Archive for maart, 2020

Palazzo Zuccari in de Via Gregoriana

31 maart 2020

Nu we gisteren ronddwaalden in de Via Sistina, is het misschien interessant om even een kijkje te nemen in de vlakbijgelegen en haast evenwijdig lopende Via Gregoriana, waar zich op het nr. 28-30 een opmerkelijk gebouw bevindt.

zuccari (6)

Het Palazzo (of Palazzetto) Zuccari, waar vandaag de Bibliotheca Hertziana – Max Planck-Institut für Kunstgeschichte is gevestigd, valt meteen op door de toegangsdeur en de ramen die werden uitgebouwd met afschrikwekkende monsterachtige monden.

De locatie gaat terug tot de oudheid. Het palazzo is gebouwd op een stukje van de befaamde tuinen van Luculus die zich in de eerste eeuw vanaf hier tot aan de huidige Pincio uitstrekten. Tijdens de werken aan de bibliotheek werden talrijke mozaïeken en resten gevonden uit 60 v. Chr. die ooit deel uitmaakten van de beroemde lusttuinen.

De schilder Federico Zuccari, die het gebouw in 1591 zelf had ontworpen en gebouwd nadat hij een jaar eerder de grond had gekocht, ontwierp deze duivelachtige deur als een fantastische ingang van zijn tuin. Vandaag is het de toegang tot de bibliotheek van het onderzoeksinstituut.

zuccari (4)

De nieuwe bibliotheek werd ontworpen en in het historische pand geïntegreerd door de Spaanse architect Juan Navarro Baldeweg. Niets laat vermoeden dat het historische gebouw vandaag een moderne architecturale parel herbergt.

In 1590 kocht Federico Zuccari een stuk grond aan de drie jaar eerder aangelegde Via Sistina, dicht bij de Monte Pincio. De naam en faam van Zuccari was toen al lang gemaakt maar paus Sixtus V was de jaren voordien volop bezig geweest met de stadsontwikkeling en probeerde vooral ambachtslieden en kunstenaars naar Rome te lokken.

Door het toekennen van speciale privileges en voordelen hoopte de paus dat die zich definitief in de stad zouden vestigen. Dergelijke mensen waren volgens de paus erg nuttig om te helpen de stad te verfraaien en aangenamer te maken om in te leven. Daarin had de man natuurlijk geen ongelijk.

De Bibliotheca Hertziana, Max Planck Instituut voor Kunsthistorische Documentatie, is ontstaan dankzij de Joodse filantrope Henriette Hertz (1846-1913). Een jaar voor haar dood, in 1912, bepaalde ze dat de Kaiser-Wilhelm-Society (later Max Planck Instituut) de beschikking kreeg over Palazzo Zuccari op voorwaarde dat er een kunsthistorisch instituut zou worden opgericht.

De Spaanse architect Juan Navarro Baldeweg bouwde met – voornamelijk – staal en travertijn in het historische pand een nieuwe bibliotheekvleugel met daarin een trapeziumvormige binnenplaats. Daar omheen bevinden zich de leeszalen die apart lijken te staan maar toch deel uitmaken van het architectonische geheel.

Naar eigen zeggen had de architect de terrastuinen van Lucullus voor ogen toen hij de bibliotheek ontwierp. Zoals gezegd laat niets vermoeden dat in het historische Palazzo Zuccari een dergelijk stuk moderne architectuur verborgen zit.

De Bibliotheca Hertziana, Max Planck Instituut voor Kunstgeschiedenis, beschikt over een gespecialiseerde bibliotheek met op dit moment ongeveer 270.000 boeken. De fototheek bezit ongeveer 800.000 foto’s.

Wat Italiaanse kunst aangaat is de Bibliotheca Hertziana één van de beste documentatiecentra ter wereld. De Bibliotheca Hertziana, thuisbasis van het Max Planck Institut für Kunstgeschichte, staat dan ook goed aangeschreven bij de wetenschappelijke gemeenschap en bij studenten.

De restauratie van het gebouw en de werken aan de bibliotheek duurden meer dan tien jaar. Een grondige renovatie van de bibliotheek was door een gebrek aan ruimte en de verplichte aanpassingen aan allerlei (veiligheids)normen al langer nodig.

Er werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven, waarna er ruim een decennium werd gewerkt aan (vooral) het interieur van Palazzo Zuccari. Het project zou uiteindelijk 23 miljoen euro kosten, waarvan 17 miljoen euro werd gesubsidieerd. De rest van het geld kwam van privésponsors, waaronder bedrijven zoals BASF en Siemens.

In Palazzo Zuccari bevindt zich nu een constructie van staal en glas die wordt gesteund door grote palen die 45 meter diep in grond zitten. Door gebruik te maken van een soort ondergrondse brug kijk je uit op de antieke overblijfselen uit de tuinen van Lucullus die hier werden ontdekt, gaande van vazen en planten tot mozaïeken.

Deze werden gevonden op een diepte van 9 meter onder het huidige straatniveau. De afbeeldingen, waaronder eentje van Cupido op een dolfijn en een met een wolvenkop in groen en goud, dienden waarschijnlijk als versiering van een groot nymphaeum, een kunstmatige grot met waterpartijen.

zuccari (2)

Opgravingen onder de bibliotheek brachten ook een marmeren buste van Venus aan het licht, vermoedelijk was dit één van de beelden die het nymphaeum versierden. De vondsten dateerden uit de eerste eeuw na Christus.

“De architectuur van de oude Romeinse tuinen kwam tot leven waar wij bijstonden. Het leek wel een droom,” verklaarde Maria Antonietta Tomei, van de Romeinse Archeologische Dienst destijds na de ontdekking. De opgravingstermijn werd een paar keer verlengd in de hoop meer vondsten te doen. De restauratiewerken in Palazzo Zuccari waren toen al zes jaar aan de gang.

De exacte omvang van de befaamde tuinen van Lucullus is onbekend, maar waarschijnlijk strekten ze zich uit over de hele Pincioheuvel, van het Piazza del Popolo in het noorden, de Porta Pinciana in het oosten tot de omgeving van de huidige kerk Trinità dei Monti aan het Piazza di Spagna.

Van het oorspronkelijke tuinencomplex zijn niet veel restanten teruggevonden. Slechts een aantal fragmenten van terrassen en de fundamenten van gebouwen zijn al eerder opgegraven.

De Pincio heeft sinds de middeleeuwen steeds zijn functie als privépark voor belangrijke inwoners van de stad behouden. In de twintigste eeuw werd het park op de heuvel bij de Villa Borghese gevoegd waardoor het hele gebied kon uitgroeien tot een gigantisch openbaar park waar Romeinen zich vooral op warme dagen graag komen ontspannen.

De beroemde tuinen van de Romeinse generaal Lucius Licinius Lucullus vormden het model voor latere tuinen in de stad en werden verder ontwikkeld door de Romeinse keizers. De tuinen werden in de eerste eeuw voor Christus ontworpen rondom een patriciersvilla en waren één van de eerste pogingen landschapsarchitectuur toe te passen in het westen.

Lucius Licinius Lucullus was een beroemd Romeins militair en politicus uit de eerste eeuw v. Chr. Hij behoorde tot de conservatieve optimates. Hij was quaestor onder de dictatuur van Sulla (87-85 v. Chr.) en één van de zeldzame integere medewerkers van deze dictator. Lucullus was consul in 74 v. Chr. en voerde in die hoedanigheid met succes oorlog tegen koning Mithridates VI van Pontus (in de Derde Mithridatische Oorlog).

Tegelijkertijd voerde hij in de provincie Asia een financiële sanering door van de steden, die onder zware schuldenlasten gebukt gingen als gevolg van de woekerpraktijken van de Romeinse belastingpachters en geldschieters. Door zijn toedoen werd de rente van 48% tot 12% verlaagd en renteachterstanden, die de 100% te boven gingen, werden kwijtgescholden.

Daardoor kwam Lucullus in aanvaring met de belangen van de financiële wereld die tegen hem begon te ageren, zodat hij in 67 v. Chr. zijn commando moest overdragen aan Gnaeus Pompeius Magnus maior op aandringen van de hem vijandig gezinde equites.

Verbitterd hield Lucullus zich sindsdien buiten de politiek en wijdde zich tot zijn dood in 56 v. Chr. aan de verfraaiing van zijn huizen en parken, zijn visvijvers, zijn waardevolle bibliotheek en zijn kunstverzameling. Hij liet hiervoor onder meer zijn befaamde tuinen aanleggen en gaf zich over aan een leven vol extravagante luxe.

Lucullus werd beschouwd als de rijkste man van Rome, na Crassus. Lucullus raakte ook bekend om zijn spreekwoordelijk geworden weelderige en buitengewoon verzorgde maaltijden en zijn voorliefde voor exotische gerechten. Hoeveel hedendaagse restaurants dragen niet de naam Lucullus?

Zijn tuinen, die zoals verteld begonnen op de Pincio, even buiten de stadsmuur, liepen van de top tot aan de voet van de heuvel, waar het Marsveld lag. Lucullus liet er terrassen met fonteinen aanleggen en bouwde een grote villa met een aantal eetzalen die elk een eigen naam hadden. Zo kreeg één van de meest luxueuze zalen de naam Apollo.

Hij bouwde in het complex ook een openbare bibliotheek uit, waar zijn befaamde en omvangrijke boekencollectie een plaats kreeg. In de tuinen kweekte hij een grote hoeveelheid exotische planten, waarvan hij er veel had meegebracht tijdens zijn campagne in het oosten.

De bekendste hiervan was de kersenboom, die hij zo in Europa introduceerde en had ontdekt in de stad Cerasus in Klein-Azië (een kolonie van Sinope). Het woord kers (cerise in het Frans) is rechtstreeks terug te leiden tot Cerasus.

In het jaar 46 kwamen de tuinen in handen van de consul Valerius Asiaticus. Messalina, de derde vrouw van keizer Claudius, wilde de tuinen echter dolgraag hebben en dwong Asiaticus tot zelfmoord, waarna ze het complex in bezit nam.

Lang heeft ze er niet van kunnen genieten, want in 48 bedroog ze haar man, was er sprake van een samenzwering tegen haar echtgenoot en werd ze in de villa ter dood gebracht. Daarna werden de befaamde tuinen van Lucullus keizerlijk bezit.

In de loop van de tweede eeuw werden de tuinen verkocht aan de familie Acilii Glabriones, die er een nieuwe villa lieten bouwen. Hierna stond het complex bekend als Horti Aciliorum.

Vanaf 271 werd de Aureliaanse Muur om Rome gebouwd en de Pincioheuvel met zijn tuinen viel toen voor het eerst binnen de stadsgrenzen. In de vijfde eeuw kwamen de tuinen in het bezit van de familie Pincia. Het complex stond toen bekend als de Domus Pinciana en de huidige heuvel ontleent hieraan zijn naam.

De oorspronkelijke bewoners van het palazzo, de schilderende broers Federico en Taddeo Zuccari (soms ook wel Zuccaro of Zucchero geschreven) werden er door hun vader al vroeg op uitgestuurd om afzonderlijk van elkaar de schilderkunst onder de knie te krijgen. Hiervoor verhuisden ze van Sant’Angelo in Vado naar Rome.

Als één van de meest gewaardeerde schilders van zijn tijd kreeg Taddeo Zuccari talrijke opdrachten, onder meer van paus Julius III. Twee van zijn belangrijkste werken zijn de beschildering van de Mattei-kapel in de Santa Maria della Consolazione (1553-1556) en van de Frangipani-kapel in de San Marcello al Corso (1558-1559).

Bij de uitvoering van de frescocyclussen in het Farnesepaleis in Caprarola (1560-1561) werd hij geholpen door zijn broer Federico. De jaren daarna schilderde hij voorts in het Vaticaan (Cortile della libreria, Sala Regia), in de Pucci-kapel van de Trinità dei Monti en in de ‘cappella maggiore’ van de Santa Maria dell’ Orto.

Taddeo Zuccari was ook een vaardig tekenaar; zijn tekeningen zijn van groot belang voor de reconstructie van zijn geschilderd oeuvre, dat door Vasari gedetailleerd beschreven is, maar waarvan een deel is verdwenen.

Federico was een eclecticus en ontwikkelde zich tot één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het late maniërisme. Hij reisde door de Nederlanden en Frankrijk en verbleef een tijd in Engeland (1574-1575), waar tal van geschilderde en getekende portretten, onder andere van koningin Elizabeth, aan hem worden toegeschreven, en in Spanje (1586-1588), waar hij in het Escoriaal voor Filips II werkte.

In 1593 werd hij de eerste directeur van de Accademia di San Luca in Rome, die hij mee heeft opgericht. Federico maakte in zijn kunsttheoretische verhandeling onderscheid tussen de ‘disegno interno’ (idee) en ‘esterno’ (vorm). Zeer interessant zijn de 87 tekeningen die hij maakte voor Dantes Divina commedia (Uffizi, Firenze).

Door de prenten die naar zijn schilderijen zijn gemaakt, heeft hij veel invloed uitgeoefend op tijdgenoten, ook buiten Italië. Bekende geschriften van Federico Zuccari zijn Idea de’pittori, scultori ed architetti (1607) en Passaggio per l’Italia (1608).

zuccari (3)

In zijn vroegere door hemzelf ontworpen woonhuis, het Palazzo Zuccari, bevinden zich eveneens fresco’s van zijn hand. Het gebouw is zoals in het begin verteld vooral bekend van de deur en ramen die werden uitgebouwd met afschrikwekkende monden.

Federico Zuccari heeft hiervoor waarschijnlijk inspiratie gevonden in het Parco dei Mostri in Bomarzo, nabij Viberbo, zo’n 70 km ten noorden van Rome. Dat park opende in 1552. Naar verluidt was het de bedoeling om bezoekers te doen aarzelen om naar binnen te gaan. Daardoor was het effect bij het zien van de prachtige tuin daarna extra groot.

zuccari (5)

Federico heeft zijn mooie huis zelf nooit voltooid gezien, want hij stierf voordat het volledig klaar was. In zijn testament werd wel bepaald dat de woning moest dienen voor de opvang van buitenlandse kunstenaars.

Terwijl het gebouw letterlijk rust op de geschiedenis van Rome kijk je vanop het prachtige terras uit over de Eeuwige Stad. Rondleidingen in de Biblioteca Hertziana kunnen op aanvraag gebeuren.

Bibliotheca Hertziana
Max-Planck-Institut für Kunstgeschichte
Via Gregoriana 28-30, Rome

Max-Planck-Gesellschaft
+ 39 0669 993 227
institut@biblhertz.it

Bibliotheca Hertziana
+39 0669 993 242
info@biblhertz.it

Alle informatie vind je op www.biblhertz.it

Italië blijft tot minstens 12 april afgesloten van de buitenwereld

30 maart 2020

Italië verlengt de noodmaatregelen tegen het coronavirus voorlopig tot Pasen. Daardoor blijven het uitgaansverbod en alle opgelegde sluitingen van kracht tot minstens 12 april. De verlenging van de maatregel moet nog officieel worden bekendgemaakt, maar lekte vandaag uit na een vergadering van het wetenschappelijke en technische comité. Minister van Volksgezondheid Roberto Speranza ontkende het bericht niet maar gaf nog geen details. De totale quarantaine in Italië zou oorspronkelijk nu vrijdag 3 april aflopen.

Een wandeling door de Via Sistina in Rome

30 maart 2020

We hadden het recent over de culinaire hotspots Mosaico en Da Sistina in het vorig jaar heropende Hotel de la Ville in de Via Sistina, vandaag vertellen we iets meer over deze straat. In het verleden werd ze soms ook wel ‘strada Felice’ genoemd, dit naar de voornaam van paus Sixtus V (1585-1590, geboren als Felice Peretti da Montalto) die de weg in 1587 aanlegde. Ze maakt de verbinding tussen Piazza della Trinità dei Monti en Piazza Barberini.

Naar Romeinse normen gemeten is de hele buurt hier vrij recent, ze is niet meer dan 400 jaar oud. In tegenstelling tot zijn voorgangers die zich uitsluitend op de leefbaarheid van de oude stad hadden gericht, besloot Sixtus V de stadskern uit te breiden binnen de wijde omtrek van de Aureliaanse muur, met de oude woonwijken die sinds de vijfde eeuw braak lagen.

Sixtus V, de vader van de moderne stadsplanning ontwierp tevens een netwerk van wegen die stervormig van de Santa Maria Maggiore uitstraalden en de basiliek verbond met de andere basilica’s en voor pelgrims belangrijke plaatsen.

Laten we even de Via Sistina volgen. Op nr. 48 woonde de Deense classicistische beeldhouwer Bertel Thorwaldsen (1768-1844). Zijn sindsdien volledig herbouwde huis was de ontmoetingsplaats voor vele kunstenaars. Ook koning Ludwig I van Beieren kwam er ooit op bezoek.

Een eeuw eerder werd dit huis bewoond door Giambattista Piranesi (1720-1778), de auteur van de vele mooie etsen van Rome waarover heel wat boeken bestaan en waarvan kopieën vandaag nog overal in de boekenkraampjes verkocht worden. De etsen werden zelfs in dit huis gemaakt.

Het huis op nr. 59 was de woning van graaf Stroganoff en vóór hem werd het bewoond door de flamboyante etser, schilder en dichter Salvator Rosa. Het meesterwerk van Gabriele d’Annunzio (1863-1938) ‘Il Piacere’ uit 1889, in Nederlandse vertaling ‘Het kind van de lust’, heeft dit huis en het Palazzo Zuccari als setting.

In het boek wordt Rome op prachtige wijze in beeld gebracht, de zestiende-eeuwse hoven en weelderige barokpaleizen worden tot in detail beschreven zodat de stad bijna één van de hoofdpersonages wordt. Met deze roman werd de decadente estheticus d’Annunzio op slag een cultfiguur.

Links op nr. 72 woonde de bekende Zwitserse kunstschilderes Angelika Kauffmann (1741-1807). De woning is nu opgenomen in het Hotel de la Ville waarmee je eerder kennis kon maken. In de tuin plantte Angelika Kauffman dadelpalmen die Goethe gekweekt had uit pitten, de boompjes kwamen er tot volle groei.

Iets verder, op de hoek met de Via Francesco Crispi (de eerste straat die de Via Sistina kruist) staat links (nr. 104) het ongewijzigde huis waarin de Deense sprookjesverteller Hans Christian Andersen (1805-1875) een tijdlang verbleef. Hij vertelt onder andere (een foute versie van) het verhaal van het gestrande bootje dat aanleiding gaf tot de Fontana della Barcaccia voor de Spaanse Trappen.

Michelangelo, zo schrijft Andersen, die de ontwerptekening voor de fontein moest maken, koos het motief van het scheepje zodat nu in het ronde bekken een stenen boot ligt waaruit water spuit. Wij weten dat het ontwerp het werk was van Pietro Bernini (1562-1629) de vader van Gian Lorenzo (1598-1680) en dus niet van Michelangelo. Andersen verbleef vier keer in Rome en maakte er meer dan honderd pentekeningen.

De Via Crispi loopt ook rechts (dalend), daar bevindt zich links de bakstenen San Giuseppe a Capo le Case. In het bijhorende klooster van de Zusters van de Heilige Drievuldigheid bevindt zich een Scala Sancta, een heilige trap. Deze trap heeft echter niets te maken met Jeruzalem, Pontius Pilatus of met de heilige Helena.

Hij werd daar in 1717 geplaatst door Tommaso Mattei, een leerling van Bernini, op initiatief van zuster Serafina, de toenmalige kloosteroverste. Omdat haar medezusters het klooster niet mochten verlaten om naar de echte heilige trap bij de Lateraanbasiliek te gaan, verleende paus Clemens XI exclusief aan de zusters dezelfde aflaten voor hun trap. Achter het hoofdaltaar van de kerk is de trap door een glazen deur zichtbaar.

We keren terug naar de Via Sistina. Daar bevindt zich links op nr. 113 een klooster waar volgens bepaalde bronnen Franz Liszt in oktober 1861 twee kamers zou betrokken hebben, dit in afwachting van de uitspraak door de paus betreffende zijn huwelijksplannen met prinses Carolyne Sayn-Wittgenstein, een verhaal dat je hier nog eens kan nalezen.

Op nr. 126 woonde Luigi Rossini (1790–1857), een bekende artiest die bekend stond omwille van zijn fraaie etsen van de oude Romeinse architectuur. Zijn buurman op nr. 125 was de schrijver Nikolaj Vasiljevitsj Gogol (1809-1852), die hier zijn vaste stek had. Tussen 1837 en 1847 verbleef Gogol negen keer in Rome.

Op deze plek schreef hij het eerste deel van zijn meesterwerk ‘Dode Zielen’ dat in mei 1842 verscheen. Gogol wilde aanvankelijk een trilogie te schrijven, maar alleen deel 1 is volledig overgebleven.

De schrijver verbrandde heel wat pagina’s uit deel 2 omdat hij er niet tevreden over was, zodat daarvan slechts enkele fragmenten bewaard bleven. Achteraf had hij spijt van deze vernietiging. Gogol zag zijn Dode Zielen als een soort moderne Divina Commedia.

Hij tekende in het eerste deel het ‘inferno’ van het Russische leven in heel zijn verschrikking. De bedoeling was een tweede deel te bevolken met edele zielen om de lezer in het derde deel binnen te leiden in het paradijs. Dode Zielen wordt thans gerekend tot de grote werken uit de wereldliteratuur.

Iets verder, op nr. 129, vinden we het Teatro Sistina, dat humoristisch toneel brengt maar vooral gekend is voor de uitvoering van grote internationale musicals. Het gebouw werd in 1946 ontworpen door Marcello Piacentini op de voormalige locatie van het Pontificio Istituto Eclesiastico Polacco. Het werd ingehuldigd op 28 december 1949 als een bioscoop, maar werd later vooral gebruikt voor theater- en cabaretvoorstellingen.

Eenzame paus geeft Urbi et Orbi-zegen op verlaten Sint-Pietersplein

29 maart 2020

Helemaal alleen, op een verlaten Sint-Pietersplein, heeft paus Franciscus vrijdagavond het Urbi et Orbi (voor de stad en de wereld) uitgesproken. Dit is de belangrijkste zegen van de katholieke kerk en wordt door de paus eigenlijk alleen gegeven ter gelegenheid van Kerstmis en Pasen. Ook nadat hij verkozen is tot paus is het gebruikelijk dat de nieuwe kerkleider deze zegen uitspreekt.

Franciscus maakte nu een uitzondering vanwege de ernst van de viruspandemie. Italië overschreed dit weekend de kaap van de 10.000 dodelijke slachtoffers. De paus stond alleen op een geïmproviseerd podium vlak voor de Sint-Pietersbasiliek. Het Sint-Pietersplein zelf is al een aantal dagen gesloten voor het publiek. Het Urbi et Urbi werd door miljoenen Italianen gevolgd op televisie.

Naast de paus bevond zich het beroemde miraculeuze kruis uit de San Marcello al Corso. De paus was op 15 maart al eens op bezoek geweest in die kerk om er te bidden bij het kruis. Donderdag werd het met goudpoeder beklede levensgrote kruis, waaraan wonderlijke krachten worden toegeschreven, naar het Vaticaan gebracht. Het is niet bekend hoe lang het beeld daar blijft.

In 1522, zestien dagen nadat het crucifix in een processie door Rome werd gedragen, stopte de toen heersende pestepidemie. Dit was de aanleiding tot de oprichting van de broederschap van de ‘Santissimo Crocifisso’.

Een ander object op het tijdelijke pauselijke podium vrijdagavond was het aan Sint-Lucas toegeschreven Byzantijnse icoon met de eretitel Salus Populi Romani. Dit icoon van de Madonna en het Christuskind met een evangelieboek wordt bewaard in de Cappella Paolina van de Santa Maria Maggiore-basiliek. Ook daar was de paus op 15 maart persoonlijk gaan bidden.

Paus Gregorius I liet het icoon tijdens de paasfeesten in 593 door heel Rome dragen om het ​​einde van een epidemie af te smeken. Ook paus Gregorius XVI vereerde het icoon in 1837 door te bidden voor het einde van een choleraplaag.

Het icoon is één van de afbeeldingen waarvan wordt aangenomen dat ze door de evangelist zelf zijn geschilderd. Het zou in Rome vanuit Kreta gearriveerd zijn in 590 na Chr. tijdens het pontificaat van paus Gregorius de Grote (590-604), die het persoonlijk verwelkomde bij aankomst. Het icoon werd in een boot vol bloemen de Tiber opgevaren tot in het centrum van de stad. Het kunstwerk werd in 2018 gerestaureerd door de Vaticaanse Musea.

De uitdrukking Salus Populi Romani gaat terug op het rechtssysteem en de heidense rituelen van de oude Romeinse Republiek. Na de legalisering van het christendom door keizer Constantijn door het Edict van Milaan in 313 na Christus, werd de uitdrukking overgenomen als een titel voor de maagd Maria.

Archeologiedagen uitgesteld tot 9, 10 en 11 oktober 2020

28 maart 2020

Omdat het onduidelijk is hoe lang de viruscrisis nog zal aanslepen, hebben de organiserende partners beslist de jaarlijkse Archeologiedagen niet te laten plaatsvinden op 29, 30 en 31 mei 2020, maar deze uit te stellen naar 9, 10 en 11 oktober 2020.

Dat geeft de organisatoren van kleine en grote initiatieven zekerheid en voldoende tijd om hun activiteit voor te bereiden. Het is immers de bedoeling om opnieuw een boeiend en uitgebreid programma te kunnen samenstellen voor de derde editie van de Archeologiedagen. Tijdens de Archeologiedagen kunnen jong en oud kennismaken met het verleden onder onze voeten.

archeologiedagen

In heel Vlaanderen kan je gedurende drie dagen deelnemen aan allerhande archeologische activiteiten: een archeologische fietstocht, een Romeinse kookworkshop, een bezoek aan een opgraving, … Vorig jaar telden de Archeologiedagen 27.000 bezoekers.

De Archeologiedagen zijn een gezamenlijk initiatief van de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen, de Vereniging van de Vlaamse Provincies en het Forum Vlaamse Archeologie.

www.archeologiedagen.be

Ode aan de schoonheid van Italië

27 maart 2020

De bekende en veelgeprezen Italiaanse videomaker Oliver Astrologo heeft zopas een nieuw filmpje uitgebracht om de Italianen te herinneren aan de geweldige schoonheid van hun land, vooral in deze moeilijke tijden.

De film is ook bestemd voor de vele miljoenen mensen die Italië momenteel noodgedwongen moeten missen. Het promotiefilmpje moet hen ertoe aanzetten om, zodra de viruscrisis voorbij is, zeker opnieuw te kiezen voor Italië als vakantieland waar je echt alles kan beleven.

De filmmaker zegt dat dat de straten en pleinen in Italië er nu weliswaar verlaten bijliggen en dat de Italianen alleen nog maar kunnen genieten van de schoonheid van hun land als ze door het raam kijken. Maar omringd door stilte, toch behoorlijk uniek, ziet ons land er eigenlijk nog mooier uit, aldus de regisseur.

Eén van de bekendste uitspraken van Astrologo is deze: Wij Italianen zijn rare mensen. We leven in het mooiste land ter wereld en we doen alsof we het niet weten.

De stem in het filmpje is van de Italiaanse acteur Paolo Buglioni. De film zelf is een visuele ode aan de schoonheid van Italië, met prachtige locaties, landschappen, mensen, tradities, vakmanschap en creativiteit, van noord tot zuid.

De video eindigt met een boodschap van hoop, moed en nationale trots: “Maar één ding zou ons moeten opvrolijken, namelijk dat zodra dit drama voorbij is, we die lege pleinen opnieuw zullen vullen. De schoonheid van ons land zal er dan nog steeds zijn om van te genieten. Je kan het filmpje hier bekijken.

Oliver Astrologo werkt wereldwijd en maakte vijf jaar geleden ook al een bijzonder levendig en knap sfeerfilmpje over Rome. Als je het bekijkt heb je meteen zin om te vertrekken.

Dat kan nu natuurlijk even niet, maar het erg intense filmpje is sterk aan te bevelen voor wie onze lievelingsstad te lang moet missen. Je kan het hier bekijken.

De regisseur maakt in opdracht van Turismo Roma ook regelmatig promospotjes. Een aantal daarvan kan je bekijken op zijn website.

Romeinen mogen niet meer naar de kust

26 maart 2020

Met een nieuwe en zopas getekende verordening verbiedt burgemeester Virginia Raggi van Rome haar inwoners per onmiddellijke ingang om nog uitstapjes naar de kust te maken. Ook verplaatsingen naar een eventueel tweede verblijf of buitenhuis zijn voor de Romeinen voortaan verboden.

Het nieuwe verbod zal niet op gejuich worden onthaald. Een uitstapje naar zee maken is iets wat de Romeinen bijzonder graag doen, maar volgens Raggi is de ingreep nodig om nieuwe virusbesmettingen te beperken.

Eerder werd ook al de toegang tot openbare parken, villa’s en tuinen verboden, waardoor de Romeinen ook niet langer recreatieve activiteiten kunnen uitoefenen of zelfs gaan joggen in de parken. Fysieke buitenactiviteiten kunnen enkel nog gebeuren in de buurt van de eigen woning, voor zover voldoende afstand van andere mensen wordt gehouden.

De inwoners zijn nu eigenlijk volledig geïsoleerd. Voor verplaatsingen is een doorgangsbewijs nodig. De politie controleert op straat. Veel vrijheid is er niet meer bij. Het geluksgevoel van de Romeinen is ver weg.

Luchthaven Fiumicino Rome sluit vanaf morgen ook instapzone E

26 maart 2020

Nadat de luchthaven Leonardo da Vinci (Fiumicino) in Rome op 17 maart Terminal 1 voor alle passagiersverkeer sloot en alle activiteiten verhuisde naar Terminal 3, gaat vanaf morgen ook instapzone E dicht. Sinds 14 maart is ook de passagiersterminal voor lijnvluchten op de kleinere luchthaven Ciampino gesloten. Voor het cargovervoer wijzigt niets.

De reden voor de nieuwe ingreep in Fiumicino is de systematische daling van het vliegverkeer op de grootste Romeinse luchthaven. Het aantal vluchten dat nog wordt uitgevoerd bedraagt momenteel nog slechts 10% van de normale trafiek. De meeste luchtvaartmaatschappijen hebben hun passagiersvluchten van en naar Rome stopgezet.

Vanaf vrijdag 27 maart worden alle incheckoperaties, veiligheidscontroles en afhandelingen van bagage uitgevoerd in Terminal 3. Pier B is gereserveerd voor binnenlandse en Schengen-vluchten en Pier D is beschikbaar voor extra Schengen-vluchten. De l’Area di Imbarco of Boarding Area E wordt vanaf morgen dus niet meer gebruikt.

Streng en druk: de Severi

26 maart 2020

Avonturen met opschriften – IX

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de negende bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel IX. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

Het mag niet, laat ik dat voorop stellen, maar áls u op een onbewaakt ogenblik inderdaad een steen werpt vanaf de Lapis Niger, hebt u een goede kans dat deze tegen de boog van Septimius Severus botst, want die staat inderdaad op een erg letterlijke steenworp afstand van het beroemde zwarte plaveisel.

severi(3)

Over het opschrift op deze boog is heel wat te vinden, want zelfs veel reisgidsen (en bij uitbreiding zowat alle wandelende gidsen) vermelden dat er in deze tekst geknoeid is en dat de naam van Geta is uitgewist. Gedelgd. Deletum. En dat klopt. Maar er is nog heel wat meer over dit opschrift te vertellen. Bovendien staat het niet alleen (of wat dacht u?). Tijd om een Severusronde te gaan maken…

Laat ik eveneens voorop stellen dat ik geen fan ben van de Severi. Van vader Septimius niet, van zoonlief Caracalla nog minder, van Macrinus en van Eliogabalus nóg minder (zo dat al mogelijk is).

Op zich hebben ze een mooie carrière gemaakt, maar dat zegt niet alles. Ik ben ook geen fan van George W. Bush of van Trump. Alexander Severus ging nog het beste, al komt de eigenlijke schoonheidsprijs toe aan de twee dames, Iulia Domna en Iulia Mamaea die verreweg het meeste verstand en het nobelste karakter hadden.

Van de andere kant valt niet te ontkennen dat de Severi nadrukkelijk aanwezig zijn in het straatbeeld van Rome. Septimius breidde het paleis op de Palatijn flink uit. De boog die in 203 op het Forum werd neergeplant, vermeldde ik al.

Vlak in de buurt herstelde hij ook nog de tempel van Vespasianus. Op het Forum Boarium richtten de handelaars een kleine boog voor hem op, de Boog van de Geldwisselaars. Ten slotte voltooide Caracalla het immense thermencomplex dat zijn naam draagt. Kortom: de Severi hadden het druk met bouwen.

Druk? Nog drukker zelfs, want er zijn twee monumenten in de stad die eveneens gerenoveerd werden door de Severi, maar die men zelden met hen in verband brengt. Maar laat ons beginnen met de grote boog op het Forum.

Deze boog wordt gekenmerkt door drie doorgangen, sterk verweerde reliëfs en een enorme attiek met lang, lang, lang opschrift. Aan dat laatste zult u moeten wennen: dit is een familie van lange adem. Gelukkig is het opschrift op de boog nagenoeg onbeschadigd en goed leesbaar.

severi(4)

Er zit weliswaar een klein gat aan voor- en achterkant, maar dat heeft geen wezenlijke gevolgen ({{ duidt aan dat er op de boog geen nieuwe regel begint, maar dat de regel nog doorloopt):

IMP CAES LVCIO SEPTIMIO M FIL SEVERO PIO PERTINACI AVG PATRI PATRIAE {{PARTHICO ARABICO ET
PARTHICO ADIABENICO PONTIFICI MAXIMO TRIBVNIC POTEST XI IMP XI COS III {{PROCOS ET
IMP CAES M AVRELIO L FIL ANTONINO AVG PIO FELICI TRIBVNIC POTEST VI COS {{PROCOS P P
OPTIMIS FORTISSIMISQVE PRINCIPIBVS
OB REM PVBLICAM RESTITVTAM IMPERIVMQVE POPVLI ROMANI PROPAGATVM
INSIGNIBVS VIRTVTIBUS EORVM DOMI FORISQVE S P Q R

Oftewel:

Imp(eratori) Caes(ari) Lucio Septimio M(arci) fil(io) Seuero Pio Pertinaci Aug(usto) Patri Patriae Parthico Arabico et / Parthico Adiabenico pontifici maximo tribunic(ia) potest(ate) XI imp(eratori) XI co(n)s(uli) III proco(n)s(uli) et / Imp(eratori) Caes(ari) M(arco) Aurelio L(ucii) fil(io) Antonino Aug(usto) Pio Felici tribunic(ia) potest(ate) VI co(n)s(uli) proco(n)s(uli) P(atri) P(atriae) / optimis fortissimisque principibus / ob rem publicam restitutam imperiumque populi Romani propagatum / insignibus uirtutibus eorum domi forisque S(enatus) P(opulus)Q(ue) R(omanus).

Het is nagenoeg onmogelijk hier een ‘vlotte’ Nederlandse vertaling van te geven. Van de andere kant: het Staatsblad is ook niet bekend om zijn ‘vlot’ taalgebruik. Een poging om althans leesbaar te zijn:

‘Voor Imperator Caesar Lucius Septimius Severus, zoon van Marcus, Pius Pertinax Augustus, Vader des Vaderlands, Parthicus Arabicus en Parthicus Adiabenicus, pontifex maximus, voor de 11de maal bekleed met de tribunicia potestas, voor de 11de maal imperator, voor de 3de maal consul, proconsul, en voor Imperator Caesar Marcus Aurelius Antoninus, zoon van Lucius, Pius Felix, voor de 6de maal bekleed met de tribunicia potestas, consul en proconsul, Vader des Vaderlands, aan de beste en sterkste vorsten vanwege het herstel van de staat en de uitbreiding van de macht van het Romeinse volk door hun opvallende kwaliteiten in binnen- en buitenland, (hebben) de senaat en het volk van Rome (deze boog opgericht).’

Dat is meer dan een mond vol. Septimius en Caracalla lieten zich deze kans niet ontnemen om met al hun titels te pronken. Na het gebruikelijke Imperator Caesar volgt de eigenlijke naam, aangevuld met Pius (een erfenis van de Antonijnen) en Pertinax (Septimius claimde de wreker te zijn van de kort regerende Pertinax, die trouwens door een landgenoot vermoord is, de Tunger Thausio). Bij Caracalla is dat Felix, een epitheton dat Sulla ook al gebruikte.

Na de uitgebreide namen volgen dan de eretitels van Septimius. De boog werd opgericht na een dubbele overwinning tegen de Parthen in het Oosten, vandaar Parthicus Arabicus (waarbij Arabia meer het huidige Jordanië is dan het schiereiland) en Parthicus Adiabenicus (Adiabene ligt in het noorden van het huidige Irak).

De gemiddelde Romein wist uiteraard evenmin als de gemiddelde lezer van deze bijdrage waar Adiabene lag en evenmin waar Arabia lag (dat is door latere ontwikkelingen inmiddels wel bekend), maar waar de Parthen zaten en vooral dát ze daar zaten, wist hij wel.

Nu we zover zijn, worden dan nog de ambtstitels opgesomd. Septimius was Pontifex maximus (opperpriester, hoofd van de Romeinse staatsgodsdienst) en voor de elfde maal bekleed met de macht van de volkstribunen en voor de elfde maal uitgeroepen tot imperator, voor de derde maal consul en hij was ook nog eens proconsul. Oef, men kan nooit te veel titels hebben, uiteindelijk.

Caracalla (die natuurlijk niet Caracalla heet, maar Marcus Aurelius Antoninus) was voor de zesde maal bekleed met de tribunicia potestas en verder alleen maar consul en proconsul. Onderscheid moet er zijn.

De tribunicia potestas was een erfenis van Augustus en hield concreet in dat de drager sacrosanct was en het vetorecht had tegen elke handeling van elke andere magistraat. Handig als je alleenheerser bent uiteraard.

Omdat deze waardigheid elk jaar vernieuwd moest worden, levert dat het beste dateringsmiddel op voor de regering van een Romeinse keizer. Septimius begon in 193 en was dus in 203 aan zijn elfde mandaat toe.

Om de opvolging binnen zijn familie te verzekeren, had hij zijn zoons al geassocieerd. Caracalla was Caesar vanaf 195 en Augustus vanaf 198, terwijl de onfortuinlijke Geta vanaf dat jaar Caesar was.

SPQR is helemaal achteraan geplaatst en daarmee letterlijk gemarginaliseerd. Volk en senaat waren onder de Severi niet in tel.

Wat iedereen in de reisgidsen kan lezen, is dat de vierde regel optimis fortissimisque principibus in de plaats is gekomen voor een regel die aan Geta gewijd was, maar die Caracalla nadat hij zijn broer vermoord had, had laten delgen: ET GETAE NOBILISSIMO CAESARI ‘en voor Geta de edelste Caesar’.

Wat niet in de meeste gidsen staat, is dat ook in de derde regel iets is weggehaald. Wie goed kijkt, ziet duidelijk dat de vierde regel iets verdiept is, maar ook het einde van regel 3 is ‘verdiept’: P P staat op de plaats van iets wat niets anders kan zijn geweest dan ET ‘en’.

Maar daarmee verraadt Caracalla zich. Want de titel Pater Patriae ‘Vader des Vaderlands’ werd normaal door de senaat toegekend aan de regerende keizer. Met andere woorden: Caracalla was helemaal geen Pater Patriae in 203, dat werd hij pas na de dood van Septimius in 211. De titulatuur zoals die op de boog staat, klopt dus eigenlijk niet helemaal.

Want toen Caracalla eindelijk P P was, was hij al veel meer met de tribunicia potestas bekleed geweest dan maar een povere zes keer. En daarmee ontsnapt Caracalla niet aan de loerende ogen van schrijver dezes…

Maar hiermee is het verhaal nog niet gedaan. En het jaar 203 ook niet. Blijkbaar hadden de Severi er zin in. Of hadden ze last van acute bouwwoede. Ik weet het niet, maar ik heb al gezegd: ik mag deze lui eigenlijk niet.

severi(1)

Op enige afstand van het forum bevindt zich een ander belangrijk archeologisch complex, dat van de zone van het Forum Boarium tot en met de Porticus van Octavia. Van de laatste is met name de grote toegang overgebleven en daar staat een opschrift op, dat helaas moeilijker leesbaar is en sterker beschadigd:

IMP CAES L SE[.]T[.]MIVS SEVERVS P[..]S PERTINAX AVG [.]RABIC ADIABENIC {{[…]THIC MAXIMVS
TRIB POT[..]T XI IMP XI COS […] P[ ]T[ ]
IMP CAES M AVRELIVS ANTONIN[..] PI[.]S FELIX AV[ ] S PROCOS
INCENDIO CO[….]PTAM REST[….]

Met de kennis van het vorige opschrift in het achterhoofd, kunnen we gemakkelijk een aantal letters aanvullen, zodat een perfect duidelijke tekst ontstaat:

Imp(erator) Caes(ar) L(ucius) Se[p]t[i]mius Seuerus P[iu]s Pertinax Aug(ustus) [A]rabic(us) Adiabenic(us) [Par]thic(us) Maximus / Trib(unicia) pot[es]t(ate) XI imp(erator) XI co(n)s(ul) [III] p(roco(n)s(ul) e]t / Imp(erator) Caes(ar) M(arcus) Aurelius Antonin[us] Pi[u]s Felix Au[g(ustus) tr(ibunicia) pot(estate) VI co(n)]s(ul) proco(n)s(ul) / incendio co[nsum]ptam rest[ituer(unt)].

‘Imperator Caesar Lucius Septimius Severus Pius Pertinax Augustus, Arabicus Adiabenicus Parthicus Maximus, voor de 11de maal met de tribunicia potestas bekleed, voor de 11de maal imperator, voor de derde maal consul, proconsul, en Imperator Caesar Marcus Aurelius Antoninus Pius Felix Augustus, voor de zesde maal met de tribunicia potestas bekleed, consul, proconsul, hebben (deze porticus) die door brand verwoest was, hersteld.

Op enkele cruciale plaatsen is de tekst op het gebouw net weggevallen, maar door de vergelijking met het Forumopschrift is het aantal consulaatsjaren en het merendeel van de functies van Caracalla te herstellen.

Het gaat om het elfde jaar van de tribunicia potestas van Septimius, net als op het Forum: Septimius had, zoals gezegd, de smaak te pakken en herstelde de porticus van Octavia in hetzelfde jaar 203. Hiermee is dit een mooi voorbeeld hoe de lezing van één opschrift kan worden aangevuld door vergelijking met een ander.

Essentieel daarbij zijn natuurlijk ook twee typische eigenschappen van veel heersers, managers en politici: carrièrelust en gebrek aan fantasie. Oeps, het grote woord is er uit. Al die grote heren en dames willen hun kwaliteiten duidelijk aangegeven hebben en ze vallen gemakkelijk in herhaling.

Het epigrafisch voordeel hiervan is duidelijk. Heb je één opschrift van een hoge heer of dame, dan kun je daar bij een parallelopschrift je voordeel bij doen.

Want dit spelletje kunnen we nog een derde keer spelen. Wat dacht u…

Weer even stappen. Langs de Largo Argentina met de vier tempels, verder naar het noorden, langs Bernini’s olifant, tot aan de Piazza della Rotonda. Halve draai. Daar, boven op de gevel van het Pantheon, zien we geval nr. 3.

severi(14)

Niet het opschrift van Agrippa met de gerestaureerde bronzen letters, nee, daaronder bevindt zich het echte werk. Twee regels. Met veel hiaten, veel beschadigingen. Een lange tekst. Het voelt al Severisch aan:

1: IMP CAES L SEPTIMIVS SE[…] PIVS PE[…….]BIC[…….]NICVS PARTH[…..]A[….]VS PONTIF MAX TRIB POTE[….] IMP XI COS III PROCOS
2: IMP CAES M AVRELIVS ANTONIN[…….] POTEST VI COS PROCOS [.]AN[..] VETVSTA[..] CORRVPTVM CVM OMNI [ ] CVLTV RESTITVERVNT

Ondanks de horden toeristen die voorbij sjokken en vaak min of meer stomverwonderd kijken naar wat schrijver dezes eigenlijk deed, is hij er in geslaagd om dit op het eerste zicht lastige en vooral moeilijk zichtbare opschrift (want hoog, dus ver weg, dus kleine lettertjes en dan nog eens sterk beschadigd) te noteren.

Door de getallen XI voor IMP en III voor COS (om het even zo kort te zeggen), is het mogelijk om het meeste probleemloos aan te vullen, want we zitten nog steeds in hetzelfde jaar 203. De Severi hebben dat jaar werkelijk niet stilgezeten…

De tekst van regel 1 luidt dan ook:

Imp(erator) Caes(ar) L(ucius) Septimius Se[uerus] Pius Pe[rtinax Ara]bic[us Adiabe]nicus Parth[icus M]a[xim]us Pontif(ex) Max(imus) trib(unicia) pote[st(ate) XI] imp(erator) XI co(n)s(ul) III proco(n)s(ul).

‘Imperator Caesar Lucius Septimius Severus Pius Pertinax Arabicus Adiabenicus Parthicus Maximus, pontifex maximus, voor de 11de maal bekleed met de tribunicia potestas, voor de 11de maal imperator, voor de 3de maal consul, proconsul’.

U ziet nu waarom epigrafisten soms zonder verpinken hele stukken tekst kunnen aanvullen. Bij deze reconstructie is niets hypothetisch en u kunt er waarschijnlijk vergif op innemen dat dit de juiste tekst is.

severi(16)

Regel 2 is iets problematischer. Er zitten namelijk gaten in de tekst die in eerste instantie onverklaarbaar lijken. Het begin van de aangevulde tekst is duidelijk en gaat als volgt:

Imp(erator) Caes(ar) M(arcus) Aurelius Antonin[us trib(unicia)] potest(ate) VI co(n)s(ul) proco(n)s(ul)

‘Imperator Caesar Marcus Aurelius Antoninus, voor de 6de maal met de tribunicia potestas bekleed, consul, proconsul’

Maar dan komt het. Na PROCOS is een grote leemte. Tegelijk is de titel gedaan. Uiteindelijk volgen dan de twee letters AN na én voor een beschadiging. Dat het om een onzijdig woord moet gaan blijkt uit corruptum, zodat fanum ‘tempel’ een goede kans maakt.

Het is natuurlijk een voordeel dat de aard van het monument waarop het opschrift staat; bekend is: men mag nooit uit het oog verliezen dat het monument zelf in zekere zin het lijdend voorwerp van de zin kan zijn….

Maar even verderop is er tussen OMNI en CVLTV opnieuw een relatief grote leemte, terwijl daar inhoudelijk niets weg lijkt. Schrijver dezes begon al onzeker van het ene been op het andere te springen, toen hij ineens zag dat deze leemten steeds net boven het kapiteel van een zuil staan: zou het inderdaad kunnen dat men bij het opschrift rekening heeft gehouden met deze zuilen en dat men dus bewust een stuk heeft opengelaten om de leesbaarheid te bevorderen? Als we deze lacunes wegdenken, ontstaat er namelijk een perfect duidelijke zin:

[f]an[um] uetusta[te] corruptum cum omni cultu restituerunt

‘hebben dit heiligdom dat door ouderdom beschadigd was, met alle eerbied hersteld’.

(Cultus kan diverse dingen betekenen: ook ‘opschik, versiering, eredienst’ zijn mogelijk.)

Schrijver dezes knikte eens even. Dat moest het zijn…

Tot nog toe heeft schrijver dezes in Rome geen andere opschriften gevonden die de Severi in het jaar 203 hebben laten aanbrengen, maar dit is zonder claim op volledigheid. Het restauratieopschrift op de tempel van Vespasianus (zie deel IV) bevat geen elementen die een datering toestaan.

Dat neemt niet weg dat de familie dat jaar een druk programma afwerkte. Net terug uit het altijd complexe Oosten na zegevierende veldtochten tegen de Parthen in noord en zuid, herstelde de familie twee belangrijke gebouwen. Septimius liet nadrukkelijk zijn zoon en mede-Augustus Caracalla delen in de eer.

Opmerkelijk is dat Geta (die een minder hoge status had) niet vermeld wordt: in de opschriften op de porticus van Octavia en het Pantheon is het ontbreken van zijn naam niet een gevolg van een damnatio memoriae. U kunt er zeker van zijn dat broertje Caracalla dat echt wel gedaan zou hebben als het nodig was.

Geta kwam blijkbaar alleen voor op de triomfboog (die door de senaat was opgericht) en de geldwisselaarsboog (die door een ‘vakgroep’ was opgesteld), dus steeds als het monument én de tekst van het opschrift van buiten de familie kwam.

Tegelijk bieden deze drie opschriften met hun sterke gelijkenissen en kleine variaties een mooi voorbeeld van hoe de ene inscriptie door de andere kan worden aangevuld. En tegelijk van de reden waarom epigrafisten soms duizelingwekkende aanvullingen durven voor te stellen en daar ook nog voor 99% zeker van zijn.

Van de andere kant worden de keizerlijke opschriften wel wat eentonig. Literair genot is er niet echt aan te beleven en de intimiteit van opschriften uit de privésfeer is ook ver te zoeken. Tegelijk zien we in vergelijking met eerdere keizerlijke opschriften ook dat de namen en de titulatuur steeds langer worden, zodanig zelfs dat de tekst bijna onleesbaar wordt.

Het is net als met teksten op het internet: als het langer dan één scherm is, begint iedereen door te scrollen… De verschillende afleveringen van deze reeks vormen uiteraard eveneens een uitermate irritant voorbeeld van veel te lange teksten…

Schrijver dezes houdt niet van de Severi. Ze zijn hem te streng. Maar hij kan niet ontkennen dat ze vlijtig bezig waren. Vooral in 203.

De Sant’Eligio degli Orefici van Rafaël

25 maart 2020

Aan het einde van de korte Via di Sant’Eligio 9, een zijstraatje van de Via Giulia, ontdekken we de opmerkelijk fraaie renaissancekoepel van de Sant’Eligio degli Orefici. Dit minder bekende kerkje is bijzonder omdat het werd ontworpen door Rafaël. Het werd in 1509 gebouwd voor de Università degli Orefici Argentieri dell’Alma Città di Roma, de gilde van de goud- en zilversmeden.

Men vereert er Sint-Eligius (in Vlaanderen ook bekend als Sint-Elooi), de priester-smid-kunstenaar (590-660) die zich richtte op de kerstening van de Vlamingen, de inwoners van Antwerpen, de Friezen en van de barbaarse stammen langs de kust. In 640 werd hij bisschop van Noyon-Doornik. Hij was bovendien een uitstekende edelsmid en kunstenaar die talrijke zilveren en gouden reliekschrijnen vervaardigde.

Voor de schilder Rafaël was de Sant’Eligio zijn eerste werk als architect, waarbij hij duidelijk sterk werd beïnvloed door Donato Bramante. De koepel wordt toegeschreven aan Baldassare Peruzzi (1481-1537).

Men moet zich dit kerkje voorstellen in de tijd dat de Tiberkade nog niet aangelegd was en proberen een abstractie te maken van de dode massa van het lelijke schoolgebouw dat hier tijdens het fascisme werd neergepoot.

Het gebouw werd in 1575 voltooid door Baldassare Peruzzi en Bastiano (Aristotele) da Sangallo (1481-1551). De kerkgevel werd wat later toegevoegd door Flaminio Ponzio (1559-1613).

Dat was de architect van onder meer de Cappella Paulina in de Santa Maria Maggiore, het Palazzo Pallavicini-Rospigliosi op de Quirinaal-heuvel, de gevel van Palazzo Borghese en het Casino Nobile in Villa Borghese, de huidige Galleria Borghese.

Al snel na de bouw kreeg de kerk te maken met regelmatige overstromingen van de Tiber, waardoor uiteindelijk de stabiliteit van het gebouw bedreigd werd. Op 13 februari 1601 stortte de kerk als gevolg daarvan zelfs gedeeltelijk in.

Meteen volgde een grootschalige consolidatie en restauratie, waarbij ook verschillende barokke elementen werden toegevoegd. De originele gevel werd zo getrouw mogelijk herbouwd in 1620 door Giovanni Bonazzini.

In het sombere, harmonieuze maar toch aantrekkelijke interieur is de mistroostigheid van deze vochtige, en laag bij de Tiber gelegen plek nog steeds voelbaar. Nochtans is het kerkje zelf vandaag nog altijd een prachtige uiting van de hoogrenaissance in Rome. Het interieur heeft zijn zestiende-eeuwse karakter vrijwel intact behouden.

De kleine kerk heeft de vorm van een Grieks kruis met een apsis onderaan en met boven de kruising een elegante koepel in renaissancestijl die op een ronde trommel rust die op de vier centrale pijlers staat.

Het is een werk van de voormelde Peruzzi die het kerkje afwerkte na de dood van Rafaël. De invloed van Donato Bramante (1444-1514) blijkt vooral uit het koor dat ons herinnert aan dat van de Santa Maria del Popolo.

Het was paus Julius II (1503-1513) die aan Bramante de opdracht had gegeven om de apsis van de Santa Maria del Popolo te verlengen, het werd één van zijn eerste werken in Rome. Hoe Bramante zijn inspiratie zocht in de antieke bouwwerken zie je duidelijk aan het gewelf in de Santa Maria del Popolo.

De fresco’s boven het hoogaltaar van de Sant’Eligio degli Orefici zijn zestiende-eeuws en uitgevoerd door de schilder Matteo da Lecce (1547-1616). Interessant is de ‘Aanbidding van de Koningen’ door Francesco Romanelli (1610-1662) boven het altaar in het rechter transept.

Andere fresco’s zijn van Giovanni De Vecchi di Borgo San Sepolcro (1536-1614) en de bekende broers Taddeo (1529-1566) en Federico Zuccari (1541-1609) en vertegenwoordigers van hun school. Tegen de rechtermuur bevindt zich een epitaaf voor een goudsmid die gedood werd bij gevechten tijdens de beruchte Sacco di Roma in 1527.

De oorspronkelijke vloer in terracotta werd in 1864 vervangen door de huidige die bestaat uit witte compound met witte bardiglio marmeren platen. Die zijn afkomstig uit de oorspronkelijke Sint-Paulus buiten de Muren die in 1823 grotendeels door een brand werd vernield. Een gedeelte van het marmer kon gerecupereerd en gereinigd worden en kwam terecht in deze kleine kerk.

Terwijl de bouw van de enorme kaaimuren van de Tiber in volle gang was, werd ook de Sant’Eligio degli Orefici nogmaals opnieuw gerestaureerd. Dat was nodig, want nieuwe overstromingen in de achttiende en de negentiende eeuw hadden het gebouw geen goed gedaan. Op 21 april 1928 werd de vernieuwde kerk ingewijd.

Niet veel later, in 1952, werd de kerk opnieuw onveilig verklaard. Er volgde een nieuwe grootschalige restauratie waarbij ditmaal ook de fundamenten en de architecturale structuren werden aangepakt.

Ook de koepel en het interieur werden gerestaureerd. De werkzaamheden duurden tot 1978. Aanvullende restauraties in 1997 brachten originele schilderingen uit de beginjaren van de kerk aan het licht. In 1999 werd het kerkdak volledig gerenoveerd. Vandaag lijkt het gebouw structureel weer in orde.

Sant’Eligio degli Orefici
Via di Sant’Eligio 9, Rome

Je kan de kerk bezoeken van maandag tot vrijdag, van 10 tot 13 uur, mits een voorafgaandelijke afspraak op het tel. nr. 06 686 82 60.