Archive for 1 maart 2020

De cippus onder de Lapis Niger

1 maart 2020

Avonturen met opschriften – VIII

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de achtste bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel VIII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

Na zijn uitspattingen in de onherbergzame uithoek van het imperium en zijn tussenstop in Gallia Narbonensis waar hij getroffen werd door Licinia, is schrijver dezes inmiddels weer aangekomen in de Caput Mundi.

Vol energie na deze verrijkende excursie heeft hij besloten zich te richten op het opschrift der opschriften, de eerste regels Latijn die ons met zekerheid zijn overgeleverd, de basis van onze Latijnse taal, het opschrift op de cippus onder de Lapis Niger.

In een uithoek van het Forum, net vóór de Boog van Septimius Severus en eveneens net vóór de Curia, bevindt zich een klein oppervlak met een plaveisel van zwart marmer dat daaraan ook zijn naam ontleent: Lapis Niger.

Op het moment van schrijven (en eigenlijk al een hele tijd) bevindt zich daaroverheen een groot onooglijk wit tentachtig ding om verdere opgravingen en restauratiepogingen te omhullen. Onder dit plaveisel trof archeoloog Giacomo Boni in 1899 resten aan van een U-vormig bouwsel, een ronde zuil en een vierkante stele.

Steeds ging het om het onderste gedeelte en geen van deze resten was bij benadering compleet. Vooral voor de vierkante stele of cippus was dat problematisch, want op deze steen vond men de schamele resten van een opschrift.

Afhankelijk van de authenticiteit van de Fibula Praenestina die nu eens als authentiek wordt beschouwd, dan weer als een vervalsing wordt ontmaskerd, zou deze steen de oudste Latijnse tekst bevatten die we kennen.

Zou. Want we moeten de filologen niet onderschatten. Wat immers de diskos van Phaistos is voor de Griekse wereld (een aardewerken schijf met aan twee kanten een reeks schrifttekens die nergens anders zijn aangetroffen), is de Cippus van de Lapis Niger voor de Latijnse: bij uitstek voer voor filologen en fantasten, waarbij opgemerkt dient te worden dat sommige personen zonder meer met beide kwalificaties kunnen worden aangeduid.

Het concrete gevolg is dat zo ongeveer alles met betrekking tot deze steen onderwerp van felle discussie en een veelvoud van theorieën is geweest. Tal van deze theorieën lijken goed onderbouwd, doch zij hebben één euvel gemeen: zij dwalen.

Aan de ene kant heeft men immers de echte filologen. Dezen hebben zich vol enthousiasme op deze tekst gestort en getracht een aanvulling te bedenken. Evenwel zonder zich in het minste te bekommeren om de archeologische context.

Uiteindelijk: waarom zouden ze? Dit opschrift zal ongetwijfeld de ware aard van deze vindplaats onthullen. Het volstaat dus om de tekst te lezen en dus om deze te vervolledigen en te interpreteren. Daarmee dringen zij uiteraard hun interpretatie aan het archeologische materiaal op zonder dit materiaal zelf voldoende in ogenschouw te nemen.

Aan de andere kant heeft men de echte archeologen. Ook dezen hebben zich vol enthousiasme op deze vindplaats gestort en getracht om deze te identificeren. Eenmaal voorzien van een interpretatie wenden zij zich tot het opschrift en vullen dit aan vanuit die interpretatie.

Daardoor bereiken zij uiteraard dat het opschrift hun interpretatie als vanzelfsprekend gaat bevestigen, maar daarmee dringen zij tegelijk hun interpretatie aan het opschrift op.

Geen van de twee benaderingen is correct of methodologisch verantwoord. Tegelijk – en ik schaar me nu schoorvoetend in het kamp van de anderen – zij het duidelijk dat het opschrift zelf niets kan verklaren (zoals we dadelijk zullen zien) en dat enig begrip enkel gevonden kan worden in de archeologische context.

Filologen hebben vaak hun mond vol van opschriften, maar spreken alleen over de tekst, zonder te kijken naar de materiële vorm van het opschrift of de vondstcontext, terwijl die toch wezenlijk zijn.

Op dezelfde manier hebben filologen hun mond vol van de handschriften, maar ze spreken zelden echt over de handschriften zelf, met enig begrip van de materiële vormen en van wat dat impliceert. Schrijver dezes is gerechtigd zich op deze wijze uit te laten over de filologen, want hij is er zelf een.

Naast de reeds beschreven resten vonden de opgravers ook tal van votiefgaven. Nu weten we dat archeologen, telkens als zij niet weten wat iets moet voorstellen, grijpen naar de tactische omschrijving ‘een heiligdom’, maar met votiefgaven lijkt een dergelijke interpretatie inderdaad voor de hand te liggen.

Gaan we bij de klassieke auteurs zoeken, dan is slechts één ding duidelijk: het was toen ook al onduidelijk. Plutarchus (eerste-tweede eeuw na Chr.) meldt dat Romulus in deze omgeving door de senatoren zou zijn gedood in wat een heuse omofagie lijkt te zijn geweest (welwillende lezer, lees daarvoor Euripides’ Bacchanten: u eet daarna nooit meer een mixed grill!).

De Griekse historicus uit de Augusteïsche tijd Dionysius van Halicarnassus is ervan overtuigd dat het hier gaat om het graf van Faustulus, voedster-vader van Romulus en Remus (maar Dionysius is nogal eens van iets overtuigd dat eerder fantasierijk blijkt).

De lexicograaf Festus spant de kroon wanneer hij beweert dat hier het graf gesitueerd is van Romulus ofwel Faustulus ofwel de grootvader van Romes derde koning Tullus Hostilius.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de operaties verricht om de passage bij Festus aan te vullen van dezelfde ingrijpende omvang zijn als die nodig zijn bij de cippus van de Lapis Niger zelf.

Nog erger is dat de archeologen, ondanks het feit dat ze hun uiterste best hebben gedaan – want zeg nu zelf: wat zou er mooier zijn geweest dan het graf van stedenstichter Romulus zelf te ontdekken? – op deze plaats geen spoor van een graf hebben gevonden.

Daarmee vervallen alle interpretaties uit de oudheid blijkbaar. Op één ding na: het feit dat men in de oudheid dit monumentaal ensemble als een grafplaats interpreteerde en wel een die nauwe banden had met de stichting en stichter van de stad. (Toegegeven: dat van die grootvader van Tullus Hostilius begrijpt ondergetekende ook niet helemaal, maar daar gaat hij nu niet op in).

Met andere woorden: in de klassieke periode gold deze plaats als bijzonder en eerbiedwaardig, maar niemand had eigenlijk enig idee waarom. De archeoloog Filippo Coarelli heeft beredeneerd dat deze resten eigenlijk het Volcanal zouden zijn, het altaar voor de vuur- en smidsgod Vulcanus en hij haalt daarvoor zulke overtuigende argumenten aan dat op dit moment de meerderheid van de archeologen hem lijkt te volgen. Het is niet aan schrijver dezes om zich hierover een oordeel aan te matigen, een filoloog gaat niet in de grond wroeten, hij leest teksten.

Het wordt dan ook tijd dat we deze tekst der teksten onder ogen nemen. Welnu, de cippus heeft vier zijden die alle met schrifttekens bedekt zijn. Omdat de boodschap toch net iets te lang was, heeft de steenkapper om één van de hoeken een extra schriftveld gecreëerd. De letters zijn te herkennen.

Het gaat om een alfabet dat in de traditie van Cumae en het Etruskische alfabet staat. Het opschrift is bovendien boustrofedisch genoteerd. Dit klinkt akeliger dan het is: het wil zeggen dat de ene regel van links naar rechts gaat en de volgende van rechts naar links enzovoort enzovoort.

Omdat we alleen het onderste deel van de tekst hebben, betekent dit een buitenkansje omdat op deze manier verschillende net iets langere op elkaar volgende stukjes zin ontstaan. Op één geval na hebben we daar uiteindelijk niets aan, maar het is in ieder geval een bemoedigende gedachte, zoals Godfried Bomans dat uitdrukte.

De taalvormen zijn zonder meer archaïsch. Van al die taalverloedering die die nieuwlichters achteraf in het Latijn hebben toegepast, een modernist als Cato de Oude of godbetert die nieuwlichter van een Cicero, vinden we niets terug. Een ablatief gaat nog gewoon uit op –od of –ad, aan rotacisme (waardoor een s tussen twee klinkers een r wordt) doen we niet mee, aan vereenvoudiging van tweeklanken en medeklinkergroepen ook niet, kortom: dit is tenminste echt Latijn.

Het opschrift luidt dan:

A
QVOI HO[D?
S]AKROS ES
ED SORD[

B
S]IA [.]AS
RECEI IO[
]EVAM
QVOS R[

C
]M KALATO
REM HA[
]OD IOVXMEN
TA KAPIA DOTAV[

D
]M ITE R[
]M QVOI HA
VELOD NEQV[
]OD IOVESTOD

D/A
LOIVQVIOD Q[

Zalig. Wat kunnen we nu hiervan maken zonder dat we bovenvermelde methodologische fout, nl. dat we aanvullen op basis van een vooringenomen interpretatie van de aard van het monument, begaan? Niet veel.

QVOI is r. 1 zou later verworden tot het betrekkelijk voornaamwoord qui, HO[nog iets…] kan het begin zijn van hodke (klassiek: hoc) of van de accusatief mannelijk honce, klassiek hunc. In beide gevallen gaat het om een vorm van het aanwijzend voornaamwoord hic ‘deze’.

Dit is aannemelijk, maar hyperkritisch voegt schrijver dezes (algemeen bekend om het feit dat hij elke hypothese vaardig de grond in kan boren) hieraan toe dat het uiteraard ook nog iets anders kan zijn geweest.

AKROS wordt algemeen aangevuld tot S]AKROS en is dan een archaïsche vorm van sacer ‘gewijd’, vandaar ofwel ‘geheiligd’ ofwel ‘vervloekt’. ESED (dat over twee regels doorloopt) is erit ‘zal zijn’, vóór rotacisme. SORD[ is moeilijker: in ieder geval vormt de stam sord- woorden die wijzen op vuiligheid en bezoedeling.

R. 4 is alleen maar problematisch, maar in r. 5 staat RECEI, later vervormd tot regi ‘voor de koning’. Dat is tenminste duidelijk. Althans tot de filologen zich gingen afvragen wie nu bedoeld werd: de koning uit de Koningstijd (dan was deze tekst een bewijs dat er inderdaad koningen in Rome zijn geweest) of de rex sacrorum die in de Republiek een aantal religieuze taken van de koning had overgenomen?

Omdat het vondstmateriaal uit de zesde eeuw v.Chr. lijkt te stammen, lijkt het quasi zeker dat hier de echte koning moet zijn bedoeld, maar sommige filologen houden moedig stand tegen die betweters van archeologen met hun dateringen van monumenten en vondstmateriaal.

Laat het ons houden op de echte koning. Dan kunnen we niets met r. 6 en wat QVOS precies wil doen, weten we ook niet (wellicht inderdaad de accusatief meervoud van qui, maar waar dat op slaat, blijft aan onze waarneming onttrokken).

In r. 8-9 hebben we dan een wat langer woord KALATOREM dat een accusatief zou kunnen zijn van kalator ‘heraut’. Een andere interpretatie herkent hier liever een nominatief kalator in gevolgd door een archaïsche accusatief van is, nl. em (klassiek eum). Tegen dat laatste pleit dat de steenkapper dan niet echt handig die R als enige letter op een nieuwe regel heeft geplaatst, maar men keek destijds niet zo nauw.

In r. 10-11 hebben we dan dat mooie IOUXMENTA, dat klassiek geworden is tot iumenta. Dat wijst op een koppel aan elkaar verbonden ossen die een kar trekken, eventueel ook op de wagen zelf, terwijl een archeoloog voorstelt er een verbinding van enkele palen in te zien, maar op dat moment is deze overigens zeer verstandige man al te ver verleid om zijn interpretatie in de tekst in te lezen.

De volgende regels zijn zalig volstrekt onduidelijk, al heeft het niet aan pogingen ontbroken (wat dacht u?). HAVELOD bijvoorbeeld ziet er toch mooi uit als een ablatief, maar een bijhorend woord hauelos is ons niet bekend. Of gaat hier soms hau, archaïsch voor haud ‘zeker niet’ in verborgen, gevolgd door een ander onbekend woord?

NEQV lijkt te veel op neque ‘en niet’ om een andere interpretatie te krijgen, al zou iets in de aard van ne quis ‘opdat niemand’ uiteraard ook kunnen. Gelukkig hebben we in de volgende regel IOVESTOD dat volgens de wetten van de historische grammatica iusto ‘rechtvaardig’ zou moeten zijn, in een mooie ablatief op –od. De laatste regel; op de toegevoegde regel, is een mysterie. Nog niemand heeft hier een bevredigende oplossing voor kunnen vinden. Wie een idee heeft, mag het zeggen…

Dat betekent dat we slechts flarden hebben. Het duidelijkst is het begin: het lijkt wel zeker dat we hier te maken hebben met een vervloekingsformule. Dat kan eventueel een verbod zijn, maar in die heroïsche tijden drukte men zich graag wat sterker uit. verder lijkt er sprake van een koning en een heraut, maar wat zij nu precies doen, blijft eerder vaag, om niet te zeggen volstrekt onduidelijk.

Wat dat ossenspan op deze plaats doet, valt ook onder de geheimen van de geschiedenis, maar ook dat lijkt op zich wel een vaststaand aanknopingspunt. Het probleem is alleen: aanknopingspunt aan wat?

De klassieke filologie is – tot spijt van wie het benijdt (de archeologie op kop) – zonder enige twijfel de meest geniale vinding van de mensheid. Wij filologen zijn niet voor één gat te vangen en staan zelden met onze mond vol tanden. Zoals elke minister van onderwijs wel een onderwijshervorming op zijn naam heeft staan (of tenminste de bedoeling daartoe gehad heeft), zo heeft elke latinist wel zijn of haar aanvulling van de cippus-tekst. Ik bied u er twee:

P.G. Goidànich (1938) las het zo:

QVOI HO[nke stloqom uiolased manibos s]AKROS ES/ED SORD[ibos quoi haike fhoisdased stlo]KA [vh]AS / RECEI IO[uestam eom moltam soluere en rem d]EVAM / QVOS R[ex per hanke sensesed uehier uia]M KALATO/REM HA[penais eosom enstloqod ioubet]OD IOVXMEN/TA KAPIAD vTi A V[iad statei]M ITER pe[r auersom stloqom pergand puro]M QVOI HA VELOD NEQV[e per purom perged enstloq]OD IOVESTOD / LOI(V)QVIOD Q[ondamnetor.

In hertaling in klassiek Latijn wordt dat:

Qui hunc locum uiolauerit manibus sacer sit. Sordibus qui haec foedauerit loca, fas regi iustam eum multam soluere in rem diuinam. Quos rex per hanc uehi senserit uiam, calatorem habenis eorum illico iubeto iumenta capiat, uti a uia statim iter auersum locum pergant purum. Qui hac uolet neque per purum perget illico iusta licitatione condemnetur.

‘Wie deze plaats bezoedelt, zal aan de goden van de onderwereld zijn toegewijd. Wie deze plaats met vuilnis bevuilt, zal aan de koning een boete betalen voor de goden. Als de koning merkt dat iemand langs deze weg rijdt, zal hij de heraut bevelen de lastdieren onmiddellijk aan de teugels te grijpen om meteen van deze weg af langs een andere, reine plaats verder te gaan. Wie toch hierlangs wil gaan en niet langs een reine plaats, zal tot een rechtvaardige verkoop veroordeeld worden.’

De man heeft vlijtig gewerkt en beheerste zijn archaïsch Latijn uitermate goed. Hij had ook een levendige fantasie. Volgens deze interpretatie gaat het hier om een politiereglement voor het eerste verkeersinfarct in de geschiedenis van de stad, waarbij de koning blijkbaar niets anders te doen had dan de hele dag op deze driesprong te staan en ossenspannen die de eenrichtingsweg insloegen te bekeuren, pardon (het is een koning): te laten bekeuren door de calator die blijkbaar ook weinig anders te doen had.

Geen wonder dat de Romeinen in 509 v. Chr. de koningen er uit hebben gegooid. De gele hesjes zijn er niets bij. Excuses: het is natuurlijk gemakkelijk om een interpretatie in het belachelijke te trekken, maar in wezen is dit wat er kan gebeuren als je onvoldoende de vondstcontext zelf in het oog houdt. Nogmaals; de filoloog in kwestie kende zijn archaïsch Latijn goed. Inclusief stloqos dat mindere goden onder u beter herkennen als locus ‘plaats’. Al had ik die calator wel eens willen zien stoeien met zo’n weerbarstig ossenspan…

R.E.A. Palmer probeert het anders in 1969:

QVOI HO[nce louquom violasit / S]AKROS ES-/ED SORD[es nequis fundatod neve / kadaver proikitod —]A [h]AS / RECEI IO[us esed bovid piaklom fhakere / moltatod moltam pr]EVAM / QVOS R[ex moltasid, boves dantod / rex —]M KALATO-/REM HA[betod. iounkit]OD IOVXMEN-/TA KAPIA DuO TAV[r—/a]M ITER [pere–/eu]M QVOI HA-/VELOD NEQ f[hakiat / eni—]OD IOVESTOD / LOIVQVIOD [qomiti

De voorgestelde vertaling hiervan luidt dan:

‘Alwie deze [plaats zal schenden], zal vervloekt zijn. [Laat niemand] afval [dumpen of een lichaam achterlaten.] Laat het wettig zijn voor de koning [een koe als verzoening te offeren. Laat hem als boete] één voor elke [overtreding eisen]. Wie de koning [zal beboeten, laat hem runderen geven. Laat de koning] een heraut [hebben. Laat hem] een onvruchtbaar tweespan [inspannen.] … Langs de weg … [hem] die geen jong dier [wil offeren] … in een wettige vergadering in een bos…’

Hiervoor geldt mutatis mutandis hetzelfde als voor de eerste interpretatie, waarbij vooral de onvruchtbaarheid van het tweespan zorgen baart en eveneens de herkomst van het neergeworpen kadaver een mysterie vormt.

Enfin, schrijver dezes heeft al veel te veel van uw kostbare tijd in beslag genomen zonder dat hij iets wezenlijks heeft kunnen zeggen. En neemt u het hem eens kwalijk. Dit opschrift is alleen met veel fantasie tot enige samenhangende betekenis te brengen en dat is per definitie riskant en gewaagd.

Zolang we niet weten hoeveel tekst er eigenlijk weg is, is elke aanvulling bij voorbaat tot mislukken gedoemd. De overgeleverde zinsfragmenten zijn letterlijk en figuurlijk zinloos. Alleen voor de eerste twee regels kunnen we een samenhang zien.

Volstaan moeten we dan ook met de vaststelling dat het om een als vervloekingsformule verwoorde verbodsbepaling betreft waarin een rol lijkt te zijn weggelegd voor de koning en zijn heraut. Het is verleidelijk om een samenhang te zien tussen dit opschrift en de archeologische context (voor zover we zeker kunnen zijn dat dit opschrift op zijn oorspronkelijke plaats staat…), maar welk verband dat dan precies zou moeten zijn, is minder duidelijk.

Een identificatie van het monumentaal ensemble volstaat nog niet op de tekst straffeloos aan te vullen, vooral omdat men bijna spontaan de neiging heeft de tekst te goed bij de interpretatie te willen doen aansluiten. Zolang parallelteksten ontbreken blijft aanvullen een uitermate riskante onderneming waaraan zelfs (ook al bent u nu wellicht teleurgesteld) Schrijver dezes – anders toch voor geen kleintje vervaard – zich wijselijk niet waagt.

Kortom: dit is echt Latijn, maar we hebben geen flauw benul van wat er nu eigenlijk staat. Zelfs classici zijn hier aan het eind van hun Latijn… .