De grafsteen van Licinia Secunda

Avonturen met opschriften – VII

Enkele maanden geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de zevende bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel VII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen .

In de vorige aflevering verwijlde uw gids door de wondere wereld der opschriften in het onherbergzame Noorden. De weg terug naar Rome is lang en voert door vele streken.

Pas na Lugdunum en Vienna verandert het landschap in de richting van het mediterrane zoals wij dat in Rome gewoon zijn. De olijfbomen verschijnen, de velden worden omzoomd met cipressen, pijnbomen doemen op en breiden hun schaduw uit over de grond: we komen in bekend gebied.

En daar ligt Arelate aan de Rhône, dat latere generaties Arles zijn gaan noemen. Uw gids veroorlooft het zich nogmaals om een opschrift buiten de Eeuwige Stad te presenteren, voordat hij zich opnieuw in het eeuwige gewoel van Rome stort voor andere afleveringen.

Uw gids verwijlde enkele dagen in Arelate. Hij klom over amfitheater en theater, wrong zich door de Thermen, was verbluft door de cryptoporticus die het lokale Forum ondersteunde en bezocht het uitstekende Musée départemental Arles antique. Uiteindelijk dwaalde hij langs de oude Via Aurelia die vanuit Italië naar Arles liep en die – zoals te doen gebruikelijk – omzoomd was door grafmonumenten.

Tot daar niets bijzonders, maar dit stuk van de Via Aurelia is ook in latere eeuwen in gebruik gebleven als begraafplaats, en ook menige kerk verrees op deze plaats in de middeleeuwen. Het terrein stond bekend onder de naam Elyseïsche velden oftewel Alyscamps.

Beeld u in: een weg in een flauwe bocht met daarlangs cipressen en ander geboomte en tegelijk letterlijk omzoomd door één ononderbroken rij sarcofagen van grijze steen, soms zelfs twee rijen.

Sommige hiervan zijn tot aan het deksel ingegraven in de bodem, andere lijken los te staan. De meeste zijn wat grof, met dikke wand, zonder opschrift of versiering. Vaak zit er een goed zichtbaar gat in, waar grafrovers hebben toegeslagen.

De versierde exemplaren die eens hier stonden, zijn al eeuwen geleden verwijderd. Sommige vindt u in de Saint-Trophime, de hoofdkerk van Arles, andere in bovengenoemd museum dat na het Museo Pio Cristiano in de Vaticaanse Musea de rijkste collectie vroegchristelijke sarcofagen claimt.

Uw gids dwaalde verder en verder (daar is hij heel goed in, eerlijk gezegd) tot hij aan het einde van het terrein kwam bij de kerk van Saint-Honorat, een romaanse bouw, waarbij de Michelingids expliciet opmerkt dat de bezoeker voorzichtig moet zijn bij het betreden omdat het geheel in slechte staat verkeert.

In gewone taal zou dat betekenen dat het ding op instorten staat. Uw gids laat zich (uiteraard) niet door dit soort bangmakerijen weerhouden en drong dus binnen in het binnenste van de kerk. De deur stond wijd open, een eventuele instorting leek nog niet meteen voor vandaag of morgen.

En daar zag hij haar. Licinia. Althans, laten we vooral correct zijn: hij zag haar grafsteen die naar binnen gesleept was en op zijn kant gelegd. Een vreemde gewaarwording: een duidelijk niet-christelijke grafsteen in een christelijke kerk, maar uw gids vergat daarbij stil te staan. Hij zag (en las) het opschrift en was vreemd ontroerd (CIL, XII, nr. 845; EDCS-08401465):

LICINIA
SEX F
SECVNDA

Het zal de trouwe lezer van deze reeks niet moeilijk vallen om de tekst aan te vullen of te vertalen:

Licinia / Sex(ti) f(ilia) / Secunda

‘Licinia Secunda, dochter van Sextus’

Moeilijk is dit niet. Het is eigenlijk zowat het gemakkelijkste opschrift dat in deze reeks zal (kunnen) voorkomen. Alleen de naam, meer niet. Dit rest er van een mensenleven. Maar uw gids was vreemd aangedaan (hij heeft van die momenten): wie was Licinia en wat kunnen we van haar weten?

Het ergste was geschied. De filoloog in uw gids was ontwaakt. En eenmaal dat een filoloog wakker wordt, is er geen houden meer aan en blijkt hij zelfs erger dan tien archeologen samen…

Punt één: de steen. Nagenoeg vierkant, met een rand die als kader dient. Midden op het zo gevormde veld bevindt zich een schriftveld met twee zwaluwstaartvormige wiggen aan de korte zijkanten. Dat laatste is hier niets bijzonders: heel Arles staat er vol mee. In Rome zie je dat beduidend minder vaak. Geen andere versiering dan de lijnen van de verschillende velden.

De letters zijn mooie klassieke kapitalen met schreef en al, van goede kwaliteit. Dat is een belangrijk punt. Anders dan de meeste filologen heeft uw gids ook een klein hartje voor archeologie en let hij sterk op de materiële verschijningsvorm van het object dat de tekst bevat. U ziet het, uw gids kan het mooi zeggen…

De kwaliteit van de schrifttekens is een belangrijk punt, maar wat het precies wil zeggen is nog niet duidelijk. Het beschrijven van het object is één ding, het interpreteren is een ander. Daarbij kunnen in principe alle gesignaleerde elementen een rol spelen om tot een resultaat te komen, maar niet altijd speelt elk element afzonderlijk ook inderdaad een rol. Wat iets wil zeggen blijkt pas in de combinatie met andere elementen.

Punt twee: wat er niet staat. Dit is een lastige, want er staat per definitie heel veel niet en in verhouding maar heel weinig wél. Het gaat er natuurlijk om te zien wat er had kunnen staan, maar er dus niet staat. Vele grafschriften beginnen met de letters D M = Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’.

Dat staat er niet op de steen voor Licinia. Omdat het plaatsen van deze afkorting pas echt in voege is vanaf de Flavische periode (dus vanaf ruwweg 70 na Chr.), kan dat betekenen dat het opschrift ouder is. Dat laatste is in ieder geval compatibel met de fraaie uitvoering van de letters. Het gebeurt zelden, maar hier zijn dus twee elementen die elkaar ondersteunen…

Punt drie: wat er wél staat. Dit lijkt zo voor de hand te liggen dat het overbodig lijkt. En toch. Wat staat er nu eigenlijk? We krijgen in één formule (zoals normaal) de twee namen die Licinia droeg alsmede de aanduiding van haar vader. Deze structuur komt tienduizenden keren voor en is als zodanig niets bijzonders.

Hieruit volgt in eerste instantie dat zij voluit Licinia Secunda heette en dat haar vader in ieder geval Sextus Licinius heette. Dit betekent ook dat Licinia zelf vrijgeboren was (anders had hier eerder de naam van haar voormalige eigenaar of (om het sympathieker te zeggen) patronus gestaan met de afkorting L voor liberta ‘vrijgelatene’.

Meisjes kregen d’office de naam van de familie of gens en hadden geen voornaam. Om de verschillende dochters uit elkaar te houden verschijnen er in de klassieke periode ook cognomina of bijnamen. In dit geval is dat Secunda. Letterlijk vertaald betekent dat ‘de tweede’. Erg prozaïsch, maar zo is het Romeinse namensysteem nu eenmaal.

Als we Secunda in deze letterlijke betekenis mogen nemen, kan dat betekenen dat onze Licinia de tweede dochter van Sextus Licinius was, maar zeker is dat niet. Bovendien kan secundus ook ‘voorspoed brengend’ betekenen. Deze conclusie is dus enkel een voorzichtige hypothese.

Bij de naam van haar vader ontbreekt het cognomen. Dat is in deze context normaal. Uiteindelijk wordt alleen de voornaam vermeld om de filiatie van Licinia Secunda aan te geven.

De naam van de gens is te reconstrueren uit het feit dat meisjes deze familienaam als hun eigenlijke naam dragen. Voor het cognomen van de vader is geen plaats in deze formule. Dat is vervelend, want hierdoor is het nagenoeg onmogelijk deze persoon precies te identificeren.

Romeinse voornamen zijn notoir beperkt, zodat men snel in herhaling valt. Bovendien wemelt het van de Licinii. Zeker in Gallia Narbonensis komt dit nomen gentilicium heel veel voor: we kennen op dit moment 46 opschriften met de vorm ‘Licinius’, 60 met de vorm ‘Licinia’, 26 met de vorm ‘Licinio’, 22 met ‘Liciniae’, 3 met ‘Licinii’ (geteld naar het aantal hits in de Epigraphik-Datenbank Clauss-Slaby).

Een Licinius Crassus hoorde tot de grondleggers van de colonia Narbonne, terwijl ook Publius Licinius Crassus Diues (consul in 97 v.Chr., † 87 v.Chr., de vader van de latere triumvir Crassus uit het eerste driemanschap) Narbonne financieel ondersteunde. Het is heel goed mogelijk dat een van deze stad-Romeinse Licinii een lid van de inheemse elite het Romeinse burgerrecht verleend heeft en daarbij zijn eigen nomen gentilicium.

Zo vermeldt een opschrift uit Beaucaire (Ugernum in de Romeinse periode), net aan de overkant van de Rhône, een Sextus Licinius Irenaeus (CIL, XII, 2830, EDCS-09201289), terwijl in Nîmes een steen gevonden is voor een Sextus Licinius Helicon (L’Année épigraphique (1987), nr. 752, EDCS-07400560). Het is eerder onwaarschijnlijk dat onze Sextus Licinius met een van deze twee te identificeren is. Uit Arles is er verder geen opschrift bekend dat onze Sextus Licinius zou kunnen bevatten.

Wel kennen we uit Arles een Publius Licinius (L’Année épigraphique (2008), nr. 832; EDCS-48500028), een vrijgelatene die voor zijn gelijknamige patronus een grafsteen oprichtte (met Dis Manibus, dus jonger dan het Licinia-opschrift). Uit Nîmes zijn tien inscripties voor een Licinius bekend: zoals al gezegd, komt deze familienaam vrij veel voor in Gallia Narbonensis.

Het ontbreken van het cognomen betekent ook dat wij moeilijk kunnen gissen naar het maatschappelijk statuut van de betrokkene: vrijgelatenen behielden vaak hun oorspronkelijke naam als cognomen. Omdat deze naam meestal niet van Latijnse origine is (maar Grieks of Keltisch of wat dan ook), valt deze wat uit de boot in vergelijking met de keurig Latijnse voornaam en nomen gentilicium die afkomstig zijn van de patronus.

In dit laatste zit misschien wel een aanwijzing. Dit is uiteindelijk een taalkwestie en daar zijn we in dit land bijzonder goed in… De naam van Licinia is zuiver Latijns en dus Romeins: geen Keltisch in dit door Gallische Salluvii bewoonde gebied, geen Grieks, puur Latijns en Romeins. Nu was Gallia Narbonensis al vanaf iets voor 120 v. Chr. Romeins gebied, maar het duurt altijd enige tijd voordat namen in de inheemse talen helemaal wijken voor Latijnse.

Tijd voor een voorlopige conclusie! Wat weten we zeker? Licinia Secunda was een dochter van Sextus Licinius. Zij was vrijgeborene en draagt een volledig Latijnse naam. Waarschijnlijk dateert het opschrift van vóór 70 na Chr. Haar vader heette Sextus Licinius, maar zijn cognomen blijft onbekend, zodat het niet mogelijk is bijkomende conclusies of identificaties te maken. Mogelijk was onze Licinia Sextus’ tweede dochter, maar dat is niet zeker.

Als de datum ‘vóór 70’ klopt, moet de familie vrij vroeg sterk geromaniseerd zijn geweest: dat blijkt onder meer uit het volledig Latijnse karakter van de naam dat uw gids al enkele keren sterk benadrukt heeft. In Gallia Narbonensis is dat zeker mogelijk.

Het is niet nodig daarvoor een immigratie uit Italië te vermoeden. Het zuiver Latijnse karakter van de naam kan eventueel wijzen naar de bovenlaag van de maatschappij, wat eventueel ondersteund kan worden door de uitvoering van de schrifttekens. Hiermee zijn we overigens wel conclusies aan het trekken uit eerdere conclusies en interpretaties en dat is enigszins riskant…

Punt vier: wat er niet staat. Dat hebben we al gehad, maar hier moeten we nog een keer doorheen. Veel grafschriften uit de Romeinse wereld bevatten de naam van degene die het monument heeft opgericht. In Epigraphia (Opschriftenland) wemelt het van de allerzoetste moeders, onvergelijkelijke zonen, allervroomste dochters en liefste echtgenoten die allemaal het beste verdiend hebben.

Wat dat betreft, komt Licinia er maar bekaaid van af. Zij is niets adjectiefs, zij is enkel Licinia Secunda, dochter van haar vader. Wat dat betreft, doet dit opschrift sterk denken aan dat voor Caecilia Metella aan de Via Appia (foto boven en onder) dat in een vorige aflevering aan bod is gekomen. Dit kan andermaal een argument zijn voor een vroege datering van het opschrift voor Licinia.

In vergelijking met het opschrift voor Caecilia Metella is er nog iets wat er niet staat: er ontbreekt in dit opschrift elke allusie op een huwelijk. Nu hoorde onze Sextus Licinius weliswaar niet tot de stad-Romeinse elite die huwelijken uit politieke motieven sloot en waarvoor de vermelding een rol kon spelen in het ingewikkelde labyrint dat politiek heet, maar op stedelijk niveau herhaalde dat spel zich ook.

Met excuses aan onze lezeressen, maar in de klassieke oudheid speelden vrouwen met name een rol als ‘dochter van’, ‘vrouw van’ en als ‘moeder van’. Van de twee laatste is bij Licinia geen spoor.

Een mogelijke verklaring hiervoor (maar hier belanden we opnieuw in de wereld van de hypothese) kan liggen in het feit dat ze niet gehuwd was. En als ze niet gehuwd was, kan dat zijn omdat ze jong gestorven is en dus niet de kans heeft gehad om gehuwd te zijn.

In hoeverre dit hypothetische feit dan weer weerspiegeld wordt in de sarcofaag en de kwaliteit van de uitvoering van het opschrift, is uiteraard stof voor verdere speculatie, maar uw gids draait hier om. Hij is aan het eind van de Alyscamps gekomen en heeft zin in koffie. De Alyscamps is een necropolis op enkele honderden meters afstand van het centrum van Arles.

Dat brengt ons terug bij de vraag: Wie was Licinia? Licinia Secunda was de (tweede?) dochter van Sextus Licinius (cognomen onbekend). Zij leefde vermoedelijk vóór 70, mogelijk zelfs nog in de eerste eeuw v. Chr. en hoorde tot een echt geromaniseerde familie, zoals blijkt uit haar volledig Latijnse naam.

Omdat het nomen gentilicium Licinius vrij vaak in Gallia Narbonensis voorkomt, zij het niet specifiek in Arles, hoorde ze misschien (gelet op de technische uitvoering van het opschrift) tot de oude bovenlaag. Het is evenwel niet zeker dat haar familie uit Arles zelf afkomstig was.

Het is niet onmogelijk dat Licinia Secunda op jonge leeftijd gestorven is en daarom ongehuwd was. Meer kunnen we waarschijnlijk niet zeggen. Wel kunnen we de pijn vermoeden die haar overlijden haar nabestaanden bezorgd heeft. Pijn die in het uiterst sobere, maar zeer verzorgde opschrift nazindert.

Uw gids kan verder alleen maar hopen dat hij er niet te ver naast zit…

Maar hoe dan ook: Vaarwel, Licinia!
Of in de taal die ze zelf sprak: Vale, Licinia, sit tibi terra leuis!

Eén reactie to “De grafsteen van Licinia Secunda”

  1. Marion van Tichelen Says:

    Super geschreven! Zelfs voor een leek zo boeiend weergegeven dat ik me hier ook wat meer in ga verdiepen . Dank je.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.