Flinke uitbreiding voor Palazzo Barberini

Palazzo Barberini in Rome is recent flink uitgebreid en bevat nu liefst 42 kamers boordevol meesterwerken. Bezoekers krijgen nu meer dan 400 kunstwerken te zien waardoor Palazzo Barberini tot de grotere musea van Rome behoort.

Concreet werden in de noordelijke vleugel van de zogenaamde adellijke verdieping tien extra kamers geopend voor het publiek. Ze zijn volledig gerestaureerd. Door de ingreep wijzigt ook het tentoonstellingsplan van Palazzo Barberini. De te volgen route is nu georganiseerd volgens een chronologische en geografische volgorde, van de late zestiende tot de zeventiende eeuw.

barberini

De restauratie omvatte de architecturale structuren, het verlichtingssysteem en het aanbrengen van nieuwe verklarende panelen en bijschriften. In totaal werd 550 m² extra tentoonstellingsruimte gecreëerd. Vanuit de nieuw gerestaureerde ruimtes krijg je vanuit de ramen een zicht op de binnentuin van het museum op een manier zoals dat al vele jaren niet meer mogelijk was voor het publiek.

Palazzo Barberini is vooral bekend omwille van zijn collectie Vlaamse meesters, de zogenaamde Fiamminghi. Net als in Palazzo Corsini vind je hier een schitterende verzameling kunst uit de Nederlanden. Het museum beschikt over kunstwerken van de middeleeuwen tot de achttiende eeuw. Samen maken ze deel uit van de Galleria Nazionale d’Arte Antica.

Ook architectonisch is het gebouw een lust voor het oog, al was het alleen al maar omwille van de indrukwekkende trappenpartijen van zowel Bernini als Borromini. In het enorme museumaanbod van Rome wordt Palazzo Barberini weleens over het hoofd gezien, maar dat is echt zonde. Zelfs los van de kunstcollectie die wordt getoond is een bezoek aan deze architecturale parel absoluut aan te bevelen.

Eén van de grotere veranderingen die werd doorgevoerd in de tentoonstellingsruimtes is dat het werk van Caravaggio niet langer verzameld is in één enkele kamer, maar voortaan interageren met de schilderijen van kunstenaars zoals Giovanni Baglione, Orazio Borgianni, José de Ribera, Bartolomeo Manfredi, Carlo Saraceni, Simon Vouet en Orazio Gentileschi.

Voor de nieuwe kamers werden in totaal 80 extra werken geselecteerd. Sommige zijn nooit eerder tentoongesteld, zoals de genrestukken van de Antwerpse kunstenaar Frans Francken de Jongere (1581-1642).

Een andere nieuwigheid is de opening van de voormalige kapel van het paleis die nu werd getransformeerd in een tentoonstellingshal waar een altaarstuk van Annibale Carracci wordt tentoongesteld.

De nieuwe cirkelvormige tentoonstellingsroute benadrukt ook de vormgeving van het gebouw zelf. Het begint met de zaal gewijd aan het maniërisme of de late renaissance met werken van onder meer Siciolante da Sermoneta, Pietro Francavilla, Girolamo Muziano, Marcello Venusti, Jacopo Zucchi, Jacob de Backer, Joseph Heintz en Jan Metsys, om slechts enkele kunstenaars te vermelden.

Dan volgt de kamer gewijd aan de Venetianen van de late zestiende eeuw met werken van Tintoretto, Palma il Giovane en een zeer interessant schilderij ‘Venere e Adone’ (Venus en Adonis) van de school van Titiaan, dat hier voor het eerst na een zorgvuldige restauratie opnieuw wordt getoond. In deze kamer bevinden zich ook twee werken van El Greco.

In de galerij, die volledig is opgefrist en nieuwe verlichting kreeg om de fresco’s beter tot hun recht te laten komen, zijn werken te zien van Bartolomeo Passerotti, een zeldzame ‘Universele zondvloed’ (Diluvio universale) uit de school van Jacopo Bassano en enkele werken van de voormelde Frans Francken Il Giovane, waarvan sommige rechtstreeks uit de bewaarplaats van het museum komen en al vele jaren niet meer te zien zijn geweest door het publiek.

Vlak naast de kamer met het altaar van Annibale Carraci bevindt zich nog een tweede nieuwe ruimte met fresco’s uit de late zestiende eeuw en landschapsschilderijen van onder meer Paul Bril. Het grootste spektakel speelt zich echter af in de drie volgende kamers die allen te maken hebben met Caravaggio.

In de eerste kamer wordt het bekende doek Judith en Holofernes (Giuditta e Oloferne) gecombineerd met werken van Giovanni Baglione, Orazio Borgianni, Bartolomeo Manfredi en Carlo Saraceni.

In de tweede kamer wordt het al even beroemde schilderij Narcissus (Narciso) geflankeerd door werken van José de Ribera en Simon Vouet en in de derde ruimte zien we Caravaggio’s San Francesco naast werken van Orazio Gentileschi, Bartolomeo Manfredi, Astolfo Petrazzi en Bernardo Strozzi.

De laatste kamers sluiten deze sectie af met schilderijen van Europese Caravaggisten (Trophime Bigot, Angelo Caroselli, Valentin de Boulogne, Giovanni Serodine, Lionello Spada, Matthias Stom, Michael Sweerts, Hendrick Terbruggen en Simon Vouet) en exponenten van de Bolognese schilderschool (Domenichino, Guercino, Giovanni Lanfranco, Pier Francesco Mola, Guido Reni en Simon Vouet).

Hoewel niets er vandaag nog op wijst, is het nog maar enkele decennia geleden dat je in de grote zaal, met het fresco van Pietro da Cortona, kon lunchen. Een officiersclub uit Ascoli had de ruimte ingepalmd en niet zelden hing er een irritante kooklucht die door het hele palazzo drong. Dat is gelukkig al lang verleden tijd.

Palazzo Barberini is bereikbaar langs de vroegere zij-ingang, de in 1875 afgebroken hoofdingang lag aan de huidige Piazza Barberini. De versierselen langs de straat zijn negentiende-eeuws. Paus Urbanus VIII Barberini (1623-1644) liet voor zijn familie dit barokpaleis optrekken.

Na Palazzo Farnese en Palazzo Borghese (1514-1589) is dit wellicht het meest imposante paleis van Rome. Zoals zijn opvolgers Innocentius X Pamphili en Alexander VII Chigi, was Urbanus VIII een zogenaamde ‘paus-bouwer’ en een bewonderaar van Bernini. Het palazzo staat in een grote tuin met pijnbomen, waar zich ook een beeld van de Deense kunstenaar Albert Thorwaldsen bevindt. De basis van het Barberini-complex werd gevormd door het bestaande palazzo Sforza dat de paus had gekocht. Bij opgravingen werden onder het gebouw woningen uit de keizertijd teruggevonden evenals een mithraeum met fresco’s.

De bouw van palazzo Barberini begon in 1627 onder leiding van Carlo Maderno maar Borromini, zijn neef, was reeds vanaf 1625 als tekenaar bij het ontwerp betrokken. Twee jaar later, na de dood van Carlo Maderno werd de jonge Bernini (1598-1680) architect. De even oude en dus sterk gefrustreerde Borromini (1599-1667) bleef tot 1633 zijn assistent, toen het paleis vrijwel voltooid was.

Er is menig woordje gediscussieerd over welk deel van het ontwerp aan Maderno moet worden toegeschreven en welk deel aan Bernini, terwijl ook voor Borromini het een en ander is weggelegd. Men neemt aan dat, hoewel het paleis verre van compleet was toen Bernini het overnam, deze zich grotendeels aan de plannen van Maderno heeft gehouden en slechts enkele wijzigingen heeft aangebracht.

Carlo Maderno opteerde voor een model gebaseerd op een open renaissance-villa in plaats van het klassieke gesloten stadspaleis. Bernini volgde dit idee en ontwierp een voorgevel volgens het schema van de villa’s in de omgeving van Rome. Zo werd de centrale porticus met de dubbele rij grote vensters erboven, het belangrijkste architectonische element van het paleis, door Bernini ontworpen.

Een aantrekkelijk en ongewoon kenmerk is dat deze porticus zich naar de ovale vestibule in het hart van het gebouw versmalt, van zeven bogen in de gevel, naar vijf en dan naar drie. Let ook op het ingenieuze valse perspectief van de omlijsting van de ramen op de bovenste verdieping, bedoeld om een evenwichtig uiterlijk te handhaven en toch rekening te houden met de kleinere vertrekken met kleine vensters op die etage.

Bernini heeft tevens zijn stempel gedrukt op twee kleine bovenramen met wonderlijke frontons in de verbindingsstukken tussen hoofdgebouw en zijvleugels. Let vooral op de versiering rond de vensters met bovenaan de schelp, een eerste toepassing van dit Michelangelo-motief, hier uitgewerkt met uitspringende zijelementen.

De Franse schrijver Marie-Henri Beyle, beter bekend als Stendhal (1783-1842) waardeerde dit niet, hij schreef dat het ‘een voorbeeld van de slechte smaak van Bernini’ was. Het linker rechthoekige trappenhuis is eveneens met zekerheid door Bernini ontworpen, terwijl de rechter ovale wenteltrap een ontwerp van Borromini is.

Het paleis werd in 1949 door de Italiaanse Staat aangekocht met de bedoeling er de Galleria Nazionale d’Arte Antica te huisvesten. Tot 2006 bezette het ministerie van Defensie nog een belangrijk deel van het gebouw. Vandaag bevindt zich in het paleis het Museo Barberini dat samen met de verzameling van palazzo Corsini deel uitmaakt van de Galleria Nazionale d’Arte Antica.

Deze bezit een verzameling van ruim 2.500 schilderijen waarvan er ongeveer 1.300 in palazzo Barberini en 700 in palazzo Corsini getoond worden. De rest werd ter verfraaiing ondergebracht in verschillende ministeries en in het parlement. Een aanzienlijk gedeelte van de collectie is niet te zien en bevindt zich in een geklimatiseerde opslagplaats.

Palazzo Barberini
Via delle Quattro Fontane 13, Rome
www.barberinicorsini.org

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.