De vier letters van Aardenburg

Avonturen met opschriften – XIII

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici en liefhebbers van de Latijnse taal onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van een specialist terzake, dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de dertiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit. Vandaag deel XIII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

(Deze Nieuwsbrief is opgedragen aan mijn tante Maria van de Ven vanwege het huisje in Sint-Anna-ter-Muiden en aan de herinnering aan mijn moeder die toch zo graag naar Sint-Anna-ter-Muiden en omgeving ging).

* * * * *

Waarde lezer dezes, vóór u aan de lectuur van deze Nieuwsbrief begint, raadt Schrijver dezes u dringend aan ofwel uw gezondheidstoestand ernstig te overwegen ofwel zelfs – indien er enige aanleiding daartoe zou bestaan – uw huisarts te raadplegen.

Niet zozeer omdat u door het lezen ervan besmet zou kunnen raken door het Covid-19-virus: die kans is vrijwel nihil en u kunt gerust uw mondmasker weer afdoen tijdens de lectuur, maar wel omdat wat hier verteld zal worden zo’n sterk staaltje is dat alleen mensen zonder hartklachten dit veilig tot zich kunnen nemen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. En dat geldt ook voor een lezer.

In de zomermaanden is het voor Schrijver dezes, waarde lezer, in Rome te heet. Hij geeft het eerlijk toe. Dan zoekt uw schrijver het in noordelijker regionen. En zo belandde hij ook deze maal in de verre uithoek van het rijk bij de Menapiërs.

Daar waar eens de kustvlakte één geheel was van slikken en schorren, tot waar de zee spoelt, schuilt uw schrijver dan in wat nu de welige polders achter de duinen zijn in de Zwinstreek.

aardenburg(8)

Niet ver van zijn tijdelijke verblijfsoord, het kleine stadje met de stille markt, de grote pomp (waar sinds mensenheugenis geen water uit komt) en de stoere kerktoren, die Sint-Anna-ter-Muiden zijn typisch karakter geven, bevindt zich eveneens in het Nederlands-Belgisch grensgebied (maar Schrijver dezes is zelf een verschrikkelijk grensgeval) de historische stad Aardenburg.

Aardenburg klimt tot Romeinse tijden op toen er in de tweede eeuw na Chr. een versterking werd aangelegd (vermoedelijk, want de archeologen strijden nog altijd over de interpretatie, maar dat doen ze uiteindelijk altijd) die deel uitmaakte van wat we het Litus Saxonicum noemen. Ook Oudenburg in West-Vlaanderen maakte daar deel van uit. Er zijn trouwens nogal wat gelijkenissen tussen Aarden- en Oudenburg.

In het wegdek is ergens in Aardenburg de plaats van de Porta Principalis Sinistra aangegeven en er is een stukje spitsgracht gereconstrueerd. Men heeft daar zelfs een plantsoentje met Latijnse gedichten gevuld. Maar authentiek spul vindt u in het Gemeentelijk Archeologisch Museum.

Het is het gebruikelijke spul: scherven, wat hele potten, wat religieuze beeldjes, alles met de nodige (en correcte) didactische uitleg. Zelfs enkele mooie bronzen beeldjes. Maar wie op opschriften wacht, blijft wat op zijn honger zitten.

aardenburg(6)

Zo staat er op een dolium AL[l]IC XI S(emis), m.a.w. dat er 11,5 eenheid van allec of vissaus in zat. Fijn om te weten en ongetwijfeld heel praktisch, maar ons helpt het niet heel veel en de pot is nog leeg ook. En een verhaal zit er nauwelijks achter, want de Romeinen aten dat spul werkelijk overal, dus ook in Aardenburg. Het zou alleen spectaculair zijn als men dat daar NIET had gegeten.

Dan is er nog ergens een stempel op gevonden met de tekst PRIMA COR T, dat gelezen wordt als prima co(ho)r(s) t(hracum), ‘het ‘eerste cohort van de Thraciërs’. Dat ‘eerste cohort’ is geen probleem, die Thraciërs worden niet door iedereen geaccepteerd. En eerlijk gezegd is het op het eerste gezicht ook wat bizar om juist hier Thraciërs te vinden.

Gelukkig lezen anderen dan weer t(ungrorum) ‘van de Tungri’. Of wat dacht u van een stuk aardewerk kom met POLIONIBVS ‘Voor de Polio’s’. vermoedelijk gaat het om broers die het stuk samen gebruikten, maar heel veel leert ons dat toch ook niet.

Maar dit is allemaal klein spul. Er is tot nog toe maar één rest van een groter opschrift gevonden. Een blok kalksteen van circa 25 x ca. 10 cm. En daar staan vier hele letters op en één halve:

]MO[
[RMA[

Bovendien krijgt men de indruk dat er nog een regel volgt, maar veel is daar niet van te herkennen.

aardenburg(5)

Nu geeft Schrijver dezes gaarne toe dat hij voor geen kleintje vervaard is, maar dit is te veel. Of liever: te weinig. Hier kan zelfs hij niets van maken. Schrijver dezes is zich er terdege van bewust dat u nu teleurgesteld geen lust hebt om verder te scrollen, dat uw nachtrust er de komende nachten niet op zal verbeteren, dat u herhaaldelijk wakker zult schrikken en voor u uit mompelen: MO RMA. Tot uw eventuele slaapkamergenoot drastische maatregelen neemt en u op de logeerkamer, de gang, of het balkon deponeert.

Hij wil dat niet op zijn geweten hebben. Hij wil ook dit mysterie tot op het bot uitspitten. En ziet daartoe slechts één uitweg. Waar alle normale hulpmiddelen falen, brengt slechts één persoon licht in de duisternis. U raadt, ja, u vreest het al: dit is een zaak voor … de Grote Speurder!

Schrijver dezes begaf zich dus naar diens residentie in een brede straat in de binnenstad van Leuven, niet al te ver van de resten van de eerste stadswal in het Handbooghof. Reeds was hij tweemaal het portiek binnengegaan en weer naar buiten geslopen. Toen vatte hij moed en drukte op de bel. Even later begaf hij zich naar de tweede verdieping. De deur stond al open. Daar klonk de stem van de Grote Speurder: ‘Naar links!’

De Schrijver stapte het halletje binnen, sloeg linksaf en kwam in een kamer vol boeken. Aan de wand in kasten, op de grond op hoge stapels. En daar, te midden van deze opgestapelde geleerdheid, zat hijzelf. Schuchter bood Schrijver dezes de Grote Speurder de foto van de steen, woorden bleven hem in zijn keel steken. Nog net wist hij eruit te krijgen: ‘Aardenburg … opschrift’.

aardenburg(2)

De Grote Speurder nam de foto uit de trillende handen van Schrijver dezes aan en wierp er een korte, doch scherpe blik op. Toen keek hij uit het raam. Niet dat daar iets te zien was: geparkeerde auto’s, de achterkant van de huizen aan de volgende straat, de afbraak van het oude Sint-Pietersziekenhuis, de toppen van de bomen van de Handbooghof. Maar het was duidelijk dat de Grote Speurder daar niet naar keek, nee, hij dacht na…

Toen, ineens, sprong hij op, dook met onvermoede energie een hoek van de kamer in, daarbij zorgvuldig en handig de stapels boeken ontwijkend, greep een boek uit de kast, sloeg het open, sloeg het weer dicht, knikte tevreden ‘Juist ja, dat dacht ik al!’, sprong naar een andere hoek, haalde een halve stapel weg om beter bij de stapel erachter te kunnen, snuisterde wat, keek goedkeurend knikkend mompelend op en ging weer zitten.

‘Het is zoals ik dacht.’

[En hier moet ik het relaas onderbreken. Verder lezen is op eigen risico en alleen aangeraden aan mensen met een sterk hart!]

‘Het is zoals ik dacht. Het zal dateren uit 185 n.Chr. en waarschijnlijk heeft er gestaan:

IMP CAES M AVRELIVS COM]MO[DVS M. FIL AVG PIVS
FELIX SARMATIC GE]RMA[NIC MAX BRIT
PONT MAX P P TR POT X IMP] X C[OS DESIGN PROCOS
[…]

Schrijver dezes wankelde. Het werd zwart voor zijn ogen. Even was er niets. Helemaal niets.

Toen Schrijver dezes weer tot zichzelf kwam, stond de Grote Speurder bezorgd over hem gebogen met een glas water in zijn hand. ‘Gaat het?, vroeg hij zacht. ‘Ik weet het, het is de schok, dat komt wel meer voor.’ ‘Maar hoe komt u bij die volledige tekst?’ vroeg Schrijver dezes. Want hij wist dat hij het u, zijn lezers, niet zonder meer wijs kon maken tenzij hij ook kon uitleggen waarom dat er waarschijnlijk of in ieder geval mogelijk heeft gestaan.

aardenburg(4)

De Grote Speurder glimlachte. ‘Om te beginnen. We hebben een opschrift in grote kapitalen op kalksteen. Dat wijst op een eerder formeel opschrift. We zitten in een militaire nederzetting en de steen is ook gevonden op het terrein van de versterking zelf. Zo zegt het archeologisch verslag.

Welnu, een formeel opschrift kan dan eigenlijk alleen een grafsteen of een wijopschrift zijn, het laatste van een gebouw of een beeld. Een grafsteen zou je niet verwachten binnen de versterking, want Romeinse graven liggen altijd buiten de nederzetting. Uiteraard kan een oudere grafsteen gebruikt zijn op een later moment voor een extra versterking. Maar van dat laatste is er geen ander spoor in Aardenburg’.

‘Bovendien’, zei de Grote Speurder en hij pakte de foto erbij, ‘als je goed kijkt, dan zie je dat de regelafstand boven de eerste letters groter is dan tussen de twee regels of tussen de tweede regel en de enkele puntjes die van de derde regel resten. Dat is mogelijk te verklaren door het feit dat het de eerste regel van het opschrift is.

Maar als het een grafschrift zou zijn, zou dit normaal in deze periode (we zitten ruim na de Flaviërs) met D M Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’ beginnen. En dat is niet het geval. Dus wijst dit eerder op een wijopschrift. Daarbij is de kans dat het om een bouwopschrift gaat in een afgelegen middelgroot castellum groter dan dat het om een standbeeld gaat, al is dat laatste niet helemaal a priori uit te sluiten.

‘Als het een wijopschrift is, wordt er met name in vermeld wie de persoon is die het gewijd heeft of aan wie het gewijd is. De rest is immaterieel. We zoeken dus iets van een naam in de eerste regel. [MO[ kan dan een datief zijn, maar er is natuurlijk een keizer die MO in zijn naam heeft staan, namelijk Commodus, de rampzalige zoon van Marcus Aurelius (180-192).

Het castellum van Aardenburg wordt toegeschreven aan het einde van de tweede eeuw, met andere woorden juist aan de regeringstijd van Marcus Aurelius en Commodus. In de naam van Marcus Aurelius is geen enkel element dat aan MO kan beantwoorden, te vinden, dus moeten we als werkhypothese beginnen met Commodus en zijn officiële naam.

Gelukkig kennen we die namen uit andere opschriften en van munten en gelukkig veranderden die namen geregeld al naargelang de keizer prestaties verrichtte of meende verricht te hebben (wat niet hetzelfde is).

‘Nu, de tweede lettercombinatie RMA is een merkwaardige. Er zijn in het Latijn niet zoveel woorden waarin die combinatie voorkomt. Armamentarium ‘wapenopslagplaats’ is er een van en dat is ook door archeologen gesuggereerd, maar het staat te dicht bij de naam van de keizer. Commodus had vooral veel namen, heel veel, en die passen niet op die ene regel, tenzij die onwaarschijnlijk lang zou zijn geweest. Zulke lange steenblokken zijn er niet.

Bovendien zou het Romeinse vormbesef zich daar ook tegen hebben verzet. Men hield van goed gecentreerde, mooi vormgegeven opschriften. Pas later, in de late derde en de vierde eeuw verwatert dat allemaal, maar in de tweede helft van de tweede eeuw is dat nog niet het geval.

Als we alle namen van Commodus in de eerste regel proppen, blijkt bovendien de regel met armamentarium te kort te worden: zulk gebrek aan evenwicht is zeer vreemd voor een Romeins opschrift. Dus zoeken we beter een andere verklaring.

aardenburg(1)

RMA komt ook voor in bepaalde cognomina zoals Germanicus of Sarmaticus. En, guess what?, beide namen maken deel uit van de titulatuur van Commodus. Dus, als werkhypothese kunnen we aannemen dat er op een of andere manier gestaan heeft:

COM]MO[DVS
GE]RMA[NICVS.

De rest van de titulatuur vul je dan gewoon aan. Doodsimpel eigenlijk.’

Schrijver dezes zat verdwaasd te kijken. Het klonk inderdaad eenvoudig, logisch. Maar die derde regel dan?

‘Ah’, zei de Grote Speurder, ‘De derde regel. Juist. Kijk eens heel goed op de foto. Er is natuurlijk weinig te zien, maar men ziet nog net de bovenste puntjes van wat een X kan zijn en de ronding van iets wat een C of een O zou kunnen zijn. Je moet natuurlijk wel echt goed kijken. Maar ja, daar ben je dan…’

De grote Speurder liet zijn zin onafgemaakt. Hij staarde even het raam uit en hernam toen: ‘Een X is een probleem, want daar zijn er niet zoveel van in het Latijn. De beste kans zou zijn iets met maximus ‘de grootste’ ofwel, natuurlijk, de X te interpreteren als een cijfer 10.

Welnu, na de naam met bijnamen van de keizer volgt de ambtelijke titulatuur. Daar zit inderdaad PONT MAX voor pontifex maximus ‘de opperpriester’ bij. Maar dan kom je met die C in het gedrang. Een C kan in deze titulatuur vooral staan voor COS = consul, want het was inderdaad gebruikelijk dat het aantal consulaatsjaren vermeld werd. De vermelding van deze consulaatsjaren volgde op die van het aantal keren dat de keizer tot imperator was uitgeroepen, maar niet op die van pontifex maximus.

Wie de officiële tabellen er op naslaat, zal vinden dat Commodus voor de tiende maal imperator was toen hij consul designatus, ‘aangewezen consul’ was, en dat was in 185. En dan schuif je en pas je en meet je alle bekende vormen van Commodus’ naam tot je krijgt wat ik net als eindresultaat heb voorgesteld. En dan luidt je tekst met aanvulling van de afkortingen:

Imp(erator) Caes(ar) M(arcus) Aurelius Com]mo[dus M(arci) fil(ius) Aug(ustus) Pius Felix Sarmatic(us) Ge]rma[nicu(us) Max(imus) Brit(tannicus)
Pont(ifex) max(imus) P(ater) P(atriae) Tr(ibunicia) pot(estate) imp(erator) X c[o(n)s(ul) design(atus) proco(n)s(ul

‘Imperator Caesar Marcus Aurelius Commodus, zoon van Marcus, Augustus, Pius Felix Sarmaticus, Germanicus maximus Brittannicus, opperpriester, vader des vaderlands, voor de tiende maal bekleed met het volkstribunaat, voor de tiende maal tot imperator uitgeroepen, aangewezen consul, proconsul.

‘Die keizersnamen zijn zo heerlijk voorspelbaar. Een kind kan de was doen. De rest moet je me ten goede houden. Er zal nog wel iets onder gestaan hebben, maar of dit nu de sokkel van een beeld is geweest of een deel van een bouwopschrift, durf ik niet 100% zeker te zeggen. Al houd ik het eerder op het laatste. Dit kan best boven de poort van het castellum hebben gehangen. De stichtingsoorkonde van Aardenburg, om het zo te zeggen.

aardenburg(7)

‘Het was leuk om je eens gezien te hebben. Nu weet ik eindelijk wie er achter die opschriftenverhalen zit. Wel wel. Ach ja, opschriften, handschriften, het maakt weinig uit, het is allemaal schrift. Goed, ik moet me weer met iets anders bezighouden. Dit was een leuk puzzeltje, al was het allemaal een beetje elementary.’

Beduusd stond Schrijver dezes weer buiten. Zeker, deze lezing had zin en zou bovendien goed overeenkomen met wat verder van de geschiedenis van Aardenburg uit archeologische bronnen bekend is. Maar hoe zeker is een hypothese in een geval waar een opschrift zo fragmentair bewaard is als hier?

Schrijver dezes liep stil naar zijn woonst. En toch, de Grote Speurder had een zeer aanvaardbare lezing gegeven. Maar hoe zeker weten dat dit ook de juiste was? Schrijver dezes voelde zich klein en moe. Hij was dringend aan een Romeverblijfje toe….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.