De zorgen van Gabinius Vettius en Fabius Titianus

Avonturen met opschriften – XII

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de twaalfde bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XII. (Dit stuk werd geschreven tijdens de lockdown vanwege het Covid-19-virus in de lente van 2020 en werd door zijn baasje opgedragen aan zijn trouwe metgezel Adriaantje). De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. Zo wil het het spreekwoord. En wat voor kleine dingen geldt, geldt ook voor grote. Voor katten en muizen, maar ook voor keizers en senatoren. Toen in de derde en vierde eeuw de keizers steeds vaker en langer uit Rome afwezig waren, keerden in het dagelijks bestuur van de stad de oude senatoren weer terug. Natuurlijk aangesteld door de keizers, maar toch.

Keizer Augustus had er toch niet aan moeten denken dat zo maar senatoren ineens prestigieuze bouwprojecten gingen ondernemen en zich daarmee onder de aandacht van het publiek brachten. Tiberius, Caligula, Nero, Domitianus, de Severi: ziet u die al senatoriale concurrentie dulden op de bouwmarkt? Inderdaad, quod erat demonstrandum. Zo is het. Geen gespuis op het schouwtoneel van de hoofdstad, alleen de hoofdrolspeler en dat is de keizer.

augustus

Maar als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. En de kat was in toenemende mate van huis. En de oude senatoriale adel stak voorzichtig het hoofd weer op. Heel voorzichtig, want er waren al zoveel hoofden gesneuveld dat er van de eigenlijke oude senatoriale adel niet zo heel veel ouds meer overschoot.

Goed, de nieuwe oude senatoriale adel dan. Deze is in het Rome van de late oudheid steeds duidelijker aanwezig. Denk aan de domus onder het Palazzo Valentini. Denk aan de ombouw van de insula aan de Clivus Scauri, de Clivo di Scauro op de Celio, Caelius, bedoel ik. Daar werd een oudere domus met een insula verenigd tot een nieuw en grandioos complex dat u kunt bezoeken als de case romane di SS. Giovanni e Paolo.

gabiniusforo(1)

Overigens zijn alle huizen in Rome in principe Romeinse huizen, uit welke tijd ze ook stammen: case romane zegt in Rome eigenlijk niet zo heel veel bijzonders. Het zou pas echt wereldschokkend zijn geweest als het case veneziane zouden zijn geweest, maar blijkbaar gelden zelfs in Rome niet alle huizen Romeins…

Ook toen betweter Constantijn beter meende te doen door de residentie naar een tochtig windgat aan de Bosporus te verplaatsen (wat ik hem nooit vergeven heb), bleef de senaat in Rome een eerbiedwaardig lichaam. En bleven er belangrijke magistraten voor het stedelijk bestuur.

De senaat was in feite weer geworden wat hij helemaal in het begin van de geschiedenis was geweest, nl. een voorloper van de gemeenteraad. En dan is er ook een burgemeester nodig. Praefectus Urbi heet zo iemand, ‘degene die aan het hoofd van de stad is geplaatst’ oftewel – in gewoon Nederlands – de stadsprefect. En dat was toch iemand van gewicht, iemand om rekening mee te houden. Zelfs aan het keizerlijk hof.

Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. De gebouwen in de stad hadden nog steeds onderhoud nodig, ze stortten nog steeds in en brandden periodiek af. En iemand moest ze herstellen. Ook de grote belangrijke openbare monumenten. En als de keizer dat niet meer doet, dan doet – u raadt het al – de stadsprefect dat, samen met zijn senatoriale collega’s.

Wie tegenwoordig over het Forum Romanum wandelt, wandelt eigenlijk door een historisch misbaksel. Samengeraapte ruïnes, reconstructies naar der archeologen wisselend inzicht, allerlei bouwfasen liefst zoveel mogelijk zichtbaar over elkaar heen gelegd en daardoor onzichtbaar en onherkenbaar geworden, 1000 jaar geschiedenis op elkaar gestapeld.

Een gewoon mens wordt er wanhopig van, zelfs de archeologen raken er zelden uit wijs. Elke steen op deze site is met bloed bevlekt: als het niet uit de oudheid stamt, dan komt het van de archeologen die elkaar soms nog harder bestrijden dan de soldatenkeizers en de pretoriaanse garde. (De archeologen worden hierin enkel overtroffen door de classici…) Wat we nu zien, is een onhistorische reconstructie, alle goede bedoelingen ten spijt.

We spreken over de Basilica Iulia die C. Iulius Caesar liet bouwen. Dat klopt, behalve dat het nauwelijks waar is. Niet alleen stierf Caesar al voor het gebouw af was, zodat de voltooiing op naam van Augustus staat, maar het ding brandde dan nog eens af en nog eens en werd weer herbouwd enzovoort.

Wat we nu zien heeft niet meer zoveel met C. Iulius Caesar te maken, ook al is het enige dat de meeste gidsen vertellen net dat Caesar de bouwheer was. Wie echt goed gaat kijken, ziet opgemetselde zuilbases op een groot plaveisel dat enkele treden boven het plein verheven is. In de lange Forumzijde heeft men één boog gedeeltelijk gereconstrueerd. En net vóór die reconstructie, jawel, daar staat een steen. Met opschrift.

En hier duiken de muizen dus op. Want de tekst op deze steen luidt (CIL, VI, nr. 3864a = 31883):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS V.C.
PRAEF VRB
STATVAM FATALI
NECESSITATE CON
LABSAM CELEBERRI
MO VRBIS LOCO ADIB
ITA DILIGENTIA REPARAVIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) / praef(ectus) urb(i) / statuam fatali / necessitate con-/-labsam celeberri-/-mo urbis loco adib-/-ita diligentia reparavit.

‘De hoogedele heer Gabinius Vettius Probianus, prefect van de stad, heeft (dit) standbeeld dat door een fatale noodzaak gevallen was, op een druk bezochte plaats van de stad met de nodige ijver hersteld.’

gabinius(2)

Als u nu even naar links kijkt, ziet u een tweede steen. Met opschrift (CIL, VI, nr. 3864b = 31884):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS VC PRAE
VRBI
STATVAM FATALI NECES
SITATE CONLABSAM
CELEBERRIMO VRBIS
LOCO ADIBITA DILIGEN
TIA REPARAVIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) prae(fectus) / urbi / statuam fatali neces-/-sitate conlabsam / celeberrimo urbis / loco adibita diligen-/-tia reparavit.

Ik laat de vertaling achterwege, ik herhaal mezelf toch al veel te veel. De tekst komt u wellicht bekend voor. Nu bestaan alle goede dingen in drieën, zegt het spreekwoord, dus we gaan naar de korte zijde van de Basilica Iulia, tegenover de zijkant van de tempel van Saturnus.

Daar staat nog een stuk van de baksteenbouw van de oude basilica recht, omdat die in de middeleeuwen in andere gebouwen getrokken was. En daar staat weer een steen, met opschrift, zij het dat u behoorlijk wat volharding aan den dag moet leggen om in de bovenste regels dezelfde naam te herkennen (CIL, VI, nr. 31886):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS V C PRAEF VRB
STATVAM QVAE BASILICAE
IVLIAE A SE NOVITER
REPARATAE ORNAMENTO
ESSET ADIECIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) praef(ectus) urb(i) / statuam quae basilicae / Iuliae a se noviter / reparatae ornamento / esset adiecit.

‘De hoogedele heer Gabinius Vettius Probianus, prefect van de stad, heeft dit beeld toegevoegd zodat het een sieraad is van de Basilica Iulia die hij onlangs heeft hersteld.’

gabinius(5)

Men hoeft geen rector van de Latijnse school van Oirschot te zijn om te zien dat deze drie teksten betrekking hebben op dezelfde persoon en op dezelfde onderneming. De opschriften zijn – in vergelijking met de vroegere inscripties uit de eerste en de tweede eeuw – niet mooi en dat is nog bescheiden uitgedrukt.

Eerlijk gezegd heeft men het moreel gezag van een rector van de Latijnse school van Oirschot nodig om deze inscripties eenvoudigweg te bestempelen als kladwerk, voddenwerk, rommel, absoluut onvoldoende. De tekst is niet meer gecentreerd, de letters zijn onregelmatig, de vlakverdeling is hopeloos, kortom horribile dictu, maar het lijkt nergens op.

Men zou zijn Latijn erbij verliezen. Dat was ook inderdaad bezig: de spelling conlabsam zal menig oprecht classicus de wenkbrauwen doen fronsen, want WIJ weten dat het met een p moet.

Dat is sowieso een euvel van veel opschriften uit de Keizertijd: die dingen wemelen gewoon van de fouten, die lieden kenden gewoon geen Latijn. Dat wisselt maar af tussen e en i, tussen o en u, dat kent geen naamvallen meer, dat spelt maar raak, dat schrijft v voor b en omgekeerd, gruwelijk dus.

Gelukkig weten wij classici en oud-historici wel beter en wij slaan dan snel aan het corrigeren. Dan krijg je in een wetenschappelijke editie monstruositeiten als conlap{b}sam wat wil zeggen dat er conlabsam staat, maar dat wij moeten conlapsam lezen. Alsof we dat niet konden raden…

Goed, dit bewijst in feite alleen dat de uitgever de grammatica van Geerebaert heeft gestudeerd (of een nobel equivalent, er zijn er talrijke) en dat hij een degelijk woordenboek tot zijn beschikking heeft. Want eigenlijk weet iedereen (tenminste die Latijn kent…) dat conlabsam ‘normaal’ gespeld wordt als conlapsam.

Is voornoemde rector van de Latijnse school van Oirschot nu aan het raaskallen? Nee, dat doe hij nooit. Het punt is dat we de tekst van een opschrift moeten weergeven zoals het er staat. Net in die vorm verschaft het ook informatie, zoals in dit geval dat bepaalde klassieke normen inzake lay-out en (vermoedelijke) spelling aan het afzwakken zijn en hun waarde verliezen.

En bij uitbreiding zijn de van het klassieke Latijn van Cicero en Caesar afwijkende grammaticale vormen in opschriften uit de Keizertijd uitingen van de levende taal die zich ontwikkelde naar de Romaanse talen. En die kennen geen naamvallen meer en die doen maar wat raak met e en i en o en u en v en b, althans in hun historische ontwikkeling. Bovendien hebben die teksten juist in hun onbeholpenheid (althans in onze ogen…) ook iets ontroerends.

Terug naar Vettius. Wie was die goede man en wat weten we over hem? We hebben geluk, want een zoektocht in een database als die van de Epigraphische Datenbank Clauss levert maar liefst tien (10) opschriften op en er is ook nog een vermelding in de Codex Theodosianus, de grote verzameling Romeins recht die aan die van Justinianus voorafgaat. Gabinius Vettius Probianus was praefectus Urbi in 377.

Dat is laat. De vermelding in de Codex Theodosianus is in feite een keizerlijk rescript áán Vettius Probianus, zodat het minder onthult over zijn eigen activiteit. Maar gelukkig zijn er nog die tien opschriften. Die zullen toch wel meer over de goede man onthullen. Of niet soms?

Helaas… Alle tien opschriften zijn van hetzelfde type als de drie die we nu al hebben gezien en al is herhaling de moeder van de studie en het onderwijs en de wetenschap, ik zal u de andere zeven besparen. U leest dit uiteindelijk voor uw plezier.

gabinius(3)

Kortom, we weten dat Gabinius Vettius Probianus in 377 stadsprefect was en dat hij een restauratie in de Basilica Iulia heeft ondernomen. Bij deze restauratie heeft hij in ieder geval (of: vooral?) een aantal beelden zijn onverdeelde aandacht gegeven.

Wat er verder precies aan de hand was (aardbeving?, vandalisme?, hoe kan een beeld eigenlijk zo maar omvallen?), ontgaat ons, maar één ding staat wel vast: Vettius Probianus vond het van belang dat de Basilica Iulia er als vanouds uitzag en beelden speelden in deze periode nog altijd een belangrijke rol in Rome.

Rome was uiteindelijk niet alleen de stad van fonteinen en kerken die ze nu is, of van opschriften, maar in de oudheid was het zeker ook een stad van een immense hoeveelheid beelden. En voor Vettius Probianus vormden deze nog een wezenlijk onderdeel van het stadsbeeld en dus ook van zijn restauratie.

Vettius Probianus is niet het enige vooraanstaande lid van deze laat-antieke patricische familie. Aan de andere kant van de tempel van Saturnus en van de Clivus Capitolinus bevindt zich de porticus Deum Consentium, toegewijd aan de Di consentes, de reeks van twaalf belangrijkste goden.

Wat er nu staat is een restauratie uit 1834 van wat in alle reisgidsen omschreven wordt als ‘de laatste uiting van het heidendom op het Forum Romanum’. Rond 367 werd deze porticus vernieuwd door een .]ettius Praetextatus. Het fragmentair bewaarde (en nogal aangevuld) opschrift luidt (CIL, VI, nr. 102):

[…]ONSENTIVM SACROSANCTA SIMVLACRA CVM OMNI LO[…]NE CVLTV IN […]ETTIVS PRAETEXTATVS V.C. PRA[…]RBI […] CVRANTE LONGEIO […]ONSVL[…]

[Deorum C]onsentium sacrosancta simulacra cum omni lo[ci totius adornatio]ne cultu in [formam antiquam restituto V]ettius Praetextatus V(ir) C(larissimus) pra[efectus u]rbi [reposuit] curante Longeio [… viro clarissimo c]onsul[ari]

‘De hoogedele heer Vettius Praetextatus, prefect van de stad, heeft de heilige beelden van de Di consentes met de volledige decoratie van de gehele locatie na het herstel van de cultus in zijn oude vorm hersteld onder zorg van [de hoogedele] Longeius … van consulaire rang.’

Na het voorgaande is het voor de hand liggend dat deze Praetextatus ook een Vettius is geweest. En inderdaad, Vettius Agorius Praetextatus (ca. 320-384) was praefectus urbi in 367-368.

En daarmee zijn de vooraanstaande Vettii nog niet uitgeput. In een aantal handschriften van Horatius vinden we nl. een soort redactionele colofon aan het eind van de Epoden (een jeugdwerk van de dichter). Deze colofon luidt:

Legi et ut potui emendaui conferente mihi magistro Felice oratore urbis Romae

‘Ik heb dit gelezen en in de mate van mijn mogelijkheden gecorrigeerd met hulp van meester Felix, redenaar van de stad Rome.’

Dit is dan ondertekend door Vettius Agorius Basilius Mavortius die consul was in 527. Het gaat om een minderheid van de ruim 800 (!) handschriften van de dichter van de Oden en Satiren, maar daar zitten wel belangrijke tekstgetuigen bij. Ook in het Brusselse handschrift 9776-78 (elfde eeuw) is het te vinden (f. 68v).

Bis repetita placent ‘Wat tweemaal herhaald wordt biedt meer plezier’. Vettius Probianus was niet de enige die in de vierde eeuw aan het restaureren sloeg. Net 25 jaar eerder was een collega actief, Fabius Titianus, bij herhaling consul en praefectus Urbi. De laatste functie vervulde hij van 339 tot 341 en van 350 tot 351.

gabiniusforo(4)

Om Titianus’ sporen te vinden steken we het Forum over en gaan we naar de Basilica ‘Aemilia’, waar we na de fraaie Augusteïsche opschriften voor C. Iulius en de fragmentarische steen die met IMP begint iets verder van het pad een steen zien met een lijst en een zeer ruw oppervlak.

Het is duidelijk een steen die opnieuw is gebruikt en waar de oorspronkelijke tekst is weggebeiteld. Pas met enig speuren en turen is te zien dat er een nieuwe tekst werd aangebracht, in tamelijk ruwe letters, alsof de steenkapper of persoon die het opschrift liet maken, nauwelijks kon lezen en schrijven (CIL, VI, nr. 1653a = 37107):

FABIVS TITIANVS
VC CONSVL
PRAEF VRBI
CVRAVIT

Fabius Titianus / V(ir) C(larissimus) consul / praef(ectus) urbi / curavit

‘De hoogedele heer Fabius Titianus, consul, prefect van de stad, heeft (hiervoor) gezorgd.’

Ook hier geldt weer dat er een hele reeks opschriften met dit keer precies dezelfde tekst bestaat, die allemaal betrekking hebben op bouwkundige ingrepen vermoedelijk op het Forum Romanum (anders is moeilijk te verklaren dat de stenen hier zijn gevonden), mogelijk in verband met de Basilica ‘Aemilia’.

Het probleem is uiteraard, zoals u wellicht al gemerkt hebt, dat Fabius Titianus wel zegt dát hij iets gezorgd heeft, maar niet wát. Volgens de regel dat het object of lijdend voorwerp van een opschrift vaak het monument is waarop de tekst is aangebracht (zie hiervoor ook de vorige bijdragen in deze reeks…), zou het moeten gaan om iets uit de vondstcontext, maar dat helpt ons niet heel veel verder.

Ten eerste is er met de stenen op het Forum in latere eeuwen nogal eens gezeuld, zodat geregeld opschriften van hun eigenlijke context zijn losgeraakt. (Zo heeft men ook bij de Basilica ‘Aemilia’ een steen met opschrift van onze goede vriend Gabinius Vettius Probianus gevonden…).

Maar, gesteld dat dit opschrift inderdaad uit de Basilica ‘Aemilia’ komt, wat betekent het dan? Gaat het om het geheel van de basilica? Of enkel om een paar beelden, aangezien de tekst op een steen is gekapt die als sokkel van een beeld kan/zal hebben gediend? Of om een volledig decoratieprogramma of de restauratie daarvan?

Alle drie zijn mogelijk. Het belangrijkste bij dit soort teksten op het moment van schrijven en opstellen is om de tijdgenoten de naam van de verantwoordelijke magistraat goed voor ogen te plaatsen. Niet om classici en archeologen van eeuwen later te plezieren. Dat is iets wat wij (classici en archeologen, bedoel ik) nog wel eens willen vergeten…

gabinius(1)

In dit geval ging het Fabius Titianus er vooral om dat zijn naam gekoppeld werd aan een bepaalde realisatie en de bezoeker van de Basilica ‘Aemilia’ was voldoende intelligent om uit de context op te maken wat er precies bedoeld werd. Alleen wij blijven op onze honger zitten, maar dat is nauwelijks aan Fabius Titianus te verwijten…

Werd Gabinius Vettius Probianus in de Codex Theodosianus vermeld, ook Fabius Titianus kennen we uit een andere bron, nl. de zgn. Chronograaf van 354. Dit is een laat-antieke kalender annex lijsten van consuls e.d., die oorspronkelijk (u raadt het nooit) in het jaar 354 werd opgesteld en die tot ons is gekomen in verschillende kopieën uit de Karolingische periode en de Renaissance.

Bovendien was het oorspronkelijke handschrift verlucht en diverse handschriften bevatten kopieën van deze decoratie. Eén van de exemplaren waarvan de getrouwheid bijzonder wordt geprezen, is ms. 7524-55 van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is een miscellanea-handschrift uit de zestiende eeuw, afkomstig uit het fonds van de Bollandisten (een groep Antwerpse jezuïeten die zich in de zeventiende eeuw tot doel stelde alle heiligenlevens samen te brengen en uit te geven en die dat op een verrassend moderne wetenschappelijke wijze deden; het project is nog steeds niet voltooid en daarmee het langst lopende wetenschappelijke project ter wereld…), waarin de Chronograaf te vinden is op f. 190-213.

De eigenlijke chronograaf werd uit het oorspronkelijke handschrift gelicht en wordt apart bewaard als ms. 7543-49. Fabius Titianus wordt hier vermeld als consul in 337 (f. 191r, 192r en 194v) en als praefectus urbi voor de jaren 339, 340 (als suffectus nadat de eigenlijk benoemde stadsprefect naar de keizer was vertrokken)), 350 en 351 op f. 194v.

Het oorspronkelijke handschrift zou gekalligrafeerd zijn door Furius Dionysius Philocalos die we ook kennen als degene die verantwoordelijk was voor de letter van de opschriften die paus Damasus (pontificaat 366-384) op de graven van een aantal martelaren liet aanbrengen. U vindt (delen van) deze opschriften bijv. in de S. Agnese fuori le Mura of S. Sebastiano fuori le Mura of in de catacomben van San Callisto.

Daarmee eindigt deze bijdrage wel heel serieus, wetenschappelijk nauwkeurig, ja filologisch. Ach ja, als de kat van huis is, dansen de muizen en dat geldt ook voor een rector van de Latijnse school van Oirschot…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.