Archive for 21 april 2020

Rome viert vandaag zijn 2773ste verjaardag

21 april 2020

De legendarische stichters van de stad

De stad Rome viert vandaag, 21 april, zijn officiële 2773ste verjaardag. Op deze feestdag, de Natale di Roma, trekken in normale omstandigheden optochten met zowat 1.500 gekostumeerde deelnemers door de straten van Rome, zijn er historische re-enactments, gladiatorengevechten en theateropvoeringen en worden oude rituelen en offerandes nagespeeld. De activiteiten zijn verspreid doorheen het hele historische centrum.

Deze evenementen, die de verjaardag van Rome elk jaar tot groot plezier van zowel inwoners als toeristen een extra dimensie geven, worden georganiseerd door de Gruppo Storico Romano. Door de actuele virusperikelen valt er dit jaar echter weinig te vieren en valt de verjaardag van Rome grotendeels in het water.

Er is geen enkel evenement in openlucht gepland. De lockdown blijft onverminderd van kracht, ook als het gaat om de herdenking van de legendarische stichting van Rome in 753 v. Christus. Kunnen we vandaag 21 april, de symbolische maar officiële feestdag van onze lievelingsstad, een beter verhaal brengen dan dit van het mythologische duo Romulus en Remus?

Vermoedelijk niet, ook al omdat de vertelling na verloop van tijd door sommigen al weleens vergeten wordt. En ook al hebben de legendarische broers hoogstwaarschijnlijk nooit bestaan, het blijft een mooi verhaal dat bovendien al vele eeuwen meegaat.

Volgens de Romeinse legende waren Romulus en Remulus de tweelingzoons van de god Mars en van Rhea Silvia. Ze werden door Amulius, een broer van hun grootvader Numitor, in een mandje in de Tiber geworpen.

De mand bleef echter in de modder steken aan de voet van de Palatijnse heuvel nabij een grot gewijd aan Faunus. De kinderen, aldus gered, werden door een wolvin gezoogd in de schaduw van een vijgenboom, waar later de herder Faustulus hen vond en die hen door zijn vrouw liet grootbrengen.

Volwassen geworden, doodden Romulus en Remus de snode Amulius en stichtten een nederzetting op de Palatijnse heuvel. Er ontstond echter ruzie tussen de broers, waarop Romulus zijn broer doodde en zelf heerste over het jonge Rome. Om de bevolking uit te breiden, bouwde Romulus de plaats om tot asiel of wijkplaats voor ballingen en vluchtelingen.

Het tekort aan vrouwen werd opgelost door de Sabijnse maagdenroof, waarna de vestiging samensmolt met de Sabijnse nederzetting op de Quirinalis en Romulus met de Sabijnse koning Titus Tatius de regering deelde.

Na de dood van Titus Tatius was Romulus alleenheerser. Op het einde van zijn regering werd hij door de god Mars ten hemel gevoerd en genoot hij, vereenzelvigd met de Sabijnse god Quirinus, goddelijke eer.

Sommige oude teksten vermelden dat Romulus op het Forum werd begraven (Livius, Ab urbe condita, I, 4; Vergilius, Aeneïs, I, 275; VI, 778, 781; VIII, 342; Ovidius, Metamorphoses, XIV, 772 vv.) maar daar is nooit enig bewijs van gevonden.

Eerder dit jaar ontstond enige opwinding toen een sensationeel bericht de wereld werd ingestuurd dat het graf van de legendarische Romulus op het Forum Romanum zou gevonden zijn. Maar die ontdekking bleek niet te zijn wat sommigen ervan hadden verwacht, het zou ook te mooi geweest zijn.

Toen Rome gaandeweg machtiger werd, ontstonden nieuwe sagen omtrent de stichting en oorsprong van de stad en haar rijk. De officiële versie werd dat Aeneas, zoon van Venus (die later vereenzelvigd werd met Aphrodite) uit Troje naar Latium kwam. Zijn zoon Ascanius stichtte Alba Longa. Ten slotte stichtten Romulus en Remus, zoals verteld de tweelingzonen van Mars en Rhea Silvia, de dochter van de koning van Alba Longa, de stad Rome.

Als officiële stichtingsdatum van Rome werd later gekozen voor 21 april 753 v. Chr. Het staat echter al lang vast dat het gebied dat later Rome zou heten, al veel eerder werd bewoond. Er zijn in Rome en omgeving archeologische sporen van bewoning teruggevonden uit de tiende en zelfs uit de elfde eeuw v. Chr.

De legendarische stichting van Rome gebeurde volgens de overlevering met de aflijning van de eerste omwalde ‘stad’, het Roma Quadrata, waarover zo meteen meer. In 1988 werden de overblijfselen van deze allereerste ommuring teruggevonden.

De onwaarschijnlijk exacte stichtingsdatum van Rome wordt pas voor het eerst vermeld tijdens de tweede eeuw v. Chr. in de geschriften van Quintus Fabius Pictor en van Polybius, al kan er natuurlijk een mondelinge overlevering geweest zijn.

Het stichtingsverhaal van Rome levert al eeuwenlang inspiratie voor talrijke schrijvers, schilders, beeldhouwers en andere kunstenaars. Complete boeken zijn ermee gevuld en wereldwijd kom je de wolvin met de zogende tweeling altijd wel ergens tegen, soms in een weinig fraaie versie. Al hangt dat natuurlijk af van de kunstenaar van dienst.

Er bestaan verschillende lichtjes afwijkende varianten van het verhaal, maar ze draaien allemaal om eerzucht, oudermoord, broedermoord, verraad en blinde ambitie. Geen stad is dieper in wreedheid ondergedompeld geweest dan Rome, en dit al vanaf het prille begin.

Maar in alle verhalen is de Palatijn steeds de bakermat van Rome, want in deze omgeving bevond zich volgens de overlevering immers ook het hol van de wolvin die Romulus en Remus voedde. Aldus de legende.

De legendarische Romulus ‘stichtte’ de naar hem genoemde stad door een strook land te markeren die de stadsgrenzen bepaalde, het pomerium. Binnen deze lijn behoorde men tot de stadsbevolking, daar lag het ‘templum’, de heilige plek ingewijd volgens de rites der auguren.

Het eerste pomerium was nauwkeurig afgebakend door de vore die Romulus met een ploeg trok op die magische 21 april in 753 v. Chr., gehoorzamend aan de voorschriften van het Etruskische ritueel, bespannen met een stier en een zuiver wit paard.

De ploegschaar had hij opgetild op de plaatsen waar eens de stadspoorten zouden staan, de latere ‘portas’ als afgeleide van ‘portare’ dat in het Latijn optillen betekent. Het ritueel vereiste dat de kleine geul, de fossa, als symbolische fortificatie naast de rand van de door de ploegschaar opgeworpen aarde zou liggen. Deze rand werd de ‘agger’ genoemd, de aarden wal. De stadsmuur werd achter deze symbolische grens gebouwd en de ruimte tussen de muur en de fossa mocht niet bebouwd of beplant worden.

De sacrosancte omtrek van de stad, de heilige kring (orbis) getrokken voor de muren en verschansingen die nog moesten komen, gaf een profetisch beeld van de toekomstige stad en werd daarom ‘pomerium’ genoemd, afgeleid van ‘pone muros’. Met het pomerium, de gewijde omtrek van de pas gestichte stad, triomfeerde het gesloten Rome over het open Rome zonder grenzen of muren dat de ongelukkige Remus voor ogen stond.

Voortaan werd de jaartelling gerekend vanaf de stichting van de stad ‘ab urbe condita’. De teleurgestelde Remus maakte de lage muur rondom de nieuwe nederzetting belachelijk door er over te springen. Romulus werd boos en in de daaropvolgende twist werd Remus gedood.

Bij Ovidius (Fasti IV, 831) luiden de slotverzen uit het gebed van Romulus bij de stichting van Rome ‘Longa sit huic aetas dominaeque potentia terrae, sitque sub hac oriens occiduusque dies’ – ‘moge deze stad een lang leven kennen, macht en heerschappij over de wereld, en moge aan haar zijn onderworpen de opkomende en de ondergaande zon’.

De drie poorten die Romulus had aangeduid waren, de Porta Mugonia, verwijzend naar ‘muggare’ het loeien van de koeien, gelegen aan de noordoostelijke zijde van de Palatijn, bij de acht eeuwen later gebouwde boog van Titus niet ver van het Colosseum en de Via Sacra.

Vervolgens de Porta Romana of Romanula, verwijzend naar Rome, want langs die weg bereikten de Sabijnen de latere stad. Ze was gelegen aan de noordwestelijke kant van de heuvel, aan de zijde van Via Nova en uiteindelijk de Porte della Scala di Caco gelegen aan de kant van het Circus Maximus.

Het gebied binnen het pomerium heette ‘Roma Quadrata’, het vierkante Rome, wellicht wegens de vorm van de eerste stad die oorspronkelijk het Capitool niet omvatte. Regelmatig werd het pomerium in zijn volle lengte door een groepje priesters afgestapt, een processie omwille van de vruchtbaarheid van de Romeinse kudden en vrouwen.

Deze priesters vormden samen de ‘luperci’. Later werd het pomerium herhaalde malen verplaatst, naargelang de uitbreiding van de stad dat nodig maakte. Een eerste keer gebeurde dat door Lucius Sulla (138-78 v. Chr.). Tijdens de keizertijd had het pomerium opgehouden de grens van de Urbs te vormen.

Wel bleef de symbolische betekenis gehandhaafd en groeide de grens mee met de ontwikkeling van de stad, ze betekende bepaalde politieke vrijheden voor de burgers, verboden terrein voor de legioenen…, de praktische functie van stadsbeveiliging was sinds lang overgenomen door de muur die op bevel van de senaat tussen 378 en 352 v. Chr. werd gebouwd.

Het hiervoor beschreven Etruskische ritueel werd ook toegepast bij de door de Romeinen gestichte steden in de veroverde gebieden, ook in Gallië en in onze streken. Op het uitgekozen terrein bakenden de stedenbouwers een ‘templum’ of vierkante zone af die perfect beantwoordde aan de gep1ande omvang.

Daarna gingen de soldaten en slaven aan de slag. Ze verwijderden alle hinderlijke obstakels zoals stenen, bomen en struiken en egaliseerden het terrein. Daarna kwam een priester met een bronzen ploeg een voor in de grond trekken en met de nodige rituelen het terrein afbakenen.

Achter de ploegvoor bouwde men de stadsmuur. In Tongeren gebeurde dat omstreeks 110 na Chr. Dit ritueel gaf de limieten aan van het stedelijke gebied en verzekerde het van de bescherming der goden.

In 2007 werd onder de resten van het huis van Augustus op de Palatijn, aan de kant van de heuvel die aan het Circus Maximus grenst, met behulp van een sonde een versierde en gedeeltelijk kunstmatige grot ontdekt.

Het was een ronde gewelfde ruimte die zich 16 m onder de grond bevindt, ongeveer 9 m hoog is en een diameter van gemiddeld 7,5 m heeft. Het gewelf bleek versierd met geometrische non-figuratieve patronen met mozaïeksteentjes van gekleurd marmer en rijen witte schelpen. In het midden bevindt zich een witte adelaar, het symbool van keizer Augustus.

Archeologen zijn er vrijwel zeker van dat het om de Lupercal of of Lupercale gaat, de plek waar volgens de legende Romulus en Remus werden gezoogd door de wolvin. Later vierden de priesters van Lupercus hier het Lupercalia-feest.

Op een bepaald moment is de grot waarschijnlijk als een heiligdom ingericht. De restauratie ervan door Augustus wordt vermeld in de Res Gestae divi Augusti (De Daden van de Goddelijke Augustus).

In de Griekse vertaling daarvan uit de oudheid wordt de Lupercal aangeduid als de ‘tempel van Pan’. Bronnen uit de vierde eeuw na Chr. maken melding van een eeuwenoud heiligdom nabij een grot die men toen vereenzelvigde met het Lupercal; jaarlijks werd er een groot feest gehouden ter ere van de natuurgod Faunus, de beschermer van vee en weidegrond.

Dat de grot gevonden werd onder het door Augustus gebouwde huis zou geen toeval zijn. Het lijkt logisch dat Augustus zijn ‘paleis’ precies hier heeft neergezet om zo de mythische plek waar de tweeling gezoogd werd te integreren in zijn persoonlijke woning. Misschien is de beroemdste tweeling ter wereld toch minder legendarisch dan algemeen wordt gedacht.

ACHTERGROND

De geschiedenis van Rome kan men laten beginnen met de vereniging tot één gemeenschap van de Palatinus en de Quirinalis, de twee oudst bewoonde heuvels. De hieruit ontstane stad kwam al spoedig onder Etruskische heerschappij. Van een Romeins Rijk onder deze koningen kan men nog niet spreken.

Nadat de verdreven koning Tarquinius Superbus in 496 v. Chr. definitief was verslagen, sloten de Romeinen en Latijnen een verbond, terwijl tevens strijd werd gevoerd met de Volsci, de Sabijnen en de Aequi. De verovering van Veji na een beleg van tien jaar (405-396 v. Chr.) door Camillus is een vaststaand gegeven.

Hierna breidde Rome zijn macht voortdurend uit over de omliggende streken en steden. De expansie stagneerde tijdelijk in 387 v. Chr., toen invallende Galliërs Rome, met uitzondering van het Capitool, bezetten en de Romeinen een weinig eervolle vrede oplegden, zodat de buurvolken (waaronder de Etrusken en de Volsci) in opstand kwamen. Door dezelfde noodtoestand werd echter de bestaande standenstrijd tot een einde gebracht en de opgestane volken konden worden onderworpen.

In 358 v. Chr. moesten de Latini en Hernici capituleren; met de Etrusken werd een verdrag gesloten, terwijl de Latini bij Sinuessa werden verslagen (in 338 v. Chr.). In de Tweede Samnitische Oorlog (326-304 v. Chr.) leden de Romeinen de nederlaag in de pas van Caudium (321).

Toch zagen zij precies in deze oorlog de kans om de overhand te krijgen in Midden- en Zuid-Italië. De Samnitische guerrilla bestreden zij met een netwerk van kolonies van boeren/soldaten en uitstekende wegen (zoals bv. de Via Appia, 312 v. Chr.). Zo werden arme boeren bovendien aan land geholpen, wat de interne spanningen verminderde.

De Derde Samnitische Oorlog (298-290 v. Chr.) gaf de beslissing in Romeins voordeel, maar zonder moeite ging het niet. De Romeinen moesten niet alleen tegen de Samnieten, maar ook tegen de Etrusken, de Galliërs en de Umbriërs strijden. De Slag bij Sentinum (295 v. Chr.) werd echter door hen gewonnen.

Door hun machtsuitbreiding in Campanië en Samnium raakten de Romeinen in conflict met Tarente, dat de hulp inriep van koning Pyrrhus uit Epirus, die wel enige overwinningen behaalde (Heraclea in 280 v. Chr., Ausculum in 279 v. Chr.), maar de situatie niet uitbuitte en in 275 v. Chr. bij Beneventum werd verslagen.

De vrede bracht met zich mee dat voortaan geheel Zuid- en Midden-Italië onder Romeinse hegemonie stonden. Door een systeem van wegen en koloniën handhaafden de Romeinen hun gezag; de onderworpen volken werden Latijnse of Italische socii (bondgenoten). Aan enkele Latijnse steden werd het burgerrecht verleend. De bondgenoten behielden een grote mate van zelfbestuur, maar moesten soldaten leveren.

Door de veroveringen in Zuid-Italië kwam Rome in contact met Sicilië en de Carthagers. In drie Punische oorlogen werd Carthago bestreden. Na de Eerste Punische Oorlog (264-241 v. Chr.) verkregen de Romeinen Sicilië, dat de eerste Romeinse provincie werd; in 238 v. Chr. annexeerden ze, gebruik makend van Carthago’s interne moeilijkheden, Sardinië en Corsica. Door de gunstige afloop van de Tweede Punische Oorlog (218-201 v. Chr.) werd ook Spanje Romeins gebied.

De bondgenoot van de Carthagers in deze oorlog, Philippus V van Macedonië, werd in de Slag bij Cynoscephalae in 197 v. Chr. verslagen. Het gebied van het Macedonische rijk bleef beperkt tot Macedonië zelf.

Antiochus III de Grote van Syrië, die Macedonië hulp geboden had, werd verslagen bij Magnesia ad Sipylum in 190 v. Chr. en moest de Vrede van Apamea sluiten, waarbij zijn macht werd beknot (188 v. Chr.). Carthago werd verwoest in 146 v. Chr. tijdens de Derde Punische Oorlog); het gebied werd een provincie.

Perseus van Macedonië werd in 168 v. Chr. bij Pydna verslagen, zijn rijk werd in vieren verdeeld en in 146 v. Chr. met Griekenland als één provincie ingelijfd. Korinthe, de handelsconcurrent, werd in datzelfde jaar verwoest.

Pergamum, of westelijk Klein-Azië, viel de Romeinen in 133 v. Chr. bij testament toe: dit werd de provincie Asia. Het verzet in Spanje, onder leiding van Viriathus (147-139 v. Chr.), eindigde pas na diens dood.

Bij Numantia duurde het tien jaar voordat Scipio Africanus de stad kon nemen (in 133 v. Chr.). De grootste van deze oorlogen was de Tweede Punische. Jarenlang stonden bijna 100.000 Romeinse burgers in het veld, op verschillende fronten. Rome had daarna de grootste geoefende reserve van alle staten in dat gebied.

Door de veroveringen onderging het rijk ook wijzigingen in zijn sociale structuur. De belastingpachters, publicani, werden in de provincies spoedig rijk. Zij vormden een nieuwe klasse, die hun geld belegde in landerijen, vooral in Italië.

De boerenbevolking, die toch al te lijden had gehad van de tochten van Hannibal (in de Tweede Punische Oorlog de grote Carthaagse generaal, die de Romeinen bestreed in hun eigen Italië), trok naar Rome en vormde daar een proletariaat dat in leven moest worden gehouden.

De hervormingspogingen van de gebroeders Gracchus mislukten (133, 121 v. Chr.) en de Senaat bleek al spoedig geen overwicht meer te hebben.

De onderlinge verdeeldheid van de heersende klasse bleek vooral in de oorlog tegen Jugurtha (111-105 v. Chr.). Marius, die tot de populares behoorde, wist Jugurtha ten slotte te vernietigen, terwijl hij korte tijd later de Cimbren en Teutonen bij Aquae Sextiae en Vercellae versloeg (102, 101 v. Chr.). Dit was slechts mogelijk door een ingrijpende legerhervorming, waarbij proletariërs als vrijwilligers in het leger werden opgenomen.

Het gevaar was niet denkbeeldig dat de soldaten die veldheer zouden volgen die hun de meeste buit beloofde. De komende burgeroorlogen bewezen dit. In deze burgeroorlogen (90-30 v. Chr.) kwamen de belangengroepen (Italiërs, publicani, proletariërs, soldaten en in de Senaat optimates en populares) telkens in wisselende coalities tegenover elkaar te staan. Twisten tussen generaals/politici waren steeds de aanleiding.

De Bondgenotenoorlog (91-89 v. Chr.) bezorgde de Italische bondgenoten het burgerrecht. In de daaropvolgende Eerste Burgeroorlog (88-81 v. Chr.) tussen Marius en de Senaatsgezinde Sulla, ontstaan door de kwestie van het opperbevel in de strijd tegen koning Mithridates van Pontus, verdreef Sulla eerst Marius.

Toen Sulla tegen Mithridates met succes streed (Eerste Mithridatische Oorlog, 88-84 v. Chr.), kregen de aanhangers van Marius weer de macht. Marius zelf stierf in 86 v. Chr., maar zijn partijgenoten, onder leiding van Cinna, bleven Rome beheersen tot de terugkeer van Sulla, die hen in 82 v. Chr. onder de muren van de stad versloeg. Sulla herstelde de macht van de Senaat en legde daarna zijn dictatorschap neer.

Na zijn dood in 79 ontstond verzet tegen Sulla’s maatregelen en probeerden verschillende Romeinen de macht te verwerven. Dezen zochten steun bij de volksmassa. De eersten die zo naar voren kwamen, waren Pompejus en Crassus.

Deze laatste bedwong de slavenopstand onder leiding van Spartacus (73-71 v. Chr.). Pompejus wist de zeerovers in de Middellandse Zee te bedwingen (in 67 v. Chr.), overwon Mithridates en regelde de toestanden in het oosten. De Eufraat en de Syrische woestijn werden de grens.

Toen hij in 63 v. Chr. naar Rome kwam, was daar juist de samenzwering van Catilina onderdrukt, waardoor de Senaat meende Pompejus hooghartig te kunnen behandelen. Het gevolg was het Eerste Driemanschap tussen Crassus, Pompejus en Julius Caesar (in 60 v. Chr.). Zij wisten de Senaat naar hun hand te zetten. Crassus sneuvelde echter al spoedig in de strijd tegen de Parthen (in 53 v. Chr.).

Julius Caesar was in 58 v. Chr. naar Gallië vertrokken, een gebied dat hij in acht jaar tijd wist te onderwerpen en waar hij zijn leger aan zich wist te binden. Pompejus ging langzamerhand meer naar de Senaat overhellen (in 52 v. Chr. was hij consul sine collega, of bijna dictator). Een botsing tussen beide mannen was onvermijdelijk: in de nasleep van de zogenaamde Tweede Burgeroorlog (49-45 v. Chr.) werd Pompejus verslagen en uiteindelijk gedood.

Caesar was nu alleenheerser. Hij werd dictator perpetuus en begon met de reconstructie van de Romeinse staat, waardoor hij de basis voor het keizerrijk legde. Na de moord op hem in 44 v. Chr. door republikeinse senatoren (o.a. Cassius en Brutus) brak een tijd van verwarring aan, die eindigde met de oprichting van het Tweede Driemanschap.

Dat werd in 43 v. Chr. gesloten tussen Octavianus (de postuum aangenomen zoon van Caesar en de latere keizer Augustus), Lepidus en Marcus Antonius. Brutus en Cassius werden het jaar daarop bij Philippi verslagen en hierop verdeelden de Driemannen het rijk, waarbij Lepidus algauw opzij werd geschoven.

Octavianus bestuurde het westen, terwijl Antonius het oosten toegewezen kreeg. Hij raakte echter onder invloed van de Egyptische koningin Cleopatra VII. In de daarop volgende Derde Burgeroorlog (in 31 v. Chr.) werden Antonius en Cleopatra verslagen bij Kaap Actium.

Egypte werd een speciaal domein van Octavianus in het Romeinse Rijk. Deze overwinning verzekerde Rome en Italië voor enkele eeuwen het politieke overwicht, ook in de oostelijke (hellenistische en Griekssprekende) helft van het Romeinse Rijk.

Hoewel de Republiek in feite ten einde was, ontzag Octavianus de republikeinse gevoelens. Hij liet zich princeps, ‘eerste’, noemen en zijn opvolgers namen deze naam over, zodat men de periode tussen 31 v. Chr. en 284 na Chr.) de naam ‘principaat’ geeft. Het verschil met de Republiek was echter dat Octavianus verschillende republikeinse sleutelposten in zijn persoon verenigde.

In 27 v. Chr. legde hij zijn volmachten neer, maar hij liet zich door de Senaat de essentiële ambten weer opdragen, waarbij hij de eretitel Augustus kreeg. Hij herstelde de orde, bevorderde de welvaart en voerde slechts die oorlogen die voor de afronding van het rijk tot natuurlijke grenzen (de Atlantische Oceaan, de Rijn en de Donau, de Eufraat en de Sahara) noodzakelijk waren. Een poging de Elbe tot rijksgrens te maken mislukte door de beruchte nederlaag van Varus in het Teutoburgerwoud (in 9 na Chr.).

Het rijk was inzake omvang verzadigd en het zou duren tot keizer Trajanus vooraleer weer een actieve veroveringspolitiek zou worden gevoerd. Augustus’ aangenomen stiefzoon, Tiberius (14-37), volgde hem op. De goede kwaliteiten van zijn regering werden overschaduwd door hoogverraadprocessen tegen al te onafhankelijke senatoren. De gardeprefecten, onder wie de beruchte Sejanus, hadden een funeste invloed op hem.

Het bewind van zijn opvolger, Caligula (37-41), werd door wanbeheer gekenmerkt, terwijl Claudius (41-54), mede met de hulp van bekwame vrijgelatenen zoals Narcissus, een goede administratie voerde. Zijn beide echtgenoten, eerst Messalina, later Agrippina, kregen een slechte naam; de laatste liet volgens de overlevering haar man vergiftigen om haar zoon Nero op de troon te krijgen (54-68).

Deze, aanvankelijk onder invloed van Seneca en Burrus, begon zijn bewind onder gunstige auspiciën, maar ging zich spoedig te buiten aan allerlei excessen. Nero liet onder meer zijn eigen moeder en Seneca ombrengen en laadde (ten onrechte) de verdenking van de brand van Rome op zich. Er brak een opstand uit en Nero liet zich door een slaaf doden. Met hem eindigde de Julisch-Claudische dynastie.

Het Driekeizerjaar (68-69) bracht achtereenvolgens Galba, Otho en Vitellius aan de macht. De laatstgenoemde werd ten val gebracht door Vespasianus, de bevelhebber van de legioenen in het oosten (69-79).

Deze voerde een zuinig beheer, dat niet overal waardering vond, en bestreed met succes de opstanden in het oosten en westen. In Palestina nam zijn zoon Titus Jeruzalem in en bracht zo de opstand van de joden tot een eind.

In het westen onderdrukte Cerialis de opstand van de Bataven onder Civilis. Titus (79-81) regeerde kort, maar verwierf zich de genegenheid van de Romeinen door zijn medeleven bij de vulkaanramp van Pompeï en Herculaneum in 79. Domitianus, zijn jongere broer (81-96), was een harde, maar capabele regent, maar werd toch vermoord.

Vervolgens koos de Senaat uit zijn midden Nerva (96-98) tot keizer en met hem begint de reeks van de zogenaamde adoptiefkeizers (noodgedwongen, bij gebrek aan mannelijke nakomelingen). Was Vespasianus als eerste niet uit Rome afkomstig, Trajanus (afkomstig uit Spanje) was de eerste niet in Italië geboren keizer.

Hij brak met de tot dusver gevoerde politiek en ging weer tot veroveringen over. Zo voegde hij Dacia, waar hij koning Decebalus versloeg, bij het rijk. Het land werd zó grondig geromaniseerd, dat het zijn naam hieraan ontleende: Roemenië. Ook Mesopotamië werd door de Romeinen bezet, maar deze verovering was niet blijvend.

Het rijk had nu zijn grootste uitbreiding gekregen, maar de inspanning ging de krachten te boven. Publius Aelius Hadrianus (117-138) gaf de veroveringen in het oosten weer op en legde langs alle grenzen (zoals bv. in Brittannië met Hadrian’s wall) grensversterkingen aan en bereisde grote delen van het rijk. Zijn bestuursmaatregelen waren gericht op een gelijkstelling van de rijksdelen met Italië. De twee Antonini sloten de rij van keizers-bij-adoptie.

Tijdens de regering van Antoninus Pius (138-161) was het rustig in het rijk; maar onder zijn opvolger, Marcus Aurelius (161-180), traden tot dusver latent gebleven spanningen, zowel in het binnenland als langs de grenzen, aan de oppervlakte.

Deze keizer-filosoof moest vele moeilijke oorlogen voeren tegen de Marcomannen en de Quaden aan de Donau, terwijl epidemieën grote gebieden ontvolkten. Zijn zoon Commodus (180-192), die vrede met de Marcomannen sloot, werd vermoord, evenals zijn opvolger Pertinax.

Het Driekeizerjaar leek teruggekeerd; de soldaten verkochten de troon aan de senator Didius Julianus, maar een drietal tegenkeizers roerde zich, van wie Septimius Severus, een Afrikaan, ten slotte de heerschappij wist te bemachtigen (193-211). Hij beperkte de invloed van de Senaat en brak de macht van de pretorianen. Een veldtocht tegen de Parthen leverde Rome een nieuwe provincie op: Noord-Mesopotamië.

Caracalla (211-217) verleende, uit fiscale motieven overigens, aan alle inwoners van het rijk het burgerrecht (de Constitutio Antoniniana). Hij en zijn opvolger, Macrinus (217-218), werden vermoord.

De laatste van de ‘Severisch-Syrische dynastie’, Alexander Severus (222-235), nam goede sociale maatregelen, maar verloor prestige door de overheersing van zijn grootmoeder, Julia Maesa, en zijn moeder, Julia Mamaea. De Senaat, waarin onder meer de beroemde jurist Ulpianus zitting had, kreeg meer invloed.

Een veldtocht tegen het Nieuw-Perzische Rijk der Sassaniden verliep ongunstig en ook tegen de Germanen behaalde hij geen successen. Een veldheer, Maximinus Thrax, kwam in opstand en Severus werd gedood. Maximinus onderging echter na een paar jaar hetzelfde lot (in 238) en vervolgens werd Gordianus III keizer (238-244). Ondanks successen tegen de Sassaniden werd hij ten val gebracht door Philippus Arabs (244-249). Zijn opvolger, Decius (249-251), bestreed het christendom fel.

Onder al deze soldatenkeizers daalde het aanzien van het rijk steeds meer. De crisis verergerde door de ellendige financiële toestand (met als gevolg een verpletterende belastingdruk), de tuchteloosheid van het verwende en kostbare leger, het feit dat de Germanen meer in grote verbanden optraden en daarom des te gevaarlijker waren, het verscherpte contrast tussen rijk en arm, de apathie van de bevolking tegenover toenemende bureaucratie en despotisme, en de verstoring van de handel: men keerde door de overal heersende onveiligheid terug tot een regionale gesloten economie.

Na 250 ontstond een volslagen chaos. De Goten werden gevaarlijk, op een bepaald moment waren er dertig tegenkeizers en grote delen van het rijk werden door de Franken, Alamannen en andere volken bezet en geplunderd. Eén keizer, Valerianus, stierf als gevangene van de Sassanidenkoning.

Ten slotte werd de orde enigszins door Gallienus (253-268Onder zijn opvolger werden de Goten verslagen, die reeds tot Niš in Servië waren doorgedrongen (in 269), en keizer Aurelianus (270-275) legde de grondslag voor een gedeeltelijke reconstructie. Hij moest Dacia opgeven, maar verjoeg de Vandalen en Alamannen. Het in het oosten gestichte rijk van Palmyra, met koningin Zenobia, werd vernietigd.

Hoe veranderd de tijden echter waren, bewijst het feit dat Aurelianus een muur liet bouwen rond Rome. Ook Aurelianus werd vermoord en weer volgde een tijd van elkaar bestrijdende keizers (Tacitus, Probus, Carus, Carinus en Numerianus), maar ten slotte werd Diocletianus door de soldaten tot keizer uitgeroepen.

Met hem begon een nieuwe periode in de Romeinse geschiedenis en deed het onverhulde absolutisme zijn intrede. Diocletianus liet zich reeds tijdens zijn leven vergoddelijken: dominus et deus ( ‘heer en god’) was zijn titel. Anderzijds verdeelde hij het oppergezag onder twee Augusti (waarvan hijzelf er een was), die ieder weer twee Caesares onder zich hadden; men spreekt daarom van de ‘tetrarchie’.

Aan de bijzondere positie van Italië kwam volledig een einde, het was de afsluiting van een proces dat sedert Hadrianus aan de gang was. De verdeling van het rijk was nu als volgt: het oosten met als hoofdstad Nicomedia (Diocletianus); Italië en Afrika (Milaan; Maximianus); Gallië, Spanje en Brittannië (Trier; Constantius Chlorus); Illyricum en Griekenland (Sirmium; Galerius).

De Romeinse Senaat werd gedegradeerd tot een soort gemeenteraad voor Rome, dat zelfs geen hoofdstad meer van een rijksdeel bleef en deze functie aan Milaan moest afstaan. De senatoren bleven echter een geduchte economische factor: zij waren (samen met de keizer) de grootste grondbezitters.

De boeren werden aan de grond gebonden verklaard, terwijl een prijzenedict orde trachtte te scheppen in de chaos van de steeds verder gaande muntontwaarding (edictum de pretiis venalium rerum, in 301). Het bestuur werd gebureaucratiseerd, versterkt en gemilitariseerd. Door deze starre tucht slaagden de Romeinen erin de Perzen op een afstand te houden en de eenheid in het rijk te handhaven.

Toen in 305 Diocletianus en met hem Maximianus aftraden, brak opnieuw een periode van burgeroorlogen en verwarring aan. Op een bepaald ogenblik waren er zes Augusti. Maximianus werd gedood in 310, zijn zoon Maxentius sneuvelde in 312 bij de Pons Milvius (de Milvische brug) in de strijd tegen de zoon van Constantius, Constantijn. Diens laatste tegenstander, Licinius, werd verslagen en gedood in 324, zodat pas toen een periode van eenhoofdig bestuur aanbrak.

Constantijn de Grote heerste van 324 tot 337 en deed dat alleen. In tegenstelling tot Diocletianus begunstigde Constantijn het christendom. Er was de keizers veel aan gelegen zowel in de oude heidense als in de nieuwe christelijke godsdienst een steunpunt te hebben voor hun politiek van rijkseenheid. De kerk moest een instrument zijn voor een krachtig staatsgezag. De hoofdstad werd Constantinopel, gelegen aan een snijpunt van wegen van noord naar zuid en van oost naar west, en tevens dichter bij de bedreigde Donau- en Eufraatgrenzen.

Na Constantijns dood streden zijn zoons om de macht; ten slotte bleef Constantius II over als alleenheerser van 353 tot 361. Hij werd opgevolgd door Julianus, die door het leger tot keizer was uitgeroepen als enige in leven zijnde familielid van Constantijn. Julianus is de laatste niet-christelijke keizer (361-363); Apostata wordt hij genoemd: de Afvallige. Hij was een vurige aanhanger van de oude religie en het neoplatonisme. Hij stierf na een korte regering op een veldtocht tegen Sapor, de koning van het Nieuw-Perzische Rijk.

Jovianus, zijn opvolger, regeerde slechts één jaar. Daarop volgde Valentinianus I (364-375), die verschillende familieleden tot mederegenten benoemde. De christenen waren onderling verdeeld en de Germaanse Volksverhuizing betekende een ernstig gevaar van buitenaf. Valens, de mederegent voor het oosten, sneuvelde in 378 tegen de Visigoten bij Adrianopel.

Opnieuw volgde een tijd van verwarring en burgeroorlog, totdat Theodosius I keizer werd. Hij regeerde slechts kort als alleenheerser, moest optreden tegen de aanspraken van de bisschop van Rome (die ook over de oostelijke rijkshelft zeggenschap wilde hebben), maar bevorderde de verbreiding van de leer van Athanasius over de Oriënt

Hij verdeelde het rijk in 395 onder zijn beide zoons (de bedoeling was slechts tot een administratieve scheiding te komen; in de praktijk werd het een scheiding in twee afzonderlijke staten). Arcadius, de oudste, kreeg het oosten, onder regentschap van Rufinus.

Honorius werd keizer over het westen, onder regentschap van Stilicho. Het westelijk rijksdeel, dat in de vijfde eeuw na tal van oorlogen te gronde ging, en het oostelijk (het latere Byzantijnse Rijk) groeiden steeds meer uit elkaar. De dreiging van de Visigoten onder Alarik in Italië leidde tot het terugroepen van de legioenen uit het westen. Hierdoor kwam de weg vrij voor vele Germaanse volken (zie Volksverhuizing).

Na de moord op Stilicho wisten de Goten inderdaad Italië binnen te dringen en zelfs Rome te plunderen (410). De residentie was inmiddels verlegd naar Ravenna, onneembaar door de omliggende moerassen. Alarik stierf in Italië; onder zijn opvolger, Athaulf, werd in Zuid-Frankrijk en Spanje het Visigotenrijk gesticht (415), met Toulouse als hoofdstad. Er bleef wel een band met het rijk bestaan. Honorius stierf in 423.

Onder Valentinianus III, zoon van Honorius’ zuster Galla Placidia, ging Afrika, onmisbaar voor de graanvoorziening, voor het Romeinse Rijk verloren. De generaals, als Aëtius en Bonifatius, verzwakten het Rijk nog meer door hun onderlinge naijver. Eerstgenoemde wist in 451 weliswaar Attila tegen te houden op de Catalaunische Velden, maar deze ‘laatste Romein’ kon de Hunneninval in Italië het daaropvolgende jaar niet voorkomen.

Attila trok zich echter terug zonder tot Rome te zijn doorgedrongen. Aëtius werd door de keizer zelf vermoord; een Germaanse soldaat nam wraak voor zijn veldheer en doodde de keizer. Hiermee eindigde de laatste keizerdynastie in het westen, de Theodosiaanse.

In 455 landden de Vandalen in Italië en namen Rome in, waar ze beestachtig huishielden. Na 456 was het Ricimer, de bevelhebber van de (Germaanse) troepen, die ongeveer twintig jaar lang keizers aanstelde en afzette.

Na Ricimers dood stelde de Germaan Orestes zijn zoontje Romulus als keizer aan, spottend ‘Romulus Augustulus’ genoemd. Na een jaar zette de Germaan Odoaker de knaap af, zond de keizerlijke insignia naar Constantinopel en noemde zich ‘koning der Germanen in Italië’ (in 476).

Dit betekende het einde van het Romeinse keizerschap en het Romeinse Rijk in het westen. In het oosten kwam het (Oost-)Romeinse Rijk opnieuw tot bloei. Het ging pas in 1453 ten onder.