Archive for 3 juni 2020

Vaticaanstad speelt al 500 jaar voetbal

3 juni 2020

Op 7 januari 1521 organiseerden de toenmalige Pauselijke Staten onder het goedkeurende oog van paus Leo X (1513-1521) een Florentijnse voetbalwedstrijd. Dat was een (verre) voorloper van het hedendaagse voetbal en rugby.

Voor de eerste wedstrijd van het moderne voetbal zoals wij dat vandaag kennen, moest echter nog gewacht worden tot na de Tweede Wereldoorlog.

vaticanalg

Toch is Vaticaanstad één van de enige soevereine staten ter wereld die geen lid is van de internationale voetbalorganisatie, schrijft de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) op haar website.

Dat is des te opmerkelijker omdat Vaticaanstad acht voetbalploegen heeft en er sinds 1972 een voetbalcompetitie wordt georganiseerd. Daarnaast is er ook een bekercompetitie en een supercup.

Sinds 2007 wordt ook de Clericus Cup gespeeld, een jaarlijkse internationale voetbalcompetitie voor rooms-katholieke priesters en seminaristen.

De FIFA meldt nog een ander interessant weetje. Het Vaticaan ging in feite al in 1947 met een voetbaltornooi met vier teams van start. Maar dat initiatief werd al gauw stopgezet omdat er regelmatig gevechten uitbraken tussen de supporters…

Het verdriet van Sextus Pompeius

3 juni 2020

Avonturen met opschriften – XI

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici en liefhebbers van de Latijnse taal onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van een specialist terzake, dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de elfde bijdrage in deze reeks.

Wij zijn al lang gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit. Vandaag deel XI. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

‘Het is duidelijk geen Ovidius. En ook Pratensis doet beter,’ dacht Schrijver dezes. Ondertussen vulde nog steeds een zachte vroege lentelucht zijn longen, terwijl de vogels kwetterden langs alle kanten. De pijnbomen weerspiegelden het zonlicht van deze volmaakte dag aan het eind van februari.

Het coronavirus leek heel ver weg. De Via Appia was zoals de Via Appia moet zijn: de idylle die wij ons van ‘het Klassieke’ voorstellen. Een domein van fris groen, bucolisch landschap, antieke resten. En … klassieke poëzie, ook al was de auteur dan duidelijk geen Ovidius.

Schrijver dezes stond een eind verder dan waar de Turranii hun eeuwige slaap slapen, bij een monument dat in de negentiende eeuw hersteld was door Luigi Canina. Canina was een van de eersten die van het standpunt uitgingen dat vondsten zoveel mogelijk ter plaatse moesten blijven.

appiapompeius(3)

Vanuit dat idee had hij dus ook een aantal grafmonumenten langs de Via Appia laten herstellen, d.w.z. een bakstenen kern laten oprichten en daar dan stukken opschrift en beeldhouwwerk die in de directe omgeving waren gevonden, op laten aanbrengen.

Met de steen waar Schrijver dezes nu bij stond, was heel wat werk gemoeid geweest, want op de eenvoudige bakstenen piloon was een groot opschrift bevestigd dat was samengesteld uit zeker 35 fragmenten en fragmentjes en zelfs stukjes fragment.

Ondanks alle gaten was het duidelijk dat het opschrift in versvorm was gesteld. Klassieke poëzie dus op een opschrift, rechtstreeks uit de oudheid, zonder de varianten, correcties en mogelijke verschrijvingen van middeleeuwse of humanistische kopiisten die de teksten van de klassieke dichters normaal kleuren.

Wat hierbij natuurlijk hielp was dat stukken van de lijst van het opschrift aan de tekst vastzitten. Daardoor was het mogelijk om tenminste de rand van de tekst met zekerheid te reconstrueren. En gelukkig waren net enkele stukken met een deel van de lijst van enige omvang, vooral aan de linkerkant.

Zo is ook zo ongeveer het eind van alle regels / verzen zeker, ook al hebben we daar vaak toch weer niet zoveel aan, omdat er aan deze kant maar enkele letters op staan: maar die hebben we dan toch. Voor de rest was het passen en meten. Door al dit gedoe is men er in geslaagd om een aanzienlijk deel van het opschrift te reconstrueren. Daarbij zijn vier dingen duidelijk:

  1. De tekst is niet compleet;

  2. De tekst is in principe in elegische disticha geschreven, dus in tweeregelige strofen met een dactylische hexameter en een dactylische pentameter;

  3. Het gaat om een Sextus Pompeius, zoon van Sextus, die zijn jong gestorven kinderen (een jongen en een meisje) beweent;

  4. De auteur van dit gedicht was geen groot dichter.

Even voor de goede orde: het elegisch distichon. U zult er toch echt aan moeten geloven. Dit distichon (letterlijk: tweeregelige strofe) bestaat uit een eerste vers van zes voeten (de hexameter), bestaande uit dactylen (lang-kort-kort) die kunnen worden vervangen door spondeeën (lang-lang), en uit een tweede vers (de pentameter) dat eigenlijk bestaat uit twee halve hexameters met steeds de structuur lang-kort-kort lang-kort-kort lang.

Na de eerste helft in dit tweede vers volgt een zware ‘cesuur’, een breuk, een stopmoment. Terwijl in het eerste halfvers de twee korte lettergrepen door één lange kunnen worden vervangen, kan dat in het tweede halfvers absoluut niet. In principe vormen de twee verzen een eenheid van gedachte of beeld en eindigt het tweede vers op een soort pointe. Een voorbeeld:

Saecula uoluuntur: super arua incantat alauda,
Lentas dum flauens Dummela mittit aquas.

‘De eeuwen wentelen voort: boven de akkers zingt een leeuwerik,
Terwijl de gele Dommel zijn trage wateren stuwt.’

Voor de goede orde: dat is niet Ovidius, maar wel Pratensis. En Schrijver dezes vindt vooral het tweede vers heel geslaagd. Ipse dixit.

Tijd om dan eindelijk de tekst van het bewuste opschrift eens onder ogen te nemen (CIL, VI, nr. 24.520; Epigraphische Datenbank Clauss: EDCS-13800768):

HIC SOROR ET FRATER VIV[                                            ]A PA[..]NTIS
AETATE IN PRIMA SAEV[                                       ]IA[            ]T
POMPEIA HIS TVMVLIS CO[                           ]NTEL[                       ]RIS
HAERET ET PVER INMITES QVE[                                             ] DEI
5 SEX. POMPEIVS SEXTI PRAECLA[                                                     ]VSTVS
QVEM TENVIT MAGN[                                                             ]VS
INFELIX GENITOR GEMINA[                                                              ]CTVS
A NATIS SPENRANS QVI DED[                                                ]OS
AMISSVM AVXILIVM FVNCTAE POS[                                         ]A NATAE
10 FVNDITVS VT TRAHERENT INVIDA[                               ]AREM
QVANTA IACET PROBITAS PIETAS QVAM VERA[        ] VLTA EST
MENTE SENES AEVO SED PERIERE [B                 ]I
QVIS NON FLERE MEOS CASVS POSSITQ D[..]ORE
[         ]VRARE QVEAM BIS DATVS ECCE ROGIS
15 S[                ]NT[     ] MANES IAM NATI NVMEN HABETIS
[.]ER VO[.] CV[.] VOTI NON VENIT HO[..] MEI

Sommige dingen zijn vrij gemakkelijk aan te vullen. Zo is het laatste woord van v. 1 ongetwijfeld PA[re]NTIS ‘van (hun) vader’, terwijl v. 16 zelfs helemaal aangevuld kan worden tot [p]ER VO[s] CV[r] VOTI NON VENIT HO[ra] MEI Per uos cur uoti non uenit hora mei ‘waarom komt door uw toedoen niet het uur van mijn wens?’

appiapompeius(2)

Dat laatste houdt vermoedelijk een wens in om weer met zijn kinderen te worden verenigd en dus zelf te sterven. Ook het laatste woord van v. 13 is duidelijk D[ol]ORE ‘door leed’. Maar elders is het herstellen van de tekst heel wat moeilijker, ook al is de algemene teneur wel duidelijk.

Laat ons eerst een vertaling geven van wat er staat (met deze gemakkelijke aanvullingen):

‘Hier zus en broer levend [ ]van hun vader
In hun vroegste jeugd, een grimmige [ ]
Pompeia in dit graf [ ]
Rust en een jongen die de onbarmhartige [ ] goden
Sex(tus) Pompeius, zoon van Sextus beroe[md ]ustus
Die hield een groot [ ]
Ongelukkige vader door dubbele [ ]
Van zijn kinderen hopend wie [ ]
Verloren hulp van zijn gestorven [ ] dochter
Opdat volledig wegsleuren de jaloerse [ ]
Hoe grote degelijkheid ligt hier, wat voor echte vroomheid is [ ]
In geest oud gingen ze teloor [ ]
Wie kan niet mijn lotgevallen bewenen in verdriet?,
[ ] kan ik nu tweemaal een brandstapel mij is gegeven?
[ ] Manes, hebt u nu macht over mijn zoon,
Waarom komt door u niet het uur van mijn wens?’

Met excuses voor de soms onhandige vertaling en constructie in het Nederlands die uiteindelijk de lacunes zoveel mogelijk op de oorspronkelijke plaats moesten laten…

Het spreekt vanzelf dat de epigrafisten en filologen het niet konden laten om te proberen dit opschrift aan te vullen. Dat is op zich een lofwaardig streven, zolang men niet uit het oog verliest dat het om een hypothetische reconstructie gaat en dat men nooit echt zeker is dat dit de oorspronkelijke tekst is. Juist omdat dit gedicht niet met behulp van de epigrafische conventies kan worden benaderd, is enige voorzichtigheid geboden…

Een voorbeeld, zij het even nog zonder vertaling (Carmina Epigraphica Latina, 1057):

Hic soror et frater uiu[i sunt plag]a par[e]ntis,
Aetate in prima saeu[a rapi]na [tuli]t.
Pompeia his tumulis co[gn]o[mi]ne E[leuthe]ris haeret
Et puer, immites que[m rapuere] dei,
5  Sext(us) Pompeius Sexti praec[l]a[ro nomine I]ustus,
Quem tenuit magn[um forma pudorque dec]us.
Infelix genitor, gemina [sic morte coa]ctus
A natis sperans qui ded[it ipse rog]os.
Amissum auxilium functae post [gaudia] natae,
10         Funditus ut traherent inuida [fata l]arem.
Quanta iacet probitas, pietas quam uera [sep]ulta est;
Mente senes, aeuo sed periere [breu]i.
Quis non flere meos casus possitq(ue) dolere?
[Qui d]urare queam bis datus ecce rogis?
15  Si sunt di manes, iam nati numen habetis:
Per uos cu[r u]oti non uenit hora mei?

De tekst zoals die hier letterlijk van het internet geplukt is volgt niet helemaal de vorm van het opschrift. Dat geldt met name voor r. 4, waar haeret zonder dat dat gesignaleerd is, maar metrisch wel correct, naar v. 3 is verplaatst. Als r. 4 van het opschrift in zijn huidige vorm een vers zou zijn, dan was het metrisch inderdaad niet correct, omdat (even een technisch intermezzo, met excuses aan de niet-Latijnstaligen) de cesuur in de pentameter niet gerespecteerd worden

Bovendien zou haeret et puer een creticus opleveren (lang-kort-lang). Voor wie dit niet kan volgen, geen paniek; het gaat om twee doodzonden tegen de Latijnse versleer die de dichter op eeuwige hoon en schimp zouden komen te staan.

De versie zoals deze op bovenstaande internetsite staat, vertoont overigens zelf ook enkele editoriale doodzonden die ons toch even moeten waarschuwen niet te gemakkelijk te vertrouwen op wat we op het net vinden en ons er zeker niet te afhankelijk van te maken: het is al vaker gezegd, maar een kritische omgang met het wereldwijde web is zeker gewenst.

In de oorspronkelijke boekeditie zijn deze dingen uiteraard (?) wel keurig genoteerd. Zo vervangt men in v. 8 het SPENRANS van het opschrift door sperans ‘hopend’. Het eerste bestaat inderdaad niet, maar je mag dit toch eigenlijk niet zonder spoor doen. Het zou correcter zijn om dat aan te geven…

Bovendien wordt zo eveneens stilzwijgend in v. 13 het substantief in de ablatief dolore ‘met verdriet’ veranderd in het werkwoord dolere ‘verdriet hebben’: dat had eigenlijk wel aangegeven mogen worden, want dit is een ingrijpende verandering in de tekst. Vermoedelijk ingegeven door het que dat er net aan voorafgaat.

Maar dat staat bij possit ‘zou kunnen’ en verbindt daarom nog niet flere ‘huilen’ en dolere ‘verdriet hebben’… Toegegeven, het is versvulsel, die -que, maar daar kunnen wij niets aan doen. Zoals gezegd: het is echt Ovidius niet. En ook Pratensis doet beter.

Een twijfelachtig vers is ook v. 5 waarin men het cognomen van Sextus Pompeius aanvult tot Iustus. Dat kan best, maar het vers telt één voet te veel en is dus een dactylische heptameter. Dat kan niet. Sommige epigrafisten vullen zelfs na Sexti nog aan, maar dat kan metrisch al helemaal niet, zo’n dactylische octometer die dan ook nog eens een creticus bevat: hier gaat de correctie- en aanvullingsdrang die veel filologen eigen is, toch echt te ver.

Het is soms niet zo moeilijk om te zien waar het schoolmeesterachtige imago van classici en oud-historici vandaan komt… Nog los daarvan zou juist een filoloog beter moeten weten dan een creticus te schrijven. Brr. Schokkend. Onthutsend. Gooi ze voor de leeuwen, stop ze op galeien, laat ze tredmolens draaien tot ze erbij neervallen, maar laat dit soort lieden nooit meer één enkele letter op papier mogen zetten!

Wat moeten we nu verder denken van deze aanvullingen? Schrijver dezes voelde, toen hij bezig was, dat zijn publiek met stijgende spanning op zijn eigen aanvulling zou wachten… Hij kent zijn publiek! Helaas, Schrijver dezes is een bescheiden persoon die weet wanneer hij wijken moet. Sommige voorstellen van zijn voorgangers zijn namelijk gewoon goed, ook al mocht u dat misschien verbazen…

Zo in v. 10 [fata lare]m: funditus ut traherent inuida fata larem ‘zodat het afgunstig lot het huis grondig verwoest’. Dat had Schrijver dezes zelf ook al gezien voordat hij in de boeken ging speuren wat anderen hiervan hadden gemaakt…

Ook sepulta ‘begraven’ in v. 11 lijkt heel aanvaardbaar, want mooi in evenwicht met iacet ‘ligt’ uit de eerste helft van het vers. Ook de aanvulling van het tweede halfvers in v. 4 tot que[m rapuere] dei ‘die de goden weg roofden’ is heel aanvaardbaar (en zelfs voor de hand liggend).

In andere gevallen waagt Schrijver dezes zich wel aan een eigen idee. Tot vreugde dan wel ontsteltenis van zijn lezers. Het zal weliswaar geen Ovidius worden, maar wellicht toch een beetje Pratensis.

Zo bijv. in v. 14. Qui durare queam (zoals voorgesteld in de traditie) ‘hoe kan ik voortgaan’ is mogelijk, maar Schrijver dezes dacht ook aan Quid curare queam ‘waarvoor zou ik nog zorgen?’, ‘waar zou ik me nog druk om maken?’. Dat gaat evengoed. Daarmee is in ieder geval de eer van Schrijver dezes gered…

In andere gevallen is de aanvulling uit de Carmina epigraphica Latina toch echt weinig elegant, zoals in v. 6: quem tenuit magnum forma pudorque decus ‘die van grote schoonheid, schroom en deugd is’ en dat met maar één voegwoord.

Nogmaals: de dichter van deze verzen was geen Ovidius (of Pratensis), maar dit is echt balanceren op het randje en een vers als v. 10 doet toch beter vermoeden (en hopen!) dan juist deze aanvulling. Nog afgezien van het feit dat de metrische fout in het voorgaande vers gewoon blijft staan.

Even speculeren: als in r. 4 haeret eigenlijk nog tot v. 3 hoort en niet tot v. 4, waarom zou Iustus (als dat inderdaad de naam was…), niet tot v. 6 kunnen horen. Daarmee zou men de heptameter (met zijn onreglementaire zeven voeten) kunnen vermijden.

Stel dat we lezen: Sextus Pompeius Sexti praeclara ex gente / Iustus quem tenuit / magn[…]us ‘Sextus Pompeius, Sextuszoon, uit een beroemd geslacht / Iustus die is van grote […]’. Daarmee is v. 5 met al die spondeeën en lange lettergrepen zeker niet mooi, maar uiteindelijk wel correct. U voelt al: het bloed van Schrijver dezes kriebelt. Een incompleet opschrift vraagt, zoals gezegd, om aanvulling en elke aanvuller is gelijk voor de wet!

Wat zoeken we nu nog? We hebben één lange eerste lettergreep (zoals dat hoort): magn[…]. Dit is een adjectief (magnus ‘groot’) dat gezien tenuit (letterlijk:) ‘hij hield’ in de nominatief moet staan, want bij het onderwerp moet horen. Daardoor kan het in deze situatie alleen mannelijk (magnus) of vrouwelijk (magna) zijn. Dat betekent ook dat het bijbehorend zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk moet zijn.

Dan hebben we de laatste lettergreep (of in ieder geval een deel daarvan), eindigend op –us: dat kan de uitgang van een adjectief in het mannelijk zijn of de nominatief van een zelfstandig naamwoord.

We moeten dus nog aanvullen: kort-kort lang-kort-kort. Daarvan moet tenminste één lettergreep gereserveerd blijven voor het woord dat eindigt op –us. Volgens de eisen die men in die tijd stelde zoeken we hiervoor eigenlijk naar een woord dat uit twee lettergrepen bestaat.

Theoretisch is het mogelijk om ons hiaat als volgt in te vullen: magn[us + tweede adjectief, gevolgd door –que ‘en’ + substantief beginnen met een medeklinker en eindigend op ]us.

Tweede mogelijkheid is: magn[a + tweede adjectief beginnend met een medeklinker en bestaande uit twee lettergrepen + que OF tweede adjectief beginnen met een medeklinker en bestaande uit drie lettergrepen + substantief beginnend met een medeklinker en bestaande uit twee lettergrepen eindigend op]us.

In het tweede geval moet het woord op -us vrouwelijk zijn en die zijn er niet veel. bovendien is het belangrijk om één ding goed in de gaten te houden: als je nl. twee medeklinkers na elkaar hebt, wordt de voorafgaande lettergreep meestal lang.

Schrijver dezes keek even weg over de weg. Die ontrolde zich schier eindeloos en kaarsrecht naar de verte. Een bucolisch landschap. Soms loopt er nog een schaapskudde, maar vandaag was dat niet het geval. Het was het evenbeeld van ‘Klassieken’ zoals zich dat als idylle in zijn bewustzijn genesteld had.

appiapompeius(4)

Groen, klassiek puin, Latijn. Wat wil een mens nog meer? Hier je huis hebben! Je huis? Domus! Dat betekent zowel huis als familie. Is vrouwelijk én heeft de vereiste metrische structuur. Dus: magna … domus. Nog een adjectief zoeken. Eventueel beata ‘gelukkig’?

Het werkwoord tenuit staat toch in de verleden tijd. Door een contrast te maken met het gelukkige verleden komt de huidige droevige toestand scherper uit de verf. Dus: Iustus quem tenuit magna beata domus ‘Iustus die behoorde tot een eens groot en gelukkig huis’. Het is maar een idee, maar het heeft zin. Geen Ovidius, maar toch al een beetje Pratensis.

Ook v. 7 blijft spannend. Infelix genitor gemina[ ‘Ongelukkige vader door tweevoudige’. Dan nog tweeëneenhalf vers waarvan het laatste woord eindigt op –ctus. Dat kan coactus ‘gedwongen’ zijn (zoals de aanvulling in de Carmina epigraphica Latina voorstelt), maar ook luctus ‘rouw’ of planctus ‘klacht’ komen volgens Schrijver dezes in aanmerking, al heb je dan een zelfstandig naamwoord in de nominatief en dat is toch minder handig.

Zelfs tactus ‘getroffen’ kan nog, of ictus (dat hetzelfde betekent). Als we het distichon vertalen met de aanvulling uit de Carmina epigraphica Latina, dan krijgen we iets als ‘Ongelukkige vader, door dubbele dood zo gedwongen, hopend van zijn kinderen die hen zelf op de brandstapel legde’. Dat laatste uiteraard om hun lichamen te cremeren, niet als een soort mensenoffer…

Schrijver dezes heeft toch moeite met dat coactus: hij ziet niet goed wat dat moet inhouden. En sic ‘zo’ is ook niet heel elegant: bovendien, waar staat dat dan bij? Van de andere kant is gemina duidelijk ablatief met lange a, als het tenminste volledig is. Dat vraagt om een ander vrouwelijk substantief in deze naamval.

Morte zoals in de Carmina epigraphica Latina wordt voorgesteld, is zeker geschikt. Maar dan ontbreekt er een lange syllabe of twee korte ervoor en een korte lettergreep erna. Dat heeft waarschijnlijk tot coactus geleid, maar dat resultaat is toch niet helemaal bevredigend. We zoeken hier nog kort-kort (of: lang) lang-kort-kort lang.

Schrijver dezes keek weer even weg over de weg. Verderop werd het steeds groener. Pijnbomen en cipressen, twee boomsoorten, cipressen de bomen van de dood. Toen kreeg hij een van zijn verschrikkelijke ingevingen: geminata morte peractus ‘door de dubbele dood getroffen’, want ook peractus van peragere ‘doorsteken, gaan tot het uiterste enz.’ zou kunnen. Hm, dit is eigenlijk niet zo slecht. Weliswaar nog geen Ovidius (al gebruikt hij het woord in deze betekenis!), maar toch al wel Pratensis.

appiapompeius(1)

De rechterbovenhoek van de tekst is ernstig beschadigd. Daarbij doet zich ook nog eens het merkwaardige feit voor dat op een van de stukken marmer wél letters te zien zijn die met de derde regel overeen zouden stemmen, maar niet voor regels 1 en 2.

Hoort dit stuk dan eigenlijk wel tot dit opschrift? Bovendien is aan wat er in r. 3 staat geen touw vast te knopen. De Carmina epigraphica Latina doen een lofwaardige poging, zij het met een vers dat zeer zwaar op de hand ligt, maar heel overtuigend is het toch niet.

Als we nu deze voorstellen in de reconstructie van de Carmina epigraphica Latina opnemen, is het aangepaste resultaat (met weglating van de aanvulling in r. 3):

Hic soror et frater uiu[i sunt plag]a par[e]ntis,
Aetate in prima saeu[a rapi]na [tuli]t.
Pompeia his tumulis co[  ]ris haeret
Et puer, immites que[m rapuere] dei,
5  Sext(us) Pompeius Sexti praec[l]a[ra ex gente]
I]ustus quem tenuit magn[a beata dom]us.
Infelix genitor, gemina[ta morte pera]ctus
A natis spe{n}rans qui ded[it ipse rog]os.
Amissum auxilium functae post [gaudia] natae,
10         Funditus ut traherent inuida [fata l]arem.
Quanta iacet probitas, pietas quam uera [sep]ulta est;
Mente senes, aeuo sed periere [breu]i.
Quis non flere meos casus possitq(ue) dolore?
[Quid c]urare queam bis datus ecce rogis?
15  Si sunt di manes, iam nati numen habetis:
Per uos cu[r u]oti non uenit hora mei?

In vertaling:

‘Hier liggen zus en broer levende [wond] van hun vader:
In hun vroegste jeugd werden zij grimmig [geroofd]
Pompeia rust in dit graf [ ]
En een jongen die [wegnamen] de onbarmhartige goden.
Sex(tus) Pompeius, zoon van Sextus uit een beroe[md geslacht],
Iustus afkomstig uit een eens groot [en gelukkig huis],
Ongelukkige vader door dubbele [dood doorstoken],
van zijn kinderen hopend wie [zelf hen begroef],
Verloren hulp van zijn gestorven dochter na [de vreugde],
Zodat het huis volledig vernietigt het jaloerse [lot]
Hoe grote degelijkheid ligt hier, wat voor echte vroomheid is [hier begraven]
In geest rijp, gingen ze in [korte] tijd teloor
Wie kan niet mijn lotgevallen bewenen in verdriet?,
[Wat interesseert me nog] nu ik tweemaal een brandstapel zag?
[Als ze bestaan, de] Manes, hebt u nu macht over mijn zoon,
Waarom komt door u niet het uur van mijn wens?’

Dat klinkt toch nog niet zo gek of onwaarschijnlijk. Wie weet, lijkt het wel wat op de oorspronkelijke tekst…

De moraal van het verhaal: neem een reconstructie van een opschrift altijd voor wat het is: een poging tot aanvulling. Soms is dat vrij zeker, soms is het maar een mogelijkheid en is er echt ook nog iets anders te bedenken.

Schrijver dezes knikte tevreden. Dit was mooi werk geweest. Hoe droevig het ook was voor Sextus Pompeius en zijn twee kinderen. Hij wandelde verder langs de zonovergoten Via Appia, terwijl de vogels hun voorjaarszang lieten klinken. Niet Ovidius, wel Pratensis.