Archive for januari, 2020

Italiaanse regering roept noodtoestand uit

31 januari 2020

De Italiaanse regering heeft voor zes maanden de noodtoestand uitgeroepen vanwege het nieuwe coronavirus. Dat klinkt erger dan het is. Door het uitroepen van de noodtoestand komt echter geld vrij voor het nemen van maatregelen en krijgen de regionale autoriteiten meer bevoegdheden om in te grijpen.  De regering nam de maatregel vandaag nadat bij twee Chinese toeristen in Rome besmetting met het virus was vastgesteld.

Italië kondigt regelmatig de noodtoestand af, maar meestal is dat na aardbevingen, storm of overstromingen zoals recent in Venetië. Daardoor treedt een versnelde procedure in werking om financiële middelen vrij te maken.

De autoriteiten gaan inmiddels de gangen na van twee Chinese toeristen om eventuele voorzorgsmaatregelen te nemen. De man en de vrouw van 67 en 66 jaar kwamen op 23 januari met een vlucht uit Wuhan aan in Milaan Malpensa. Via Parma reisden ze per bus naar Rome waar ze logeerden in het Grand Hotel Palatino aan de Via Cavour.

Het Chinese koppel ligt nu uit voorzorg in het ziekenhuis. De overige leden van de groep waarmee ze reisden staan onder observatie. Het hotel blijft gewoon open, al is de kamer waar de Chinezen verbleven momenteel nog verzegeld. Het luchtverkeer van en naar China vanuit Rome is voorlopig stopgezet.

De Chiesa del Santo Volto di Gesù en de Santa Passera-kerk

30 januari 2020

Niet alle bezoekers beseffen het, maar in Rome zijn best wel wat voorbeelden van moderne architectuur te vinden, al moet je die in de meeste gevallen wel buiten het historische centrum gaan zoeken. Ook religieuze architectuur hoort daarbij, zoals de bekende kerk Dio Padre Misericordioso van architect Richard Meier en de minder bekende Chiesa di San Francesco di Sales van Lucrezio Carbonara.

In hetzelfde rijtje hoort ook de Chiesa del Santo Volto di Gesù thuis. Voor wie graag eens wat anders ontdekt buiten het historische centrum, is deze moderne kerk aan Via della Magliana 162 de omweg zeker waard.

De meeste toeristen in Rome gaan niet op zoek naar moderne architectuur. Toch komen ze er vaak mee in aanraking. Wie in het historische centrum de Ara Pacis bezoekt, wandelt rond in een nieuwbouw van Richard Meier die als een schil rondom het monument uit de oudheid is gelegd.

In het noorden van de stad vind je het MAXXI, een museum gebouwd door Zaha Hadid, maar daar vlakbij ook de Ponte della Musica (Buro Happold en Kit Powell-Williams Architects) en het Auditorium Parco della Musica (Renzo Piano). Aan Via Nizza in het noordoosten van Rome tref je het Museo Macro (Odile Decq) aan.

Als een reusachtige toegangspoort tot de Garbatellawijk strekt de Ponte Settimia Spizzichino zich prominent over de spoorlijn Roma-Lido en metrolijn B uit. De enorme boogbrug die deel uitmaakt van de Circonvallazione Ostiense is een ontwerp van Francesco Del Tosto.

Ook het vrij recente Stazione Tiburtina (Paolo Desideri) en het congrescentrum La Nuvola (Massimiliano Fuksas) zijn mooie voorbeelden van moderne architectuur. De werkzaamheden aan de Città dello Sport van Santiago Calatrava zijn helaas stilgevallen en aan de Mercati Generali (Rem Koolhaas) wordt nog altijd voortgewerkt.

De site met de kerk Chiesa del Santo Volto di Gesù, het plein en het parochiehuis werd tussen 2003 en 2006 gebouwd door de architecten Piero Sartogo en Nathalie Grenon. Op 18 maart 2006 werd het hele complex ingehuldigd.

Wat direct opvalt, is de halve koepel boven het kerkgebouw met het grote glasraam dat uitgeeft op een V-vormig kerkplein. De vorm van dit plein met zijn twee zijarmen, de kerk en de parochiegebouwen, lijkt de gelovigen te willen omarmen en leidt de blik naar het kruis op het snijpunt ervan.

De architecten hadden van bij het ontwerp van de site de bedoeling een spirituele ruimte te creëren rijk aan symboliek. Zo refereren bijvoorbeeld de cirkel en de bolvorm aan het mysterie van God en van de kosmos.

De cirkelvorm van de koepel komt terug in de binnenruimte van de kerk die de vorm heeft van een arena, die uitkijkt op het glasraam. Het grote ronde glasraam lijkt een diafragma en verlicht de hele ruimte. De glaspartij snijdt de virtuele koepel in twee delen, de zichtbare helft boven de kerk en de virtuele helft buiten de kerk die een apsis suggereert.

Van bij het begin van het ontwerp hebben de architecten kunstenaars betrokken bij de inrichting van de gebouwen. Zo is de kruisgang in terracotta het werk van Domenico ‘Mimmo’ Paladino. Kunstwerken van zijn hand bevinden zich wereldwijd in belangrijke musea.

Tegenover de kerk liggen de parochiegebouwen. Ook deze worden gekenmerkt door de aanwezigheid van kunst, felle kleuren en cirkelvormen. Bijzonder fraai zijn de weekkapel en de biechtkamertjes in fel blauw. Ook hier springt weer de bolvorm in het oog.

Nu je toch in deze buurt aan het wandelen bent: een beetje verderop aan de Via della Magliana, op de kruising met de Vicolo di Santa Passera, bevindt zich het kerkje gewijd aan Santa Passera, ‘de heilige die niet bestaat’. De naam zou een verbastering zijn van Abbàs Cyrus tot Abbaciro, Appaciro, Appàcero, Pàcero, Pàcera en zo uiteindelijk tot Passera.

Hier zou immers het lichaam van de martelaar Cyrus begraven zijn, samen met zijn leerling Johannes, die onder keizer Diocletianus gekruisigd en onthoofd werden in Egypte. Na veel wederwaardigheden kwamen de resten uiteindelijk hier aan de Via Portuensis terecht.

De kerk diende destijds een kleine gemeenschap van arbeiders die in de tufsteengroeven van de nabijgelegen heuvels werkten. De huidige kerk maakt deel uit van de parochie van Santo Volto di Gesù, maar is tegenwoordig meestal gesloten, al zou je ze na telefonische afspraak (06 550 1063) nog kunnen bezoeken.

Ook al raak je niet binnen, loop eens rond de kerk: de achterzijde ziet er zelfs nog charmanter uit dan de voorzijde. Hier liggen aan de buitenzijde van de kerk ook enkele grote marmeren blokken met uitgebeitelde figuren. Het zijn resten uit het Romeinse mausoleum of hypogeum uit de derde eeuw waarop de kerk is gebouwd.

De oorspronkelijke kerk werd gebouwd in de achtste of de negende eeuw bovenop een grafruimte uit de oudheid. Vandaag is het een gebouw met drie niveaus, namelijk de huidige kerk, de onderliggende crypte uit de middeleeuwen en een nog lager niveau, namelijk de omgeving van het oude Romeinse gedeelte uit de derde eeuw dat een bovenbouw moet hebben gehad.

Bijna alles in deze kerk, ook in het huidige gedeelte, doet denken aan de oudheid. Romeinse marmeren zuilen werden hergebruikt als lessenaar voor het missaal. Het altaar rust op een granieten kolom.

Op het niveau van de middeleeuwse crypte werd bouwmateriaal van travertijn en kalksteen gebruikt dat vermoedelijk uit het oudste gedeelte voortkomt. Er is ook een paneel in Cipollino-marmer teruggevonden. Dat dure bouwmateriaal doet vermoeden dat het oorspronkelijke Romeinse gebouw belangrijk was. Wetenschappers raken het niet eens over wat het precies is geweest: een zeer dure graftombe of een kleine tempel.

In Rome zijn overigens wel meer kerken op deze manier opgetrokken, waarbij zich onder het huidige gebouw een middeleeuws gedeelte bevindt en daar nog eens onder een plek die in de oudheid werd gebruikt voor godsdienstige rituelen. De bekendste is waarschijnlijk de San Clemente, waar zich helemaal onderaan de resten van een Mithrasheiligdom bevinden.

Een dubbele trap met symmetrische trappen leidt naar een pittoresk vierhoekig terras dat uitkomt voor de bakstenen gevel. De zeer eenvoudige interne hal van het gebouw heeft een plafond met houten balken en is rechthoekig van vorm en een eenvoudige apsisboog.

In het verleden was de Santa Passera rijk aan fresco’s, niet alleen in de bovenste kerk, maar ook in de onderste en in het hypogeum. De fresco’s in de apsis zijn in de dertiende eeuw geschilderd door verschillende kunstenaars.

De jongste jaren is de verwaarlozing aan de kerk merkbaar en dat straalt ook af op de fresco’s. Ze bevinden zich in diverse stadia van ontbinding. Sommige figuren zijn nog behoorlijk mooi zichtbaar, andere afbeeldingen staan op het punt te verdwijnen.

Archeologen hebben het moeilijk gehad met de datering van het tweede middeleeuwse niveau, de huidige crypte. Als stichtingsdatum wordt vaak de vijfde eeuw aangehaald, maar dit lijkt veel te vroeg.

Als het verhaal over de overdracht van de relieken van de martelaar Cyrus enige waarheid bevat, zou dat waarschijnlijk zijn gebeurd in de zevende eeuw, met de moslimverovering van Egypte. Alexandrië viel in 641 en misschien werden de overblijfselen toen weggehaald om uiteindelijk in Rome terecht te komen.

In de Santa Maria Antiqua op het Forum Romanum zijn sterk gelijkende fresco’s teruggevonden. Die werden daar aangebracht tussen de zesde en de achtste eeuw. Voor wat de Santa Passera betreft bewijst dat weinig, al zijn de afbeeldingen van dergelijke heiligen na die periode wel gewijzigd. Daardoor zou de achtste eeuw de laatst mogelijke datum voor de stichting van de kerk kunnen zijn.

Als je ooit een bezoek kan brengen aan het derde eeuwse gedeelte is dat zeker de moeite waard, al was het maar om de unieke ervaring bijna letterlijk in de oudheid te stappen. Helaas zijn ook hier de schilderingen zeer fel vervaagd en in heel wat gevallen zelfs bijna verdwenen.

Deze bijdrage kwam
mede tot stand dankzij
clublid ANN DE LATTER

Verbind je naam voor altijd aan een originele Bernini

29 januari 2020

Altijd al eens een originele Bernini willen kopen? Dan krijg je nu de kans om dat (voor een klein deeltje) te doen. De Galleria Borghese start een crowdfunding om de aankoop van een belangrijke bronzen buste te financieren die Gian Lorenzo Bernini in 1658 maakte van paus Urbanus VIII in opdracht van kardinaal Antonio Barberini, een neef van de paus.

Het museum moet 8 miljoen euro ophalen. Als de Galleria Borghese erin slaagt om het kunstwerk te verwerven zal het worden tentoongesteld op een prominente plek in het museum. Ernaast komt een lijst met de namen van al degenen die de aankoop hebben gesponsord.

Italianen die een donatie doen om het aankoopproject te steunen kunnen genieten van fiscaal voordeel dat neerkomt op een belastingvermindering van 65 procent, al kunnen niet-Italiaanse kunstliefhebbers natuurlijk ook bijdragen.

De fondsenwerving maakt deel uit van het zogenaamde Art Bonusproject. Het is de eerste keer dat het systeem in Italië wordt toegepast voor de verwerving van een kunstwerk. In sommige landen is dat al langer gebruikelijk. De National Gallery in Londen en het Louvre in Parijs doen het regelmatig.

Anna Coliva, de directeur van de Galleria Borghese, vertelt dat een dergelijke inzamelingsactie eerder uitzonderlijk is, maar dat de kans om een originele Bernini te kopen zich uiterst zelden voordoet.

De mensen die financieel willen participeren in een dergelijk aankoopproject doen dat vaak uit enthousiasme en trots om een belangrijk stukje erfgoed in eigen land te kunnen houden of om het te kunnen tonen aan het publiek.

Anna Coliva hoopt dat de Italianen eveneens enthousiast zullen reageren en dat iedereen een deeltje van het Bernini-kunstwerk koopt. Zelfs de allerkleinste bijdragen zijn welkom, al wordt natuurlijk ook gerekend op schenkingen van grote bedrijven om de vereiste 8 miljoen euro bij elkaar te krijgen.

De Galleria Borghese zou de buste van Bernini graag verwerven omdat het al over heel wat werken van de beroemde kunstenaar beschikt, waaronder twee zelfportretten, verschillende beeldhouwwerken en bustes.

Toen bekend raakte dat de eigenaars het bronzen kunstwerk van Bernini wilden verkopen, was het museum meteen geïnteresseerd. De buste zou immers perfect passen bij de rest van de Bernini-collectie. De bronzen buste wordt te koop gesteld door nakomelingen van paus Urbanus VIII. Het is een late maar kostbare erfenis van hun voorvader.

De carrière van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) als bouwmeester begon met het pontificaat van deze Urbanus VIII (Maffeo Barberini), die hem de verbouwing en het nieuwe gevelontwerp van de Santa Bibiana-kerk toevertrouwde.

Bernini had toen nog geen ervaring als architect en het feit dat hij een dergelijke grote architecturale opdracht van de paus kreeg was zeker een blijk van vertrouwen. Al moet worden vermeld dat Bernini al vóór het pontificaat van Urbanus VIII een goede bekende was van de familie Barberini en dat de keuze voor “een vriend van het huis” misschien toch niet zo verrassend was.

De kunstenaar heeft dat vertrouwen alleszins niet beschaamd. De paus was erg opgetogen over de talenten van Bernini omdat hij voortdurend de grenzen bewandelde van architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst.

Een andere uitleg omtrent het enthousiasme van Urbanus VIII voor Bernini is dat de kunstenaar op zijn jeugdige leeftijd nog erg beïnvloedbaar was en nooit een formele architectuuropleiding gekregen had. Daardoor was hij gemakkelijker te overtuigen voor de zeer specifieke ambities die de paus voor ogen had. Maar dat is dus giswerk.

In ieder geval vroeg Urbanus VIII kort nadien aan Bernini om een baldakijn te ontwerpen boven het graf van Petrus in de Sint-Pietersbasiliek. Dat werd zoals bekend een grandioos succes dat tot vandaag indruk maakt.

Urbanus VIII zou ooit Bernini begroet hebben met de volgende woorden: “Het is voor u een groot geluk om de paus te mogen ontmoeten, maar het geluk is voor mij nog veel groter dat u, Bernini, leeft tijdens mijn pontificaat”.

Bernini had inderdaad het vermogen om architectuur en beeldhouwkunst op een expressieve en unieke manier met elkaar te verenigen. De meeste werken van Bernini zijn onlosmakelijk verbonden met het pauselijk hof. Hij schiep spectaculaire meesterwerken voor liefst vier pausen: Urbanus VIII, Innocentius X, Alexander VII en Clemens IX.

De Barberini waren een Toscaans adellijk geslacht, waarschijnlijk afkomstig uit het dorp Barberino bij Siena. De drie bijen in het familiewapen herinneren aan de oorspronkelijke naam van het geslacht: tafani (letterlijk vertaald: dazen of horzels). De drie befaamde beestjes vind je op vele plekken in Rome terug, ze getuigen van de monumentale nalatenschap van de familie Barberini.

In de veertiende eeuw vestigden de Barberini zich in Firenze, waar ze zich als belangrijke tegenstanders van de Medici manifesteerden. De barokpaus Maffeo Barberini (1568-1644) werd in 1604 nuntius aan het Franse hof, in 1606 kardinaal en in 1608 bisschop van Spoleto.

Hij stond bekend als liefhebber van de schone kunsten en dichtte zelf in neoklassiek Latijn. Hij werd op 6 augustus 1623 tot opvolger gekozen van paus Gregorius XV, wiens reorganisatie van de congregatie Propaganda Fide hij voortzette door de stichting van een eigen missiedrukkerij en van het zogenaamde Collegium Urbanum (1627).

Na de pauskeuze in 1623 van Maffeo werd de familie Barberini financieel en cultureel de machtigste familie in Rome in de tijd van de barok. Bernini was hun grote gunsteling. In de jaren 1625-1633 lieten zij het Palazzo Barberini bouwen (waarin thans de Galleria Nazionale d’Arte Antica is gevestigd), begonnen door Carlo Maderno en Francesco Borromini en voltooid door Bernini.

Om zijn macht te etaleren maakte de paus naast zijn acties op militair vlak ook volop gebruik van de architectuur, de schilderkunst en de beeldhouwkunst. Kort na zijn ambtsaanvaarding in 1623 zou hij opdracht geven tot de voltooiing van de Sint-Pietersbasiliek.

Voorts liet hij een nieuwe muur rond de stad bouwen en stelde hij een programma op om een reeks bouwvallige vroeg-christelijke kerken te laten restaureren. Op stedelijk vlak voerde deze paus ook enkele wijzigingen door. Hij zorgde er via straatdoorbraken voor dat er een zekere samenhang tussen prominente religieuze plaatsen kwam of paste deze plekken in een grotere stedelijke context.

Urbanus VIII deed verwoede pogingen om de kerkelijke macht te herstellen. In deze context moet de opdracht voor het ontwerpen van het voormelde baldakijn gezien worden. Deze overkapping zou de allures van het Pantheon moeten overnemen, iets wat de paus erg expliciet liet overkomen, door het nog aanwezige brons van het Pantheon te roven.

Tegenwoordig bestaat er echter twijfel of het Pantheonbrons gebruikt is voor het baldakijn. Sommigen menen dat het volledig bestemd werd voor wapenproductie, waaronder het smeden van kanonnen voor de Engelenburcht.

Urbanus VIII liet ook in het baldakijn de symbolen van zijn familie verwerken (de voormelde bijen uit het Barberini-wapenschild). Het was vooral de bedoeling van de paus een blijvende stempel te kunnen drukken op de katholieke kerk. De Brusselaar François Duquesnoy (1597-1643) zou Bernini hebben meegeholpen met de realisatie van het baldakijn.

Naast het baldakijn gaf Urbanus ook de opdracht voor de realisatie van de Trevifontein, die pas na zijn dood voltooid werd. Om al zijn grote projecten te kunnen financieren was Urbanus VIII echter genoodzaakt om belastingen te heffen, die de populariteit van hem en de katholieke kerk niet ten goede kwamen.

Voor Urbanus VIII was architectuur hoe dan ook bedoeld om het volk te bedwelmen met zijn schoonheid, en de gelovigen hun geloof in de katholieke kerk te laten bevestigen. Kunst en architectuur moesten imponerend zijn en de kracht van de kerk en zijn paus etaleren.

Het pontificaat van Urbanus VIII werd grotendeels beheerst door de problemen van de Dertigjarige Oorlog (1618–1648), waarin Urbanus – veelal tevergeefs – een bemiddelende rol trachtte te spelen (opschorting van de pauselijke subsidies aan de keizerlijke Liga en vredesonderhandelingen met afzonderlijke vorsten).

Hij stond daarbij meestal onder zware druk van Richelieu en raakte bovendien verstrikt in militaire familievetes met de Farneses en in financiële verwikkelingen door zijn ontstellend nepotisme. Verschillende leden van zijn familie werden door benoemingen op hoge posten en het verlenen van gunsten schatrijk.

Indirect heeft hij de Westfaalse vrede van 1648 mee voorbereid door ten slotte, min of meer noodgedwongen, af te zien van een gezamenlijke strijd van de katholieke vorsten tegen de protestanten.

In het verzet tegen jansenisme en gallicanisme in Frankrijk liet hij zich leiden door slechte raadgevers. Ook in de beruchte Galileo Galilei-kwestie heeft hij, tegen zijn persoonlijke vriendschap met de astronoom-filosoof in, ten slotte toegestemd met diens veroordeling.

Een na de dood van Urbanus VIII (1644) door zijn opvolger ingesteld onderzoek naar Urbanus’ financiële beheer bracht dermate ernstige onrechtmatigheden aan het licht, dat enkele leden van de familie Barberini naar Parijs moesten vluchten.

Door de tussenkomst en op voorspraak van Mazarin konden zij in 1648 naar Rome terugkeren. Het grootse grafmonument van Urbanus VIII, eveneens van Bernini, bevindt zich in de apsis van de Sint-Pietersbasiliek.

Het geslacht stierf in 1738 in de mannelijke lijn uit. De vrouwelijke erfgename Cornelia Barberini trouwde in 1728 met prins Giulio Cesare Colonna di Sciarra, uit het geslacht Colonna, die haar naam aan de zijne toevoegde.

Bij de dood van prins Enrico Barberini-Colonna stierf de mannelijke lijn opnieuw uit, en de naam ging over op zijn dochter en erfgename Donna Maria en haar echtgenoot markies Luigi Sacchetti. Deze verwierf de titel Prins van Palestrina en het recht om de naam Barberini te dragen.

Het huidige familiehoofd, Augusto Barberini, draagt nog steeds de titel ‘Prins van Palestrina’, en beheert het landgoed waar zijn voorouders vandaan komen. De Barberini hebben ook nog altijd een residentie in Rome. De prins heeft vier kinderen, onder wie de filmacteur Urbano Barberini en zijn zus Francesca Barberini een schrijfster en kunsthistorica.

https://artbonus.gov.it/1416-galleria-borghese.html

https://artbonus.gov.it/1416-galleria-borghese.html#cardErogazioneBene

Stedelijke documenten verkrijgbaar bij Romeinse krantenkiosken

29 januari 2020

Burgers worden sneller geholpen en moeten zich minder ver verplaatsen, ambtenaren hoeven geen tijd meer te besteden aan routineuze klusjes en de krantenwinkels en -kiosken die het commercieel niet gemakkelijk hebben kunnen iets bijverdienen.

In Rome is het voortaan mogelijk om in krantenkiosken een heleboel eenvoudige certificaten en documenten te verkrijgen die te maken hebben met je burgerlijke staat, gezinsstatus of verblijfplaats zonder daarvoor naar het stadhuis te moeten gaan. Een honderdtal krantenwinkels hebben zich al geregistreerd om de service te kunnen aanbieden. Het systeem wordt momenteel geleidelijk aan geactiveerd.

Krantenkiosken die overheidsdocumenten ter beschikking stellen: toch een kleine sensatie in het bureaucratische Rome, waar je voor het meest eenvoudige document nog steeds langs verschillende diensten en loketten kan worden gestuurd. Nochtans is het systeem niet nieuw in Italie. Het werd al eerder uitgerold in Milaan, Firenze en Turijn. Nu is Rome aan de beurt.

“We brengen de administratie dichter bij de burgers en we krijgen hulp van krantenwinkels die de jongste jaren een deel van de markt hebben verloren. Met dit initiatief krijgen ze weer een beetje ademruimte. Burgers zullen aan de kiosken ook kunnen vragen om online stedelijke certificaten en documenten te downloaden en af te drukken. Hier denken we dan vooral aan mensen die niet vertrouwd zijn met de digitale technologie of die geen internetaansluiting hebben. De krantenkiosken zijn een referentiepunt in hun wijk, met dit initiatief vervullen ze nu ook een servicefunctie voor de stad”, verklaren burgemeester Virginia Raggi en schepen/wethouder Antonio De Santis.

Hoe werkt het? Het volstaat om jezelf met je identiteitskaart en je codice fiscale bij één van de deelnemende kiosken aan te bieden, het aanvraagformulier in te vullen en een afdruk van het gewenste certificaat te verkrijgen. Voor de service rekent de krantenwinkel een bedrag aan van 1,50 euro. Afhankelijk van het document moeten soms nog extra zegelrechten worden betaald.

Een codice fiscale of een fiscaal identificatienummer bestaat niet in België of Nederland, al is het enigszins vergelijkbaar met het Belgische Rijksregisternummer of het Nederlandse Burgerservicenummer.

In Italië heb je echter voor zowat alles je codice fiscale nodig, gaande van het openen van een bankrekening, het kopen of registreren van een voertuig of een huis, de ondertekening van een huurovereenkomst, het regelen van een aansluiting voor gas, internet of telefoon en zelfs voor online aankopen zoals concerttickets. Een codice fiscale wordt uitgegeven door de Agenzia delle Entrate en bestaat uit een unieke zestiencijferige code.

Welke documenten kan je nu zoal aanvragen bij een geregistreerde krantenkiosk? Dat zijn er al een heleboel: een overzicht van je gezinsstatus, de toestand van je burgerlijke of politieke rechten, een verblijfsattest, een bewijs van nationaliteit, je burgerlijke staat, een afschrift van een geboorte-, huwelijks of overlijdensakte, een overzicht van je woonplaatshistoriek, …

Rome telt ongeveer 700 verkooppunten voor kranten en tijdschriften. De experimentele fase die nu aan de gang zal zeer binnenkort breder worden uitgerold. Door het succes in andere Italiaanse steden worden in Rome evenmin moeilijkheden verwacht.

Een kijkje in de kunstcollectie van Galleria Doria Pamphilj

28 januari 2020

Gisteren kon je lezen dat het fraaie Ninfeo di Diana, een schelpbekken in wit marmer in het Palazzo Doria Pamphilj in Rome voor het eerst toegankelijk wordt voor het publiek. Het indrukwekkende Palazzo Doria Pamphilj neemt langs de Via del Corso 305 heel wat ruimte in. De Galleria Doria Pamphilj is een privémuseum met buitengewone werken van klassieke schilderkunst en meesterwerken van Caravaggio, Tiziano, Velasquez, Tintoretto, Raffaello, Guercino en vele andere. Vandaag nemen we hier even een kijkje.

De fantastische collectie schilderijen in dit privémuseum zijn soms wat minder goed verlicht. Een zonnige dag geeft daarom een meerwaarde aan een bezoek. Hou er ook rekening mee dat er regelmatig onderhoudswerken gebeuren in de zalen, waardoor het mogelijk is dat een gedeelte van de collectie tijdelijk niet te zien is. Doorgaans worden dergelijke ingrepen aangekondigd via de website van het museum.

Een leuk weetje is dat de audiogids van de privégalerij is ingesproken door de eigenaar zelf, de prins de hier vandaag nog steeds woont. De tak Doria-Pamphilj stierf in 1958 in mannelijke lijn uit. De laatste telg was Filippo Andrea VI Doria Pamphilj (1886-1958), prins van Melfi.

Hij huwde met de Schotse Gesine Mary Dykes, van wie hij zijn dochter Orietta kreeg in 1922. Op 13 augustus 1940 werd de prins als tegenstander van het fascisme op bevel van Mussolini naar de gevangenis gestuurd. Na de bevrijding werd Filippo burgemeester van Rome, van 1944 tot 1946. Hij was de laatste burgemeester van Rome in het koninkrijk Italië.

Dochter Orietta Doria-Pamphilj-Landi (1922-2000) trouwde in 1958 met Frank George Wignall Pogson (1923-1998), een Britse marineofficier. Zij hadden geen kinderen maar adopteerden twee Britse weeskinderen, een meisje en een jongen. Zij erfden naast het prinselijk erfgoed en de eigendommen van de familie ook de adellijke titels.

De oorsprong van het gebouw dateert uit 1505 toen kardinaal Fazio Santoro, eigenaar van de kerk Santa Maria in Via Lata, een deel van het omliggende gronden kocht waar hij een grotere woning wilde optrekken. Het nieuwe complex was nog niet voltooid toen de paus de kardinaal dwong om het gebouw te schenken aan zijn neef Francesco Maria I della Rovere. Nadien heeft de familie della Rovere nog andere aangrenzende huizen gekocht en het oorspronkelijke gebouw nogmaals vergroot en een portiek gebouwd.

De huidige privé-kunstverzameling omvat ruim vierhonderd werken uit de vijftiende tot en met de achttiende eeuw. De familie dankt de collectie vooral aan Camillo Pamphilj die de verzameling Aldobrandini kocht en vervolgens nog uitbreidde.

De talrijke Vlaamse en Zuid-Nederlandse werken werden verzameld door kardinaal Benedetto Pamphilij. Daarbij vinden we naast topstukken van Hans Memling en Pieter Brueghel de Oude, onder meer ook werken van Roelandt Savery, Adriaen Isenbrandt (De Lezende Madonna), Herri met de Bles (De gang naar Golgota), Jan de Momper, Rubens (De Heilige Franciscus), verschillende Jan Brueghels en een Sebastiaan Vranckx.

Het bezoek begint in de ontvangstzalen, waaronder de Sala dei Velluti (de fluwelen zaal). Let daarbij op de adelaar van de familie Doria en de lelie van de familie Pamphilj. In de Sala da Ballo (balzaal) staat rechts, in de ruimte die voor de musici bestemd was, een prachtige harp uit de zeventiende eeuw.

Rechts kom je in de Saletta Gialla (geel) die geheel in rococostijl werd uitgevoerd. In deze zaal hangen wandtapijten met allegorieën van de twaalf maanden. Ze werden vervaardigd in de tijd van Lodewijk XV in de Manifacture Royale des Gobelins bij Parijs. Na de salons volgt het echte museum, bereikbaar langs een galerij die langs de binnentuin loopt. Ooit was dit een open loggia maar ze werd door Camillo Pamphilj afgesloten.

De Galleria Aldobrandini toont werken van Annibale Carracci, waarbij vooral een reeks van zes halfronde doeken met als thema de heilige Maagd opvalt. Let op de ‘Vlucht naar Egypte’ waarbij de religieuze aard van het onderwerp slechts bijzaak blijkt te zijn, terwijl het harmonieuze landschap vrijwel de gehele ruimte beslaat en de voorbode is van een stroming die zich tijdens de zeventiende eeuw verder zou ontwikkelen.

In ‘Hermione en de gewonde Tancred’ van Il Guercino wordt het dramatische geaccentueerd door het contrastrijke gebruik van licht en schaduw. Het bekende werk van Quinten Metsys (1466-1530) ‘De woekeraars’ is kenmerkend voor de meester, het benadrukt de karikaturale trekken van de personages.

Deze eerste zaal komt uit op een kamertje met het wereldberoemde ‘Portret van Innocentius X Pamphilj’, een meesterwerk dat de Spaanse schilder Diego Vélazquez in 1650 van de paus maakte tijdens zijn tweede bezoek aan Rome.

Vélazquez (1599-1660) slaagde erin een realistisch en in het geheel niet geïdealiseerd staatsieportret te maken. Het schilderij past in de traditie van belangrijke pausenportretten van renaissanceschilders als Rafaël en Titiaan. De krachtige penseelvoering en aandacht voor de karakters zijn echter duidelijke kenmerken van de barokschilderkunst.

Zijn beheersing van Titiaans techniek blijkt uit de wijze waarop het penseel van Vélazquez de glans der materialen weergeeft en de zekerheid waarmee hij de uitdrukking van de paus weet te treffen, let bijvoorbeeld op de gefronste blik. De paus zelf vond het portret ‘troppo vero’.

Het is één van de meest biologerende en indringendste afbeeldingen van menselijke macht die ooit op het doek zijn gebracht. Het portret hangt sinds drie eeuwen nog steeds in hetzelfde kamertje. De marmeren buste van dezelfde Innocentius X (1644-1655) in hetzelfde vertrek is een werk van Bernini en geeft de autoriteit van de paus bijzonder expressief weer.

De tweede zaal, de Galleria degli Specchi, heeft een decoratie die dateert uit de achttiende eeuw. Een dergelijke ruimte was in die tijd door de hoge aristocratie zeer gewild, dit in navolging van de spiegelzaal in Versailles.

Spiegels waren toen nog vrij zeldzaam, tot Lodewijk XIV een eigen atelier oprichtte met de hulp van enkele Venetianen die het geheim van de spiegelproductie kenden. Zo was men eindelijk in staat op grote schaal grote spiegels te vervaardigen en vond men als gevolg daarvan al gauw spiegelzalen in alle belangrijke residenties in Europa.

De fresco’s tegen het plafond laten scènes zien met de werken van Hercules, ze zijn van de hand van de Aureliano Milani (1675-1749). De vier kleinere zalen achteraan zijn elk gewijd aan een bepaalde eeuw. In de eerste zaal trekt de ‘Rust na de vlucht naar Egypte’ van Caravaggio (1571-1610) alle aandacht, dit is het enige landschap dat de meester ooit schilderde.

Het tafereel uit 1594-1495 toont het uitzonderlijke gevoel voor schoonheid van de schilder tijdens de periode dat zijn leven nog niet verstoord werd door talrijke problemen. Maria, duidelijk vermoeid, slaapt met het hoofd licht gebogen over haar kind terwijl haar hand op haar schoot rust. Jozef lijkt verrukt te zijn over de muziek van de engel die met de rug naar de toeschouwer staat, een vreemde en weinig orthodoxe houding. Achter de rug van Jozef verschijnt de kop van een ezel, net alsof het dier ook wil meedoen.

Let op de haast onvoorstelbare lichtinval op het haar en op de voeten van de engel. Het gelijkmatige en heldere licht doet denken aan Lorenzo Lotto (1480-1556) en zelfs aan Giorgione (1478-1510). Het schilderij hangt naast de ‘Maria Magdalena’ waarvoor Caravaggio hetzelfde model gebruikte, zijn toenmalige grote liefde.

Beide vrouwelijke personages hebben ook dezelfde houding, maar terwijl Maria van vermoeidheid in slaap is gevallen, wordt Maria Magdalena afgebeeld als een wanhopige jonge vrouw met zinspelingen op aardse genoegens, zoals het flesje reukwater en de sieraden aan haar zijde.

In deze zaal hangen ook de ‘Heilige Sebastiaan’ van Ludovico of Lodovico Carracci (1555-1619, de leermeester van zijn neven Agostino en Annibale) en de ‘Endymion’ van Il Guercino (1591-1666, zijn echte naam was Barbieri, guernico betekent scheel). Endymion was een schone jongeling die bemind werd door de maangodin Selene. Iedere nacht steeg zij van haar wagen om hem te kussen. Daarom vroeg de jonge man de oppergod Zeus dat hij eeuwig mocht slapen en eeuwig jong blijven. En zo gebeurde het.

In de zeventiende-eeuwse verzameling zien we het ‘banchetto campestre’ van David II Teniers (1610-1690) en Jan Baptist Weenix (1621-1663), een Amsterdamse schilder en etser. Hij was de vader van Jan Weenix en een leerling van onder andere Abraham Bloemaert. Jan Baptist Weenix verbleef van 1642 tot 1647 in Rome, waar hij veel opdrachten kreeg van kardinaal Pamphilj, de latere paus Innocentius X. Na zijn terugkeer vestigde hij zich in Utrecht.

Jan Baptist Weenix schilderde Italiaanse landschappen en volksscènes. Zijn coloriet is steeds zeer verfijnd en vertoont grote verscheidenheid. Zijn fraaie havengezichten en Italiaanse landschappen behoren tot het meest geslaagde werk van de Italianisanten die tussen 1640 en 1650 actief werden.

In de zaal van de zestiende eeuw is de ‘Salome’ van Titiaan (1485-1576) te zien. Salome was de achternicht van Herodes Antipas voor wie zij danste. Als beloning kreeg ze het hoofd van Johannes de Doper dat zij op aanstoken van haar moeder gevraagd had (Mattheus 14:3). In de bijbel wordt haar naam niet vermeld, wel bij de Joodse geschiedschrijver Josephus Flavius (37-95).

Opvallend is het vluchtige spel van de blikken. De slaaf kijkt, vervuld van mededogen en verwijt, naar Salome die pas in het voorbijgaan en vol afschuw naar het hoofd van Johannes de Doper kijkt, van wie de haren de hand lijken te strelen van de vrouw die hem heeft gedood.

In deze zaal hangen ook het ‘Portret van een jongeman’, een werk van Tintoretto (1518-1594), en een ‘Dubbelportret’ van Rafaël. Onze aandacht gaat echter vooral naar een prachtig ‘Winterlandschap’ van Pieter Brueghel de Oude.

In de zaal van de vijftiende eeuw hangt een meesterwerk van Hans Memling (1433-1494), namelijk ‘De bewening van Christus’ waarin de dramatiek door de harde trekken en de hoekige houding van Christus wordt versterkt.

Aan het einde van de voorgaande reeks vertrekken bevindt zich een achthoekig kabinet dat een aantal landschapjes bevat waaronder eentje van het Forum Romanum. Hier vinden we bovendien Vlaamse schilders uit de zestiende en de zeventiende eeuw (waaronder Paul Bril) die een grote invloed hebben uitgeoefend op het ontstaan van de Romeinse landschapschool.

Let ook op de vijf sublieme werken van Claude Lorrain (1600-1682) en zeven werken van Gaspard Dughet (1615-1675), beter gekend als Gaspard Poussin, de schoonbroer van Nicolas Poussin.

In de derde zaal wordt de ongewone ‘Slag in de Golf van Napels’ getoond, een minder gekend werk van Pieter Brueghel de Oude. Links achterin bevindt zich de Sala Aldobrandini, waar Romeinse beelden te zien zijn die dateren uit de vroegste periodes van Rome tot en met de late Keizertijd. De beelden werden gevonden op de landgoederen van de familie Pamphilj.

In de volgende zaal zien we de ‘Buste van Olimpia Maidalchini Pamphili’, een alom gekend werk van Allesandro Algardi (1598-1654). Algardi wist de energie en de ambitie van de eerder vermelde Olimpia heel goed te treffen. Alessandro Algardi was afkomstig uit Bologna waar hij gevormd werd door Carracci.

Na zijn aankomst in Rome in 1625 werd hij, naast Bernini, de belangrijkste beeldhouwer van de stad. Als vertegenwoordiger van een zich tegen de expressieve barok afzettend classicisme baseerde Algardi zich sterk op de oudheid en gaf hij zijn beelden een nadrukkelijk schilderachtig karakter.

Zijn belangrijkste werken zijn het grafmonument voor Leo XI de Medici en het hoogreliëf ‘Paus Leo die Attila uit Rome verdrijft’, beide in de Sint-Pietersbasiliek. In het algemeen worden zijn bustes het meest bewonderd. Algardi is wellicht de grootste portrettist aller tijden, zijn stijl was soberder en klassieker dan die van Bernini. Algardi bleef net als de schilder Pietro da Cortona (1596-1669) ongehuwd en naar verluidt waren ze zeer goede vrienden.

Andere fraaie schilderijen in deze zaal zijn een zeventiende-eeuwse kopie van ‘Johannes de Doper als kind’ van Caravaggio, waarvan het origineel in het Palazzo dei Conservatori hangt. Ook zien we hier een ‘Maria met Kind’ van Parmigianino (1503-1540). Er grenzen nog twee ontvangstzalen aan de vierde zaal. In de rode zaal staat een vergulde wieg uit 1761.

Mits de betaling van een meerprijs kunnen ook enkele privévertrekken van het palazzo worden bezocht. Sinds de zestiende eeuw en tot vandaag worden ze bewoond door de familie Pamphilj.

In de Sala del Giardino staan een kleine slede en een fraai beschilderde en vergulde draagstoel, beide uit de achttiende eeuw. De Sala Andrea Doria is genoemd naar de bevelhebber van de vloot van de opeenvolgende Franse koningen François I en Charles V.

De rookkamer is rijk gemeubileerd in Victoriaanse stijl uit de negentiende eeuw. Bij de ontvangstkamers horen drie kleine salons, die in de tweede helft van de achttiende eeuw tot in het allerkleinste detail gedecoreerd en gemeubileerd werden. Ze vormen één van de aardigste bezienswaardigheden van Rome en waarschijnlijk zijn ze uniek in de stad.

Het negetiende-eeuwse fresco in de eetkamer illustreert de eigendommen van de familie. Hier bevinden zich de versierselen van het Gulden Vlies en tapijten die de bijdrage van de familie bij de overwinning in Lepanto (7 oktober 1571) in herinnering brengen. Vermelden we terloops dat ook Miguel de Cervantès (1547-1616) aan deze zeeslag deelnam, hij werd gewond waardoor zijn linkerhand verlamd bleef.

In de Salone Verde hangen talrijke schilderijen waaronder een ‘Aankondiging aan Maria’ van Filippo Lippi (1406-1469). Het grote vijftiende-eeuwse wandkleed uit Doornik verbeeldt een legende van Alexander de Grote.

Het salon ademt het vrolijke, frivole leven van het achtitende-eeuwse Venetië, geïllustreerd door de aan Pietro Longhi (1702-1785) toegeschreven schilderijen. Liefhebbers van het betere werk van Longhi moeten echter in Venetië zijn of in de National Gallery in Londen.

Maar in afwachting van dat bezoek is er in deze Galleria echter meer dan genoeg te zien. Trek alleszins voldoende tijd uit voor een bezoek aan dit museum.

www.doriapamphilj.it

Nymphaeum van Diana gratis toegankelijk voor publiek

27 januari 2020

Het fraaie en recent gerestaureerde Ninfeo di Diana, een schelpbekken in wit marmer in het Palazzo Doria Pamphilj, is vanaf nu gratis toegankelijk voor het publiek. Het gaat om de in Pompeiaanse stijl beschilderde alkoof-badkamer die in 1840 werd gecreëerd door prins Filippo Andrea als geschenk voor zijn vrouw Mary Talbot. In de hoeken van de kamer bevinden zich Romeinse beelden en de muren zijn versierd met afbeeldingen en de vruchten van de vier seizoenen.

De Galleria Doria Pamphilj is een privémuseum gevestigd in het paleis van de familie Doria die er nog steeds woont en exposeert voornamelijk schilderijen. Het Nymphaeum van Diana is een architecturaal juweeltje dat lange tijd behoorde tot de privé-appartementen van het prachtige gebouw. Je kan het voortaan gratis bewonderen, samen met de bibliotheek die tot nog toe eveneens gesloten was voor het publiek.

Tijdens een bezoek aan de Galleria Doria Pamphilj moet je een meerprijs betalen om de privé-appartementen van de familie te kunnen bezoeken. Het ninfeo en de bibliotheek kan je voortaan dus wel bezichtigen zonder die extra prijs. De toegang tot het museum zelf zal je natuurlijk moeten betalen, anders raak je het gebouw niet in.

De Galleria Doria Pamphilj bevat buitengewone werken van klassieke schilderkunst en meesterwerken van onder meer Caravaggio, Titiaan, Velasquez, Tintoretto, Raffaello, Guercino (om er slechts enkele te vermelden) en was lange tijd de thuisbasis van prinsen en prinsessen uit de zeventiende eeuw.

Camillo Pamphilj maakte van de oorspronkelijke woning een heus paleis met prachtige kamers, die hij liet inrichten en versieren volgens de smaak van die tijd en vulde het decor aan met elementen uit de oudheid. Palazzo Doria Pamphilj neemt langs de Via del Corso heel wat ruimte in. Het is een indrukwekkende palazzo met een imposante achttiende-eeuwse barokgevel.

Sinds enkele jaren bevindt de toegang tot de kunstverzameling zich aan de Via del Corso 305, daardoor is het mogelijk de binnenplaats te bezoeken. De hoofdingang laat ons toe een blik te werpen op de mooie Bramaneske binnentuin die ooit voor de Oostenrijkse keizer in een balzaal werd omgetoverd. De fundamenten van het paleis rusten op ruïnes uit de oudheid waarvan men veronderstelt dat ze tot reusachtige pakhuizen behoorden.

Op het einde van de vijftiende eeuw liet kardinaal Fazio Santorio op deze plaats een paleis bouwen dat later door opeenvolgende adellijke families geleidelijk vergroot werd. Nadat het in het bezit was gekomen van de familie della Rovere, een adellijk geslacht uit Genua, kwam het in handen van de lievelingsneef van paus Julius II (Giuliano della Rovere), de hertog van Urbino.

Van oorsprong waren de Roveres vissers uit Savona. Hun opkomst dankten ze aan het feit dat Francesco en zijn neef Giuliano paus werden, respectievelijk Sixtus IV en Julius II. Als zodanig waren deze berucht om hun nepotisme. Het geslacht regeerde van 1508 tot 1631. Met de dood van Francesco Maria II (1548-1631) was het geslacht in mannelijke lijn uitgestorven en kwam Urbino toe aan de Kerkelijke Staat.

Later kocht paus Clemens VIII Aldobrandini (1592-1605) het paleis. De befaamde Donna Olimpia (1595-1657), nicht en erfgename van deze paus, trouwde met Camillo Pamphilj, de broer van Innocentius X Pamphilij (1644-1655), van wie de familie zich later door een huwelijk verbond met de Genuese familie Doria (de naam wordt door Dante in de Divina Commedia vermeld). Het paleis wordt vandaag nog steeds door de nazaten van deze familie bewoond.

www.doriapamphilj.it

Vaticaan wilde macht grijpen bij de jezuïeten

26 januari 2020

Het Vaticaan en de jezuïetenorde hebben doorheen de eeuwen altijd al een soort haat-liefdeverhouding gehad, maar in 2006 en 2007 zou het Vaticaan een paar keer ernstig overwogen hebben om de leiding van de jezuïetenorde over te nemen. Dat is verteld in Madrid tijdens de voorstelling van de Spaanse vertaling van het boek I Gesuiti. Dal Vaticano II a Papa Francesco (De jezuïeten. Van Vaticanum II tot paus Franciscus) van de Italiaanse historicus Gianni La Bella.

Het voorstel om de controle over de jezuïeten te nemen kwam volgens La Bella van kardinaal Tarcisio Bertone, de toenmalige staatssecretaris van de Heilige Stoel. Voor de auteur is het duidelijk dat de toenmalige paus Benedictus XVI daar op dat moment weinig of geen bezwaar tegen had. Jorge Bergoglio, de huidige paus Franciscus die toen nog aartsbisschop van Buenos Aires was, zou volgens de plannen als apostolische afgevaardigde ad interim de leiding over de jezuïeten krijgen.

Volgens de toenmalige statuten van de jezuïeten wordt de generaal-overste voor het leven gekozen. Daarom wordt de generaal van de jezuïeten weleens de zwarte paus genoemd. Maar van die regel kan afgeweken worden mits de toestemming van de paus en de algemene congregatie. Zo nam paus Johannes Paulus II van 1981 tot 1983, tijdens een crisis tussen de jezuïetenorde en het Vaticaan, al eens tijdelijk de leiding van de orde over.

Volgens Gianni La Bella sloeg het voorstel de toenmalige generaal-overste van de jezuïeten, de Nederlander Peter-Hans Kolvenbach, echter met verstomming. Hij informeerde op zijn beurt kardinaal Jorge Bergoglio, die zich vanaf dan met hand en tand tegen de plannen zou verzetten.

Uiteindelijk wist Kolvenbach paus Benedictus XVI ertoe te overhalen de plannen van staatssecretaris Bertone niet uit te voeren en geen apostolische afgevaardigde voor de reorganisatie aan te stellen.

Kolvenbach vroeg in 2008 zelf aan de paus om ontslag uit zijn functie, een ongebruikelijk verzoek. Hij werd opgevolgd door de Spanjaard Adolfo Nicolás Pachón. Kolvenbach overleed in 2016. Hoe het afliep met kardinaal Jorge Bergoglio is bekend: hij werd in 2013 verkozen tot paus nadat Benedictus XVI aftrad.

Redactie van L’Osservatore Romano verhuist

25 januari 2020

De redactie van de Vaticaanse krant L’Osservatore Romano verhuist binnenkort naar het Palazzo Pio, waar nu ook al de redactie van het nieuwsportaal Vaticannews is gevestigd. Dat moet bijdragen tot een versterking van wederzijdse uitwisseling en synergieën.

Sommige krantenartikels van L’Osservatore Romano worden nu al door de redactie van Vaticannews gemaakt. Volgens Andrea Tornielli, de directeur van de krant en coördinator van de Vaticaanse media, is echter niet logisch om twee journalisten aan een min of meer vergelijkbare bijdrage te laten werken. De communicatiedienst vormt met ongeveer 500 personeelsleden uit 64 landen de grootste dienst van het Vaticaan.

L’Osservatore Romano wil in de toekomst meer achtergrondinformatie en inhoudelijke bijdragen bieden en minder actueel nieuws. De krant van het Vaticaan zal ook in de toekomst in gedrukte vorm in het Italiaans, Engels, Frans, Spaans en Duits blijven verschijnen. Ook de maandelijkse uitgaven, onder meer die in het Pools, blijven bestaan.

Er wordt wel gezocht naar een manier om het drukken van L’Osservatore Romano aan andere landen uit te besteden. Als de dagelijkse editie in andere landen en continenten kan worden gedrukt, zelfs in een kleine oplage van enkele honderden exemplaren, werkt dat kostenbesparend.

Het is ook niet uitgesloten dat er in de toekomst reclame komt op de Vaticaanse media. Die zal dan wel beperkt blijven tot “bepaalde vormen” op een “passend niveau” en met “institutionele advertenties” op de website.

Het allereerste nummer van L’Osservatore Romano verscheen op 1 juli 1861, enkele maanden na het uitroepen van het koninkrijk Italië (17 maart 1861). De krant nam meteen de verdediging van de Pauselijke Staat op zich en schuwde daarbij allerminst de polemiek.

Na de nederlaag van de pauselijke troepen tegen het Piëmontese leger in de slag bij Castelfidardo (8 september 1860) waren heel wat katholieke intellectuelen naar Rome getrokken om zich ten dienste te stellen van paus Pius IX (1846-1878). Daar groeide langzaam maar zeker de idee van de publicatie van een privékrant die de Pauselijke Staat en de waarden waarvoor die stond, zou moeten verdedigen.

Enkele jaren later verdrong L’Osservatore Romano de ‘Giornale di Roma’, tot dan het officiële persorgaan van de Pauselijke Staat, in de verspreiding van de officiële informatie in verband met de katholieke kerk.

L’Osservatore Romano werd tijdens het pontificaat van paus Leo XIII (1878-1903) het officiële persorgaan. De paus werd eigenaar van de krant, die vanaf 1885 het officiële informatiekanaal van de Heilige Stoel werd.

Ticketconcessie Forum Romanum en Colosseum is 593 miljoen euro waard

24 januari 2020

Rome heeft een aanbesteding uitgeschreven voor de zogenaamde museumdiensten, waaronder het algemene beheer, de ticketverkoop en de uitbating van de boekenwinkels in het archeologische park dat wordt gevormd door het Colosseum, het Forum Romanum, de Palatijn en de Domus Aurea. Deze diensten worden momenteel verzekerd door Coopculture en Electa. Met de volledige concessie, die uit twee delen bestaat, is een bedrag gemoeid van 593 miljoen euro.

Het is van 1997 geleden dat het contract nog eens werd herzien. Sindsdien werd de bestaande overeenkomst automatisch vernieuwd en zelfs uitgebreid. Kandidaten voor de nieuwe concessieovereenkomst kunnen zich melden tot maandag 27 januari 2020. De winnaar zal worden gekozen op basis van de economisch meest voordelige biedingscriteria.

Het gaat om een concessie voor vijf jaar met een geschatte waarde van 593 miljoen euro. De aanbesteding bestaat uit twee partijen. Het eerste deel omvat de ticket-, informatie-, receptie- en assistentiediensten voor de betrokken sites. Die diensten worden momenteel verzorgd door Coopculture.

Een tweede luik van de concessie omvat de volledige publicatie- en verkooprechten en -diensten (waaronder de uitbating van de boekenwinkels en archeoshops) voor redactionele artikelen, boeken, brochures, merchandising en geschenken die te maken hebben met de archeologische sites. Dit gebeurt momenteel door Electa, een onderdeel van de Gruppo Mondadori.

De stadsdiensten en andere betrokken partijen zijn niet ontevreden over de museumdiensten van Electa en Coopculture. Vooral deze laatste heeft in heel Italië een sterk cultureel boekingsnetwerk uitgebouwd dat toelaat om per stad voor een bepaald evenement, een bezoek of een tentoonstelling vlot en gemakkelijk online tickets te bestellen.

Het feit dat deze zogenaamde aanvullende diensten al meer dan twee decennia in handen zijn van twee dezelfde bedrijven, riep bij sommigen al eerder de vraag op in hoeverre Rome afhankelijk is van beide firma’s.

Daarover ontstonden al meermaals discussies en controverses, wat al een keer heeft geleid tot een officieel onderzoek. Het laatste dateert van vorig voorjaar toen het Openbaar Ministerie vroeg om uit te zoeken waarom er zoveel jaren geen aanbesteding meer was uitgeschreven.

Ook de Rekenkamer onderzocht de zaak maar die hekelde enkel de traagheid van de ambtenarij. Het is niet het probleem van concessiehouders dat de overheid treuzelt met het uitschrijven van nieuwe aanbestedingen, zo stelde het controle-orgaan.

De Rekenkamer merkte terloops op dat er geen geld verdwijnt, maar dat de huidige partner ieder jaar forse inkomsten oplevert. Coopculture registreert jaarlijks zowat 8 miljoen bezoekers, wat vorig jaar goed was voor een bruto opbrengst van 230 miljoen euro.

De toenmalige minister van Cultuur Dario Franceschini wilde in 2016 de zaak aapakken en lanceerde een aantal nieuwe aanbestedingen voor de museumdiensten. Maar die waren zoals wel meer voorstellen van deze minister gebouwd op juridisch drijfzand.

Uiteindelijk werd alleen de concessie voor de bewakings- en veiligheidsdiensten toegewezen. De tweede aanbesteding, voor de tickets en de boekhandels, werd geblokkeerd na klachten die tot op het niveau van de Raad van State gingen.

Het probleem was dat bij de openbare oproep voor de exploitatie van de ticketingservice ook de levering en de verhuur van audiogidsen hoorde. Die dienst wordt beschouwd als educatie en onderwijshulp en hoort niet thuis in de concessie die was aanbesteed. In december 2017 verklaarde de Raad van State de aanbesteding onwettig. Vandaag zijn we weeral ruim twee jaar verder.

Ditmaal bevat de gepubliceerde aankondiging alle criteria en de juiste indicaties, tenminste, dat hoopt iedereen toch.

Grote tentoonstelling over het leven en werk van Sergio Leone in Ara Pacis

23 januari 2020

‘C’era una volta Sergio Leone’ is de titel van een grote tentoonstelling over het werk en het leven van de bekende Romeinse filmregisseur Sergio Leone (1929-1989), die geschiedenis schreef met befaamde westerns zoals The Good, the Bad and the Ugly, Once upon a Time in the West en A Fistfull of Dollars, waarvan verschillende met de jonge Clint Eastwood in de hoofdrol en steevast begeleid door muziek van Sergio Leone’s jeugdvriend Ennio Morricone. Beiden waren klasgenoten.

De tentoonstelling is te bekijken in de nieuwe exporuimte van de Ara Pacis van 2 juni tot 30 augustus 2020 (oorspronkelijk tot 3 mei, maar na de langdurige sluiting door de viruscrisis verlengd). Rome herdenkt met dit initiatief één van zijn bekendste inwoners, 30 jaar na zijn dood en 90 jaar na zijn geboorte.

Sergio Leone

De tentoonsteling is samengesteld door Gian Luca Farinelli, de directeur van de Cineteca di Bologna, in samenwerking met het Istituto Luce Cinecittà, Rosaria Gioia en Antonio Bigini en de Cinémathèque Française. De expo was een jaar geleden ook al in Parijs te zien en kende veel succes.

Sergio was de zoon van regisseur Vincenzo Leone en werkte jarenlang als assistent en regisseur van massascènes aan de zijde van Amerikaanse regisseurs die in Cinecittà in Rome filmspektakels opnamen.

Met Per un pugno di dollari (1964) werd hij de schepper van de zogenaamde spaghetti-western, het Italiaanse antwoord op de romantische Amerikaanse westerns die zich onderscheidden door hun lyrische vormgeving en inhoudelijk nihilisme.

Buiten de Verenigde Staten werden zijn epische films C’era una volta il West (1968) en C’era una volta l’America (1984) klassiekers, al kregen ze voor de Amerikaanse bioscopen aanvankelijk een drastische nieuwe montage.

De filmografie van Sergio Leone is eerder beperkt, maar zijn films, aanvankelijk wat meewarig omschreven als spaghettiwesterns, zouden uitgroeien tot mythische meesterwerken. Het hoogtepunt van zijn carrière was meteen zijn laatste film: de voormelde Once Upon a Time in America.

Quintin Tarantino en Stanley Kubrick, om slechts twee regisseurs te noemen, waren grote fans van Sergio Leone. In de maanden voor zijn dood was Sergio Leone bezig met de voorbereiding van een ander groot epos, gewijd aan de slag om Leningrad, maar waarvan helaas niets anders bestaat dan enkele pagina’s met de eerste aanzet tot een scenario.

Dankzij het kostbare archiefmateriaal van de familie Leone (vooral dochter Raffaella heeft heel wat materiaal ter beschikking gesteld) en Unidis Jolly Film betreden bezoekers van de tentoonstelling de leefwereld van Sergio Leone, waar ideeën voor nieuwe films werden geboren.

Samen met zijn persoonlijke memorabilia en zijn bibliotheek maakt het publiek ook kennis met sets, schetsen, storyboards, kostuums, rekwisieten, onvergetelijke sequenties en een grote verzameling prachtige foto’s.

De tentoonstelling is verdeeld in enkele secties, waaronder ‘Cittadino del cinema’, ‘Le fonti dell’immaginario’, ‘Laboratorio Leone’, ‘C’era una volta in America’ en ‘Leningrado e oltre’, opgedragen aan het laatste onafgemaakte project ‘L’eredità Leone’.

Het boek La rivoluzione Sergio Leone van Christopher Frayling en Gian Luca Farinelli dat voor deze gelegenheid werd uitgebracht, wordt uitgegeven door de Edizioni Cineteca di Bologna. Het telt 312 pagina’s en kost 27 euro (tijdelijk 23 euro als promotie).

C’era una volta Sergio Leone
17/12/2019 – 03/05/2020
Opnieuw open van 2 juni tot 30 augustus 2020

Museo dell’Ara Pacis
Lungotevere in Augusta
www.arapacis.it

Bekijk hier een promofilm over de tentoonstelling

Sergio Leone

SERGIO LEONE – ACHTERGROND

Sergio Leone kreeg de filmmicrobe al van kleinsaf aan mee van thuis. In 1941, toen hij pas twaalf was, zag hij zijn vader in actie (de acteur en regisseur Vincenzo Leone , ook bekend als Roberto Roberti) op de set van La bocca sulla strada. In 1948 maakt hij de opnames mee van de film Ladri di biciclette van Vittorio De Sica.

Vanaf dat moment werd hij assistent-regisseur in wat de meest populaire films van die tijd waren: de zogenaamde peplums, een genre van avonturenfilms uit de Grieks-Romeinse of Bijbelse tijd die meestal werden gemaakt in Italië, meer bepaald in de filmstudio Cinecittà in Rome.

Daaronder Helen of Troy (Robert Wise, 1956), Sodom and Gomorrah (Robert Aldrich, 1962) en Ben-Hur (William Wyler, 1959) en heel wat andere, minder bekende films in hetzelfde genre. Sergio Leone zal er in 1960 uiteindelijk zelf ook eentje regisseren: Il Colosso di Rodi, wat in feite zijn eerste echte regietest zou zijn.

1964 was een moeilijk jaar voor de Italiaanse cinema: de banken investeerden niet langer in de zevende kunst en om de buitenlandse markt het hoofd te bieden werden verschillende co-productiebedrijven opgericht tussen Duitsland, Italië en Spanje om de droommachine opnieuw in gang te zetten. Zo ontstond een lijn van low-budget westerns, een genre gebaseerd op de Amerikaanse traditie en op individualisme.

Volgens die filosofie en met een budget van slechts 120 miljoen lire (van die tijd) blikte Sergio Leone A Fistful of Dollars in, een prent waar hij zichzelf als regisseur Bob Robertson op de generiek laat zetten, dit ter ere van zijn vader die al wel eens het pseudoniem Roberto Roberti gebruikte.

Op zoek naar de juiste hoofdrolspeler komt hij na het zien van een aflevering van de Amerikaanse televisieserie Rawhide in contact met de toen 30-jarige Clint Eastwood. De cowboy praat amper, heeft een magnetische blik en een ijskoude uitstraling. Perfect voor de figuur die Sergio Leone voor ogen had. Ook al kon hij Clint Eastwood slechts 15.000 dollar betalen, hapte de Amerikaanse acteur toe. De rest is geschiedenis.

De soundtrack werd net als bij latere films toevertrouwd aan Ennio Morricone en aan diens vriend de fluitspeler Alessandro Alessandroni. De orkestratie van Morricone vraagt vaak om een ongebruikelijke combinatie van instrumenten, stemmen en fluiten en Alessandroni wist die perfect te brengen. Een nieuwigheid van Sergio Leone was ook dat ieder filmpersonage werd gedragen door een afzonderlijke melodie die de acteur of actrice begeleidt bij de scènes waarin ze voorkomen.

Leone had een typische regiestijl die gekenmerkt wordt door een onorthodoxe montage, ongewoon camerawerk, weinig dialoog, veel sfeer, een trage spanningsopbouw gevolgd door snelle actie en een opvallende aanwezigheid van muziek en geluid. Deze unieke stijl was destijds revolutionair en talloze andere filmmakers hebben geprobeerd Leone te imiteren. In dat opzicht heeft hij een enorme invloed op vele regisseurs gehad.

Eén van de meest opvallende kenmerken bij Leone’s cameravoering is zijn voorliefde voor close-ups van gezichten. In iedere film van Sergio Leone zitten tientallen extreme close-ups van gezichten die naar elkaar kijken. Leone gebruikt het gezicht om dingen zonder woorden te kunnen vertellen. Leone had een voorliefde voor markante gezichten met typische kenmerken zoals rimpels, littekens, puistjes, stoppels, zweetdruppels, … De gezichten van acteurs zien er bij Leone doorgaans vuil, ruig en woest uit.

in combinatie met de muziek wist de kijker dan precies wat voor emoties het personage op dat moment had. Soms wel meer dan tien seconden lang houdt Leone zijn camera gericht op een persoon die expressief kijkt zonder iets te zeggen. Het personage kijkt woedend, verbeten, droevig, wanhopig of juist ijskoud voor zich uit.

Naast gezichten worden ook nog andere voorwerpen in de films van Leone van heel dichtbij gefilmd. Voorbeelden hiervan zijn een hand die naar een pistool grijpt, een vlieg die over de wang van een boef kruipt, voeten die lopen terwijl de sporen rinkelen, een close-up van een oog, enz.

Deze close-ups worden afgewisseld met enorme totaalshots die dezelfde gebeurtenissen van een grote afstand filmen. Altijd zijn deze totaalshots vanuit een ongewoon standpunt gefilmd: bijvoorbeeld laag bij de grond, door de tralies van een tuinhekje, vanachter een vitrage, vanaf het dak van een gebouw, …

Ook beroemd zijn Leone’s zogenaamde ‘craneshots’ bij massascènes. De camera stijgt hoog boven de personages uit om een overzicht te krijgen van een grootse gebeurtenis, bijvoorbeeld een veldslag, een massa-executie, een spoorweg die aangelegd wordt, of voor een vogelvlucht over een western-stadje.

Na het grote succes van de eerste film volgde For a Few Dollars More (1965), het verhaal van twee premiejagers die een gewelddadige Gian Maria Volonté achtervolgen. En toen kwam The Good, the Bad and the Ugly (1966), het laatste hoofdstuk van de zogenaamde dollartrilogie over de zoektocht naar 200.000 gouden dollars die ergens op een begraafplaats verstopt liggen en eindigt met het beruchte ‘driemansduel’ op hetzelfde kerkhof.

Il buono, il brutto, il cattivo is nog altijd populair. In 2017 maakte Guillermo de Oliveira de documentaire Sad Hill Unearthed die een groep filmliefhebbers volgt die in Spanje het kerkhof reconstrueren zoals het er in de film uitzag. In 1966 bouwde het Spaanse leger in Burgos voor de film een enorme begraafplaats met 5.000 namaakgraven.

Nadat de filmmakers vertrokken waren werd alles achtergelaten, raakte de filmset in de vergetelheid en werd gedurende 49 jaar geleidelijk aan overwoekerd door de natuur. In oktober 2015 besloot een groep filmfans om de originele filmset opnieuw in ere te herstellen. Maandenlang reisden mensen uit heel Europa naar Burgos om alles op te graven en opnieuw op te bouwen.

Desenterrando Sad Hill werd het verbazingwekkende verhaal achter één van de meest iconische locaties in de filmgeschiedenis. Het onderzoekt de dromen en motivaties achter de fans, maar ook de transformatie van kunst, muziek en film als vervanging voor religie. De documentaire werd erg goed onthaald en kende veel succes, ook in het bioscoopcircuit.

Sergio Leone was plots een beroemdheid. De eerstvolgende megaproductie die zich aandiende was het legendarische Once Upon a Time in the West (1968) met fantastische rollen van onder meer Charles Bronson, Henry Fonda, Jason Robards en een onvergetelijke Claudia Cardinale.

De film week volkomen af van de klassieke western zoals de Amerikanen die kenden. De soundtrack van C’era una volta il West, alweer van Morricone, behoort tot de best verkochte in de filmgeschiedenis.

Daarna volgde Duck You Sucker (1971), een film die zich afspeelt tijdens de Mexicaanse Revolutie. De film kampte echter met allerlei problemen. De producent had de eindcontrole over de montage en veranderde de film tegen de zin in van Leone. Ook werd de titel op het laatste moment veranderd in A Fistful of Dynamite. Sergio Leone distantieerde zich uiteindelijk van het project en de film flopte genadeloos.

Met My Name is Nobody (1973) maakte Sergio Leone een komische western waarin hij zowel zijn eigen regiestijl en het genre van de spaghettiwesterns in het algemeen op de korrel nam. Hij liet zich echter niet vermelden als regisseur. Hoewel de film het goed deed, was Leone teleurgesteld over de vele problemen en de manier van werken in de filmwereld en hield hij zich de daaropvolgende jaren enkel bezig met filmdistributie en het maken van reclamefilms.

Sergio Leone, die ondertussen het aanbod om The Godfather te maken had afgewezen (Francis Ford Coppola zou er wereldberoemd mee worden), broedde toen al meer dan tien jaar op een soortgelijk project: Once Upon a Time in America, een Italiaans-Amerikaanse misdaadfilm over een vriendschap tussen twee Joodse gangsters, gespeeld door Robert De Niro (Noodles) en James Woods (Max) die opgroeien in New York.

Het is een epische gangsterfilm die meer dan vier uur duurt en die zich in drie tijdsperiodes afspeelt: de jaren ’20, de jaren ’30 en ’60 van de twintigste eeuw. Ondanks de lengte van de film, die jammer genoeg in vele bioscopen in twee gedeeltes werd getoond omdat men dacht het publiek de lange speelduur niet zou aankunnen, werd de film enorm goed onthaald door de filmcritici. De film verwierf al gauw een cultstatus maar was commercieel geen erg groot succes.

Het zou zijn laatste film worden. Vlak voor zijn dood maakte hij plannen voor een nieuwe film over het Beleg van Leningrad. Hij kon hier echter niet meer aan beginnen en stierf in Rome op zestigjarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval op 30 april 1989.