Archive for december, 2019

Enorm Romeins scheepswrak met 6.000 amforen ontdekt

30 december 2019

Op de zeebodem vlakbij het havenstadje Fiskardo op het Griekse eiland Kefalonia is met behulp van sonartechnieken een Romeins scheepswrak teruggevonden. Aan boord bevinden zich ongeveer 6.000 goed bewaarde wijn- en voedselkruiken. Het schip is 34 m lang en 13 m breed en daarmee één van de grootste uit zijn tijd. Volgens Griekse wetenschappers dateert het vaartuig van ergens tussen de eerste eeuw vóór en de eerste eeuw na Christus. De ontdekking kan ons meer leren over de handelsroutes op de Middellandse Zee die de Romeinen volgden.

Het schip is één van de vier grootste Romeinse scheepswrakken die tot nu toe ontdekt zijn in de Middellandse Zee. Het vaartuig is opvallend goed bewaard gebleven en ligt half begraven in het zand. Het is nog niet beslist of het wrak zal worden opgehaald, maar George Ferentinos van de Griekse universiteit van Patras heeft hoge verwachtingen dat zijn team, als het schip in de toekomst zou worden geborgen, een deel van of zelfs de hele houten romp zal vinden.

De scheepslading is zichtbaar op de zeebodem. Naar schatting bestaat ze uit zowat 6.000 amforen, Romeinse of Griekse kruiken met twee oren en een lange hals. Ze werden gebruikt om goederen zoals granen, wijn, olie en olijven in te bewaren en te transporteren.

Fiskardo blijkt destijds een belangrijke haven te zijn geweest. Recent werden er ook al huizen uit de oudheid, baden, een theater, een kerkhof en een graf gevonden uit de Romeinse tijd tussen 146 v. Christus en 330 na Chr.

Kefalonia, ook bekend als Cephallenia, Cephallonia, Kefallinia of Kefallonia is een eiland in het westen van Griekenland, gelegen in de Ionische Zee. Het ligt ten noorden van het eiland Zakynthos en net ten zuiden van het eiland Lefkas. Het eilandje Ithaka ligt noordoostelijk bijna tegen Kefalonia aan.

Het wetenschappelijke en gedetailleerde verhaal is te lezen in het januarinummer (volume 113) van het Journal of Archaeological Science.

Verjaardag paus gevierd met kunstmatige sneeuwbui

28 december 2019

Paus Franciscus kreeg in het centrum van Rome een kunstmatige sneeuwbui aangeboden voor zijn 83ste verjaardag. Dat gebeurde in de Via dei Banchi Vecchi, in de buurt van de kerk Santa Lucia del Gonfalone.

De sneeuwbui was een kunstgreep van architect Cesare Esposito die op deze manier samen met Franco Incampo, de rector van de Santa Lucia del Gonfalone, hulde wilde brengen aan de paus.

De architect staat bekend om de eveneens kunstmatige ‘sneeuwval’ die ieder jaar op 5 augustus voor de Santa Maria Maggiore te zien is, dit ter herinnering aan de wonderlijke legende van de sneeuw waaraan deze basiliek zijn ontstaan zou danken. Paus Franciscus werd als Jorge Mario Bergoglio op 17 december 1936 geboren in Buenos Aires, Argentinië.

Moderne grafische kunst uit de privécollectie van de paus

27 december 2019

In Vaticaanstad is een tentoonstelling begonnen die een selectie van ongeveer 150 grafische kunstwerken toont. Het is een selectie uit de verzameling moderne grafische kunst van het Vaticaan die ruim 4.000 werken telt. Verschillende werken komen uit de privécollectie van de paus en waren nooit eerder te zien door het publiek. De tentoonstelling vindt plaats in de Braccio di Carlo Magno (als je op het Sint-Pietersplein met je gezicht naar de basiliek gekeerd staat, zie je deze zaal in de zuilengalerij aan je linkerzijde) en is gratis te bezoeken tot 29 februari 2020.

De grote collectie modern grafisch werk, bestaande uit prenten, gravures en tekeningen uit de negentiende en de twintigste eeuw die Vaticaanstad vandaag bezit werd in 1973 door paus Paulus VI opgestart. De meeste kunstwerken werden tijdens de vele pausbezoeken en diplomatieke ontmoetingen met staats- en regeringsleiders in het Vaticaan aan de paus als geschenk gegeven.

signs1

Volgens curator Francesca Boschetti bevat de verzameling enkele bijzonder fraaie en unieke werken. Zo is er een afbeelding van de Madonna van Henri Matisse en een schilderij van Edvard Munch van een oude man in gebed op een trein te zien. Voor kunstkenners is de tentoonstelling zeker een bezoek waard omdat de kunstwerken uit de privéverzameling van de paus nog nooit eerder te zien waren.

signs2George Minne, 1899

Naast tekenwerk van Munch en Matisse zijn op de tentoonstelling onder meer werken te bekijken van Paul Klee, Otto Dix, Carlo Mattioli, Max Ernst, Oskar Kokoschka, Duilio Cambellotti, Umberto Boccioni, Felice Casorati, Emilio Greco, Guido Strazza, Roberto Almagno, Ernst Ludwig Kirchner, Ugolino da Belluno, Adolfo De Carolis, Sigfrido Bartolini, Giorgio Morandi, Francesca Cataldi, Henri Delavallée, Émile Bernard, Piero Dorazio, Ernst Barlach, Sandra Bowden, Marc Chagall, Lorenzo Viani, Maurice Denis, Joan Miró en Wassily Kandinsky. Zelfs de Vlaming George Minne (1866-1941) ontbreekt niet.

signs3

De tentoonstellingscatalogus wordt uitgegeven door Edizioni Musei Vaticani en is beschikbaar in het Italiaans en Engels. Het boek kost 64 euro.

I segni del sacro. Le impronte del reale
La grafica del Novecento nella
Collezione d’Arte Contemporanea
dei Musei Vaticani

Braccio di Carlo Magno, Piazza San Pietro, Vaticaanstad
Tot 29 februari 2020

Open op maandag, dinsdag, donderdag, vrijdag en zaterdag van 10 tot 18 uur
Op woensdag van 13.30 tot 18 uur

Laatste toegang om 17.30 uur
Gesloten op zondag en feestdagen en van 1 tot 6 januari 2020
Speciale openingen op 24 en 31 december van 10 tot 15.30 uur
Toegang: gratis

Makers nieuwe James Bond-film kiezen alweer voor Italië

24 december 2019

Het is bekend dat de makers van de James Bond-films graag kiezen voor Italië als locatie. Dat kwam in de recente Bondfilms duidelijk tot uiting, onder meer in Casino Royale (met een belangrijke scène in Venetië), Quantum of Solace (met halsbrekende actie in de steengroeve van Carrara en tijdens de Palio in Siena en zeker ook in de vorige Bondfilm Spectre, waarvoor onder meer in hartje Rome een lange achtervolgingsscène met auto’s werd gefilmd.

Ook de nieuwe Bondfilm No Time to Die bevat een belangrijke scène die zich afspeelt in Matera in de Zuid-Italiaanse regio Basilicata. Er werd vooral gefilmd in de historische stad met de beroemde sassi of grotwoningen, die sinds 1993 op de werelderfgoedlijst van Unesco staan. Het typische landschap van Matera is in het verleden al vaker te zien geweest in verschillende internationale producties, waaronder Mel Gibson’s The Passion of the Christ, dat daar in 2003 gedeeltelijk werd gefilmd.

No Time to Die is de 25ste Bondfilm met opnieuw (en in principe voor de laatste keer) Daniel Craig in de hoofdrol. Andere belangrijke rollen zijn voor Rami Malek, Ana de Armas, Lashana Lynch, Ralph Fiennes en Jeffrey Wright. De film wordt geregisseerd door Cary Fukunaga en bevindt zich momenteel in de postproductiefase. De internationale release is voorzien op 8 april 2020.

Bekijk hier de officiële trailer van No Time to Die

Hellingen van de Capitolijnse heuvel worden gerenoveerd

23 december 2019

De stad Rome gaat de hellingen van de Capitolijnse heuvel die uitkijken op het Theater van Marcellus renoveren, beveiligen en beter toegankelijk maken. Aan de voet van de heuvel bevindt zich een enorme blok tufsteen die het Terrazza Caffarelli – Belvédère en de Via di Villa Caffarelli letterlijk ondersteunt. De heuvel wordt omschreven als ‘geologisch kwetsbaar’ wat zorgwekkend is omdat er verschillende historische en archeologische restanten te vinden zijn, waaronder het Casa del Luparo, waarin zich destijds een levende wolvin en een adelaar bevonden. Dat gebruik werd pas in het midden van de twintigste eeuw stopgezet.

Dit deel van de Capitolijnse heuvel werd voor het laatst grondig gerenoveerd in de periode tussen 1929 en 1933. Van de enorme tufstenen blok die de basis vormt van de heuvel vielen regelmatig stenen en brokstukken naar beneden. Dat zou de komende jaren een probleem blijven. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was de toestand onhoudbaar geworden en waren nieuwe en grote ingrepen nodig om de veiligheid te waarborgen. Dat gebeurde behoorlijk slordig. Sommige van die maatregelen zijn zelfs nog altijd zichtbaar.

De jongste jaren verloederde de toestand nog meer. Wandelpaden groeiden dicht met onkruiden struiken. Nog meer stenen kwamen los. De belabberde toestand van de stadskas van Rome zal er veel mee te maken hebben, maar de enige ingrepen die gebeurden waren het spannen van plastic waarschuwingslinten op plekken die niet meer toegankelijk waren en, als het echt niet anders kon, een veiligheidshek.

Het stadsbestuur heeft nu blijkbaar toch ingezien dat een dergelijke situatie op enkele tientallen meters van hun eigen stadhuis niet echt bevorderlijk is voor het imago van Rome. De omgeving wordt nu teruggbracht in de toestand zoals die in de jaren ’30 werd gecreëerd. Naast het aanpakken van de overwoekerde staat van de heuvel en het veiliger maken, zal de stad de onderliggende groene heuveltuinen vooral weer bruikbaar en toegankelijker maken voor bezoekers.

De reeds lang verlaten en verwilderde paden en de panoramische terrassen met uitzicht over het Teatro di Marcello worden weer in ere hersteld. Er worden zitbankjes geplaatst en er komt ook een nieuw verlichtingssysteem dat de archeologische en historisch-markante kenmerken van de heuvel benadrukt. De omgeving wordt ook toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Het project kost 1,1 miljoen euro en wordt door de stad Rome betaald. De werkzaamheden moeten tegen het einde van 2020 voltooid zijn.

Het nieuwe restauratieproject van het stadsbestuur valt niet geheel toevallig samen met een soortgelijk plan waarbij de beroemde Tarpeïsche rots op de zuidelijke top van de Capitolijnse heuvel, met uitzicht op het Forum Romanum, zal worden hersteld. Ook dit deel van de heuvel en de rots zelf verkeren in behoorlijk slechte staat. De kostprijs van dit project wordt geraamd op 1,6 miljoen euro en wordt gesponsord door het modehuis Gucci.

Als je vanaf de Via Luigi Petroselli de Vico Jugario inloopt, zie je op een bepaald moment links boven je de flank van de legendarische Tarpeïsche rots of de Rupe Tarpea. Ja kan de rots situeren op de plaats waar (komende vanaf Piazza del Campidoglio aan de andere zijde) de Via Monte Tarpeo eindigt aan het begin van het Forum Romanum. Wat we vandaag beschouwen als de Tarpeïsche rots ligt aan de voet van de als parkeerruimte gebruikte Piazza della Consolazione, waar daar vlakbij, hoog boven een trap, de Santa Maria della Consolazione staat.

Ongetwijfeld zijn in de loop der eeuwen stukken van de oorspronkelijke rots weggehakt, afgevoerd als bouwmateriaal of gewoon om plaats te maken voor andere zaken. Welke ingrepen op stedenbouwkundig vlak er in het verleden in deze kernzone van de historische stad allemaal zijn gebeurd, valt helaas niet meer te achterhalen.

De Tarpeïsche rots (Saxum Tarpeium of Rupes Tarpeia) heeft in de geschiedenisboeken een beruchte plaats verworven. In de eerste eeuwen van Rome werden verraders of tegenstanders van deze rots geduwd om vele meters lager te pletter te vallen. Volgens de Romeinse Twaalftafelenwet kon men van de Tarpeïsche rots worden gegooid voor het afleggen van valse getuigenissen of als slaaf een diefstal te plegen.

Andere vergrijpen waarvoor men deze straf kon krijgen waren verraad tegenover de eigen meester, incest, het overlopen naar de vijand of vluchten, landverraad en incest als Vestaalse maagd. De uitvoering van de straf was in handen van tribunen of tribunen en consuls. De laatst bekende executie vond plaats in 43 na Chr., daarna werd deze straf afgeschaft.

Op 28 augustus 1872 besliste de gemeenteraad van Rome, onder leiding van burgemeester Pietro Venturi, om op de Capitolijnse heuvel in een speciale hut een levende wolvin als symbool van Rome te plaatsen. De kosten van het onderhoud voor het dier werden vastgesteld op 2.500 lire per maand. Voor het bewaken van de wolvin werd zelfs een conciërge ingehuurd. Het verblijf van de wolvin werd al gauw omschreven als het Casa del Luparo. De restanten zijn nog steeds te zien aan de Via Monte Caprino.

Het idee was echter niet nieuw, want het was niet de eerste keer dat het Romeinse stadsbestuur een levend dier als symbool voor de stad op de Capitolijnse heuvel tentoon stelde. I n het begin van de vijftiende eeuw bevond zich op het Capitool immers al een leeuw, destijds het symbool van de stad. Aan die traditie kwam abrupt een einde toen het beest op een zondagochtend in 1414 erin slaagde om te ontsnappen. In zijn zoektocht naar de vrijheid beet de leeuw verschillende kinderen dood, anderen werden verminkt.

Maar nu had Rome dus een echte, levende wolvin. Het dier werd onmiddellijk een attractie, vooral voor kinderen, die vaak even langsliepen om het dier onrustig heen en weer te zien lopen in de smalle, vochtige en donkere ruimte. Het toenmalige onrustige gedrag van de gekooide wolvin ligt aan de basis van de Romeinse zegswijze ‘me pari la lupa der Campidojo’, wat zoveel wil zeggen als ‘ik kan niet blijven stilz itten’ of ‘ik voel me rusteloos’.

In 1935 werd de wolvin tijdelijk verplaatst van zijn oude kooi langs de Cordonata naar een nieuw werblijf, ditmaal aan de voet van de Tarpeïsche rots. Deze kooi was ook uitgerust voor het verblijf van een ander symbool van Rome, de adelaar. De gebeurtenis haalde op 12 mei de cover van La Domenica del Corriere, een Italiaanse weekkrant die bestond van 1899 tot 1989 en destijds bijzonder populair was.

Het blad werd elke zondag gratis verspreid, samen met de Corriere della Sera, maar werd ook afzonderlijk verkocht in kiosken. La Domenica del Corriere werd vooral beroemd omwille van zijn fraaie omslagtekeningen in kleuren die zowat de hele geschiedenis van de Italiaanse samenleving in de eerste helft van de twintigste eeuw samenvatten.

De covers werden vele jaren getekend door Achille Beltrame (1871-1945) en na diens dood door Walter Molino (1915-1997). Beltrame verliet nooit zijn studio in Milaan maar wist, hoewel hij zijn onderwerpen nooit in het echt zag, vaak erg realistische tekeningen te maken die de gebeurtenissen goed weergaven.

De covers van het weekblad worden vandaag gezocht en verkocht op antiekmarkten en verhandeld via het internet. Ze leveren soms behoorlijk wat geld op. Omwille van de historische waarde zijn de oudste jaargangen van het blad (tot 1950) inmiddels volledig gedigitaliseerd en online raadpleegbaar .

Maar even terug naar onze wolvin en haar nieuwe vriendje de adelaar. Na verloop van tijd werden burgers zich steeds meer bewust van de erbarmelijke omstandigheden waarin deze dieren leefden. Toen op de avond van 28 juni 1954 een jonge wolvin van amper drie jaar stierf, brak de controverse over het houden van dieren op de Capitolijnse heuvel pas goed uit.

Marian Johnson, een Britse die al lange tijd in Rome woonde, schreef zelfs een open brief naar de Times om buitenlandse lezers ertoe aan te zetten het stadsbestuur te overtuigen om de dode wolvin niet te vervangen door een nieuw dier. Niet alleen gewone burgers schaarden zich aan de zijde van Johnson, maar ook de Giardino zoologico di Roma en de dierenbeschermingsvereniging l’Ente nazionale Protezione animali steunden het voorstel.

De toenmalige burgemeester Salvatore Rebecchini dacht echter heel anders over de kwestie en bleef bij het oude standpunt dat de wolvin en de adelaar nu eenmaal de symbolen van Rome waren en in levende lijve zichtbaar moesten zijn voor de burgers. Bovendien verwonderde de burgemeester zich over het feit dat niemand protesteerde tegen de vele dierentuinen in heel Europa waar ook talloze dieren in kooien gevangen zaten.

Dus arriveerde op 15 november toch weer een nieuwe (ditmaal mannelijke) wolf op het Capitool, al kreeg die wel een nieuwe en iets comfortabeler kooi. Toch zou een paar jaar later onder toenemende druk een einde komen aan het gebruik. Sindsdien staat de kooi leeg (foto boven), in de schaduw van een gigantische boom, een zogenaamde phytolacca dioica, beter bekend als ombú, die door prins Baldassarre Odeschalchi in 1911 vanuit Argentinië naar Rome werd gebracht.

Tentoonstelling met 130 kerstkribben uit dertig landen tot 12 januari in Rome

22 december 2019

In Rome is de 44ste editie van de jaarlijkse internationale tentoonstelling ‘100 Presepi in Vaticano’ geopend. Er worden ruim 130 kerststallen uit een dertigtal landen getoond. Ze zijn te bekijken in de Sala Pio X in de Via della Conciliazione 5 (ingang langs de Via dell’Ospedale 1) en dit tot 12 januari 2020. De tentoonstelling is elke dag open van 10 tot 20 uur. Op kerstdag en op 31 december eindigt het bezoek om 16 uur. De toegang is gratis.

De tentoonstelling is sinds de vorige editie ondergebracht bij de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie (Pontificio Consiglio per la Promozione della Nuova Evangelizzazione). Ook paus Franciscus kwam vorige week onverwacht al een kijkje nemen bij de enorme verzameling kerststallen die voor de liefhebbers van dit soort taferelen behoorlijk indrukwekkend is.

Aan de tentoonstelling wordt deelgenomen door kribbenbouwers uit de hele wereld. Het gaat om kunstenaars, ambachtslieden en verzamelaars, maar ook scholieren en studenten werken eraan mee. De tentoonstelling wordt elk jaar vernieuwd. Iedere kerstkribbe is op zijn manier uniek en een aantal ervan zijn echte kunstwerken.

De gebruikte materialen zijn erg divers en de keuze is vaak opmerkelijk. Ze variëren van vrij klassiek werkmateriaal zoals papier-maché, zilver, porselein, glas, brons, klei, smeedijzer en hout, maar evenzeer worden gerecycleerde materialen gebruikt, schelpen van zeevruchten, koraal, knopen, potloden, kurken en er zijn zelfs kribbes gemaakt uit brood, chocolade, pasta en maïs. Je kan het eigenlijk zo gek niet bedenken of het is er wel. Sommige kerstkribben relativeren de commercialisering van het kerstfeest en dat is zelfs in Rome aardig meegenomen.

Ook de grootte en het formaat van de kribben zijn verschillend; ze variëren van kleine tot zeer grote. Naast hedendaagse reproducties van de traditionele achttiende-eeuwse Napolitaanse en Siciliaanse kribben en typische Romeinse kerststallen uit de negentiende eeuw, vinden we ook andere bouwsels met een meer eigentijdse en originele stijl, zoals constructies met ijzeren structuren.

Ten slotte zijn er ook een aantal vintage kerststallen en beeldjes, afkomstig uit musea en privécollecties. Vaak gaat het om werken die werden gemaakt door bekende kunstenaars uit de Italiaanse regio’s die het meest verbonden zijn met deze traditie, zoals Campania, Lazio, Liguria, Puglia en Sicilia.

Het idee voor deze tentoonstelling werd in 1976 gelanceerd door Manlio Menaglia die hiermee een typische traditie van Italië in de kijker wilde plaatsen. Ze vond vele jaren plaats in Sala del Bramante aan Piazza del Popolo maar verhuisde vorig jaar naar de huidige locatie.

Manlio Menaglia is inmiddels overleden maar zijn initiatief wordt voortgezet door zijn dochter Mariacarla. Hoewel ondertussen veel meer kribben worden tentoongesteld bleef de naam ‘100 Presepi’ bestaan, verwijzend naar het aantal kerststallen dat in de eerste edities werd getoond. Toen bleef de tijdelijke collectie strikt beperkt tot exact honderd stuks.

www.100presepi.it

Het barokke interieur van de Santa Francesca Romana al Palatino

21 december 2019

We maakten in een vorige bijdrage kennis met de Santa Francesca Romana al Palatino, een kerk die ontstond als de Santa Maria Nova en werd ingebouwd in de ruïnes van de Romeinse tempel van Venus en Roma. Het interieur van de Santa Franceca Romana is nogal donker, maar wanneer de volledige verlichting is ingeschakeld, zoals tijdens een huwelijksplechtigheid, is deze kerk een pareltje van de barok. Ze glinstert dan van het goud en de vele kleuren marmer. Maar matige verlichting, in het halfduister, geeft ze een eerder besloten en wat stofferige indruk. Laat dat je echter niet afschrikken om ze even te bezoeken.

De vloer van de kerk bevat nog interessante stukken cosmatenwerk, let ook op het prachtige plafond. De zijhal, in feite de vestibule van de rechter (niet gebruikte) zijingang en zo in feite de tweede kapel rechts, bevat de graven van, rechts, kardinaal Marino Bulcani (overleden in 1394) en links van Antonio da Rido (of Rio) die commandant was van de Engelenburcht en de bevelhebber van de pauselijke wacht.

Deze laatste overleed in 1475. Het monument is wellicht een laat werk van de Napolitaan Mino del Reame, die actief was in Rome van 1460 tot 1480. Deze kunstenaar beitelde onder andere ook de linker toegangsdeur van de Nostra Signora del Sacro Cuoro op Piazza Navona, waar hij signeerde met ‘opus Mini’.

Aan het einde van de rechtermuur van het middenschip, net vóór de trappen die naar het hoogaltaar leiden, hangt een marmeren plaat die de abt herdenkt die hier kort na de Tweede Wereldoorlog werd beroofd en vervolgens gewurgd met zijn priestergewaad (violenta manus exstinxit). De rovers hadden zich aangediend onder het voorwendsel dat ze een mis wilden bestellen voor de recent geëxecuteerde Mussolini.

Tussen de trappen vinden we in de confessio een marmergroep van de heilige Francesca met een engel, in 1866 uitgevoerd door Giosuè Meli (1807-1893). We bestijgen de trap rechts.

In het rechter transept,voorbij de trappen, zien we tegen de achterwand het niet zo geslaagde grafmonument van Gregorius XI (1370-1378), een werk van architect en beeldhouwer Pietro Paolo Olivieri (1551-1599). Deze laatste door de Kerk officieel erkende Franse paus, werd geboren nabij Limoges. Hij maakte een denderende carrière. Op zijn zeventiende was hij reeds kardinaal dankzij zijn in de Auvergne begraven oom paus Clemens VI.

Toen hij door een bijna voltallig Frans conclaaf op zijn veertigste tot paus werd verkozen, was hij echter nog diaken. Hij werd dan ook onmiddellijk tot priester gewijd en daarna tot bisschop. Deze zevende Franse paus was een bekwame wetenschapper die zich enorm inzette voor de Kerk, maar hij had een zwakke gezondheid en een zwak karakter. Het grafmonument is een late dankbetuiging uit 1584 van de senaat en het volk van Rome aan deze paus die in 1377 voor een beperkte tijd de stoel van Petrus van Avignon naar Rome had teruggebracht.

Dit ondanks het verzet van zowel zijn vader, van de 21 Franse kardinalen en van de Franse koning. Zelfs zijn paard weigerde hem te dragen toen hij op 13 september 1376 in het zadel steeg om Avignon te verlaten. De terugkeer naar Rome, na een afwezigheid van zeventig jaar, was een gevolg van de aanhoudende verzoeken van Catharina van Siena. De paus werd in Rome evenwel niet op gejuich ontvangen en moest zich vlug in een klooster buiten de muren van de stad verschansen, waar hij op 27 maart 1378 teleurgesteld stierf. Hij was amper 48.

Op zijn sterfbed verklaarde hij hoe wanhopig hij zich voelde als hij eraan dacht dat hij geloof had gehecht aan de ‘voorspellingen van een vrouw’ en zich had laten ompraten om terug te keren naar de Eeuwige Stad. Gregorius XI had nog maar pas zijn ogen gesloten of alle acteurs kwamen in actie om mee te werken aan de intrige die zou uitlopen in het zogenaamde Westers Schisma, de periode van 1378 tot 1417 in de kerkgeschiedenis, waarin pausen en tegenpausen elkaar tegenwerkten.

In die periode waren er voortdurend twee pausen, één in Rome en één in Avignon. Het Westers Schisma was niet gebaseerd op theologie of enige doctrine. De oorsprong van deze crisis is te zoeken in de zogenaamde Babylonische ballingschap van de pausen (1309-1377) en de gevolgen hiervan voor het machtsevenwicht van de staten.

Het woord westers duidt aan dat het een scheuring betreft binnen de Kerk van de westerse wereld (de Rooms-Katholieke Kerk). Het Concilie van Konstanz maakte een einde aan dit schisma. Paus Gregorius XI werd na zijn dood door de Romeinen wel geprezen omdat hij de ‘ballingschap’ had beëindigd.

Het reliëf op zijn tombe stelt de paus voor onder een baldakijn tijdens zijn intocht in Rome langs de Porta San Paolo waar hij wordt opgewacht door ‘Rome’, hier gepersonifieerd door de godin Minerva. Catharina van Siena gaat voor hem uit. Achter de paus zie je de stoet van kardinalen. Aan de zijkanten bevinden zich de allegorische beelden van het Geloof en de Hoop. De vier zuilen werden in 1900 vervangen door antiek marmer.

Rechts van dit grafmonument, tegen de rechter buitenmuur, achter een traliehekje en boven de aanzet tot de trap die rechts naar de crypte leidt, bevinden zich twee merkwaardige basaltstenen afkomstig van de Via Sacra, de ‘silices apostolici’, de stenen van de apostel. Volgens de overlevering vertonen ze de knieafdrukken van de apostel Petrus. De bijhorende tekst vermeldt: ‘Op deze steen zette Petrus zijn knieën toen de duivel Simon de Magiër door de lucht droeg’.

Dat verwijst naar het verhaal uit de apocriefe ‘Handelingen van Petrus’. De apostel Petrus had in Rome een geduchte concurrent in Simon de Tovenaar, een magiër die actief was aan het hof van keizer Nero. Deze Simon wordt vermeld in de Handelingen der Apostelen 8: 9-24, we lezen: ‘Reeds vroeger had hij toverkunsten verricht en het volk van Samaria in verbazing gebracht’.

Toen deze Simon van Christus’ hemelvaart hoorde, beweerde hij dat hij daar net zo goed toe in staat was. In aanwezigheid van Nero sprong hij van het dak van de toenmalige tempel van Venus en Roma, de tempel waarin later de Santa Francesca Romana gebouwd werd. Tot ieders verbijstering bleef de man inderdaad zweven.

Pas toen Petrus de hemel aanriep met de woorden: ‘Laat hem vallen Heer, breek zijn benen op drie plaatsen om die zondige hoogmoed te verijdelen’, stortte Simon te pletter bij de huidige Santi Cosma e Damiano. Niet enkel waren zijn benen gebroken, maar de man was goed en wel dood. Volgens de overlevering zou de de ‘moord’ op Simon de Tovenaar één van de doorslaggevende argumenten geweest zijn om Petrus daarna ter dood te veroordelen.

Rechts van de knieafdrukken daalt een trap naar de crypte onder de confessio, een vroeg ontwerp van Bernini. We vinden er in een glazen schrijn de resten van de heilige Francesca. Tot vóór enkele jaren was de inhoud van het schrijn slechts te zien op de negende dag van elke maand.

De glazen kist wordt eenmaal per eeuw geopend om de kleren van de dode heilige, een wit tulen gewaad en pantoffels, te vernieuwen. De heilige stierf in 1440, de eerstvolgende keer dat Francesca nieuwe kleren krijgt zal dus in 2040 zijn. Nog even geduld dus. Tegenover het schrijn zien we een zeventiende-eeuws basreliëf met een visioen van Francesca met haar engelbewaarder.

We keren terug naar de apsis, ter hoogte van het hoogaltaar. In de antieke apsisboog van de tempel van Venus en Roma bevindt zich in de concha een mozaïek, waarvan de plaatsing werd beëindigd in 1161. Tijdens de twaalfde eeuw kenmerkte de mozaïekkunst zich door een zeker eclecticisme, zoals blijkt uit de combinatie van de klassieke kleurenrijkdom met de starre Byzantijnse figuren.

Het geheel toont ons de ‘Tronende Maria met het Kind omgeven door vier heiligen, Petrus en Andreas, Johannes en Jacobus’. Opmerkelijk: voor het eerst staat het Kind op Zijn moeders knie. Ook merkwaardig is dat de oosterse troon met liervormige rugleuning van hetzelfde type is als op de negende-eeuwse fresco’s in de Santa Maria Antiqua op het Forum Romanum.

Stilistisch kan het mozaïek in de stroming worden geplaatst die begon met het mozaïek van de San Clemente uit 1130 en van de Santa Maria in Trastevere uit 1135. Met dit laatste werk vertoont het bovendien de meeste overeenkomsten, al is het mozaïek in de Santa Francesca merkelijk zwakker. Hoogstwaarschijnlijk werden deze drie apsismozaïeken in hetzelfde atelier in Campanië vervaardigd. Let ook op de mooi geschakeerde hemel. Misschien krijgt deze concha van de bezoeker te weinig aandacht vergeleken met andere apsismozaïeken. In de Santa Francesca Romana is er geen met mozaïeken versierde triomfboog.

Links en rechts van de apsis staan engelen uit de school van Bernini. In een houten tabernakel onder het apsis-mozaïek is een Lukasicoon te zien met een ‘Madonna met Kind’. Het zou door Angelo Frangipane vanuit Palestina naar Rome gebracht zijn. Onderzoek leerde dat het hoogstwaarschijnlijk een Toscaans werk uit de twaalfde eeuw is.

Tijdens de achttiende en de negentiende eeuw was dit icoon helemaal in de vergetelheid geraakt. Pas in 1949 kwam het weer te voorschijn maar als palimpsest. Pietro Tedeschi (1750-1808) had er omstreeks 1800 niets beter op gevonden dan er een ander werk overheen te schilderen.

Bij de restauratie kwam niet alleen het twaalfde-eeuwse icoon terug tevoorschijn, maar ontdekte men daaronder nogmaals een ander icoon, een Madonna met Kind. Het dateert vermoedelijk uit de zevende eeuw en is misschien wel afkomstig uit de Santa Maria Antiqua. Dit werk hangt nu in de sacristie waarvan de toegang zich uiterst links bevindt ten opzichte van het hoogaltaar.

In een boek van de bekende Duitse kerkhistorica Eva-Maria Jung-Inglessis (1920-2007) en in een publicatie van Mario Lucentini (2006) wordt het originele icoon zelfs beschouwd als vijfde-eeuws. In dat geval zou het de oudste gekende geschilderde voorstelling van Maria zijn. Het is hoe dan ook één van de oudste nog bestaande christelijke schilderijen.

Het is bovendien een uniek voorbeeld van vroegchristelijke kunst. Het is namelijk een encaustisch paneel, een techniek waarbij werd geschilderd met in hete bijenwas opgeloste kleurstoffen. De techniek heeft een veel langere traditie dan die van olieverf. Ze beleefde haar hoogdagen in de kunst van de Grieks-Romeinse oudheid. Het woord al meer dan twee en een halve millennia gebruikt en is afgeleid van het Griekse enkauston ingebrand. Let op de donkere ogen van de Madonna die ongetwijfeld veel hebben gezien en zoveel te vertellen hebben indien deze figuur tot leven zou kunnen worden gewekt.

Nog in de sacristie bevinden zich fragmenten van middeleeuwse fresco’s. Boven de deur hangt een aan Perino del Vaga (1500-1547) toegeschreven schilderij dat de Engelse humanistische geleerde Reginald Pole (1500-1558) toont in gesprek met paus Paulus III.

Pole was een neef van Hendrik VIII, zijn moeder was Margaret Pole, de laatste rechtstreekse Plantagenet. Reginald Pole onderhield nauwe contacten met humanisten zoals Hugh Latimer, Pietro Bembo, Erasmus, Thomas More en anderen. Reginald Pole werd in 1536 kardinaal, onder andere omdat hij een boek had geschreven waarin hij de huwelijkspolitiek van Hendrik VIII veroordeelde. Dat had hij beter niet gedaan, want zijn volledige familie werd door de Engelse koning uitgemoord.

Pole was het niet eens met de Engelse koning, die zich in 1533 liet scheiden van Catharina van Aragon om te kunnen huwen met Anna Boleyn. Ook deze laatste heeft niet veel plezier beleefd aan Hendrik VIII: drie jaar later werd ze onthoofd.

Santa Francesca Romana al Palatino
Piazza di Santa Francesca Romana 4, Rome
Praktische informatie

De Santa Francesca Romana al Palatino

20 december 2019

De Santa Francesca Romana al Palatino, destijds de Santa Maria N(u)ova genoemd, is gedurende enkele jaren moeilijk te bezoeken geweest, maar tegenwoordig gaat dat weer wat vlotter. De kerk is in principe elke dag open van 10 tot 12 uur en van 15 tot 17 uur. Hou er bij een bezoek echter rekening mee dat deze openingsuren soms kunnen afwijken. Tijdens de eucharistievieringen is de toegang verboden. Het officiële adres van deze kerk is Piazza di Santa Francesca Romana 4.

Oorspronkelijk stond op deze plaats een bidkapel uit de achtste eeuw die was toegewijd aan Petrus en Paulus. De kapel werd gebouwd in de ruïnes van de tempel van Venus en Roma, ooit de grootste tempel van Rome. Hierover kon je de voorbije dagen meer vernemen. Samen met deze kapel werd op het Forum Romanum, aan de voet van de Palatijn, nog een andere kerk opgericht, gewijd aan Maria.

Tijdens de negende eeuw verkeerden beide gebouwen in slechte staat. De Mariakerk werd zelfs bedreigd door de bovenliggende ruïnes op de Palatijn. Een keuze drong zich op. Men verkoos de kerk gewijd aan Petrus en Paulus te vernieuwen en uit te breiden en de Mariakerk onderaan de helling van de Palatijn te verlaten.

Zo ontstond de Santa Maria ‘Nova’, de vervallen en in onbruik geraakte kerk onder de Palatijn werd voortaan Santa Maria ‘Antiqua’ genoemd. Haar huidige naam kreeg de kerk pas in 1608 na de heiligverklaring van Francesca Buzzi dei Ponziani (1384-1440), op de heiligenkalender vermeld als Francesca Romana.

Francesca Buzzi werd in 1396, slechts twaalf jaar oud, tegen haar wil uitgehuwelijkt aan Lorenzo Ponziani. Met haar man leefde ze als een kloosterzuster in kuisheid en ze maakte van haar huis een toevluchtsoord voor armen, zieken en bejaarden. In 1421 stichtte ze bij de boog van Titus de Orde der Oblaten, een vrouwencongregatie voor ziekenverpleging.

Oblaten waren doorgaans kloosterlingen die op jeugdige leeftijd door hun ouders aan een klooster werden overgedragen. De leden legden geen gelofte af, maar wel een oblatie, een belofte van toewijding aan de overste en aan God. Tegenwoordig slaat de benaming oblaten op leken die zich met een kloosterorde associëren, met name de Benedictijnen.

Na de dood van haar echtgenoot in 1436 werd Francesca zelf lid van de congregatie. Tijdens die periode had ze verschillende visioenen. In het Tor de’ Specchi-klooster (voluit het Monastero delle Oblate di Santa Francesca Romana) in de Via del Teatro di Marcello 32 dat slechts één dag per jaar (op 9 maart) te bezoeken is en waar Francesca verbleef verscheen de duivel haar wel veertig keer, nu eens vermomd als engel, dan weer als monnik, en zelfs als Sant’ Onofrio die zijn kerk en klooster heeft op de helling van de Gianicolo.

Naar verluidt bracht de duivel als monster de toen veertigjarige vrouw in het gelaat en op haar lichaam vreselijke wonden toe. Ook wierp hij haar in gloeiende as en liet haar achter bij een rottend lijk. Toen de duivel er maar niet in slaagde haar ziel voor zich te winnen, greep hij haar bij de haren en steeg met haar op tot grote hoogte onder de bedreiging haar in de diepte te storten.

Maar ook dat baatte niet, waarop hij zich bij zijn nederlaag neerlegde en haar terug naar haar kloostercel bracht. In het klooster van Tor de’ Specchi wordt dit hele verhaal uitgebeeld door een reeks merkwaardige fresco’s van onder andere Benozzo Gozzuoli (1420-1497).

Francesca stierf op 9 maart 1440. Paus Pius XI (1922-1939) wees haar aan als schutspatrones van de automobilisten, wellicht in de overtuiging dat ook voor hen het langdurige gezelschap van hun engelbewaarder nuttig kan zijn.

Elk jaar vindt op haar feestdag 9 maart, op het plein bij het Colosseum onder luid getoeter een zegening van auto’s en andere voertuigen plaats. Santa Francesca is de beschermheilige van Rome, een patronaat dat ze moet delen met Sint-Pieter en de heiligen Paulus, Stefanus en Filippo Neri.

De bidkapel die was toegewijd aan Petrus en Paulus, het oratorium ‘Santi Petri e Pauli in via Sacra’, kwam er op initiatief van pausPaulus I (757-767) en werd ingebouwd in het westelijke deel van de Tempio di Venere e Roma. Paus Leo IV (847-855) liet het oratorium om de voormelde redenen ombouwen tot een kerk met de nieuwe naam ‘Santa Maria Nova’.

Op 23 februari 1130 werd Innocentius II, die in Trastevere geboren was, hier als paus geïnstalleerd. Belangrijk was het pontificaat van Alexander III (1159-1181) die de negende-eeuwse kerk vergrootte en een transept liet toevoegen. De apsis werd met mozaïeken versierd. Ook kreeg de kerk een prachtige campanile. Onder paus Honorius III (1216-1227) ging het gebouw deels in de vlammen op, maar dezelfde paus zorgde al snel voor de heropbouw.

In het begin van de vijftiende eeuw kende de Santa Maria Nova het hoogtepunt in haar bestaan toen niemand minder dan de kunstschilder Gentile da Fabriano (1370-1427) een aantal fresco’s aanbracht. Fabriano was één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de laatgotiek, de internationale gotiek. Hij werkte in Brescia, Firenze, Siena en Rome, waar hij in dienst was van Paus Martinus V. Naast Antonio di Puccio Pisano, beter bekend als Pisanello (1395–1455), was hij één van de belangrijkste meesters van de Italiaanse hoofse stijl.

Gentile da Fabriano was tevens de Italiaan die het dichtst bij de Vlaamse Primitieven stond. Hijj werd in deze kerk begraven, maar de juiste plaats is echter niet bekend en zijn graf werd tot op heden ook niet herontdekt. De fresco’s die hij hier schilderde kenden een enorm succes en werden door heel Rome bewonderd. Zelfs Michelangelo kwam ze regelmatig bestuderen.

Maar tijdens de zeventiende eeuw sloeg ook hier de barok toe en de fraaie fresco’s gingen onherroepelijk verloren. Een onvoorstelbaar verlies voor de kerk, maar ook voor Rome, want ook de fresco’s uit 1427 die Gentile da Fabriano in de Sint-Jan van Lateranen schilderde verdwenen om dezelfde reden.

De voorgevel van de Santa Francesca Romana dateert uit 1615 en is kenmerkend voor de Contrareformatie. Hij werd gebouwd door Carlo Lombardi (1554-1620) en het is voor zover ons bekend zijn enige werk in Rome. Het gebruik van vlakke pilasters van één enkele orde op een hoog onderstuk zorgt voor een prachtig effect. De twaalfde-eeuwse campanile of klokkentoren, versierd met majolicaschalen en porfierschijven, is één van de sierlijkste van Rome.

Het aangrenzende klooster wordt sinds 1352 bewoond wordt door de benedictijnen van Monte Oliveto. De paters staan geregeld voor hun deur te babbelen. Ze aanspreken kan problematisch zijn, want de meesten zijn stokdoof. Sommigen van hen zijn schijnbaar recht uit The Name of the Rose gestapt, de film van Jean-Jacques Annaud, die in 1986 het bioscooppubliek liet kennismaken met het beroemde gelijknamige boek van Umberto Eco.

In een gedeelte van het klooster bevindt zich het Antiquario del Foro Romano, een ouderwets museum dat slechts vanuit het Forum Romanum bereikbaar is, maar dat al vele jaren gesloten is. Sinds 2000 is het voor zover ons bekend niet meer geopend en het is zelfs onduidelijk of alle artefacten die destijds werden getoond zich nog op deze plaats bevinden of al lang werden overgebracht naar een ander museum of een opslagplaats.

Tijdens de middeleeuwen was de Santa Maria Nova een belangrijke etappeplaats tijdens de Assunta-processie. In het atrium stond dan een rustbank waarop de paus even kon bekomen, terwijl het beeld van de Salvator in dezelfde ruimte werd neergezet.

Dat de kerk en het klooster in de porticus van de oude tempel van Venus en Roma werden ingebouwd, moet ook Franz Liszt (1811-1886) gefascineerd hebben. De oude en nieuwe bestemming, de tempel en het klooster, waren voor de componist voldoende reden om er korte tijd zijn woonplaats van te maken nadat hij de lagere wijding onderging, twijfelend tussen de ‘amore sacro’ en de ‘amore profano’.

De Santa Maria Nuova was vermoedelijk al vanaf de zesde eeuw een titelkerk. Onder meer Pietro Barbo, de latere paus Paulus II, was houder van de titel, die in 1661 werd ingetrokken door paus Alexander VII. Paus Leo XIII herstelde de titel in 1887. Vandaag is de Santa Francesca Romana de titelkerk van kardinaal Angelo Sodano.

Santa Francesca Romana al Palatino
Piazza di Santa Francesca Romana 4, Rome

Praktische informatie

De tempel van Venus en Roma

19 december 2019

Zoals je gisteren kon lezen is er een nieuw restauratieproject op komst voor de tempel van Venus en Roma, te situeren vlak tegenover het Colosseum. Vrijwel naast de boog van Titus op het Forum Romanum zie je de zijmuur van het klooster dat behoort tot de Santa Francesca Romana.

Ernaast en erachter bevinden zich de ruïnes van de tempel van Venus en Roma, ooit de grootste tempel van de stad. Bijna de hele ruimte tussen de basiliek van Maxentius en de boog van Titus werd ingenomen door een trappencomplex dat leidde tot het podium van de tempel van Venus en Roma.

Enkel het deel van de trappen tussen de boog van Titus en de zijmuur van de Santa Francesca Romana is vandaag nog zichtbaar. De tempel bestond uit twee ruggelings tegen mekaar geplaatste cellae. De eerste met de gevel in de richting van het Forum Romanum en het Capitool, was toegewijd aan de godin Roma Aeterna die de vergoddelijking was van de Eeuwige Stad.

De Romeinen volgden reeds vanaf de tweede eeuw v. Chr. de Griekse gewoonte om hun stad een goddelijke status te geven. De tweede cella met de gevel gericht naar het Colosseum, was toegewijd aan Venus, de mythische stammoeder van de stad, van het Romeinse Rijk, van alle Romeinen en van de Caesars in het bijzonder.

Venus, etymologisch aan de basis van het Nederlandse ‘wens’, is nu vooral bekend als de godin van de liefde en de schoonheid. Oorspronkelijk was ze een puur Romeinse godheid, maar al snel smolt ze samen met de Etruskische Turan en later met de Griekse Aphrodite.

De Romeinen beschouwden haar als de moeder van Aeneas zodat ze niet alleen vereerd werd door pooiers en prostituees als godin van het verlangen (wens), maar ook als Genetrix, de heilige verwekster van de Staat.

Als zoon van de sterveling Anchises en de godin Venus, wordt Aeneas door Homerus in de Ilias vermeld als de Trojaanse krijger die enkel door Hector overtroffen werd. Vanaf 525 v. Chr. werd Aeneas ook een bekende figuur in Italië en verscheen hij op Griekse kunstwerken bestemd voor de Etruskische markt.

De traditie dat Aeneas de stichter was, niet van de stad Rome maar van het Romeinse volk (de samenvoeging der Trojanen met de oorspronkelijke bewoners van Latium) had zich dus al diep ingeworteld toen Vergilius het op vraag van keizer Augustus in dichtvorm beschreef.

Venus, godin van de liefde, staat dus voor AMOR, zodat de ruggelingse schikking van de twee cellae Venus en Roma kan gezien worden als AMOR-ROMA. Dit palindroom moeten de Romeinen zeker al vroeg ingezien hebben, maar afgezien van een paar Pompejaanse inscripties is de vermelding in de antieke Latijnse literaire bronnen onbestaande.

Wel lezen we bij de schrijver-politicius Sidonius Apollinaris (430-489) de volgende indrukwekkende palindroom of spiegelzin: ‘Roma tibi subito motibus ibit amor’. Wat zoveel betekent als ‘Rome, voor jou zal liefde plots en vol passie komen’ of ook ‘voor jou zal Rome, plots door hartstocht Amor worden’.

Het is dus een bredere formulering van het aloude Amor-Roma. Ook het Nederlands kent enkele palindromen of keerwoorden zoals: nemen, netten, parterretrap, … Er bestaan ook palindroomdata, zoals 21 februari 2012 zijnde 21022012, de eerstvolgende is 2 februari 2020, zijnde 02022020.

Maar we keren even terug naar de Tempel van Venus en Roma. Die werd gebouwd in opdracht van keizer Hadrianus (117-138), voltooid door keizer Antoninus Pius (138-161) en later herbouwd door keizer Maxentius (306-312).

Omdat Hadrianus, die zelf de plannen tekende, niet bij machte of, waarschijnlijker, niet van plan was om een nieuw forum aan te leggen zoals verscheidene van zijn voorgangers, kreeg deze tempel de functie van uithangbord van de essentiële waarden van zijn keizerschap.

Het grondplan was zeer ongewoon, omdat het complex een verbindende schakel moest vormen tussen het oostelijk verlengde gedeelte van het Forum Romanum en het Colosseum dat tussen 72 en 80 na Chr. gebouwd werd.

De plaats, waar de afgevlakte Veliaheuvel lag, werd deels bezet door het atrium van het Domus Aurea dat keizer Nero hier liet bouwen en in dat atrium stond ook het enorme 35 m hoge beeld, de ‘Colossus’, dat Nero voorstelde en die het Flavische Amphitheater aan zijn veel beter bekende naam ‘Colosseum’ heeft geholpen.

Hadrianus had naar verluidt 28 olifanten nodig om het enorme bronzen beeld te verplaatsen voordat hij met de bouw van de tempel kon beginnen. Merk op hoe het complex de eerder gebouwde boog van Titus raakte, de inplanting van de hoekzuil is nog deels zichtbaar.

Het tempelcomplex van Venus en Roma moet destijds zonder meer indrukwekkend geweest zijn. Het was een open ruimte van 110 m bij 53 m en centraal verhief zich op een stylobaat (de bovenste trede, die tevens de vloer van de tempel vormde) met een rondom lopende trap in Griekse stijl, de dubbeltempel als een Korinthische ‘peripteros’ met tien marmeren zuilen van ongveer 1,8 m dikte aan de korte en twintig aan de lange zijden.

Ten noorden en ten zuiden van de centrale dubbeltempel lag een dubbele porticus met in het midden een propylaeum of voorportaal met zuilen van grijs graniet. Van die buitenste porticus werden in 1935 aan beide lange zijden enkele zuilen heropgericht. Architecturaal bouwde Hadrianus zo de enige ‘Griekse tempel’ van de stad, maar laat ons niet vergeten dat hij met het Pantheon ook de meest Romeinse herbouwde.

De tempel van Venus en Roma had geen uitgesproken achterzijde, wel lag het trappencomplex dat toegang gaf tot het grote podium aan de kant van het Forum Romanum, aan de kant van het Colosseum waren er op de hoeken twee kleine trappen.

De beide cellae waren met grote gemetselde halve tongewelven overdekt en waren in tegengestelde richtingen gekeerd met belendende oorspronkelijk rechte achterwanden. De blokken peperino waren overdekt met marmer. In elke cella stond tegen de gemeenschappelijke achterwand een enorm beeld, één van Roma, gezeten op een troon en één van Venus, eveneens gezeten.

Het gebouw zelf was opgetrokken uit baksteen en was geheel bedekt met wit marmer. In de tempel bij de cella van Venus bevond zich nog een altaar waar nieuw getrouwde paren offers konden brengen. Dit altaar werd geflankeerd door grote zilveren beelden van Marcus Aurelius en Faustina. De kolossale beeltenissen van Venus en Roma die zich in de cella bevonden, stonden echter in geen enkele verhouding tot de afmetingen van de tempel. Dit gaf aanleiding tot veel kritiek.

Toen de beroemde architect Appollodorus van Damascus erop wees dat de in de nissen gezeten figuren te groot waren (rechtop hadden ze hun hoofd gestoten zei hij) beging hij volgens Cassius Dio een fatale fout. Keizer Hadrianus was erg boos dat er kritiek kwam op zijn eigen ontwerp en liet Appolodorus in 130 verbannen. De architect zou later op valse beschuldigingen ter dood zijn veroordeeld en terechtgesteld. Nochtans was Appolodorus een zeer verdienstelijke architect die voor keizer Trajanus diens Forum en de Markten had ontworpen.

Na de brand in 307 (niet deze van 283) waarbij het dak en de cellae van de oorspronkelijke tempel verloren gingen, werd het tempelcomplex heropgebouwd door Maxentius (308-312). Daarbij werden beide cellae opgetrokken in baksteen en werd de vlakke scheidingswand vervangen door twee tegengestelde apsissen waarin de beelden van Venus en Roma werden geplaatst.

Tevens werd een tongewelf met stucco-caissons gebouwd, identiek aan deze van de naburige basilica van Maxentius. De zijmuren hadden nissen tussen de porfieren zuilen. De ingreep van Maxentius beperkte zich dus tot de centrale tempel, de omliggende porticus van Hadrianus bleef ongewijzigd.

De tempel bleef praktisch ongeschonden tot 625. Het dak met zijn bronzen pannen werd in dat jaar door Honorius I (625-638, de paus die de Curia op het Forum Romanum redde) afgebroken en gebruikt voor de Sint-Pietersbasiliek. Paus Paulus I (757-767) installeerde in het westelijke deel van de tempel het oratorium Santi Petri e Pauli in de Via Sacra.

Toen de Santa Maria Antiqua, die net onder de helling van de Palatijn lag, bedreigd werd door de bovenliggende ruïnes van het keizerlijk paleis, besloot paus Leo IV (847-855) deze kerk te sluiten en het oratorium in de tempel van Venus en Roma uit te bouwen tot een volwaardige kerk, de Santa Maria Nova, de huidige Santa Francesca Romana.

Andere bronnen situeren de verbouwing van het oratorium in het midden van de tiende eeuw. Feit is dat een zware aardbeving in het begin van de negende eeuw het tempelcomplex, en bij uitbreiding het hele Forum Romanum, hard heeft getroffen. Het was één van de zwaarste aardbevingen die Rome tot dusver heeft meegemaakt

Tijdens de daaropvolgende eeuwen werd de tempel van Venus en Roma geleidelijk afgebroken, waarbij grote delen van het ooit zo prachtige complex werden weggehaald om te gebruiken in andere gebouwen of simpelweg in de kalkovens verdwenen.

In de nabijheid van de boog van Titus werd zelfs een kalkoven teruggevonden met errond overblijfselen van de tempel. Zelfs in 1823, na de brand van de basiliek van Sint-Paulus buiten de Muren, werden nog altijd zuilen uit de tempel van Venus en Roma verzaagd en weggehaald om herbruikt te worden voor de nieuwe kerk. Zo werd de bouwkunst van de Romeinse oudheid steeds weer gerecupereerd en gewijzigd als dankbaar bouwmateriaal voor andere creaties.

Fendi financiert restauratie Tempel van Venus en Roma

18 december 2019

Het Italiaanse modehuis Fendi schenkt 2,5 miljoen euro om de Tempel van Venus en Roma op het Forum Romanum te restaureren. In de oudheid was dit niet alleen het rijkste en meest indrukwekkende tempelcomplex van Rome, maar ook het grootste. De tempel was opgedragen aan de godinnen Venus Felix (Venus de brenger van geluk) en Roma Aeterna (Eeuwig Rome). De bouw begon in 121 onder keizer Hadrianus en werd voltooid in 141 door Antoninus Pius.

Het is niet de eerste keer dat Fendi de herstelling van een monument of fontein sponsort, de jongste jaren gebeurt dat zelfs in toenemende mate. Fendi bekostigde vier jaar geleden ook de restauratie van de Trevifontein (prijskaartje: 2,5 miljoen euro) en kondigde onlangs aan nog eens 280.000 euro uit te trekken voor het opknappen en reinigen van vier andere fonteinen. Ook andere Italiaanse modemerken schenken steeds vaker geld uit om een historische site of gebouw te restaureren.

Zo zal Gucci 1,6 miljoen euro verstrekken voor de restauratie van de Tarpeïsche rots, een tweejarig project dat in 2021 moet worden voltooid. Je zal over dit restauratieproject binnenkort nog  een uitgebreid stukje kunnen lezen. Schoenenbedrijf Tod’s gaf enkele jaren geleden zelfs 25 miljoen euro voor de restauratie van het Colosseum.

Luxe-juwelier Bulgari doneerde 1,5 miljoen euro om de Spaanse Trappen te renoveren en kondigde een tijdje geleden plannen aan om de Area Sacra op de Largo di Torre Argentina aan te pakken en toegankelijk te maken. Bulgari trekt daar 500.000 euro voor uit.

De vorige restauratie van de tempel van Venus en Roma eindigde tien jaar geleden. Er zijn echter nieuwe onderhoudswerken nodig om het tempelcomplex van verder verval te vrijwaren.