Archive for 15 april 2020

De vrijgelaten Turranii

15 april 2020

Avonturen met opschriften – X

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de tiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel X (met dank aan Robert Nouwen met wie ik over dit opschrift gecorrespondeerd heb). De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Aestus erat, schreef Ovidius (Amores, I, 5), ‘Het was heet’, maar in feite was het op deze late dag in februari aangenaam warm. De zon scheen, de vogels floten alsof het een lust was, langzaam vulde het landschap zich met de geuren van pijnbomen en cipressen, van de verschillende bloemen en kruiden die ontsproten. Dit was waar Schrijver dezes al zo lang zo sterk naar verlangd had, en met een kwieke pas die hem enkele dagen eerder nog zou hebben verbaasd, liep hij langs de Via Appia, enkel onderbroken door korte pauzes waarin hij zijn notitieboekje bovenhaalde en weer een opschrift neerschreef.

turranii (1)

Hij had net geluncht, een panino met een glas Frascati, op het tuinterras van Appia Antica Caffè, waar hij altijd kwam als hij naar de Via Appia ging. Het paradijs leek binnen handbereik. Hij schreed over de basaltblokken van de oude weg, zoals men hier hoort te doen. De eerste vlinders fladderden al in de februarizon. Een temperatuur waarvan men in het verre noorden op dit moment slechts kon dromen, 20°, en nauwelijks iemand anders op de weg. Dit was ideaal.

Aestus erat, schreef Ovidius en wie kon dat beter weten dan Schrijver dezes? Bij Ovidius was dit de inleiding tot de eerste entree van des dichters geliefde, Corinna. Maar Schrijver dezes kwam niet Corinna tegen tijdens zijn wandeling. In plaats daarvan stuitte hij op de Turranii.

Dat klinkt huiveringwekkender dan het is. Ergens, na enkele honderden meters, bevindt zich rechts een grote rechthoekige grijze steen in de berm, tussen het opschietend gras en de veldbloemen. Op dit moment donker door de invloed en het vuil van het weer en waarschijnlijk ook de luchtverontreiniging, en daardoor moeilijk te lezen. Het was in feite het eerste opschrift langs de weg dat hij na zijn lunch tegenkwam.

Hij noteerde het opschrift en dacht: ‘Op het eerste zicht is hier niets bijzonders te vertellen.’ De tekst bestaat enkel uit wat namen van vrijgelatenen (CIL, VI, 27825):

TVRRANIAI M L HELENAI M TVRRANIVS M L
C TVRRANIO MM L PAMPHILVS
HERACLEONI TVRRANIA FLORA
C TVRRANIVS C L RVFIO TVRRANIA M L PHILIA
TVRRANIA CC L CHILA TVRRANIA M L ITALIA

Het is de opsomming van een reeks namen:

Turraniai M(arci) l(ibertai) Helenai
M(arcus) Turranius M(arci) l(ibertus) Pamphilus
C(aio) Turranio M(arcorum) l(iberto) Heracleoni
Turrania Flora
C(aius) Turranius C(ai) l(ibertus) Rufio
Turrania M(arci) l(iberta) Philia
Turrania C(aiorum) l(iberta) Chila
Turrania M(arci) l(iberta) Italia

Een vertaling is eigenlijk overbodig: libertus = vrijgelatene (mannelijk) en liberta = vrijgelatene (maar dan vrouwelijk). Marci = van Marcus, Cai = van Caius (‘Gaius’ in onze normale spelling, maar het Latijn heeft hier altijd de oorspronkelijke vorm bewaard met de aan het Etruskisch ontleende stemloze C); Marcorum = van de Marcussen en Caiorum = van de Caiussen.

turranii (4)

Opmerkelijk is alleen de allereerste vorm: Turraniai met –ai in plaats van de ‘normale’ naamvalsuitgang in de datief op –ae. Een archaïsche vorm. Bij het oplossen van de afkorting zou dan ook beter libertai gelezen worden dan libertae, zoals de geleerde edities doen, maar dat is een detail. Zoals u weet is Schrijver dezes daar dol op, maar dat was niet het enige dat in deze ogenschijnlijk zo banale tekst en naamlijst zijn aandacht trok.

Lange tijd heeft men zich alleen voor de eigenlijke tekst geïnteresseerd, maar daarbij ging men voorbij aan twee andere elementen die eveneens essentieel zijn voor de interpretatie van een opschrift, nl. de vorm van de tekst en de context.

Het laatste is wellicht het eenvoudigste te omschrijven: een opschrift hangt nooit in het luchtledige, maar is altijd op een drager bevestigd. Deze drager hoort eveneens bij de interpretatie betrokken te worden en vult de tekst vaak aan.

Zo kan een grafinscriptie eigenlijk niet zonder het grafmonument als geheel gezien worden, net zoals de tekst op een sokkel van een beeld of een altaar zijn betekenis ontleent aan het feit dat het om een tekst op een sokkel of een altaar gaat en zoals een bouwopschrift nauw met het gebouw (of wat ervan overschiet) verbonden is.

In heel wat gevallen is het monument waarop het opschrift staat, als het ware het lijdend voorwerp of object van de tekst: Romeinse inscripties zijn notoir zuinig met bepaalde zinsdelen en bevatten zo vaak geen echt lijdend voorwerp.

Wij vullen dat dan voor het gemak (en betweterig) aan, tussen haakjes, met iets als: ‘(dit monument)’ of iets dergelijks en in het commentaar hoor je dan bijna het vingertje wijzen dat we het object hebben moeten aanvullen omdat de tekst het zelf niet bevat. Maar in wezen is dat object wel zeker te vinden, alleen het staat niet in de tekst, maar is deel van de context.

Op dezelfde wijze is ook de vorm van belang: wat voor soort lettertekens zijn er gebruikt?, zijn deze regelmatig?, gaat het om dezelfde steenkapper of niet?, is er een afbeelding of symbool aan toegevoegd?, welke grammaticale constructie is er genomen? Dat soort vragen.

Schrijver dezes was daar al geruime tijd van overtuigd en terwijl hij probeerde om de door verwering en vuil verdonkerde lettertekens te transcriberen, viel hem op hoe onregelmatig dit opschrift eigenlijk is.

Om te beginnen is het een bende van liberti van een Marcus en van een Caius door elkaar. Maar ook de grammaticale constructie wijzigt gedurig: nu eens datief (‘voor X’), dan weer nominatief (enkel de naamvorm).

Ook de dispositie of de plaatsing van de woorden op de regels is een hopeloze chaos: zo wordt de naam van Marcus Turranius Pamphilus aan de rechterkant over de twee eerste regels gespreid, terwijl die van Caius Turranius Heracleo (ineens in de datief) over regels 2 en 3 is uitgesmeerd. De andere staan steeds op dezelfde regel.

turranii (3)

Bij Turrania Flora staat helemaal niet vermeld dat ze vrijgelatene is. Weer een onregelmatigheid. Tot slot blijkt ook de vorm van de letters niet dezelfde en zijn er duidelijk verschillende steenhouwers aan het werk geweest: het duidelijkst is dat te zien bij Turrania Flora wier eerste letters TV bovendien verder naar links zijn geplaatst dan de erboven of eronder staande namen, terwijl de letters van deze naam ook nog veel onregelmatiger en minder mooi zijn gekapt dan de meeste andere letters.

Aestus erat, zei Ovidius en hij dacht aan Corinna, maar Schrijver dezes dacht niet aan Corinna, maar was in de ban van de Turranii, van deze verder onbekende groep mensen die geen enkele rol op het wereldtoneel hebben gespeeld en van wie we alleen weten wat er op deze steen staat, nl. hoe ze heetten en dat ze vrijgelatenen waren van leden uit de familie van de Turranii, de gens Turrania. Een vlinder fladderde voorbij, een vogel landde kort op de steen en keek Schrijver dezes aan alsof hij hem tartte, maar deze zag het amper.

Wat hij wél zag was de oplossing: er is eigenlijk maar één, op zich voor de hand liggende verklaring: de namen van deze Turranii zijn op verschillende momenten op de steen gebeiteld, al naargelang hun overlijden viel. Dat betekent dus ook dat dit verder verloren graf voor diverse personen gediend heeft en daaruit volgt ook dat de vrijgelatenen van deze familie dicht bij elkaar zijn blijven staan.

Natuurlijk is het niet mogelijk om zekerheid over de onderlinge verhoudingen te bereiken, maar twee dingen staan wel vast. Ten eerste zullen de bovenste namen ouder zijn dan de onderste (en de linkse ouder dan de rechtse).

Ten tweede gaat het (misschien met uitzondering van Turrania Flora van wie niets wordt meegedeeld) steeds om liberti, dus vrijgelatenen. Geen enkele Turranius van dit opschrift is vrij geboren of – liever gezegd – bij geen van hen is iets gezet dat rechtvaardigt ertoe te besluiten dat iemand vrijgeborene was

Als er een affiliatie is tussen deze personen, dan gaat het steeds om vrijlatingen, in principe niet om afstamming. Het gaat om een groep voormalige slaven van de gens Turrania die nauw met elkaar in contact zijn gebleven.

We hebben dus aan het begin van de groep Turrania Helena die vrijgelatene is van een Marcus Turranius van wie we het cognomen helaas niet kennen. Zoals gezegd, is het opvallend dat er gekozen is voor een archaïsche grafie. Wat dit betekent is minder duidelijk.

De vorm van de letters op dit opschrift is zeer verzorgd, maar het gaat niet om de capitalis quadrata van de officiële opschriften. Het kan zijn dat de inscriptie toch uit de 1ste eeuw voor of de 1ste eeuw na Chr. dateert. Een datering in de 1ste eeuw v.Chr. van Turrania Helena is zeker niet in strijd met de archaïsche vorm van de datief.

Naast haar staat M. Turranius Pamphilus, eveneens een vrijgelatene van een Marcus. Dat kan inderdaad dezelfde zijn. Een interpretatie volgens welke Turranius Pamphilus dit graf en deze inscriptie heeft gewijd aan Turrania Helena lijkt niet juist: er is geen spoor van een werkwoord en evenmin van een relatie tussen de twee.

Bij een formule dat X dit graf heeft opgericht voor Y, wordt meestal verduidelijkt wat de onderlinge band is (zoon, dochter, vader, moeder, echtgenote etc.). Bovendien is de plaatsing van het cognomen Pamphilus op de volgende regel ook een tegenargument. Nee, de vermelding van deze Turranius Pamphilus betekent wel degelijk dat ook hij in dit graf een laatste rustplaats vond.

Daarentegen is Caius Turranius Heracleo weer in de datief gezet. Zijn naam staat net onder die van Turrania Helena. Gezien de datief én de plaatsing van het cognomen Heracleo op een tweede regel is het niet uit te sluiten dat Heracleo eerder is bijgezet dan Turranius Pamphilus. Deze zou dan als derde kunnen zijn gevolgd. MM L = M(arcorum) l(ibertus) betekent dat Heracleo slaaf was van twee Marcussen.

In verband met de rest van zijn naam zouden beide Marci uit de familie Turranius kunnen/moeten komen. Zou het kunnen zijn dat Heracleo als slaaf gediend heeft bij zowel de oorspronkelijke eigenaar als van Turranius Pamphilus? En dat hij door beiden is vrijgelaten? Of gaat het om twee ‘gewone’ leden van de gens Turrania die dan beiden Marcus heetten, maar verder voor ons ontastbaar blijven?

Caius Turranius Rufio was vrijgelatene van Caius. Dit kan een broer van de oorspronkelijke eigenaar Marcus Turranius zijn maar het zou ook Heracleo kunnen zijn geweest, want die heette ook Caius. Voor Turrania Chila geldt een beetje hetzelfde als voor Heracleo: zij was vrijgelatene van twee Caiussen: misschien van de hypothetische broer van de eerste Marcus en Heracleo of zelfs van Heracleo en Rufio samen?

Turrania Philia en Turrania Italia zijn dan weer slaaf geweest van een Marcus Turranius: dat kan opnieuw de allereerste eigenaar van wie we het cognomen niet kennen, zijn geweest, maar eventueel ook Pamphilus.

Opvallend bij dit alles is in ieder geval dat de Cai liberti links op de steen staan terwijl de (verdere) vrijgelatenen van Marcus rechts staan, onder Pamphilus. Als dit een bewuste ordening is, dan zou dit er inderdaad op kunnen wijzen dat Philia en Italia vrijgelatenen van Pamphilus waren en Chila en Rufio van Heracleo.

turranii (2)

Dan is de onregelmatigheid dus minder groot dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Of liever: dan blijkt de onregelmatigheid toch regelmatig, mits men de juiste verklaring vindt.

Van de andere kant kan evenwel helaas nooit worden uitgesloten dat alle Marci liberti vrijgelatenen van de allereerste Marcus waren. Schrijver dezes is zich bewust van het feit dat dit wat op gedraai lijkt, maar dat is beter dan het aftastend verkennen van mogelijkheden als zekere reconstructie af te schilderen.

Blijft Turrania Flora. Toegevoegd in wat ongelukkig gevormde letters. En zonder vermelding dat ze vrijgelatene was. Hier zijn twee mogelijkheden: ofwel men is de vermelding van haar statuut van vrijgelatene ‘vergeten’ te vermelden, ofwel zij was geen vrijgelatene, maar gewoon de vrij geboren dochter van een Turranius.

Omdat het hele monument verder alleen met vrijgelatenen te maken heeft, ligt het voor de hand dat Flora in dat laatste geval de dochter was van Pamphilus of Heracleo. Maar meer zekerheid hierover is niet te verkrijgen. De glazen bol van Schrijver dezes zegt dat Flora de dochter was van Pamphilus, maar dit geeft hij voor wat het waard is. Flora was in ieder geval op het moment van haar overlijden geen slavin, want anders had ze nooit Turrania geheten.

Dezelfde glazen bol vertelt hem (off the record) dat Helena en Pamphilus vrijgelatenen waren van dezelfde Marcus en dat Heracleo door deze Marcus en Pamphilus is vrijgelaten. Zelf had Pamphilus nog steeds volgens dezelfde glazen bol een dochter Flora en twee vrijgelaten slavinnen, Philia en Italia, terwijl Rufio een vrijgelatene was van Heracleo en Chila van Heracleo en Rufio samen.

Aestus erat, zei Ovidius. Schrijver dezes had het er warm van gekregen, van dit gepriegel in en gespeculeer over andermans levens. Maar dit was nu net het fascinerende van deze opschriften: men heeft direct contact met iemand van 2000 jaar terug, zonder dat iets of iemand anders tussenbeide komt.

Anders dan handschriften die kopieën zijn van kopieën, stammen opschriften – net als munten – rechtstreeks uit de Oudheid. Dat maakt de interpretatie daarom niet noodzakelijkerwijs eenvoudiger, zoals we hebben gezien.

We kunnen wel hypothesen en mogelijkheden opwerpen, maar absolute zekerheid ontsnapt ons vaak, zeker als het opschrift zo lapidair is als dat van de Turranii… We moeten ons alleen niet op de tekst blindstaren, maar ook de vorm van het opschrift meenemen in onze zoektocht naar de betekenis van dit alles.

Schrijver dezes borg tevreden zijn notitieboekje op en wandelde verder. De vogels zongen alsof het een lieve lust was. De lucht was vol van de eerste geuren van pijnboom en cipres, van bloemen en gras. De zon scheen op de Via Appia en het was een paradijselijke dag.

Aestus erat, schreef Ovidius. En Corinna? Videbimus.