Manuscript Mysteries I – Caesar in Brussel

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome reikt. Vandaag de eerste aflevering van een nieuwe reeks, Manuscript Mysteries: Het Caesarhandschrift in Brussel.

Ook deze nieuwe reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen zal krijgen, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de eerste bijdrage in deze reeks waarin Rome nooit ver weg is.

* * * * *

‘Veni’ dacht de Grote Speurder en hij liep tussen de goed gevulde rekken van het magazijn van het Handschriftenkabinet in de Koninklijke Bibliotheek van België in Brussel. ‘Vidi’ dacht hij, maar dat was een deel van het probleem: hij had het wel gezien, maar waar? Hij zocht en zocht en sprak toen het bevrijdende woord: ‘Vici!’

Er is in heel België maar één enkel handschrift met het werk van de bekendste Romein te vinden: ms. 17937 van de Koninklijke Bibliotheek bevat de Commentarii de bello Gallico.

caesarbrussel(2)

Het is geen handschrift dat ooit een tentoonstelling zal halen, want er staan geen miniaturen in, en het wordt nooit gebruikt voor een teksteditie, want het is daar niet belangrijk genoeg voor. En toch is het een interessant stuk, want alle handschriften zijn gelijk voor de wet.

Wie het openslaat, ziet een fraai geschreven volume voor zich, met een duidelijke letter, nog gotisch, maar misschien al met een inslag van de humanistische minuskel, met de tekst op lange regels die één kolom vormen. De letters aan het begin van een zin zijn meestal opgehoogd met geel en de initialen aan het begin van elk boek hebben fraaie versiering in penwerk.

Op het eerste blad staat in de benedenmarge een wapenschild dat nog niet geïdentificeerd is. Geen namen van oude bezitters. In alles oogt dit als een handschrift uit de tweede helft van de vijftiende eeuw uit onze streken, op één ding na: normaal hebben handschriften hier de tekst op twee kolommen. Waar komt dit vandaan en waarom staat de tekst maar op één kolom?

Dit lijkt gevit. Wie kijkt er nu ooit naar of de tekst in een boek op één dan wel op twee kolommen gedrukt of geschreven is? En toch: handschriften (en tot op zekere hoogte ook oude drukken) zijn niet alleen dragers van een tekst, zij zijn eerst en vooral concrete en unieke materiële historische objecten en moeten dan ook als zodanig worden geïnterpreteerd.

En dat begint bij de materiële kenmerken. Zodra het duidelijk is, dat een handschrift uit Noordwest-Europa in de late middeleeuwen (dertiende-vijftiende eeuw) normaal op twee kolommen geschreven is, wordt het feit dat er eentje de tekst op één kolom heeft, ineens van belang.

Er zijn namelijk drie uitzonderingen op de twee-kolommen-regel: kleine handschriften, vijftiende-eeuwse ridderromans in de volkstaal (zeker in het Frans) in proza, handschriften uit het Italiaanse Quattrocento.

caesarbrussel(5)

Ms. 17937 heeft het gewone standaardformaat van ruim 30 x 20 cm en is dus niet klein. Caesar is wel spannend, maar geen ridderroman in proza in het Frans. Blijft alleen de derde reden over. Komt dit handschrift dan inderdaad uit Italië ondanks het feit dat de decoratie helemaal uit onze streken lijkt te komen?

Helaas: nee. Het handschrift is overwegend op papier en dat heeft een watermerk (eigenlijk een fabrieksmerk). En het watermerk in ms. 17937 wijst overduidelijk naar Noordwest-Europa.

Daarmee zitten we vast. Het wordt tijd om de zaak aan de Grote Speurder over te laten…Deze wist meteen dat hij iets gezien had dat hier op leek. Ms. 11485 en ms. II 1416 lijken wat bladspiegel betreft op ms. 17937, maar zijn net in een andere hand geschreven. Erger nog: het watermerk van deze twee wijst op Italië, meer bepaald op Rome als plaats van productie.

Het gaat om twee werken van de Italiaanse humanist Flavio Biondo, wiens grafsteen pal voor het middenportaal van de Santa Maria in Aracoeli in Rome ligt (aan de buitenkant, bovenaan de steile trap met 122 treden). Beide handschriften zijn afkomstig uit de abdij van Park in Heverlee (Leuven).

En dat brengt ons nogmaals naar Rome. Want de abt van Park van 1462 tot 1494, dus het grootste deel van de tweede helft van de vijftiende eeuw, was niemand minder dan Diederik van Thulden.

caesarbrussel(3)

Geboren in het Noord-Brabantse Hilvarenbeek (en alstublieft: spreek dit uit als Hílvarenbéék en niet als Hilvárenbeek), niet zo heel ver van waar de Grote Speurder zelf vandaan kwam, had deze man het gebracht tot procurator van de Norbertijnenorde in Rome zelf, om daar de belangen van zijn orde op het hoogste niveau te behartigen en te vertegenwoordigen.

En daar had hij de eerste grote bloei van het Humanisme meegemaakt, van de stroming die het correcte klassieke Latijn als taal in ere wilde herstellen. Daartoe hadden de humanisten half Europa afgezocht naar handschriften met teksten van klassieke auteurs die zij dan weer kopieerden en bestudeerden.

Daardoor kwam de oudheid ineens weer tot leven. Onze Diederik kende zo persoonlijk de (latere) pausen Nicolaas V en Sixtus IV. En toen werd hij ineens abt van Park.

Wat hij daar zelf van dacht weten we niet. Wel weten we dat hij in de jaren 1470 opnieuw in Rome is geweest en daar wellicht paus Sixtus IV opnieuw heeft ontmoet. Uit die periode dateren ook de twee volumes van Flavio Biondo die dus in Rome gekopieerd lijken.

Komt onze Caesar dan uit Park? En hoe moeten we dan begrijpen dat het in onze streken gekopieerd is en niet in Italië?

Complicatie: alle handschriften van de Parkabdij hebben dezelfde achttiende-eeuwse boekband. Maar ons Caesarhandschrift heeft die band niet.

Op de eerste bladen bevinden zich in de marge enkele namen uit de tekst. En in sommige andere handschriften uit Park vinden we aantekeningen in dezelfde hand. Zo ook in een van de handschriften van Flavio Biondo.

Die hand is die van Diederik van Thulden. Hoe we dat weten? Inspiratie, glazen bol, zoiets, soms weet je iets zonder dat je dat 100% kunt uitleggen of bewijzen, maar het kan niet anders, het is te toevallig als het anders zou zijn. Toeval bestaat niet. Zeker niet in de Handschriftenwereld. De Grote Speurder heeft een talent voor dit soort weten. En hij had gelijk.

caesarbrussel(1)

Want verder speuren in de rijke magazijnen van de Koninklijke Bibliotheek bracht nog een handschrift aan het licht: ms. II 2219. Dit handschrift met het handboek voor het onderwijs in de welsprekendheid van Quintilianus (einde eerste eeuw) is a) afkomstig uit de Parkabdij, b) op één kolom en heeft c) aantekeningen in dezelfde hand van Diederik van Thulden, d) dezelfde lay-out als ms. 17937 (met ook ophoging van letters in geel) en e) hetzelfde watermerk als ms. 17937. Kortom: bingo! (om het academisch uit te drukken).

Hoe zit het dan met onze Caesar? Grote heren reizen zelden alleen. En de abt van Park was een grote seigneur. Toen Diederik in de jaren 1470 opnieuw naar Rome trok, voor zaken voor de abdij, werd hij ongetwijfeld vergezeld door enkele personen. Eén van hen heeft in Rome de teksten van Flavio Biondo gekopieerd, op lokaal papier.

Die handschriften imiteerden de vorm van de Italiaanse handschriften van het Quattrocento met hun tekst op één kolom (dus feitelijk gewoon het model dat voor de kopiist op tafel lag). Maar omdat het een Brabantse kopiist was, paste hij de rest aan de Brabantse gewoonten aan, vandaar het niet-Italiaanse schrift en de evenmin Italiaanse decoratie van de initiaal.

Na terugkeer van het gezelschap in het hoge Noorden laat de humanistisch-gezinde abt Diederik op dezelfde manier nog handschriften maken van Quintilianus en Caesar. Het eerste blijft in Park, het tweede verlaat om onbekende redenen de abdij in de zestiende (of misschien de zeventiende) eeuw.

Hoe hij aan zijn modellen kwam is niet uitgemaakt. Zelfs de Grote Speurder heeft zijn beperkingen! Voor Quintilianus is er wel een vermoeden, omdat er juist in die tijd in onze gewesten een ander handschrift van Quintilianus wordt gekopieerd en wel in Luik (ms. 9767) voor Anthoine Estournel, kanunnik aldaar.

caesarbrussel(4)

Deze werd in 1463 heel jaloers toen hij een collega-kanunnik in Luik zag pronken met een handschrift van Quintilianus dat deze zelf in Rome had gekopieerd (l’histoire se répète…).

Estournel, nog zo’n voorloper van het Humanisme in onze contreien, wist de tekst van zijn collega te laten kopiëren. Hoe het precies in elkaar zit, is niet duidelijk, maar er waren in ieder geval nog twee andere handschriften met deze tekst in de buurt. Mogelijk heeft Diederik zijn exemplaar daarnaar laten afschrijven. Estournel zou zich trouwens in 1483 aan de jonge Leuvense universiteit laten inschrijven, maar overleed nog hetzelfde jaar.

De Grote Speurder knikte tevreden. Die Diederik toch. Zo maar een Bekenaar uit de Kempen die procurator in Rome was. En abt van Park. En handschriften in Brussel. De wereld is klein, dacht hij. We hebben meer te maken met Rome dan we eigenlijk weten…

*  Voor wie er nu nog niet genoeg van heeft:
Op deze pagina kunt u alles lezen over ms. 17937, nog veel meer dan u lief is…


Met dank voor deze bijdrage aan

Dr. Michiel Verweij
Oude en kostbare drukken
Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.