Archive for 13 oktober 2020

Italië kondigt strengere virusmaatregelen aan

13 oktober 2020

Premier Giuseppe Conte heeft namens de Italiaanse regering vanochtend  een decreet ondertekend dat een aantal strengere maatregelen oplegt om het aantal virusbesmettingen te beperken. Daaronder een verbod op privéfeesten en nieuwe regels voor de horeca.

De nieuwe maatregelen blijven minstens dertig dagen geldig. De regering zou normaal pas donderdag communiceren over mogelijke strengere regels, maar kwam zondag in spoedberaad bijeen omdat het aantal positieve gevallen fors blijft stijgen.

Restaurants, cafés, koffiebars, ijsjeszaken, … moeten voortaan om middernacht de deuren sluiten. Ook mogen mensen vanaf 21 uur buiten niet meer staande eten en drinken. Zo moet worden voorkomen dat teveel mensen bij elkaar blijven staan. Samenscholingen zijn hoe dan ook verboden. Discotheken en nachtclubs blijven gesloten.

sluiting_horeca

Privéfeestjes, binnen of buiten, worden eveneens verboden. Daarnaast geldt de sterke aanbeveling om niet meer dan zes mensen van buiten het gezin thuis te ontvangen.

Ook schoolreizen of educatieve uitstapjes met de klas worden verboden. Bij huwelijken en begrafenissen mogen maximaal dertig mensen aanwezig zijn. Bij dergelijke ceremonies moeten een vooraf vastgelegd protocol worden gevolgd.

Voetbal en andere contactsporten op amateurniveau worden eveneens verboden. Alle competities en activiteiten die verband houden met amateur-contactsporten zijn voorlopig afgeschaft, met uitzondering van amateurverenigingen en -clubs die worden erkend door het Italiaanse Nationaal Olympisch Comité (CONI) of het Italiaanse Paralympische Comité (CIP).

Het publiek mag nog sportevenementen in stadions bijwonen, weliswaar in sterk gereduceerde aantallen, die maximaal 15 procent van de totale capaciteit van de arena vullen, met niet meer dan 1.000 toeschouwers buiten en 200 binnen. Toeschouwers moeten altijd een persoonlijke fysieke afstand van minstens 1 m aanhouden en hun temperatuur laten controleren bij de ingang van het stadion.

Dezelfde maatregelen – 1.000 toeschouwers buitenshuis en 200 binnenshuis – gelden ook voor bioscopen, theaters en concertzalen, met dezelfde maatregelen inzake fysieke afstand en met verplichte temperatuurcontroles bij aankomst.

Het decreet bevestigt ook de recent ingevoerde regel die alle burgers verplicht om buitenshuis altijd een mondmasker te dragen, maar ook in alle besloten openbare ruimtes en in de nabijheid van alle anderen die niet tot hetzelfde gezin behoren. Op het niet dragen van een mondmasker staan boetes tot 1.000 euro. Italianen krijgen ook het advies thuis mondmaskers te dragen als ze bezoek krijgen.

virusteller_13102020

De quarantaineperiode voor wie in contact kwam met iemand die positief is getest op Covid-19, wordt teruggebracht van 14 tot 10 dagen. De regering sluit een nieuwe nationale lockdown uit, maar verklaarde dat lokale lockdowns, per provincie of regio, indien nodig wel kunnen worden afgekondigd.

Gisteren registreerde Italië 4.619 nieuwe virusgevallen in de afgelopen 24 uur. Dat is volgens gegevens van het ministerie van Volksgezondheid een daling met 837 vergeleken met de 5.456 gevallen die de dag ervoor werden geregistreerd. Wel is gisteren het aantal geregistreerde doden (39) sterk gestegen ten opzichte van de 26 slachtoffers op zondag.

De obelisk die een zonnewijzer werd

13 oktober 2020

De voorbije dagen kwam de befaamde zonnewijzer van keizer Augustus al een paar keer ter sprake. Vandaag iets meer over de reusachtige obelisk die in de oudheid uit Egypte werd gehaald en die destijds aan de Ara Pacis letterlijk de spil vormde van het reusachtige holorium of horologium.

De gehavende obelisk van Augustus die vandaag vóór het Palazzo di Montecitorio (het parlementsgebouw) staat opgesteld, dateert uit de regeerperiode van farao Psammetichus II of Psamtek II Neferibra (595-589 v. Chr., 26ste dynastie) die hem in Heliopolis oprichtte na zijn overwinning op de Ethiopiërs. Op de achttiende-eeuwse sokkel wordt de obelisk echter foutief toegeschreven aan farao Sesostris.

obeliskcitorio(3)

De obelisk heeft een lengte van 21,79 m, maar met het voetstuk en de bronzen bol aan de top erbij, bedraagt de lengte ongeveer 34 m. De obelisk zelf is de op drie na grootste van de dertien exemplaren uit de oudheid die in Rome bewaard zijn gebleven.

Deze obelisk, vervaardigd uit roze graniet, werd in 10 v. Chr. door keizer Augustus naar Rome gehaald. Na het exemplaar dat vandaag op Piazza del Popolo staat, was dit de tweede obelisk die de keizer naar Rome overbracht.

obeliskcitorio(8)

Keizer Augustus gebruikte de obelisk als ‘gnomon’ of schaduwstok, het verticale deel van een zonnewijzer. De gnomonica is de studie van het ontwerp, de constructie en het gebruik van zonnewijzers.

De door Augustus aangelegde zonnewijzer of horologium bevond zich zoals eerder verteld zowat 300 m meer naar het noorden, bij de huidige Piazza di San Lorenzo in Lucina.

obeliskcitorio(9)

Tot de negende eeuw bleef de obelisk, destijds gekend als ‘obelisco solare’ daar staan. Op een bepaald moment is hij omgevallen of neergehaald om vervolgens in stukken en brokken in de vergetelheid te verzeilen. In 1502 werden enkele delen van de reusachtige kolom teruggevonden.

Het was dan wachten op paus Sixtus V (1585-1590) die het plan opvatte de gebroken obelisk van Augustus te restaureren en vervolgens een plaatsje te geven op de huidige Piazza del Parlamento achter het Palazzo Montecitorio, dus vrij dicht bij de plek waar hij oorspronkelijk had gestaan.

Maar de paus moest zijn plan opgeven omdat er te veel delen van de obelisk ontbraken. Men moest nog twee eeuwen wachten tot paus Pius VI (1775-1799) in 1792 besliste om voor de restauratie van de obelisk van Augustus stukken graniet te gebruiken afkomstig van de zuil van keizer Antoninus Pius (138-161), waarvan men in 1705 enkele delen had teruggevonden.

obeliskcitorio(11)

De paus koos ook een andere locatie dan zijn voorganger uit de zestiende eeuw: hij liet de gerestaureerde obelisk heroprichten op de plaats waar oorspronkelijk de herdenkingszuil van keizer Antoninus Pius had gestaan.

Deze verdwenen zuil bestond uit een 5 m hoge cenotaaf van roze graniet met er bovenop een bronzen beeld van de keizer, rustend op een bijna 2,5 m hoog van afbeeldingen voorzien wit marmeren voetstuk. Dat voetstuk bevindt zich zoals eergisteren verteld in de Vaticaanse musea, op de binnenplaats voor de Pinacotheek.

Bij de heroprichting van de herstelde obelisk van Augustus plaatste men bovenaan, ter herinnering aan de beschrijving die Plinius gaf, een bronzen kogel met spits en het embleem van paus Pius VI. De in 2000 op het plein tussen de straatstenen ingeplante metalen sterren zijn louter decoratief.

In de kelder van het gebouw aan de Via di Campo Marzio 48 en de aanpalende panden werd in 1979 op een diepte van 8 m een gedeelte van de oude bestrating uit de tijd van Augustus gevonden, met een gegradueerde lijn en inscripties in het Grieks die verwijzen naar de tekens van de dierenriem.

Die maakte in de oudheid net als de obelisk deel uit van de zonnewijzer van Augustus. Die stond deels ten zuidwesten van de huidige San Lorenzo in Lucina die het noordoostelijke deel ervan bedekte. De moderne Via di Campo Marzio loopt in het midden van het verdwenen horologium.

De naam werd afgeleid van het Griekse ‘horologion’ of tijdteller. Het horloge aan onze pols draagt nog altijd die naam. Het idee om een jaar in maanden in te delen en de dagen in uren, werd geïntroduceerd door de Grieken op het einde van de vijfde eeuw v. Chr.

Terwijl heel wat Griekse steden een dergelijke ‘tijdteller’ gebruikten, waren de Romeinen bij de laatsten om er de noodzaak van in te zien. Drie dagen na de slag bij Pydna op 22 juni 168 v. Chr., waar de Macedonische koning Perseus een beslissende nederlaag leed tegen de Romeinen, kwam de Eeuwige Stad dank zij censor Quintus Marcius Phillipus in het bezit van haar eerste horologium dat door de Grieken speciaal voor de Romeinse breedtegraad geconstrueerd was.

Dat is opmerkelijker dan het lijkt: de Griekse bouwers van het horologium hadden zich voor hun berekeningen niet naar Rome moeten verplaatsen, maar speelden dat klaar vanuit hun thuisland.

De Romeinen gebruikten in die tijd wel reeds de waterklok (clepsydra), die werd aangedreven door stromend water. Na de komst van het Griekse horologium, werden die wateruurwerken wel geijkt met behulp van de nieuwe zonnewijzer.

obeliskcitorio(7)

De reusachtige zonnewijzer van Augustus, ontworpen door de wiskundige Novius Facundus, was 160 m bij 60 m groot en lag tegenover de Ara Pacis, tussen de huidige Piazza di San Lorenzo in Lucina en Piazza del Parlamento. Hij bestond uit twee delen.

Vooreerst een oppervlakte belegd met een plaveisel in travertijn waarin Griekse bronzen letters en tekens van de zodiak waren aangebracht.

Ten tweede de obelisk of gnomon, waarvan de slagschaduw op het plaveisel met de bronzen inleg toeliet het uur, de dag en de maand te bepalen. Het pas opgerichte vredesaltaar (Ara Pacis) van keizer Augustus, maakte door een slimme ingreep eigenlijk ook deel uit van deze zonnewijzer.

Elk jaar op 23 september, de verjaardag van de keizer, wees de schaduw van de obelisk immers naar het midden van de Ara Pacis, wat de Romeinen duidelijk moest maken dat Augustus reeds van bij zijn geboorte voorbestemd was als vredesbrenger. Hoe het geheel oorspronkelijk gesitueerd was, wordt getoond met een maquette in het Ara Pacis-museum.

Bij Plinius de Oudere (23-79) lezen we de volgende interessante beschrijving:

‘De op het Marsveld staande obelisk kreeg van keizer Augustus een merkwaardige bestemming, namelijk met zijn schaduw de duur van de dag en nacht aan te geven. De schaduw die hij op het middaguur van de kortste dag wierp, werd op de grond aangegeven met een stenen plaveisel en daarop metalen stroken die de toename en de afname van de dagen aangeven’.

‘Inderdaad een merkwaardige en het genie van een wiskundige tot eer strekkende uitvinding. Deze geleerde liet op de punt van de obelisk een vergulde bol plaatsen waarvan de schaduw in een hoekpunt valt, terwijl de schaduw van een spits niet zo regelmatig is. De vorm van een mensenhoofd moet hem op dit idee gebracht hebben’.

‘De waarnemingen aan de obelisk komen al bijna dertig jaar niet meer overeen met de natuur, ofwel doordat in de baan van de zon en in de gesteldheid van de hemel een verandering is opgetreden, ofwel doordat de hele aarde uit zijn middelpunt is gerukt, wat naar mijn mening ook op andere plaatsen wordt waargenomen, of dat de zonnewijzer als gevolg van de aardbevingen iets van zijn plaats is geschoven, of dat de bodem door overstromingen van de Tiber is verzakt ofschoon de fundering zo diep in de aarde is gelegd als de obelisk hoog is’.

Aldus Plinius de Oudere.

De ware reden voor de afwijking die hij had vastgesteld, was natuurlijk dat het Romeinse jaar iets meer dan een kwart dag korter was dan het siderische (astronomische) jaar, zodat de cumulatieve fout de datum steeds meer verschoof ten opzichte van de werkelijkheid. Een siderische dag is iets korter dan een zonnedag, te weten: 23 uren, 56 minuten en 4,0989 seconden.

obeliskcitorio(15)

Het zou duren tot 1582, wanneer paus Gregorius XIII met de bul ‘Inter gravissimas’ de naar hem genoemde Gregoriaanse kalender instelde, ter vervanging van de kalender die in 46 v. Chr. door Julius Caesar was ingesteld.

Caesar had zelf ook al een grote kunstgreep toegepast, want het jaar 46 v. Chr. kreeg 445 dagen om het burgerlijk jaar weer af te stemmen op het zonnejaar. Om dit in de toekomst te vermijden wilde Caesar het schrikkeljaar invoeren, maar zijn plotse dood op 15 maart 44 v. Chr. leidde tot een verkeerde interpretatie van zijn voorstel.

Geen enkele stad ter wereld telt meer antieke obelisken dan Rome: dertien in totaal, verspreid over het historische stadscentrum, maar ook in Vaticaanstad. Ongeveer de helft van die obelisken is afkomstig uit Egypte, een land dat systematisch werd geplunderd zodra het in 31 v. Chr. onder Romeinse heerschappij kwam en een persoonlijke provincie van keizer Augustus (27 v. Chr.-14 na Chr.) werd.

De oudste obelisk, die op het Vaticaan, dateert reeds van vóór de officiële stichting van Rome in 753 v. Chr., namelijk uit de achttiende eeuw v. Chr. Ook is er een aantal obelisken die in Rome of in Italië zelf werden vervaardigd. Dit is onder meer het geval met het exemplaar op Piazza Navona die onder Domitianus tot stand kwam, en met die op de Pincioheuvel.

Van deze laatste obeslisk werd aanvankelijk gedacht dat hij uit Antinoöpolis afkomstig was, maar in werkelijkheid maakte hij deel uit van het cenotaaf van Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus (117-138), op het domein van Villa Adriana in Tivoli.

De granieten schachten haalde men echter wel uit de Egyptische steengroeven, die eigendom van de keizer waren. De hiëroglyfen werden er in Rome op aangebracht door uitgeweken Egyptenaren die het schrift meester waren.

obeliskcitorio(18)

Gedurende de oudheid stonden er ongetwijfeld veel meer obelisken in Rome, maar het juiste aantal is onbekend. Sommige geleerden menen dat het er een vijftigtal kunnen geweest zijn. Zeker weten doen we het niet, wel kunnen we er een aantal situeren.

Zo stond er een obelisk op het Tibereiland, die als het ware de mast van een schip moest symboliseren, maar die in de veertiende eeuw omviel. Van die obelisk zijn drie stukken bewaard gebleven die zich vandaag in het Nationaal Archeologisch Museum van Napels en in het Staatliches Museum Ägyptischer Kunst van München bevinden. Sommige obelisken vonden vanuit Rome ook hun weg naar andere Italiaanse steden, waaronder Urbino en Firenze.

De Egyptische obelisken verschijnen voor het eerst omstreeks de 24ste eeuw v. Chr., maar het zou duren tot de vijftiende eeuw v. Chr. alvorens ze tot hun volledige ontwikkeling komen op het vlak van omvang en versiering.

Ze werden vervaardigd uit decoratieve, religieuze en feestelijke overwegingen, vaak in paar als een soort van tweelingmonumenten, om dan beide te worden opgesteld naast een tempel, hoewel er eveneens enkelvoudige exemplaren voorkwamen.

Ze maakten deel uit van de cultus van Ra, de zonnegod, en hun vorm, hoog en rank, met de punt naar de hemel gericht, leek bedoeld te zijn om als het ware een verbinding te maken tussen die hemelse godheid en de aarde.

Op de vier zijden stonden gewoonlijk hiëroglyfen gegrift met een huldebetoon aan de koningen, de farao’s, vaak hun overleden vaders tijdens wier regering de monumenten gerealiseerd werden.

obeliskcitorio(16)

Hun namen zijn gemakkelijk te onderscheiden van de andere woorden, omdat de hiëroglyfen waaruit ze zijn samengesteld door een ovalen lijst, een cartouche, zijn omgeven. De Romeinse obelisken vermelden vaak de naam van Ramses II, de koning van de XIXste Dynastie (1304-1237 v. Chr.).

De Egyptische namen kunnen echter op hun beurt heel wat verwarring creëren, omdat verschillende hiëroglyfen gebruikt worden. Zo kent men bijvoorbeeld 29 varianten op de spelling van de bovenvernoemde naam.

Er zijn evenwel niet op alle obelisken inscripties aanwezig en verschillende vertonen een volkomen glad oppervlak. Hiervoor zijn uiteenlopende verklaringen mogelijk.

Enkele konden een louter decoratieve functie hebben, zonder bijzondere dedicaties. Andere konden onafgewerkt zijn gebleven door bijvoorbeeld de vroegtijdige dood van de farao, de opdrachtgever.

Ten slotte werden enkele van de obelisken van Rome wel uitgehouwen in Egyptische steengroeven, maar werden ze na de verovering van dat land meegevoerd naar de hoofdstad om daar verder te worden bewerkt.

De Romeinen hebben gedurende vier eeuwen obelisken uit Egypte naar Rome getransporteerd, bijna de hele Keizertijd dus, van de eerste eeuw v. Chr. tot de vierde eeuw na Chr.

De grootste kwamen uit Heliopolis in Beneden-Egypte, en twee daarvan waren eerst overgebracht naar Alexandrië, dat sinds de vierde eeuw v. Chr., na Memphis de nieuwe hoofdstad van het land was geworden.

De inscripties op de obeliskschachten waren voor het Romeinse volk onbegrijpelijk, en men beschouwde die daarom ook als een soort ‘exotische versiering’, zonder dat men de moeite deed ze te vertalen.

Toch wisten veel intellectuelen dat ze een betekenis hadden. Ook Domitianus (81-96) en Hadrianus (117-138) beseften dat, en zij huurden Egyptische steenkappers in om de schachten ter plaatste van hiëroglyfen te voorzien.

Zoals bekend zou het duren tot het begin van de negentiende eeuw alvorens de Westerse wereld de betekenis kon doorgronden van deze honderden gestileerde figuurtjes. Dat gebeurde dankzij de ontdekking van de steen van Rosetta door Jean-François Champollion (1790-1832).

circusmaximus

De Romeinse keizers vonden de obelisken bijzonder geschikt om er hun circussen mee te versieren, waar ze gewoonlijk op het centrale platform, de spina, kwamen te staan, die de renbaan in het midden afbakende.

Ze werden ook gebruikt als opsmuk voor de aan Egyptische goden toegewijde tempels, zoals het Iseum-Serapeum op het Marsveld, en om de monumentaliteit van hun mausolea te accentueren, zoals bij het Mausoleum van Augustus.

Men vermoedt dat de meeste obelisken bij de inval van de Ostrogoten in 537 omvergegooid werden, omdat hun koning Totila ze beschouwde als de symbolen van de vroegere keizerlijke macht.

Op die manier geraakten ze allemaal, op die van het Vaticaan na, tot in de late renaissance in de vergetelheid. De in stukken gebroken obelisken raakten geleidelijk door meters aarde en afval bedolven en werden uiteindelijk vergeten.

Volgens de bekende archeoloog Rodolfo Lanciani (1845-1929), lag de schuld echter voornamelijk bij de eerste pausen, die na het Edict van Milaan uit 313 van Constantijn, doch vooral na dit van Theodosius uit 395, die van het christendom de staatsgodsdienst maakte, alles wat met het heidendom te maken had, met de grond wilden gelijkmaken.

De speling van het lot heeft er evenwel voor gezorgd dat het precies een paus was, Sixtus V (1585-1590), die als eerste de obelisken liet restaureren en weer recht liet zetten.

De obelisken zijn monumenten met vrij uitzonderlijke karakteristieken: ze zijn gehouwen in één blok steen, monolieten dus, meestal van rood of roze graniet. De schacht heeft de vorm van een regelmatig en op doorsnede vierkantig prisma, naar boven toe versmallend en eindigend op een kleine, piramidevormige punt, om die reden pyramidion genoemd.

In Egypte werd op dit pyramidion geen specifieke structuur geplaatst, hoewel het ook kon worden bekleed met een laagje barnsteen, zilver of goud. Op die manier werd het reflecterend en kon dit het zonlicht tot op een bepaalde afstand weerkaatsen. Ook kon het pyramidion hiëroglyfen vertonen zoals de schacht, meestal in een cartouche met de naam van de farao of van een goddelijke figuur.

obeliskcitorio(14)

De obelisken die naar Rome waren getransporteerd droegen echter een bronzen globe met daarop een pinakel. Behalve bij de obelisken op Piazza Montecitorio en in de tuinen van Villa Celimontana, zijn deze versieringen allemaal vervangen door christelijke symbolen, zoals een kruis of een ster.

Dat is bijvoorbeeld het geval met de obelisk nabij Stazione Termini, die werd opgericht na de val van de Pauselijke Staten. Op het exemplaar bovenaan de Spaanse Trappen staat zelfs een lelie, het symbool van de Franse kroon, omdat de kerk ernaast, Trinità dei Monti, één van de Franse kerken van Rome is.

De obelisken werden via de Nijl naar Alexandrië getransporteerd, waar ze op een zeeschip werden overgeladen om naar één van de havens van Italië te worden gebracht. Langs de Tyrreense Zee waren dit Puteoli, Ostia en Portus (vanaf de tijd van Claudius).

Plinius Maior wijdt in zijn Naturalis Historia, Boek XXXVI, twee hoofdstukken aan de obelisken, namelijk 14 en 15; in paragraaf 70 heeft hij het over het transport ervan. We geven hier zijn tekst in het Latijn en in vrije vertaling weer:

Super omnia accessit difficultas mari Romam devehendi, spectatis admodum navibus. Divus Augustus eam quae priorem advexerat miraculi gratia Puteolis perpetuis navalibus dicaverat; incendio consumpta ea est. Divus Claudius aliquot per annos adservatam qua C. Caesar importaverat, omnibus quae umquam in mari visa sunt mirabiliorem, in ipsa turribus Puteolis e pulvere exaedificatis, perductam Ostiam portus gratia mersit. Alia ex hoc cura navium quae Tiberis subvehant, quo experimento patuit non minus aquarum huic amni esse quam Nilo.

Hierbij kwam vooral het probleem kijken hoe (die obelisken) naar Rome te transporteren, waarbij de schepen heel wat bekijks hadden. De vergoddelijkte Augustus gaf de opdracht het schip waarmee de eerste obelisk was vervoerd in een permanent dok te Puteoli onder te brengen als aandenken aan die wonderbaarlijke verwezenlijking; doch het werd door een brand vernietigd. De vergoddelijkte Claudius liet het schip waarmee keizer Gaius (Caligula) het transport (van zijn obelisk) had bewerkstelligd enkele jaren in bewaring liggen, omdat het om één van de meest verbazingwekkende vaartuigen ging, ooit op zee gezien; later bouwde men er in Puteoli betonnen constructies op en versleepte men het naar Ostia om in de havenconstructie dienst te doen. Een ander probleem stelden de schepen die (de obelisken) over de Tiber moesten vervoeren: uit dit experiment bleek dat de rivier niet minder diep was dan de Nijl.

Uit de tekst van Plinius leren we dat voor het transport van de obelisken van Egypte naar Rome speciale schepen moesten gebouwd worden en dat zelfs de graanschepen van de Alexandrijnse vloot niet groot genoeg waren. Een obelisk had al snel een lengte van 30 tot 40 m, wat overeenkwam met een gewicht van 350 tot 500 ton.

Vermoedelijk was de haven van bestemming Ostia of Portus en niet Puteoli (Pozzuoli), omdat in het laatste geval de monoliet dan over de weg naar Rome moest getransporteerd worden.

Van Puteoli liep er een weg naar Minturnae (Minturno), dat zelf op de Via Appia lag, doch dit betekende algauw een afstand van meer dan 200 km naar Rome.

Eenvoudiger was het naar Ostia of Portus te varen, waar men de keuze had tussen de Via Ostiensis of de Via Portuensis, zo’n 20 km tot Rome, al gebeurde het transport volgens Plinius waarschijnlijk over de Tiber tot aan het Emporium, de rivierhaven van Rome ten zuiden van de Aventijn, in de huidige wijk Testaccio.