoek vooraf te reserveren.

De bezoeken worden gecombineerd met die van de Catacomben SS. Marcellino en Pietro met dagelijkse rondleidingen volgens het volgende uurschema:

  • 10 uur: bezoek aan de catacomben + om 10.45 uur bezoek aan het mausoleum
  • 10.15 uur: bezoek aan het mausoleum + om 11 uur bezoek aan de catacomben
  • 15 uur: bezoek aan de catacomben + om 15.45 uur bezoek aan het mausoleum
  • 15.15 uur: bezoek aan het mausoleum + om 16 uur bezoek aan de catacomben

Voor de meest actuele informatie, neem je (om alle verrassingen te vermijden) best altijd vooraf even een kijkje op de website. In Rome durven de openingsuren, de openingsdagen en de praktische informatie over sommige archeologische sites en musea soms nogal eens snel veranderen.

Reserveren is vereist via het e-mailadres:

 santimarcellinoepietro@gmail.com

of op het telefoonnummer: 06 241 94 46

www.santimarcellinoepietro.it

Alle praktische informatie

Metrolijn C wordt wellicht toch verlengd tot aan Piazza Venezia

26 november 2019

De kans bestaat dat Metrolijn C in Rome nu toch wordt doorgetrokken vanaf het Colosseum tot aan Piazza Venezia. Het Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti (MIT) zou garant staan voor de financiering van het traject en wil 10 miljoen euro uittrekken om de werken voort te zetten. Vorige maand raakte bekend dat Roma Metropolitane, het stadsbedrijf dat toezicht houdt op de bouw van de derde metrolijn, in gecontroleerde vereffening ging. Alleen de nieuwe halte Fori Imperiali – Colosseo zou nog worden gebouwd. De aanleg van de derde metrolijn heeft al jaren vertraging opgelopen en het budget is al met met dan een miljard euro overschreden.

Het nieuws werd bekendgemaakt na een ontmoeting tussen de Italiaanse minister van Transport Paola De Micheli en de burgemeester van Rome, Virginia Raggi, die de belofte van de minister omschreef als ‘een overwinning voor alle burgers’. De oppositie zei in een eerste reactie op het nieuws te hopen dat het geen verkiezingsstunt van Raggi is. Volgend jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen in Rome en de eerste vrouwelijke burgemeester van de stad doet het slecht in de peilingen. Een succes zoals de voortzetting van het metroproject zou haar goed uitkomen.

De voorbije weken zag het ernaar uit dat het Metro C-project zou eindigen op het Forum Romanum, waar het via het nieuwe station Fori Imperiali – Colosseo zal aansluiten op de bestaande Metro B-lijn. Aan dit nieuwe knooppuntstation wordt momenteel volop gewerkt. De opening zal ten vroegste in 2024 gebeuren. Daarna moet het huidige metrostation Colosseo nog worden afgebroken of een nieuwe bestemming krijgen. Doordat Roma Metropolitane de activiteiten stopzette, kwam ook een einde aan de geplande voortzetting van de nieuwe lijn richting Piazza Venezia.

Het feit dat als gevolg van de vereffening van Roma Metropolitane de twee enorme tunnelboormachines zouden worden achtergelaten in de diepe ondergrond van het Forum Romanum, zorgde voor nogal wat reacties. Toevallig werd vorige dinsdag op Piazza della Madonna di Loreto nog actie gevoerd tegen de stopzetting van het project. Filippa la Talpa (Filippa de Mol) werd tijdens een ludiek moment symbolisch begraven door personeelsleden van Roma Metropolitane, gemeenteraadsleden van de oppositie en leden van de oppositiepartijen en vakbonden. De actie ging uit van het comité Bye Bye Raggi.

talpa

De actievoerders droegen borden, kaarsen en doodsbrieven en gaven een toespraak ter nagedachtenis van de boormol die zou begraven worden. De enorme boorkop bevindt zich op 38 m diepte in de buurt van Piazza Venezia en kan omwille van de kostprijs niet meer worden bovengehaald.

De machine moet om veiligheidsredenen en om mogelijke aardverschuivingen te vermijden achterblijven in de ondergrond. De boorkop wordt volledig ingekapseld in beton om ondergrondse instortingen te vermijden. Dat proces is onomkeerbaar. Een tweede boormachine bevindt zich vlakbij de nieuwe halte Fori Imperiali – Colosseo die nu in aanbouw is. Ook die boorkop zal op termijn in de ondergrond achterblijven, maar zal nu, na de nieuwe geldinjectie, allicht nog een tijd in gebruik blijven.

De actievoerders verklaarden dat in werkelijkheid niet alleen de mol wordt begraven, maar ook de ambities van burgemeester Raggi en het huidige stadsbestuur. Ze missen de kans om in Rome een grootstedelijk vervoersnetwerk uit te bouwen, klonk het dinsdagavond.

Enigszins voorbarig zo blijkt nu uit de jongste ontwikkelingen, want als het Ministerie effectief met geld over de brug komt, zal er onder de archeologische rijkdom van het Forum Romanum toch nog een tunnel worden gegraven tot aan Piazza Venezia. Wanneer het metrostation op die plek dan zal kunnen openen is nog een open vraag. Niemand durft daar in de huidige omstandigheden een datum op plakken.

Reeds in het voorjaar van 2018 werden omwille van de enorme kostprijs en de grote vertraging die het metroproject opliep, reeds talrijke discussies gevoerd om de nieuwe C-lijn te laten eindigen op Piazza Venezia of er zelfs aan het Colosseum al mee op te houden. Dat zou Rome weliswaar gezichtsverlies opleveren, maar liever een afgang dan een totale financiële neergang, klonk het toen tijdens verhitte discussies in het stadhuis van Rome.

Zelfs de grootste optimisten twijfelden toen al of de aanleg van de nieuwe lijn C dwars door het historische centrum wel zo’n goed idee was. Volgens de oorspronkelijke planning moesten na de halte aan Piazza Venezia, ook nog metrostations worden gebouwd aan Chiesa Nuova (Santa Maria in Vallicella), San Pietro, Risorgimento, Ottaviano (een knooppunt met lijn A) en Clodio-Mazzini. Die planning is nu, zeker voor de eerstvolgende jaren, volledig afgevoerd.

Grote staking openbaar vervoer in Rome op 9 december

25 november 2019

Het is niet de eerste keer dit jaar en het zal wellicht ook niet de laatste keer zijn dat het openbaar vervoer in Rome plat ligt door een staking. Die neemt, afhankelijk van de organiserende vakbond, doorgaans kleine of soms wat grotere proporties aan.

Op maandag 9 december bundelen de verschillende vakbonden van vervoersmaatschappij ATAC echter de krachten en roepen ze op tot een grote algemene staking.

Concreet zal het metro-, tram- en busnetwerk in Rome die dag stil liggen tussen 10 uur en 14 uur. In dat tijdsbestek zullen weinig of geen ritten worden gemaakt. Vóór 10 uur en na 14 uur moet in principe de dienstverlening verzekerd blijven.

De personeelsleden protesteren tegen hun eigen werkgever. ATAC leeft volgens hen in twee verschillende realiteiten. De directie van het bedrijf heeft het over nieuwe bussen, modern materieel, positieve balansen en hogere inkomsten. Wat de werknemers ervaren is een gebrek aan nieuwe bussen, oud en versleten materieel, slecht onderhoud, veiligheidsproblemen en een hoge werkdruk.

Het Agenzia per i Trasporti Autoferrotranviari del Comune di Roma SpA (ATAC) is een overheidsinstelling die als feitelijke concessiehouder verantwoordelijk is voor de planning en ontwikkeling van het openbaar vervoer en het tariefsysteem in Rome. ATAC is tevens opdrachtgever van de vervoerbedrijven Trambus (bus en tram) en Met.Ro dat instaat voor het metrovervoer. Oorspronkelijk was ATAC het gemeentelijk vervoerbedrijf van Rome.

ATAC beheert het volledige grootstedelijke tram- en trolleybusnetwerk, een groot deel van het busnetwerk van Rome en drie toegekende regionale spoorlijnen die eigendom zijn van de regio Lazio. Vorig jaar maakte ATAC voor het eerst sinds jaren 840.000 euro winst, maar om een faillissement te vermijden werkt het bedrijf momenteel onder toezicht.

Het Romeinse vervoersbedrijf draagt een schuldenberg mee van ongeveer 1,5 miljard euro. Leveranciers, banken, onderaannemers en andere bedrijven staan in de rij in de hoop ooit nog iets van hun centen terug te zien. De stad Rome is de enige aandeelhouder van ATAC.

Het MIAC, een nieuw filmmuseum in Rome

24 november 2019

Op het terrein van de bekende filmstudio Cinecittà en de aangrenzende gebouwen van het Istituto Luce in Rome opent volgende maand het lang aangekondigde Museo Italiano dell’Audiovisivo e del Cinema (MIAC). In dit nieuwe Italiaanse film- en audiovisuele museum van Cinecittà wordt een permanente tentoonstelling opgezet over de verbeeldingskracht van Italianen in de 20ste en de 21ste eeuw.

Er zal echter ook ruimte zijn voor tijdelijke tentoonstellingen, een bibliotheek, een videotheek, lokalen voor educatieve workshops over ambachten in de cinema, seminarie- en congresruimte en een laboratorium voor conservatie en restauratie van oude films.

Het MIAC wordt het eerste multimediale en interactieve museum in Rome dat volledig gewijd is aan de wereld van de film. Het project werd gefinancierd door het ministerie van Cultuur en Toerisme en kreeg medewerking van zowat alle instanties, organisaties en musea die in Italië actief zijn in de filmwereld. Dat leverde een schat aan visuele archieven van wereldklasse op, gaande van de beginjaren van de cinema, tot de opkomst van de televisie en de ontwikkeling van de digitale technologie.

Bezoekers kunnen vanaf volgende maand een sprong maken in 120 jaar Italiaanse filmgeschiedenis. De toeristische instanties in Rome verwachten veel van het nieuwe museum. De bouw van het cinemacomplex heeft 2,5 miljoen euro gekost. Het is gevestigd op een site van 1.650 m², op de plek waar zich destijds het ontwikkelingslaboratorium van Cinecittà bevond.

Tijdens de persvoorstelling van het nieuwe museum kon terloops worden vernomen dat 2020 het jaar van Federico Fellini zal worden. Het is dan precies honderd jaar geleden dat de bekende filmregisseur werd geboren. Cinecittà zal uitgebreid aandacht besteden aan die verjaardag en vermoedelijk niet alleen in het nieuwe museum.

Cinecittà werd op 27 april 1937 opgericht door de toenmalige Italiaanse sterke man Benito Mussolini. De filmstudio moest ingaan tegen de groeiende opkomst van de Hollywoodfilms. Een sterk distributienetwerk voor Italiaanse films en de zogenaamde Wet Alfieri, een maatregel die aan de Italiaanse film een aanzienlijke staatssubsidie gaf, moesten helpen om dat plan te verwezenlijken. Daarnaast werden de Italiaanse filmsterren met behulp van tientallen (foto)tijdschriften, fors gepromoot.

Door deze maatregelen steeg de productie van Italiaanse films naar ongeveer 80 titels per jaar. Vreemd genoeg gebruikte het fascistische bewind de cinema nauwelijks voor de productie van propagandafilms. De filmindustrie werd door Mussolini vooral ingezet voor economische doeleinden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de filmstudio gebombardeerd, maar de filmactiviteiten overleefden de oorlog en kenden al snel opnieuw een grote bloei.

In Cinecittà kwamen na Wereldoorlog II en vooral in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw heel wat beroemde films tot stand. Federico Fellini maakte er onder andere La Dolce Vita, Otto e Mezzo en Amarcord. De decors van die films zijn nog altijd aanwezig in Cinecittà. De filmstudio zelf vormde ook meermaals het onderwerp en het decor voor een film, zoals voor Bellissima van Luchino Visconti en de ongelooflijke prent Intervista van Federico Fellini, één van zijn minder bekende films, maar zonder twijfel de prent die de meeste filmmagie uitstraalt. Intervista is als het ware een hommage aan Cinecittà.

In de jaren ’50 en ’60 kreeg Cinecittà een tijdlang de bijnaam ‘Hollywood aan de Tiber’, omdat de studio’s gretig werden gebruikt door Amerikaanse filmmaatschappijen, vooral voor de zogenaamde peplumdrama’s, films over het klassieke Rome en de oudheid. Mervyn LeRoy maakte in Cinecittà zijn Quo Vadis (1951) en Wiliam Wyler regisseerde hier Ben Hur (1959). Joseph L. Mankiewicz nam hier de film Cleopatra op, met Elisabeth Taylor en Richard Burton.

Maar ook vele andere bekende films, zoals de superklassieker Once Upon a Time in the West en The Godfather III, werden in Cinecittà opgenomen. Na een periode dat het faillissement zeer dichtbij was, werd Cinecittà uiteindelijk geprivatiseerd.

De Cinecittà-studio bevindt zich op een tiental kilometers van het historische stadshart van Rome. Metrolijn A heeft een halte die bijna letterlijk voor de deur stopt. Opgelet voor argeloze bezoekers: de filmstudio is niet te verwarren met het gelijknamige pretpark Cinecittà World dat zich op een heel andere plaats in Rome bevindt. Een beetje uitkijken met de online zoekmachine dus.

Cinecittà is een indrukwekkend complex met onder andere pleinen en tuinen, drie restaurants, verscheidene woongebouwen voor leidinggevenden en werknemers, zestien opnamestudio’s en kleedkamers voorzien van alle comfort. Er worden nog altijd reclamespotjes, televisieseries en nu en dan (delen van) films opgenomen. Je komt dus niet terecht in een toeristische attractie maar in een onderneming waar dagelijks wordt gewerkt.

Enkele jaren geleden stelde het tot dan voor buitenstaanders hermetisch gesloten en behoorlijk geheimzinnige Cinecittà een gedeelte van het bedrijfsterrein open voor toeristen en filmliefhebbers. Er is onder meer een permanente tentoonstelling te bezoeken en meestal is er ook een tijdelijke thema-expo.

Mits een kleine extra betaling krijg je ook de kans om onder begeleiding een tijdje rond te kuieren op een gedeelte van het bedrijfsterrein, waarbij je onder meer langs de overgebleven decors van The Temple of Jerusalem, Gangs of New Yoek, de televisieserie The Borgia’s en de bekende HBO-serie Rome kan wandelen. Die ervaring lijkt op een tijdreis.

www.cinecittastudios.it

cinecittasimostra.it

Luigi Valadier in de Galleria Borghese

22 november 2019

In de Galleria Borghese in Rome is een tentoonstelling begonnen waar negentig kunstwerken worden getoond van Luigi Valadier, de beroemdste Italiaanse goud- en zilversmid van zijn tijd. Het gaat om een unieke verzameling waarvan vele stukken nooit eerder publiek te zien waren. De tentoonstelling is te bewonderen tot 2 februari 2020.

De kunstobjecten zijn zonder meer allemaal unieke meesterwerken, want Luigi Valadier (1726-1785) vervaardigde ze eigenhandig in zijn atelier in de Via del Babuino. Tot zijn klanten behoorden degenen die smaak, rijkdom en weelde konden waarderen maar dat vooral ook konden betalen: aristocraten, edelvrouwen, vorsten uit verre landen en natuurlijk de kardinalen en pausen.

Luigi was de vader van de bekende architect, stadsbouwmeester, tekenaar, archeoloog en musicus Giuseppe Valadier (1762-1839), die in Rome onder meer Piazza del Popolo en de begraafplaats Campo Verano ontwierp. Hij hield zich ook bezig met herstellingswerken aan het Colosseum, de Boog van Titus en de Tempel van Portunus. De zilveren reliekhouder voor de resten van de Heilige Kribbe in de Santa Maria Maggiore is eveneens van zijn hand.

In 1805 bepaalde Giuseppe Valadier de vernieuwing en de loop van de Via Flaminia in Rome, waarbij onder meer ook de Milvische brug werd gerestaureerd. In 1811 tekende hij het ontwerp van de Via dei Fori Imperiali, die pas onder het fascistische bewind van Benito Mussolini zou worden uitgevoerd. Hij had tevens de leiding over de renovatie van de Piazza San Giovanni in Laterano en de vormgeving van Villa Torlonia in Rome.

Maar nu even terug naar vader Luigi. De tentoonstelling in de Galleria Borghese, in het hart van het grote park Villa Borghese, is niet helemaal toevallig gekozen. Luigi Valadier had immers een uitstekende band met Marcantonio Borghese (1730-1830) en hun vriendschap werd met de jaren alleen maar hechter. Dankzij de prins kwam Valadier ook in contact met de hogere kringen.

Marcantonio, de vijfde Prins van Sulmona, was in die tijd het hoofd van de familie Borghese in Rome. Het was deze Marcantonio die de villa van zijn familie in Rome begon om te bouwen tot een gestructureerd museum. Vanaf ongeveer 1775 werden onder leiding van architect Antonio Asprucci alle oude tapijten en gordijnen verwijderd. Er werden nieuwe plafonddecoraties aangebracht en de Casina werd gerenoveerd.

De sculpturen van de toen al aanzienlijke collectie Borghese werden gaandeweg in en rond de villa gereorganiseerd. Zo liet de prins in 1785 de fraaie beeldengroep Apollo en Daphne van Gian Lorenzo Bernini naar het midden van zijn privékamer verhuizen. Marcantonio transformeerde tevens de tuinen van de villa van een formele tuinarchitectuur tot een Engelse landschapstuin. De restanten daarvan vormen vandaag het park Villa Borghese.

De buitengewone combinatie van veelzijdige creativiteit en onovertroffen technische expertise, samen met het vermogen van Luigi Valadier om het nieuwe sentiment uit de oudheid te interpreteren, leidde tot een ware culturele omwenteling en een vernieuwing van smaak die zich in Rome vestigde als een internationaal model. Zijn inmiddels beroemde werkplaats in de Via del Babuino, die hij in 1759 van zijn vader Andrea Valadier, eveneens een zilversmid, had overgenomen, werd één van de drukst bezochte plaatsen in Rome.

Koningen, diplomaten, antiquairs, verzamelaars en kapitaalkrachtige toeristen kwamen er over de vloer. Voor keurvorst Carlo Teodoro di Baviera maakte hij een zilveren reproductie van de Zuil van Trajanus. Paus Pius VI bestelde bij Valadier een kostbare beker in lapis lazuli die hij aan koning Stanislaus II Augustus Poniatowski gaf. In Palazzo Chigi staat nog altijd een grote zilveren spiegel die werd vervaardigd door Valadier. Een meesterwerk uit 1770 is het grandioze hoogaltaar van de kathedraal van Monreale in de buurt van Palermo.

De tentoonstelling is vooral boeiend omdat de werken van de grote ambachtsman te bewonderen zijn in de toch al zeer decoratieve context van de Galleria Borghese. Dat roept de tijdsgeest van weleer op, toen kunstenaars in Rome vaak samenwerkten aan allerlei artistieke ondernemingen.

Zo is de open haard in kamer XVI in de voormalige villa (vandaag Galleria Borghese) in de werkplaats ontworpen door de bekende etser, graveur en architect Piranesi, afgewerkt door beeldhouwer Lorenzo Cardelli met assistentie van Vincenzo Pacetti, Agostino Penna, Antonio De Rossi, Domenico Cialdi en verfraaid met bronzen versieringen door Luigi Valadier.

De tentoonstelling brengt via bruiklenen uit andere streken en landen een aantal topstukken tijdelijk terug naar Rome. Daaronder de grote zilveren lampen uit het heiligdom van Santiago de Compostela en bronzen reproducties van beroemde oude beelden die Valadier maakte voor koning Gustav III van Zweden. Een belangrijk deel van de tentoonstelling is gewijd aan tekeningen, een fundamenteel hulpmiddel om de evolutie van het creatieve proces van Valadier te begrijpen.

Er zijn ook enkele multimedia-voorstellingen te zien die belangrijke plaatsen in Rome tonen die te maken hebben met Luigi Valadier: sites, kerken, palazzi, zijn werkplaats en de plekken in de stad waar zijn werken worden bewaard. Dat vormt een uitnodiging om dit virtuele pad om te zetten in de realiteit van een bezoek te velde om deze voor velen onbekende Valadier nog beter te leren kennen.

Luigi Valadier kwam tragisch aan zijn einde in 1785. De kunstenaar kampte in die tijd met schulden, mede veroorzaakt door een partner die een kwart van alle opbrengsten claimde. Toen Valadier werkte aan de huidige klok van de Sint-Pietersbasiliek, een bronzen gevaarte met een diameter van 2,30 m en een gewicht van 10 ton, pleegde hij kort voor de afwerking zelfmoord door in de Tiber te springen. Het gieten van de klok werd nadien voltooid door zijn zoon Giuseppe.

Een bezoek aan Galleria Borghese werkt nog steeds met tijdsblokken van telkens 2 uur. Er kunnen maximaal 360 bezoekers tegelijk binnen. Meer informatie over de toegangsmodaliteiten vind je hier.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling VALADIER. Splendore nella Roma del Settecento zal de Galleria Borghese in de maanden november en december uitzonderlijk open zijn op vrijdag- en zaterdagavond (Le Notti di Valadier) en dit op de volgende tijden:

* Op vrijdag is er een speciale toegangsronde van 3 uur (tot 22 uur) om het publiek een bredere bezoekervaring te bieden (laatste toegang om 19 uur).

* Op zaterdag blijft het museum open tot 23 uur (laatste toegang om 21 uur).

Tickets zijn te boeken via het nummer +39 06 328 10, van maandag tot vrijdag van 9 tot 18 uur en zaterdag van 9 tot 13 uur, ofwel online via de website.

VALADIER. Splendore nella Roma del Settecento
Galleria Borghese
Piazzale Scipione Borghese (Villa Borghese), Rome

www.galleriaborghese.it

Tickets

Een kijkje in de indrukwekkende Porta Asinaria

21 november 2019

Porta Asinaria is één van de oude stadspoorten in de Aureliaanse Muur, je vindt ze vlak naast Piazza di Porta San Giovanni, in de richting van Piazzale Appio. Ze dankt haar naam aan de Via Asinara, die werd aangelegd lang vóór er sprake was van de Aureliaanse muren. Buiten de stad ging de Via Asinara over in de Via Tuscolana, binnen de stadsmuren heette ze de Via Santa, die van Lateranen naar de Sint-Pietersbasiliek liep. Het is over deze weg dat de nieuw verkozen pausen in plechtige optocht liepen.

Waar ligt de oorsprong van de benaming Via Asinara? Er zijn verschillende theorieën met verklaringen, de meest waarschijnlijke verwijst naar een ezelmarkt die vlakbij de poort werd gehouden, daar kwamen namelijk de dieren uit Zuid-Italië Rome binnen en werden ze verkocht aan de plaatselijke boeren.

Porta Asinaria dateert uit de periode waarin de Aureliaanse Muur werd gebouwd, tussen 270 en 275 na Christus. De Via Asinara was in die tijd slechts een weg van secundair belang die vooral voor plaatselijk verkeer werd gebruikt. De poort bestond daarom uit slechts één kleine doorgang in de Aureliaanse Muur gelegen tussen twee vierkante torens.

Porta Asinaria is nu een respectabele stadspoort, een kleine vestingburcht. Twee factoren hebben in belangrijke mate bijgedragen aan het belang van deze stadspoort. Vrij vroeg zag men in dat een eenvoudige posterula (kleine poort) in de Muur niet voldoende veiligheid bood tegen oprukkende vijanden. Het gebied rond Lateranen met de bisschopszetel van Rome won bovendien aan belang vanaf de vierde eeuw.

Bij de restauratie van de Muur onder keizer Honorius (384-423) werd de doorgang omgebouwd tot een stadspoort met twee halfronde torens van 20 m hoog die tegen de bestaande vierkante torens werden aangebouwd. De poort werd bekleed met travertijn. De vierkante torens werden voortaan gebruikt als traphal. Er werden ook een binnenplein en een binnenpoort aan de stadskant aangelegd.

De Muren en de poort werden verhoogd tot bijna het dubbele van de oorspronkelijke hoogte, met vier niveaus in de torens en drie in het gebouw er tussen. In dat gebouw tussen de torens kwamen twee overdekte rondgangen, een open gang en een machinekamer om een valhek te bedienen. Zo werd Porta Asinaria de grootste van alle stadspoorten.

De twee cilindervormige torens zijn perfect bewaard gebleven en ook van de bekleding in travertijn zijn nog resten te zien. Porta Asinaria is trouwens de enige Romeinse stadspoort waar naast de ronde torens ook nog de vierkante torens overeind staan.

Niettegenstaande deze versterking van de stadspoort, kon ze de invallen van vreemde troepenmachten niet tegenhouden. Het is via Porta Asinaria dat de Byzantijnen onder leiding van generaal Belisarius in 537 Rome binnenvielen en bezetten. De Ostrogoten zouden vervolgens de stad door belegering terug proberen te veroveren.

Toen de bevolking bijna verhongerde zou paus Silverius aan de Gotische koning Witiges beloofd hebben de stad te verraden. De ‘uitnodiging’ bleek echter vals en paus Silverius werd eerst ‘gedegradeerd’ tot monnik, dan weer door keizer Justinianus I in ere hersteld, maar tenslotte afgezet voor verraad en verbannen naar het eiland Palmarola.

In 546 pleegden de Isauriërs, barbaarse soldaten die deel uitmaakten van het Romeinse leger, verraad en zetten de stadspoort open voor de Goten onder leiding van Totila. Hordes Goten plunderden andermaal de stad en verwoestten een derde van de Aureliaanse Muur.

In 1084 kwamen keizer Hendrik IV en de tegenpaus Wibert van Ravenna langs de Porta Asinara de stad binnen om paus Gregorius VII te verjagen. De bevrijder van de wettelijke paus, de Noorman Robert Guiscard, liet het gebied rond Lateranen in vlammen opgaan, waardoor de helft van de stad in de as werd gelegd, en beschadigde zowel de poort als de Muur.

Tijdens de middeleeuwen onderging de poort een reeks aanpassingen die verband hielden met de nieuwe verdedigingstechnieken. Let op de ramen van de eerste verdieping: ze zijn vernauwd na de introductie van vuurwapens. In de middeleeuwen stond de poort ook bekend als Porta Lateranensis, Porta S. Johannis Laterani en Porta de Laterano.

Bij de heraanleg van het gebied rond Lateranen en de opening van Porta San Giovanni in 1575 werd Porta Asinaria definitief gesloten. Porta Asinaria was zo goed als onbruikbaar geworden doordat het grondniveau met 9 m was gestegen door de ophoping van allerlei afval. Dit heeft er echter wel voor gezorgd dat de interne structuren van de antieke poort bewaard zijn gebleven.

De ingang van de poort werd dichtgemetseld en de doorgang bleef ongeveer 500 jaar in onbruik. In 1956 werden de vele meters afval op het binnenplein weggehaald. De poort werd gerestaureerd en ook de toegang werd weer vrij gemaakt, maar enkel voor voetgangers. Bij deze restauratie werd een (her)ontdekking van formaat gedaan: de binnenpoort aan de stadskant, die men enkel kende uit documenten van vóór 1575, kwam nu weer tevoorschijn.

In de onmiddellijke omgeving van de poort werd een tolpaal opgedolven. Deze was hier in 175 geplaatst om een administratieve grens met een douanekantoor aan te duiden. Er werden namelijk belastingen geheven op de goederen die de poort in en uit kwamen. Van de vijfde tot de vijftiende eeuw moest er ook ‘péage’ worden betaald indien men onder de poort wilde doorgaan en werden de douanekantoren verpacht en zelfs verkocht.

Er is een document uit 1467 teruggevonden waarin de voorwaarden voor een verkoop bij opbod van de stadspoorten worden gespecifieerd. Er bestond ook een lijst met vaste belastingstarieven voor allerlei soorten goederen, maar misbruiken kwamen veelvuldig voor.

Tussen 2004 en 2006 werd de gebouwen van de stadspoort een laatste keer gerestaureerd. Sinds vorige maand is men begonnen met onderhoudswerken aan het stuk Muur dat loopt van San Giovanni tot aan Policlinico. Het gaat in eerste instantie om het verwijderen van de wildgroei aan klimplanten en struiken.

Daar waar nodig zal de Muur ook gerestaureerd worden. De Sovrintendenza ai Beni Culturali hoopt deze werken nog vóór het einde van het jaar te beëindigen. In 2020 is de installatie van verlichting van de stadspoorten voorzien.

Je kan de Porta Asinaria na telefonische boeking (+39 060 608 – dagelijks van 9 uur tot 19 uur) en onder begeleiding bezoeken. Er worden maximaal 25 personen tegelijk toegelaten. Kostprijs: 4 euro/persoon. Tijdens het bezoek is het mogelijk om over een stuk van de loopbrug te wandelen.

Alle praktische informatie vind je op deze website

Er zijn ook regelmatig  open dagen en speciale rondleidingen.
De eerstvolgende vindt plaats op 23 november.

Met dank aan clublid
ANN DE LATTER
voor deze bijdrage

Vaticaan schakelt kerstboomverlichting in op 5 december

20 november 2019

De kerstboom op het Sint-Pietersplein komt dit jaar uit de eeuwenoude bossen in Noord-Italië. De 26 m hoge spar komt uit de gemeente Rotzo in de provincie Vicenza (regio Veneto). De boom stond in een  dicht bebost gebied dat in november vorig jaar zware schade opliep door stormwinden die snelheden haalden tot 200 km/uur.

De kerststal, die naast de kerstboom op het Sint-Pietersplein wordt opgesteld, zal bijna volledig uit hout worden gemaakt en komt uit de gemeente Scurelle in de provincie Trente ((regio Trentino/Alto Adige – Süd-Tirol). De kerststal wordt bevolkt met meer dan twintig levensgrote figuren en wordt gedeeltelijk gebouwd met boomstammen uit het gebied dat vorig jaar door’ de storm werd getroffen.

De Vaticaanse kerstboom en de kerststal worden op donderdag 5 december om 16.30 uur officieel ingewijd. Op dat moment wordt ook de kerstverlichting aangezet. Tijdens de kerstnacht, in principe na de middernachtmis, brengt de paus traditiioneel een bezoek aan de kerststal. Het kersttafereel blijft op het Sint-Pietersplein staan tot 12 januari 2020.