Archive for 18 maart 2020

Gratis taxi’s in Rome voor medisch personeel Spallanzani-ziekenhuis

18 maart 2020

Een groep van vijftig Romeinse taxichauffeurs heeft hun auto gratis ter beschikking gesteld om alleen artsen en medisch personeel te vervoeren die werken in het Lazzaro Spallanzani-ziekenhuis aan de Via Portuense. Het Spallanzani in Rome is één van de voortrekkers in de strijd tegen het coronavirus.

De taxichauffeurs maken reclame voor hun gratis dienst met een poster waarop een verpleegster staat die ‘Italië’ vasthoudt en het opschrift: ‘Deze taxi sluit zich aan bij de vrijwillige en gratis transportdienst van medisch personeel’.

Elke chauffeur die aan deze service deelneemt, plaatst deze boodschap in zijn of haar persoonlijke witte taxi. Zowel Virginia Raggi, de burgemeester van Rome, als Francesco Vaia, de directeur van het Spallanzani-ziekenhuis, hebben de deelnemende taxichauffeurs al uitvoerig bedankt voor hun actie.

De taxichauffeurs verzekeren de zorgverleners dat er maatregelen worden getroffen om hen en hun patiënten te beschermen. Alle taxi’s worden grondig ontsmet en alle passagiers op medisch gebied krijgen maskers en handschoenen. Het aantal passagiers per rit wordt beperkt. Passagiers mogen niet naast de chauffeur gaan zitten.

De taxichauffeurs namen het initiatief omdat ze momenteel toch bijzonder weinig werk hebben en ze op deze manier iets kunnen terugdoen voor de medische staf van het Spallanzani, die zich al meer dan een maand onvermoeibaar inzet om coronapatiënten te helpen.

Vaticaan verschuift eedaflegging nieuwe Zwitserse gardisten naar 4 oktober

18 maart 2020

De nieuwsdienst van het Vaticaan maakt bekend dat de jaarlijkse traditionele eedaflegging van de nieuwe rekruten van de Zwitserse garde wordt verschoven naar 4 oktober. Normaal is die plechtige gebeurtenis voorzien op 6 mei, de dag waarop Il Sacco di Roma (de plundering van Rome) die in 1527 plaatsvond.

Bij de beruchte Sacco di Roma door keizer Karel V op 6 mei 1527, sneuvelden maar liefst 147 van de 150 wachters. Dankzij het heldhaftige verzet van de nog overgebleven gardisten kon de toenmalige paus Clemens VII met zijn gevolg langs de nog steeds bestaande Passetto di Borgo uit het Vaticaan vluchten naar de Engelenburcht.

De rest van Rome was volledig aan de plunderende indringers overgeleverd. De paus overleefde het maar de geslaagde reddingsactie draaide voor de gardisten uit op een ware zelfmoordmissie. Met hun rug tegen de muren van het Vaticaan vonden ze de dood. Voor de kazerne van de garde staat nog steeds een monument dat aan die bloedige feiten herinnert. Elk jaar wordt op 6 mei een bloemenkrans neergelegd ter ere van de gardisten die toen zijn omgekomen.

vlagguardia

Die gebeurtenis is de reden waarom de nieuwe leden van de Guardia Svizzera Pontificia precies op 6 mei in de ochtend op hun vlag trouw zweren aan de paus. Zij leggen tijdens deze ceremonie hun linkerhand op de pauselijke vlag van het korps (op de kleurrijke vlag staan onder meer het wapen van de paus en het wapen van paus Julius II, de oprichter van de eenheid) en heffen de rechterhand met drie gestrekte vingers (het teken van de Drievuldigheid). Behalve een eigen vlag heeft de Zwitserse garde ook een eigen parochiekerk binnen Vaticaanstad, gewijd aan Sint-Maarten.

Het korps wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1505 waarin paus Julius II tweehonderd Zwitserse hellebaardiers vraagt om de pauselijke staat te dienen. Het korps, dat al snel uitgroeide tot de persoonlijke lijfwacht van de paus, werd in 1506 officieel opgericht. De Zwitserse Wacht is ondertussen al eeuwen lang verantwoordelijk voor de persoonlijke veiligheid van de paus.

De logistieke genialiteit van de Romeinen

18 maart 2020

De lange handelsroutes voor metalen, keramiek, marmer en andere luxeproducten in het Romeinse Rijk waren al in kaart gebracht, maar zoals je gisteren kon lezen was er over houthandel en houttransporten in de Romeinse oudheid tot dusver weinig bekend. Een probleem daarbij is dat door de relatieve droogte in Italië en andere mediterrane gebieden weinig goed bewaard gebleven oud hout is teruggevonden.

“Hout heeft duizenden toepassingen, en zonder dit zou leven niet mogelijk zijn”, schrijft Plinius de Oudere in de Naturalis Historia XVI, 1–5). Met deze verklaring wijst Plinius (23/24-79) op de waarde die hout had voor de Romeinen.

Hout was belangrijk voor elk aspect van het dagelijkse leven in het oude Rome, variërend van de bouw van gebouwen tot brandstof voor verwarmingssystemen van onder meer de gigantische thermen, van scheepsbouw tot metaalbewerking.

Dat in de Romeinse keizertijd vooral in de miljoenenstad Rome al gauw een grote behoefte bestond aan hout voor meubels, als bouwmateriaal voor huizen en als brandstof (veel meer dan Italië zelf kon leveren) was al bekend uit de literatuur.

Plinius de Oudere (23-79) schrijft over hout dat uit Marokko werd geïmporteerd en keizer Hadrianus (76-138) had in Libanon een keizerlijk cederwoud laten afbakenen met speciale stenen, louter voor eigen gebruik. Een aantal van deze bosgrensmarkeringen met inscriptie zijn zelfs teruggevonden: Imp(eratoris) Had(riani) Au?g(usti) definitio silvarum.

In 2017 werd berekend dat de Romeinse stad Sagalassos in het huidige Turkije, waar veel pottenbakkerijen waren gevestigd, ongeveer 4 tot 10 kg hout per persoon per dag verbruikte.

De enorme vraag naar hout vanuit Rome leidde tot de snelle uitputting van de bossen rondom de hoofdstad en in een groot deel van de Apennijnen. Naarmate het Romeinse Rijk zich uitbreidde, ging het zagen van hout verder in het buitenland.

Reeds in de eerste eeuw waren de bossen in het huidige Algerije, die voornamelijk bestonden uit sandarac, een cipresachtige boom (tetraclinis articulata), al volledig geëxploiteerd zodat voor de houtvoorziening werd uitgeweken naar het huidige Marokko.

Door de vlotte handel met de nabijgelegen gebieden was in Rome een grote verscheidenheid aan boomsoorten beschikbaar: ebbenhout, ceder, terebint, steeneik en vele anderen. Patricische huizen bevatten meestal een ruime keuze aan hout en waren versierd met ander kostbaar materiaal zoals goud of ivoor. Voor de bouw van gebouwen was zilverspar de geprefereerde boomsoort.

De Romeinse architect en ingenieur Vitruvius (± 85-20 v. Chr.) noteerde in zijn verhandeling over architectuur (De Architectura, II, hfst. 9-10) de kenmerken die zilverspar bijzonder waardevol maken: het lichte hout en een grote, regelmatige stam.

Archeologische vondsten in Pompeï en Herculaneum bevestigen dat zilverspar het meest voorkomende bouwhout was, gevolgd door eikenhout, dat zwaarder is dan zilverspar en een minder regelmatige stam heeft, vooral bij de bomen uit de Apennijnen.

Eik is echter sterker, harder en veel duurzamer dan spar. Deze eigenschappen maakten eik minder geschikt voor het leveren van lange dakbalken of dakspanten, maar perfect voor alle soorten funderingen in contact met de grond.

Ondanks ons begrip van het vele gebruik van hout in de Romeinse tijd, is het gedetailleerde inzicht in langeafstandshouthandel, de gebruikte boomsoort en de bevoorradingsbronnen nog steeds beperkt. Tegelijkertijd hebben recente vorderingen in de dendrochronologie een belangrijke bijdrage geleverd aan archeologisch onderzoek.

Onder de juiste omstandigheden kan hout dendrochronologisch worden gedateerd tot het kalenderjaar. Bovendien kan boomringonderzoek de herkomst van het hout bepalen en soms kan het zelfs helpen om politieke en economische netwerken van commerciële handel te identificeren.

Zoals verteld zijn in het Middellandse-Zeegebied echter zelden de noodzakelijke voorwaarden aanwezig om een dendrochronologische analyse te kunnen geven. Hout blijft alleen gedurende een lange periode goed bewaard op zeer vochtige of zeer droge plaatsen, bij zeer lage temperaturen, in contact met metaal of in de vorm van houtskool.

In mediterrane archeologische opgravingen zijn aardewerk en ijzer bijvoorbeeld gemakkelijk te vinden, maar hout is zeldzaam en komt vaak alleen voor als kleine fragmenten die aan metaal zijn gebonden. Deze omstandigheid belemmert de dendrochronologische beoordeling van Romeins hout. Daarom verwijzen de meeste studies over Romeinse houtconstructies naar archeologische vindplaatsen buiten Italië, bijvoorbeeld bij de datering van schepen, vaten, enz.

sanniokaartje1
Door de ontdekking die in de periode 2014-2016 tijdens de aanleg van de Metrolijn C in Rome onder de Via Sannio gebeurde, ontstond dank zij de goed bewaarde houten planken dus een zeldzame uitzondering waardoor een succesvol dendrochronologisch onderzoek kon plaatsvinden. Het hout kon niet alleen gedateerd worden, ook de geografische herkomst werd duidelijk.

De archeologische opgraving in de Via Sannio, nabij de San Giovanni in Laterano en net buiten de oude Aureliaanse Muren, omvatte een oppervlakte van ongeveer 1.440 m², vlak naast de geboorde metrotunnel.

Al gauw werd duidelijk dat deze planken hadden deel uitgemaakt van de basis van een rijk versierde portiek, een onderdeel van een grote en rijkelijke woning. Het hout was goed geconserveerd, omdat de planken verzadigd waren met water. De meeste planken waren ongeveer 3,60 m lang, de kortste had een lengte van 1,15 m. De ronde palen waren 60 tot 66 cm lang, met een diameter van 3,5 tot 8 cm.

Een beschrijving van de archeologische vindplaats is te vinden in het nabijgelegen metrostation San Giovanni waar een heleboel artefacten die in de buurt gevonden zijn worden tentoongesteld. Visueel onderzoek van de planken onthulde geen sporen van eerder gebruik of van insecten. Er waren alleen bijlmarkeringen en zeer nauwkeurige zaagsporen, wat aangeeft dat de gebruikte houten planken specifiek voor deze constructie werden gemaakt.

Nadat de wetenschappers met succes de Romeinse eiken planken konden dateren ten opzichte van Midden-Europese referentiechronologieën, wees een nadere beschouwing van regionale referentiechronologieën op de herkomst van het hout in het huidige Oost-Frankrijk, namelijk de Elzas (Boven-Rijnvallei), Lotharingen, Champagne en Bourgondië.

De Romeinen baseerden hun hegemonie op een imposant wegennet, dat handel over lange afstand en de massale exploitatie van hulpbronnen in de door hen gecontroleerde regio’s mogelijk maakte. Metaal, aardewerk, marmer en vele andere luxegoederen werden vervoerd, ongeacht de afstand en mogelijke geografische barrières.

Dit is vrij eenvoudig voor te stellen in het geval van luxegoederen en pakketten niet-bederfelijke levensmiddelen, maar het is ingewikkelder voor het transport van enorme blokken marmer of andere grote hoeveelheden bouwmaterialen. Toch deden de Romeinen het.

Daarom dwingt de infrastructuur van het Romeinse Rijk, gecombineerd met de geavanceerde logistieke vaardigheden van de Romeinse ingenieurs, tot vandaag nog bewondering en respect af.

De belangrijkste routes voor commercieel transport in de Romeinse tijd zijn bekend en er bestaan gedetailleerde beschrijvingen van de aankoopmiddelen van de Romeinen, evenals de exacte oorsprong van de goederen.

De studie van het hout uit de Via Sannio toonde aan dat in de Romeinse tijd gedurende lange tijd Midden-Europees hout werd gebruikt voor constructiedoeleinden in het centrum van Rome en dat voor dit toepassingsgebied een commerciële transportroute bestond.

De Franse Jura ligt dicht bij de belangrijkste commerciële handelsroutes van het oude Gallië. Vanwege de uitstekende topografische ligging was dit een belangrijk gebied dat de provincies Gallië en Germania Superior met elkaar verbond.

sanniokaartje2

Het hout werd hoogstwaarschijnlijk over de weg vervoerd of per vlot en stroomafwaarts over de Saône-rivier tot Chalon-sur-Saône, een belangrijk handelscentrum van Gallië en destijds het administratieve hoofdkwartier van een riviervloot.

Vanaf dit punt is de Saône vervolgens bevaarbaar naar het zuiden, tot aan de rivier de Rhône. Aan de samenvloeiing bevindt zich Lyon (het oude Lugdunum), het belangrijkste commerciële en administratieve centrum van de provincie Gallië (Gallia Lugdunensis).

Van daaruit kon het hout met grote schepen via de Rhône en de Ligurische Zee naar de oude haven van Ostia in Rome worden vervoerd, en vervolgens de rivier de Tiber op tot in de stadskern van Rome.

De dendrochronologische datums worden bevestigd door andere archeologische vondsten zoals grote hoeveelheden rood Romeins aardewerk, dat veel gemarkeerde fragmenten bevat en die dateren uit dezelfde periode.

Hoewel vier van de gevonden eiken planken meer dan 250 ringen hebben, strekte geen enkel houtmonster zich uit van merg tot schors, wat aangeeft dat sommige van de bomen behoorlijk oud waren, wellicht zelfs tot 300 jaar.

Andere bomen uit dezelfde partij hadden aanzienlijk minder ringen. Dit kan erop wijzen dat de bomen uit bijna natuurlijke eikenbossen kwamen, met een ongelijke leeftijdstructuur en heel weinig menselijke verstoring.

De uitgestrekte bossen in de noordelijke provincies waren voor de Romeinen schijnbaar eindeloze leveranciers van hout, een grondstof die eerst tijdens de bezetting van de nieuwe gebieden lokaal werd gebruikt om kampementen te bouwen.

Nadat het betrokken gebied veroverd was, werd het hout ook gebruikt voor het onderhoud van verschillende strategische vestingwerken in Rome, de vloot en voor bouwdoeleinden.

Het kappen van de bomen, het aanleggen van voorraden en het bewerken van het hout moest zo worden georganiseerd dat het half voorbereide hout veilig vanuit de Franse bossen naar het hart van Rome kon worden gebracht.

De gekapte bomen werden hoogstwaarschijnlijk gesplitst om er ter plaatse planken van te maken. Hun effen oppervlak duidt op het gebruik van vers gesneden eiken. Ook om praktische redenen gaan de archeologen ervan uit dat de planken waren voorbereid voordat het hout over lange afstanden werd getransporteerd.

De afmetingen en het gewicht van de eiken planken suggereren rivier- en maritiem transport in plaats van vervoer over land. Een dicht netwerk van handelsroutes over waterwegen werd intensief gebruikt om de verschillende gebieden van het Romeinse Rijk met elkaar te verbinden.

Gezien de afstanden, in dit geval meer dan 1.700 km, de grote afmetingen van het hout, het wegtransport met alle mogelijke obstakels onderweg, het transport over de rivieren en uiteindelijk de vescheping over zee, moet de logistieke organisatie van de Romeinen formidabel zijn geweest.

Het zou waarschijnlijk moeilijker en minder handig zijn geweest om massieve en geschikte eiken in de bossen van de Apennijnen te vinden, in plaats van ze te laten aankomen uit de bezette provincies, waar bovendien veel personeel (slaven!) aanwezig was om de enorme hoeveelheid grondstoffen van de beste kwaliteit te verwerken en te helpen transporteren.

https://journals.plos.org/plosone/