Het excubitorium van de Vigiles in Trastevere

Een excubitorium was in het antieke Rome een soort politiebarak en kleine kazerne voor brandweerlieden. Het bekendste is het excubitorium van Trastevere, het wachthuis van de cohorte VII van de vigiles, de brandweerbrigade en nachtpolitie die verantwoordelijk was voor deze kant van de Tiber (district IX en district XIV).

excu(1)

De naam ‘excubitorium’ is afgeleid van het Latijnse ‘ex cubare’, wat ‘buiten slapen’ betekent. Daarmee wordt bedoeld dat de vigiles vooral nachtelijke controles en bewakingsopdrachten uitvoerden.

De vigiles waren een door keizer Augustus ingestelde permanente stadswacht, die de orde moest handhaven en branden voorkomen en blussen. Het was een paramilitaire groepering die militair georganiseerd was.

Bij de geografische en administratieve reorganisatie die Augustus in Rome uitvoerde werd de stad in veertien districten ingedeeld. De vigiles waren onderverdeeld in cohorten voor de verschillende Romeinse districten.

Augustus heeft in 6 na Chr. de vigiles ingedeeld in zeven cohorten (Cohors I vigilum, Cohors II vigilum, … tot Cohors VII vigilum) van elk 560 man, telkens onderverdeeld in zeven centurio’s van 80 man.

excu(12)Lokalisatie van de gekende castra en excubitoria
in de 14 regiones van Augustus

Elke cohorte was in zijn eigen statio of kazerne (castrum) ingekwartierd. Elke cohorte moest dus toezien over twee regio’s. De zevende cohorte was verantwoordelijk voor de districten IX (Circus Flaminius) en XIV (Transtiberim).

Elk district had een eigen wachthuis of excubitorium. De veertien excubitoria of secundaire posten waren kleinere militaire plaatsen waar een detachement vigiles kon wachten op eventueel brandalarm, opdrachten of bevelen, en waarin de uitrusting van de brandweerlieden was opgeslagen.

Aanvankelijk waren de meeste vigiles vrijgelaten slaven (libertini), die na zes dienstjaren het Latijnse recht toegekend kregen, maar de leidinggevende officieren werden benoemd uit vooraanstaande Romeinse families. Later traden geleidelijk aan meer en meer vrije mannen toe tot het korps.

excu(2)

De belangrijkste manier om branden te bestrijden in het antieke Rome was preventie, want men wist dat tegen een fel uitslaande brand in de overbevolkte stad weinig te doen was.

De vigiles waren dan ook voortdurend op patrouille, vooral ’s nachts, en hadden het recht om in te breken in private huizen en insulae wanneer er enig vermoeden van een beginnende brand was.

Branden werden bestreden op twee manieren:

* Door bluswater in emmers aan te voeren vanuit de vele fonteinen en waterbekkens die de stadswijken toen telden. Naast palen, ladders en touwen (funes), beschikte men ook over grote natte dekens (centomes) waarmee men de vlammen probeerde te verstikken.

excu(3)

Het meest typische werktuig van de brandweermannen was echter de sipho, een pistonspuit volgens een ontwerp van Ktesebios (285-228 v. Chr.) en die ook door Hero van Alexandrië (ca. 10 – ca. 70 na Chr.) werd beschreven in zijn Pneumaticon.

* Of door het maken van een brandgang of open ruimte waarin alles werd afgebroken en gebouwen werden gesloopt om verdere uitbreiding van het vuur te verhinderen (te vergelijken met de huidige brandgangen in bossen).

Naast brandbestrijding hadden de vigiles-cohorten nog een aantal andere taken te vervullen: het onderhoud van de uitrusting en het materiaal, het onderhoud van de kazerne en de nachtelijke achtervolging van weggelopen slaven (overdag gebeurde dit door andere troepen).

Op het takenlijstje stonden ook de handhaving van de veiligheid op straat na zonsondergang en de controle van de aanwezigheid van het noodzakelijke blusmateriaal in privéwoningen. Tevens moest men nakijken of de bouwvoorschriften werden nageleefd.

excu(4)

Het excubitorium van Cohors VII vigilum in Trastevere raakte in de loop der eeuwen buiten gebruik en de restanten ervan raakten bedolven onder de grond.

In 1865-1866 werd het antieke gebouw tijdens herstellingswerkzaamheden weer teruggevonden onder het gebouw op de hoek van de Via di Montefiori en Via della VII Coorte (deze straat werd later naar het ontdekte excubitorium vernoemd).

In de volgende jaren werd het gebouw verder blootgelegd, maar door gebrekkig onderhoud verviel het weer snel. Het werd pas in 1986 gerestaureerd en daarna voor het publiek opengesteld. Momenteel zijn herstellingswerken aan de gang en kan het gebouw tijdelijk niet worden bezocht.

excu(7)

Van de veertien excubitoria in Rome zijn tot op heden slechts twee teruggevonden. Aan de hand archeologische vondsten konden wel vier van de zeven stationes in Rome gelokaliseerd worden. In Ostia is een groot en zeer complex castrum van de brandweerlieden blootgelegd en grondig bestudeerd: de Caserma dei Vigili.

Het excubitorium in Trastevere ligt 8 m onder de grond, het straatniveau van het antieke Rome. Het was oorspronkelijk een luxueus woonhuis dat later tot wachtpost van de vigiles werd verbouwd. Volgens de baksteenmarkeringen moet dit gebeurd zijn in 123, tijdens het bewind van keizer Hadrianus (117-138).

excu(6)

Maar het gebruik als bewakingspost kan pas met zekerheid geattesteerd worden tussen 215 en 235, toen keizer Septimius Severus (193-211) de brandweerbrigade verdubbelde na een catastrofale brand in 191 na Chr., en dus bijkomende wachthuizen noodzakelijk waren.

De ingangspoort wordt gesierd door twee Korinthische pilasters en een driehoekig pediment. De kazerne bestond uit een groot atrium waarop een aantal kamers uitkwamen. Dit waren de verblijven van de wachten, een officiersruimte, een toilet en een voorraadkamer.

excu(9)

In de hal stond een zeshoekige fontein en de vloer was bekleed met wit-zwarte en gekleurde mozaïeken. De hexagonale fontein, waarvan thans enkel het vloermozaïek met zeecreaturen overblijft, en de marineschilderingen op de muren, dateren van het oudere domus en waren onderdeel van een badinrichting (samen met een andere kamer die werd opgegraven op het einde van een tunnel in het zuidwesten).

Het schrijn tegen de zuidelijke muur met decoratief metselwerk toont aan de linker kant een afbeelding van Mercurius: hier konden de brandweerlieden offers brengen aan de Genius ex-cubitorii, de eigen ‘genius’ van het wachthuis, wiens naam op 97 graffiti in de muren is gegrift door de zich vervelende politiemensen en brandweerlieden.

excu(8)

Aan de noordzijde van de site werd een massieve basalten fundering van een wachthuis uit de elfde of de twaalfde eeuw teruggevonden.

Bij de opgraving verkeerden de fresco’s en de graffiti in slechte staat, thans blijft er helaas niks meer van over. We kennen deze hoofdzakelijk door kopieën en transcripties die onmiddellijk na de ontdekking werden gepubliceerd.

Slechts enkele graffiti konden gedateerd worden en geven een datum op tussen 215 en 245 na Chr. Ze vermelden niet enkel persoonsnamen maar refereren ook aan de brandweeruitrusting – ladders, touwen, palen, vuurdekens – en andere aspecten van hun taken zoals onder andere het bestaan van de sebaciarii, de makers/dragers van toortsen die door de vigiles werden gedragen bij hun nachtelijke wachtrondes.

excu(10)Graffito van een sebaciarius, waarop:
– SEBACIARIA FECI MENSE IVNIO
– A GENIO ESCVBITORI>
(Uit: Pietro Ercole Visconti, “La coorte VII dei vigili
scoperta nel Trastevere”, Roma 1867)

De term sebaciaria komt veelvuldig voor op de inscripties en behoort dus tot het typische jargon van de vigiles. Meestal spreekt men van “sebaciaria fecit’, wat betekent: ‘nam deel aan een sebaciaria’ of ‘voerde een sebaciaria uit’, en dit wordt dikwijls gevolgd door de datum van die activiteit.

Over de juiste aard van die sebaciaria bestaat wel enige onzekerheid: het organiseren van straatverlichting, het verlichten van de brandweerkazerne, de nachtelijke patrouilles vergezellen met een toorts…?

Een sebaciarius was dus ongetwijfeld iemand die zorgde voor voldoende verlichting. Een sebaceus is immers een toorts. Andere historici menen echter dat die sebaciaria speciale patrouilles waren die ’s nachts op zoek gingen naar gevluchte slaven.

excu(11)Graffito uit het excubitorium van Cohorte VII, met vermelding van
de naam Marcus Antonius Gordianus, keizer van 238 tot 244.
(Uit: Pietro Ercole Visconti, ibid).
K€T€ni
SBAYKTTOR
COH VII T L L
KF
COH VII VIGILYM J FLAM D N GORDIAN
NOAVG ET T AVIOLA CoS
M ANTONIV//////A//////NVS
SEBACIARIA FECIT MENSE
IVLIO
M€C

Sommige krabbels op de muren vermelden namen van brandweerlieden, nummers van cohorten en consulaire data, of weerspiegelen de gevoelens van de vigiles.

Op één van de inscripties zinspeelt een brandweerman op hun lastige taak: “…lassus sum, succesorum date”, “… ik ben moe, zorg voor een vervanger” (lett.: … geef een opvolger’). Gelijkaardige teksten vermelden: “Ik ben het beu, leve de aflossing”.

Excubitorium della VII Coorte dei Vigili
Via della Settima Coorte 9 (Piazza Sidney Sonnino)
Rome, Trastevere

Website met praktische bezoekersinformatie

Officiële website

Extra informatie

Met dank aan clublid
JOHAN VANHECKE
voor deze bijdrage

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.