Archive for 8 februari 2020

Een kennismaking met de Santi Bonifacio e Alessio

8 februari 2020

Je kon gisteren het verhaal lezen over de opmerkelijke ontdekking van een 900 jaar oud fresco in de Santi Bonifacio e Alessio. Vandaag vertellen we wat meer over deze opmerkelijke kerk op de Aventijnse heuvel. Het oorspronkelijke vijfde-eeuwse kerkgebouw heeft in de loop der eeuwen ingrijpende veranderingen ondergaan. In 977 werd het overgedragen aan de aartsbisschop van Damascus, die hier een Grieks klooster stichtte. In 1216 kwam er een algehele nieuwbouw in opdracht van Honorius III (1216-1227), in 1150 geboren als Cencio Savelli.

Deze Savello-paus bewoonde de burcht naast de Santa Sabina. Op het apsismozaïek van de Sint-Paulus buiten de Muren wordt Honorius III in het klein afgebeeld. De Florentijnse schilder en bouwmeester Giotto (1266-1337) heeft hem ook uitgebeeld in de bovenkerk van San Francesco in Assisi. In 1750 werd het interieur van de Santi Bonifacio e Alessio grondig gewijzigd.

Alvorens de kerk te bezoeken moeten we het verhaal van Alessio (Alexius) kennen. Hij leefde tijdens de vierde eeuw en was de tot het christendom bekeerde zoon van de Romeinse senator Eufemianus van wie het huis zich op de plek van de huidige kerk bevond. Op zijn trouwdag liep Alexius van huis weg om te ontsnappen aan het huwelijk dat zijn vader hem had opgedrongen.

Na jarenlange omzwervingen als pelgrim in het oosten waar hij onder meer het Heilig Land bezocht, toonde hij berouw en keerde terug naar Rome, naar het huis van zijn vader en smeekte om gastvrijheid. Zijn ouders herkenden hem niet, maar ze verleenden de arme en berooide pelgrim wel onderdak.

Alexius werkte vervolgens zeventien jaar als knecht in zijn ouderlijke huis, waar hij onder de trap mocht slapen en waar hij ook stierf. Kort voor zijn dood verklapte hij zijn levensverhaal aan de paus, die het, nadat Alexius overleden was, aan de vader en de door Alexius verlaten vrouw vertelde.

Volgens de overlevering begonnen alle klokken van Rome spontaan te luiden toen Alexius stierf. Het verhaal wordt ook uitgebeeld op fresco’s in de onderkerk van de San Clemente.

Het verhaal van de ‘arme onder de trap’ was een geliefd onderwerp van de mysteriespelen tijdens de vijftiende eeuw. De bedoeling van de parabel was de absolute ommekeer te tonen bij de mens die voor de heiligheid kiest, hij wordt er onherkenbaar door.

Ook bij sommige zeventiende-eeuwse dramaturgen was de legende een bron van inspiratie. Stefano Landi zette het op muziek op een libretto van kardinaal Rospigliosi en zelfs tot de vorige eeuw liet de Franse toneelschrijver Henri Ghéon, pseudoniem van Henri Vangeon (1875-1944), zich inspireren door het verhaal (Le pauvre sous l’escalier, 1920). (*) 

Opmerkelijk aan de Santi Bonifacio e Alessio is de achttiende-eeuwse gevel met de vijf bogen. De zeer mooie romaanse campanile uit 1217 heeft vijf verdiepingen, hij behoorde bij de algemene nieuwbouw van de kerk die werd opgetrokken op initiatief van hun naaste buurman, de voormelde paus Honorius III.

De ingang zelf is ook nog dertiende-eeuws, cosmaten hebben het portaal bewerkt. Naast de kerk ligt het klooster van de Clerici Regulares a Somascha, met aan één zijde oude Romeinse kapitelen.

Het huidige interieur van de Santi Bonifacio e Alessio, waarvan de vloer nog dateert uit de dertiende eeuw, is het resultaat van de moderniseringswerken van 1750. Het plafond lijkt wel een staalkaart van een verffabriek.

In deze kerk werd paus Honorius IV (1285-1287) Savello begraven. Hij was de achterneef van paus Honorius III en stierf in de burcht naast de Santa Sabina, een gebouw dat hij tot paleis had omgebouwd.

Zijn cenotaaf die ondertussen naar de Sint-Pietersbasiliek werd verplaatst, bevond zich tegen de gevelmuur aan het begin van de linker zijbeuk, op de plaats waar we nu een weinig aantrekkelijke achttiende-eeuwse barokkapel zien, een werk van Andrea Bergondi. In een weelde van stucco-wolken toont men er een stuk van de ‘oorspronkelijke’ huistrap met eronder een beeld van San Alessio.

Een cenotaaf (van het Griekse kenos = leeg, taphos = graf) was in de klassieke oudheid het grafteken dat werd opgericht voor overledenen van wie het stoffelijk overschot onvindbaar was of zich in het buitenland bevond, dit opdat de ziel in het vaderland de haar toekomende cultus niet zou ontberen.

In latere tijden werd de term cenotaaf ook gebruikt voor graftekens in kerken en dergelijke (meestal aangebracht in de wand) waarvan het bijbehorende eigenlijke graf zich in de vloer of elders bevindt. Zo zijn de beroemde pausgraven in de Sint-Pietersbasiliek cenotafen.

Als we verdergaan in het linkerschip dan zien we tussen de eerste en de tweede zuil de vijf meter diepe waterput die nog zou hebben deel uitgemaakt van het ouderlijke huis van Alexius.

Ondanks de ingreep van 1750 bleven twee dunne kolommen behouden aan elke zijde van de houten bisschopsstoel tegen de achterwand van de apsis. Ze zijn versierd met cosmatenwerk zoals ook de prachtige vloer. Oorspronkelijk waren het er negentien maar de overige kolommen werden door Napoleon geroofd.

De rechterzuil werd gesigneerd ‘Jacobus Laurentii fecit’, zijnde Jacobus Laurentius di Cosma, ofwel Jacobus en Laurentius di Cosma. De familie di Cosma was het bekendste geslacht van mozaïekleggers. Ze waren afkomstig uit Griekenland en werkten in Rome in de periode tussen 1100 en 1300.

Het zware ciborium dateert uit de zestiende eeuw. Een ciborium (van het Griekse kiboorion = peul van een Egyptische boon, ook wel als drinkbeker gebruikt) is een op zuilen rustende altaaroverkapping van metaal, hout of steen, oorspronkelijk bedoeld als bescherming.

Thans is het ciborium alleen nog versiering. Het werd voor de eerste maal vermeld in het Liber pontificalis (vijfde-zesde eeuw) en veelvuldig toegepast in de grote Romeinse basilieken.

Rond het ciborium liggen een aantal graven waaronder achter het altaar, gericht naar de bisschopszetel, een grafsteen van een Savello uit 1288. Op het einde van het rechterschip, net voor de trapjes, zien we een typisch graf in de stijl van de periode rond 1700, voor prinses Eleonora Borghese-Buoncompagni.

Oorspronkelijk bevond het monument zich in een familiekerkje dat, zoals vele andere, ten prooi viel aan de werkzaamheden waarmee Benito Mussolini Rome in de jaren ’30 van de vorige eeuw wilde moderniseren.

Na de trapjes vinden we in het rechtertransept een fonkelende dertiende-eeuwse, (bepaalde bronnen beweren zelfs tiende-eeuwse) Byzantijnse ‘Madonna der Voorspraak’.

Het is echter een kopie, het origineel dat afkomstig was uit Damascus, bevindt zich nu in het museum in Palazzo Venezia. Anachronistisch wordt deze madonna in verband gebracht met de tochten van Alexius in het oosten waarbij hij deze Madonna zou vereerd hebben.

Als de deur achteraan (uiterst rechts) openstaat krijgen bezoekers een uniek zicht over Rome, beheerst door de koepel van de Sint-Pietersbasiliek. Een soortgelijk uitzicht krijg je via de Giardino della Arancia in het vlakbij gelegen Parco Savello en ook door het beroemde sleutelgat en vanuit de tuin van de Ridders van Malta heb je vrijwel dezelfde kijk op Rome. In het tuintje achter deze doorgang worden nu en dan concerten gegeven.

Onder het hoogaltaar werden zoals eerder verteld de beide heiligen begraven.
De mooie crypte onder het hoogaltaar is voor zover we weten de enige romaanse in Rome. Indien het toegangshek open staat, mag je dit eigenlijk niet missen.

Hier worden onder een tegel op het altaar ook de relieken bewaard van de heilige Thomas Becket (1118-1170), de Engelse aartsbisschop die in de kathedraal van Canterbury door huurmoordenaars om het leven werd gebracht en in 1173 heilig werd verklaard. Het graf van Becket in de kathedraal van Canterbury werd in 1538 door Hendrik VIII vernietigd; op dat moment was het Engelands meest bezochte bedevaartsplaats.

Ook de zuil waaraan de heilige Sebastiaan was vastgebonden toen hij met pijlen doorboord werd bevindt zich hier. Het is de centrale zuil onder het altaar, dus deels ondergronds vrijgemaakt.

Een analoge zuil zien we ook in de basilica di San Sebastiano aan de Via Appia. Dat er twee martelaarszuilen bestaan lijkt vreemd maar is verklaarbaar. Sebastiaan stond naar verluidt tussen de twee zuilen waaraan zijn polsen elk afzonderlijk met een koord gebonden waren.

Behalve de mooie twaalfde-eeuwse fresco’s zie je in de crypte ook een Romeinse bisschopszetel. De basiliek is momenteel de titelkerk van de Braziliaanse kardinaal Eusébio Oscar Scheid.

Basilica di Santi Bonifacio e Alessio
Piazza di Sant’Alessio 23, Rome

(*) Henri Ghéon behoorde tot de oprichters en eerste medewerkers van de Nouvelle Revue Française. Hij interesseerde zich voor het volkstoneel en steunde Jacques Copeau bij zijn pogingen tot toneelvernieuwing in het Théâtre du Vieux-Colombier, waar ook zijn eerste ‘volkse’ stukken werden opgevoerd: Le Pain (1911) en Eau-de-vie (1913).

Na de geruchtmakende breuk met André Gide en de belevenissen in de oorlog volgde zijn overgang tot het rooms-katholicisme. Daarna bewerkte hij een zestigtal heiligenlevens voor het toneel die hij zelf met zijn ‘Compagnons de Notre-Dame’ opvoerde in de provincie.

Hoewel geschreven zonder literaire pretentie, hebben sommige toch letterkundige en dramatische kwaliteiten, zoals La farce du pendu dépendu (1920) en Le comédien et la grâce (1925). Zijn opvattingen over het toneel heeft hij neergelegd in L’Art du théâtre (1944). Hij schreef ook enkele romans en essays. Zijn correspondentie met André Gide werd in 1976 uitgegeven.