Een kijkje in de Sant’Andrea delle Fratte in Rome

Vorige week kon je lezen over de problemen met de toren van de Sant’Andrea delle Fratte. Vandaag brengen we een bezoek aan de kerk zelf. De huidige basilica dateert uit de zeventiende eeuw en is gewijd aan Sint-Andreas. De basiliek werd gebouwd op de plaats van een kerk uit 1192, die infra hortes (‘tussen boomgaarden’) werd genoemd, omdat hij destijds net buiten de bewoonde stad op het platteland lag.

Oorspronkelijk was dit, tot de reformatie, de kerk van de Schotten in Rome. In 1585 schonk paus Sixtus V (1585-1590) het gebouw aan de minderbroeders van San Francesco di Paola die er toen al 150 jaar actief waren. Het is de titelkerk van kardinaal Ennio Antonelli.

In 1604 werd op deze plek begonnen aan de bouw van een nieuwe kerk, naar een ontwerp van Gaspare Guerra, niet te verwarren met de frescoschilder Giovanni Guerra. Het project kwam na vele onderbrekingen vanaf 1653 in handen van Francesco Borromini die eraan werkte tot aan zijn dood in 1667.

Dankzij Borromini kwamen er onder meer de apsis, het tamboer aan de koepel en de campanile met vier zuilen. Toen Borromini in 1667 zelfmoord pleegde werd het werk overgenomen door Giovan(ni) Antonio de’ Rossi (1616-1695), de architect van onder meer Palazzo Altieri en Palazzo Bonaparte op de hoek van Piazza Venezia en de Via del Corso, een gebouw dat toen nog Palazzo Misciatelli heette.

Het bovenste gedeelte van de huidige gevel werd pas in 1826 voltooid door Giuseppe Valadier, dat gebeurde in opdracht van kardinaal Ercole Consalvi, de staatssecretaris van paus Pius VII (1800-1823).

Het vaste relatiegeschenk voor politici was in die tijd een kostbare snuifdoos. Consalvi die zelf geen snuif gebruikte, bezat daardoor een hele verzameling unieke dozen die hij bij zijn dood aan deze kerk naliet om de onvoltooide gevel af te werken.

De gevel werd opgetrokken volgens het oorspronkelijke 220 jaar oude ontwerp. Wie de kerk vandaag bekijkt ziet meteen dat de kardinaal niet voldoende snuifdozen bezat om het hele gebouw, zoals bijvoorbeeld de tamboer van de koepel, af te werken.

Sinds 1435 wordt de kerk bediend door de Ordine dei Minimi di San Francesco da Paola (1416-1507). Deze heilige woonde tijdens zijn verblijf in Rome omstreeks 1430 in het klooster behorende bij de Trinità dei Monti, bovenaan de Spaanse Trappen.

In de kerk valt het direct op dat de bidstoelen niet naar het hoofdaltaar gericht zijn maar naar het derde zijaltaar links. Op 20 januari 1842 verscheen in de Sant’Andrea delle Fratte de maagd Maria aan de Fransman Alphonse Ratisbonne uit Straatsburg.

De man was van Joodse afkomst en was zo onder de indruk van de verschijning dat hij niet enkel katholiek werd maar zich ook tot priester liet wijden. Hij werd uiteindelijk missionaris in Palestina.

Ratisbonne kwam uit een rijke familie van Joodse bankiers en zijn bekering tot het katholicisme zorgde destijds voor veel opschudding. Hoewel het Vaticaan de verschijning nooit officieel heeft erkend, wordt de Madonna del Miracolo nog steeds door talrijke bedevaartgangers vereerd. Paus Benedictus XV (1914-1922) noemde de Sant’Andrea delle Fratte zelfs ‘het Romeinse Lourdes’.

In de kapel van de Madonna del Miracolo droeg de jonge Maximiliaan Kolbe (1894-1941) in 1918 zijn eerste mis op, vlak na zijn priesterwijding. Hij was de Poolse franciscaan die in 1941 in Auschwitz aanbood om in de plaats van een andere gevangene geëxecuteerd te worden.

Paus Paulus VI verklaarde Maximiliaan Kolbe op 17 oktober 1971 zalig. Op 10 oktober 1982 verklaarde paus Johannes Paulus II hem tot martelaar en werd hij heilig verklaard. Bij die gelegenheid was ook Franz Gajowiczek aanwezig, de man wiens leven hij had gered.

De basiliek heeft een sereen plan binnen een kleine oppervlakte, de hand van Borromini is duidelijk, maar de nogal matige verlichting en het pseudo-marmer geeft het geheel een wat matte, vermoeide indruk. Toch is een bezoek aan de Sant’ Andrea delle Fratte een must, al was het maar voor de twee engelen die we vooraan in het koor tegen de pijlers zien.

Deze twee beelden, die door hun verfijning de rococo-periode reeds aankondigen, werden samen met acht andere beelden als versiering van de Engelenbrug bij Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) besteld door paus Clemens IX (1667-1669).

Bernini zelf maakte twee exemplaren, de rest van de beelden liet hij maken door zijn leerlingen onder leiding van Antonio Giorgetti. De beelden die je vandaag op de Engelenbrug ziet, zijn overigens allemaal kopieën van de originelen.

De paus vond de twee exemplaren van Bernini echter veel te mooi om ze aan de weersomstandigheden bloot te stellen en wilde ze daarom meenemen naar zijn geboorteplaats Pistoia. Zijn plotse dood voorkwam dat, waardoor beide beelden in Rome bleven.

Tot 1729 bleven de twee erg grote engelenbeelden in het bezit van de familie van Bernini, daarna werden ze door Bernini’s neef Prospero aan de Sant’Andrea delle Fratte geschonken. Dat was niet zo vreemd omdat dit veertig jaar lang de vaste parochiekerk van Bernini was.

De kunstenaar woonde en stierf in het huis, vlak tegenover de Sant’Andrea delle Fratte, op de hoek van de Via della Mercede en de Via di Propaganda. In de gevel zie je vandaag nog steeds de gedenkplaat en een borstbeeld van Bernini.

Bernini’s zoon was eveneens beeldhouwer maar aanzienlijk minder begaafd dan zijn vader (en zijn grootvader Pietro) die het artistieke kunnen van zijn zoon steeds schromelijk overschatte. Gedreven door vaderliefde beweerde vader Bernini dat de rechterengel (die met het INRI-bordje) het werk was van zijn zoon Paolo, maar niemand geloofde hem.

In de eerste kapel is een houten tempietto (tempel) (1674) te zien, die beschilderd werd door Borgognone en op de muur een schilderij van Ludovico Gimignani, Het doopsel van Christus. In de derde kapel staat een grafmonument van kardinaal Carafa, gemaakt door Pietro Bracci.

Langs de kruisgang hangen fresco’s van Marini, Francesco Cozza, en Filippo Gherardi, die het Leven van Sint-Franciscus voorstellen. Het altaar (1736) werd ontworpen door Filippo Barigioni, het retabel van San Francesco di Paola werd geschilderd door Paris Nogari, met stucco-engelen door Giovan(ni) Battista Maini (1690-1752).

In de laatste kapel links (voor de linkerengel) zie je onder het altaar ‘De stervende heilige Anna’ uit 1750, eveneens uitgevoerd door Giovan Battista Maini. Het beeld is duidelijk geïnspireerd door de recent gerestaureerde Ludovica Albertoni uit 1674 van Bernini in de San Francesco a Ripa in Trastevere.

Van Maini kennen we ook het merkwaardig geplaatste grafmonument voor paus Innocentius X, boven de ingangspoort van de Sant’Agnese in Agone op Piazza Navona. De kapel zelf is een ontwerp van de Nederlandse Italiaan Luigi Vanvitelli (Lodewijk van Wittel) van wie we ons de minder geslaagde ingreep herinneren in de Santa Maria degli Angeli.

De koepel en het koor van de Sant’ Andrea della Fratte werden tijdens de zeventiende eeuw versierd door minder bekende maar verdienstelijke meesters. In de apsis zien we drie grote innemende schilderijen, met links ‘De kruisiging’ door Giovanni Battista Lenardi (1656-1704, zijn enige werk in Rome), in het midden de ‘Dood van Sint-Andreas’ door Lazzaro Baldi (1624-1703) en rechts ‘De begrafenis van Sint-Andreas’ door Francesco Trevisani (1656-1746).

Deze Napolitaan werd gevormd in Venetië en verbleef vanaf 1678 in Rome, hij was gespecialiseerd in destijds zeer gewaardeerde altaarstukken in een kenmerkende zoeterige en kleurige rococostijl.

Omdat we dichtbij Piazza di Spagna en de Spaanse Trappen zijn, destijds het trefpunt voor artiesten, werden in de Sant’Andrea delle Fratte ook enkele kunstenaars begraven. Als voorbeeld geven we de bevlogen, en door alle kunstminnaars ook nu nog hoog gewaardeerde Zwitserse classicistische Angelika Kauffmann (1741-1807), wiens epitaaf zich tegen de linker zijmuur bevindt, tussen de vierde kapel en de zijingang.

Bovenaan zien we de afbeelding van haar echtgenoot Antonio Zucchi, we lezen ‘Angelica Kauffmann lacrymis et tristitiae damnata marito ducissimo et benignissimo…’. En op de kleinere plaat eronder lezen we betreffende de echtgenote ‘ave mulier optima et vale in pace’ .

De in het Zwitserse Chur geboren Angelica Kauffmann was een muzikaal wonderkind dat net als Mozart vijftien jaar later, Europa afreisde. Vanaf 1762 begeleidde ze haar vader Joseph op zijn reizen door Italië waar ze de oude meesters kopieerde. Ze ontpopte zich al gauw als een zeer begaafde schilderes.

In Rome leerde ze Johann Winckelmann (1717-1768) kennen, de stichter van het neoclassicisme en de vader van de kunstgeschiedenis (hij noemde de Griekse kunst ‘edle Einfalt und eine stille Grösse’).

Kauffmann werd een beroemde schilderes en was de medestichtster van de Londense Royal Academy. Ze werd in Rome lid van de Accademia di San Luca en ontmoette talrijke Engelse toeristen die bezig waren aan hun grand tour.

Ze was bevriend met de Engelse schilder sir Joshua Reynolds (1723-1792), wiens leerling zij was. Hij vroeg haar zelfs ten huwelijk maar ze weigerde beleefd. Het innemende portret dat Reynolds van haar schilderde hangt vandaag in het museum van Palazzo Barberini.

Angelika Kauffman was ook bevriend met de beeldhouwer Canova en met Goethe die haar ‘teerbesnaard’ noemde en haar voorlas uit zijn Iphigenia. Kauffmann schilderde ook zijn, zij het niet zo erg gelijkend portret, dat zich vandaag in het museum van Weimar bevindt. Een bekend zelfportret van Kauffman vinden we in het Goethe-Haus in Frankfurt.

Kauffmann was gedurende een kwart eeuw de spil van de Duitse kolonie in Rome waar ze zich in 1782 definitief had gevestigd. Zij was zo beroemd dat haar beloofd was dat ze na haar overlijden zou worden bijgezet in het Pantheon. Op haar graf staat echter dat ze er de voorkeur aan gaf bij haar man, de Italiaanse schilder Antonio Zucchi (1726-1795) te worden begraven.

Angelika Kauffmann woonde op nr. 72 van de Via Sistina, waar ze ook stierf op 5 november 1807. Haar begrafenis op 7 november werd volgens een choreografie van Canova gecelebreerd door 50 priesters en 50 capucijnen. Het was sinds de begrafenis van Rafaël in 1520 geleden dat in Rome nog een schilder met zoveel eerbetoon werd begraven.

Kauffmann werd destijds beschouwd als de meest gecultiveerde vrouw van Europa en werd door sommigen de ‘Muze van Rome’ genoemd, door anderen ‘Miss Angel’. Over het leven van de schilderes werden verschillende boeken geschreven waaronder Miss Angel door Richmond Ritchie in 1875.

Angelika Kauffman hoort vandaag thuis in het rijtje van zeer grote portretschilders. Haar werken te zijn zien in belangrijke musea wereldwijd, waaronder de National Portrait Gallery in Londen, de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden, de Alte Pinakothek in München, de Hermitage in Sint-Petersburg en het Musée d’Orsay in Parijs.

Een laatste feitje: de in Palermo geboren Alessandro Scarlatti (1660-1725) trad in 1678 in de Sant’Andrea delle Fratte in het huwelijk. Scarlatti schreef meer dan 120 opera’s en 150 oratoria.

Zijn zoon Domenico (1685-1757) was de grote kracht voor de ontwikkeling van de klaviermuziek in Europa. Het klooster van de Sant’Andrea (vrije toegang rechts vóór het koor) heeft een rustige tuin met vier cipressen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.