Archive for 14 juni 2020

Hogesnelheidstrein Frecciarossa stopt vanaf vandaag twee keer in Frosinone

14 juni 2020

De hogesnelheidstrein Frecciarossa van Milaan naar Napels stopt vanaf vandaag voor het eerst twee keer per dag in de provincie Frosinone ten zuidoosten van Rome.

De supersnelle trein die om 5.23 uur vertrekt vanuit Napels houdt om 6.03 uur halt in Cassino en om 6.32 uur in Frosinone om vervolgens aan te komen in Rome om 7.15 uur.

De trein die vertrekt van Roma Termini naar Napels om 17 uur stopt om 17.41 uur in de hoofdstad Frosinone en om 18.10 uur in Cassino en bereikt om 18.22 uur Napels. Als het experiment goede resultaten oplevert, zal de frequentie snel worden verhoogd tot zes stops per dag.

lazio_provincies

In Frosinone wordt al hardop gedroomd van de bouw van een eigen hogesnelheidsstation in de omgeving van Ferentino, maar daar is nog lang geen sprake van. Eerst moet bewezen worden dat de nieuwe stopplaatsen voldoende reizigers motiveren om de trein te gebruiken wanneer ze naar Napels, Rome of een andere bestemming willen.

Het feit dat de Frecciarossa halt houdt in de provincie Frosinone is in ieder geval een belangrijke kans voor de ontwikkeling van dit deel van de regio Lazio. Voor onze stad is dit zoiets alsof een nieuwe snelwegafrit wordt ingehuldigd, verklaarde Nicola Ottaviani, de burgemeester van de stad Frosinone.

Frosinone is één van de vijf provincies van de regio Lazio, die ook nog het hoofdstedelijke Rome, Latina, Rieti en Viterbo groepeert. De provincie Frosinone situeert zich ten zuidoosten van Rome en haar grondgebied valt min of meer samen met de streek Ciociaria.

De belangrijkste plaatsen zijn de hoofdstad Frosinone, Sora en Cassino. De provincie Frosinone grenst aan de provincies Caserta, Rome, Latina, Isernia en L’Aquila.

Romulus sticht Rome en de Latijnse literatuur

14 juni 2020

Herinneren jullie je nog onze oproep om deel te nemen aan een kleine wedstrijd Latijn? De uitdaging was om een voorstel in te sturen (in het Latijn) van wat de mythische Romulus als opschrift zou kunnen hebben gemaakt, met in zijn achterhoofd de gedachte ‘Heden sticht ik de stad Rome’.

Acht durvers namen de uitdaging aan: Frans Veevaete, Karin Beirnaert, Fenny Den Haan, Danny Pijls, Jan Renier, Jef Abbeel, Alexander Smarius en Isi Bogaerts.

Om de inzendingen te beoordelen deden we beroep op een specialist in de materie, Dr. Michiel Verweij (Koninklijke Bibliotheek van België – Onderzoekseenheid Latijnse letterkunde, KU Leuven – Rector van de Latijnse school van Oirschot en al vele jaren de bezieler en begeleider van de Latijnse leeskring van het Nederlands Klassiek Verbond).

Michiel Verweij verzorgt voor S.P.Q.R. ook de regelmatige bijdragen in de reeksen Avonturen met opschriften en startte recent de nieuwe reeks Manuscript mysteries.

Hij maakte het volgende juryverslag, en dat werd een Latijnse les op zichzelf.

latijnromulus1

Laat ik van bij het begin zeer duidelijk zijn: ik ben niet als keizer Nero en dat is maar goed ook. Toch denk ik soms wel eens bij mezelf: Qualis artifex! ‘Wat een kunstenaar!’, als ik weer wat gepleegd heb dat vervolgens het publiek zal worden aangeboden.

Een uitspraak van keizer Nero, althans een die aan hem wordt toegeschreven, op het moment dat hij de fatale dolk in zijn keel stak of liet steken. ‘Wat een kunstenaar gaat met mij verloren!’ dat laatste stuk laat ik in mijn gedachten overigens wel weg.

Nero achtervolgt mij eigenlijk. Nog erger: het is dank zij Nero dat ik uiteindelijk Klassieken ben gaan studeren en dat u – als gevolg daarvan – nu op gepaste tijden wordt gekweld en getergd door een onbegrijpelijke nieuwsbrief over een stel letters op een steen gekapt.

Maar jaren geleden, ik zat nog op de lagere school, hadden mijn ouders een huisje in Kamperland op het Zeeuwse eiland Noord-Beveland. Daar verbleven wij elk jaar drie weken.

Die ene vakantie (1975?) hadden mijn ouders een verrassing voor ons vieren (want alsof ik niet al erg genoeg ben, ik heb nog drie broers ook!): voor ieder twee Suske-en-Wiske-albums. De gladde glipper zat daar bij, maar ook Het geheim der gladiatoren.

Ik vond dat geweldig. Samen met de vondst van de Nehalennia-altaren in de nabije Oosterschelde heeft dat zeker een rol gespeeld om mij naar de Klassieke Oudheid te duwen. En samen met de sonore doch geheimzinnige Latijnse woorden die ik af en toe tegenkwam, o.m. in de misboekjes.

Wie het album kent, weet dat keizer Nero er een voorname (dubbel)rol in speelt. Niet dat ik mij met Nero identificeerde uiteraard, nee, dat was de Schim. Met de nodige zelfkennis, want sindsdien glijd ik als een Umbra over deze wereld.

Ik ging naar het middelbaar. In Boxtel. Het Jacob-Roelandslyceum. Men kan veel van Boxtel zeggen, maar het was een goede school. Daar volgde ik vanaf de tweede klas Latijn en Grieks, bij Wilton Desmense, Willem Aarns en pater Stefaan Elfrink. De laatste was mijn leraar Latijn in 5 en 6 en dat voor zes uur per week.

Wij lazen twee jaar lang twee uur per week Horatius en twee uur per week Seneca. De overige twee uur waren gereserveerd voor een ander gemengd leesboek, Latijns mozaïek. Vooral die twee uur Seneca hakten er in: dat tekent een mens. En u weet wie Seneca tot zelfmoord dwong: juist: Nero. Hij weer.

Voor het zover was dat wij auteurs konden lezen, studeerden wij de grammatica. Via de methode van De Man en te Riele, Redde rationem. Met leeslesjes en oefeningen. Een heel stel van die leeslesjes ging over Romulus en Remus. Dat hield niet op. Ik weet dat Rome niet in één dag werd gebouwd, maar dit was ook weer overdreven.

Kortom: mijn eerste associatie met Romulus is met die langzame leeslesjes. En grammaticastudie. Want dat schoot ook niet op. Zo ergens in de 3de klas vernamen wij van het bestaan van de datief (die wij uit Grieks al lang kenden). De conjunctief dook zelfs pas in de 4de klas op. Zomaar ineens. En daarna niet meer weg te krijgen.

latijnromulus2

Ondanks dit trauma heeft het bestuur van de vereniging S.P.Q.R. mij gevraagd te willen jureren in een kleine wedstrijd waarbij de opgave luidt: schrijf het opschrift dat Romulus bij de stichting van Rome zou kunnen hebben gemaakt. Ik dacht meteen: Qualis artifex!

Dat sloeg op dat moment niet op mij (daar ben ik te bescheiden voor), maar op Romulus. Het Griekse alfabet was nog maar net uitgevonden in 753 v. Chr. De kans dat Romulus zelf een opschrift zou hebben kunnen maken, is eerder klein. Maar, van de andere kant, hij stamde niet voor niets van goden af (Venus en Mars) en hij werd achteraf zelf ook vergoddelijkt, dus waarom niet?

Dat de bijdragen binnenstroomden kan ik niet zeggen. Maar toch, in totaal ontving het bestuur acht antwoorden.

Op de eerste plaats verdienen diegenen die hun nek hebben durven uitsteken, dan ook een pluim: het is al niet niets om een Latijns antwoord op een vraag te durven geven, maar als men ook nog weet dat het eindoordeel bij mij ligt, dan getuigt deelname helemaal van moed.

Onnodig om te zeggen overigens dat het juiste antwoord er niet bij zat. Niet alleen kende Romulus het woord urbs ‘stad’ nog niet – dat is Etruskisch en er zijn geen aanwijzingen dat Romulus beslagen was in het spreken van vreemde talen – , maar alle bijdragen waren ook in het zgn. Klassiek Latijn, dat wil zeggen dat nieuwerwetse gedoe van die nieuwlichter Cicero uit de eerste eeuw v. Chr. en zijn collega’s.

Romulus sprak archaïsch Latijn, zoals op de cippus onder de Lapis Niger op het Forum Romanum. De tekst op deze cippus stamt uit de zesde eeuw, is dus eigenlijk eerder midden-archaïsch Latijn. Romulus sprak vroeg-archaïsch Latijn. En daar weten we niets van.

Althans officieel niet. U vreest uiteraard al alinea’s lang dat ik zo dadelijk het antwoord in perfect vroeg-archaïsch Latijn ga geven, alsof ik de bewuste steen hier op mijn appartement koester. Terecht, want dat ga ik ook doen. Wat Romulus schreef was heel eenvoudig het volgende:

HODKE DIED PALILIBOS CONDIDEI ROMOLOS ROMAM.
DEICO DEIVEIS IOVEIQUE MAMARTEIQVE.

Even grammaticaal. We zien hier uiteraard het behoud van de -d in de uitgang van de ablatief enkelvoud, terwijl ook nog de overgang van de o naar de u in de uitgangen van de ablatief meervoud en de nominatief enkelvoud zich nog niet heeft voltrokken. Ook is de tweeklank ei nog niet geworden tot lange i.

Vandaar de eigenaardige vorm DEIVEIS. MAMARTEIQVE is wel geattesteerd en wel op de inscriptie uit Satricum van de suodales valesiosio, de sodales Valerii, van enkele eeuwen later. Allemaal nog verre toekomstmuziek dus. Evenals de dissimilatie van PALILIBOS, dat ‘klassiek’ zou luiden: Parilibus.

In leesbaarder nieuwerwets Latijn wordt dit opschrift dan:

Hodie Parilibus condidi Romulus Romam. dico Deis Iouique Martique.

We bemerken meteen de polysyndetische verbinding Iouique Martique. De eerste stijlfiguur van de Latijnse literatuur… Qualis artifex, die Romulus! (Voor wie nu wanhopig ineenstort: een polysyndeton is de aanwezigheid van te veel voegwoorden, zoals hier het herhaalde -que.)

In vertaling:

Vandaag, op de Parilia (21 april), heb ik, Romulus, Rome gesticht. Ik draag (de stad) op aan de goden Jupiter en Mars.

Simpel, elegant, kort en krachtig. Kortom: het enige juiste antwoord. En dat had dus niemand. Als ik nu keizer Nero geweest was, had ik mooi mezelf de eerste prijs kunnen (laten) geven, maar zoals ik al zei, ik ben niet als Nero. Gelukkig voor de andere deelnemers. En wellicht voor mij ook.

latijnromulus3

Nu dan, de uitslag. Als goed Romein volg ik altijd twee principes: ten eerste doe ik nooit wat men verwacht dat ik zal doen, en ten tweede ben ik doordrongen van de principes van de Republiek.

Romeinen waren vol tegenstrijdigheden: ze woonden in de grootste stad van de wereld, maar deden nog altijd alsof ze plattelandsbewoners waren; en ze bleven maar de Republiek verdedigen en herstellen, terwijl ze al jaren in een monarchie leefden.

Iedere keer verkondigde weer zo’n usurperende keizer dat hij de Republiek ging herstellen of (nog beter) dat hij de Republiek hersteld hád. De Romeinen verdedigden vol vuur het sobere leven van hun voorouders en hunkerden daar poëtisch naar, maar organiseerden ondertussen wel hun villa’s, diners en tuinen. Vreemd volkje eigenlijk, als je het zo bekijkt.

De Romeinse Republiek nu was gebaseerd op wantrouwen en op de angst dat iemand nog eens ooit de volledige macht naar zich zou kunnen trekken.

Daarom ontwikkelde men een ingewikkeld systeem dat er op gericht was om de bevoegdheden zo veel mogelijk te verspreiden. U ziet meteen dat in weerwil van wat sommige lieden beweren of dromen, België het meest Romeinse land ter wereld is…).

Vandaar dat de macht beperkt werd in duur (steeds één jaar), in inhoud (vandaar een hele reeks magistraten met specifieke functies) en in omvang, want elke magistraat had een even machtige collega tegenover zich.

De enige die zich daaraan wist te ontworstelen was C. Iulius Caesar die tijdens zijn consulaat in 59 v. Chr. zijn collega Bibulus zo overdonderde dat deze het hele jaar zijn huis niet uitdurfde. Lockdown avant la lettre.

De combinatie van beide principes uit de vorige alinea leidt er dan ook als haast vanzelfsprekend toe dat ik niet één, maar twee winnaars heb aangeduid. Winnaars, zij het wel op een gedeelde tweede plaats, want de taalkundige blunder om Romulus klassiek Latijn te laten spreken, vergt tenminste één onbezette plaats (die Nero dus voor zichzelf zou hebben gedacht).

De uitslag dus. Op de gedeelde tweede plaats. De prijs voor originaliteit gaat naar ALEXANDER SMARIUS, een van de weinigen in de Nederlanden die in staat zijn om een Latijns vers te schrijven (samen met Pratensis, maar daar hebben we het nu niet over). Zijn oplossing is een elegisch distichon, een epigram (wat letterlijk ‘opschrift’ betekent):

Paruulus ecce tuo seruatus Romulus amne
             Magna uolo surgas nomine Roma meo.

Een vertaling voegt Smarius er niet aan toe. Volgens het gezonde principe dat als je er een vertaling aan toevoegt, je je gedicht eigenlijk niet in het Latijn had hoeven maken. Dat doe ik ook nooit. Maar, voor de niet-Latijnstalige:

‘Nu ik, kleine Romulus, door jouw stroom gered ben,
              Wens ik dat jij, Rome, groot wordt onder mijn naam.’

Klopt helemaal. Is best elegant. Hoogstens uitermate onwaarschijnlijk dat Romulus ooit een elegisch distichon zou hebben gedicht, want de Grieken hadden dat op dat moment nog niet eens uitgevonden. Maar soit.

Mooi is ook gedaan dat de twee adjectieven aan het begin van de twee verzen staan, net zoals de vormen Romulus en Roma steeds het op een na laatste woord van het vers zijn. De Augusteïsche dichters (Vergilius, Horatius, Tibullus, Propertius, Ovidius) deden dat ook allemaal. Zo hoort het ook. Vakmanschap.

Ik zou er bijna aan toe willen voegen:

Audax, non frustra mihi condis, Romule, Romam!
               Non illustrior urbs: aurea semper erit.

‘Romulus, vermetele, niet vergeefs sticht je voor mij Rome!
                Geen stad is edeler: voor eeuwig van goud.’

Qualis artifex! (Het grammaticaal onderwerp wordt op dit moment uit tactische overwegingen niet gepreciseerd!)

De tweede tweede prijs gaat naar KARIN BEIRNAERT die een krachtig Latijns opschrift heeft durven maken, met alliteratie:

ROMAM * REMI * FRATER * ROMVLVS
HODIE * CONDIT * VRBEM

‘Remus’ broeder Romulus sticht heden Rome de stad.’

Het mooie hyperbaton Romam urbem kan ik in het Nederlands niet navolgen. In het Latijn houden wij er nogal van om woorden die eigenlijk grammaticaal bij elkaar horen, goed ver uit elkaar te zetten: dat geeft reliëf aan de zin.

Dit opschrift is kernachtig, met nog een vleugje van het archaïsche, vooral in de stoere kleur, tegelijk niet te schools. Mocht Romulus dat nieuwe Latijn verstaan hebben, dan zou het wellicht zijn goedkeuring hebben weggedragen…

Qualis artifex! Of eigenlijk beter: Quales artifices!, want beide bijdragen zijn niet mis.

Het is alleen te hopen dat de twee prijswinnaars nu niet meteen in de omstandigheden waarin Nero deze uitspraak zou hebben gedaan, zullen verkeren!

Wat rest mij nu nog te doen? Zou ik of zou ik niet? Verdient dit ook niet een opschrift?

HVIVS MVNERIS
PROCLAMAT VICTORES
CARINAM BEIRNAERDT
ET
ALEXANDRUM SMARIVM
MICHAEL PRATENSIS
SCHOLARCHA OIRSCHOTANVS

* * * * * * * *

De beide winnaars krijgen binnenkort elk een boekenbon thuisgestuurd.

De juryvoorzitter krijgt hetzelfde geschenk als dank voor zijn werk en het gedetailleerde verslag dat je zojuist kon lezen. En voor zijn opschrift!

We bedanken alle deelnemers van harte voor hun inzending!