Archive for 7 november 2020

De tragedie van Rubria Nape

7 november 2020

Avonturen met opschriften – XV

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de vijftiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel XV. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Het hoge woord moet eruit: Schrijver dezes verdraagt geen mondmasker. Hij heeft behoefte aan lucht. Genieën hebben zuurstof nodig, en mindere goden als Schrijver dezes happen er ook naar. Na zijn bezoek aan de Grote Speurder voor de vier letters van Aardenburg was Schrijver dezes inderdaad aan een Romereisje toe. Wie van mijn lezers niet uiteindelijk?

Maar het schrikbeeld van uren lang zo’n onding op je mond en neus te hebben (de trein naar de luchthaven, twee uur wachten op de luchthaven, de vlucht, de trein naar Ostiense) en de voorschriften die in Italië gelden (zelfs in open ruimten als het Forum Romanum is zo’n ding verplicht) schrikken hem af. Het blijft dus bij een droom.

Goed. Stel nu dat Schrijver dezes naar Rome zou gaan: wat zou hij dan doen? Nadat hij in zijn hotel (zou dat nog bestaan? zou het eigenlijk nu open zijn?) zou hebben ingecheckt, zou hij de stad zijn ingelopen. En daarbij zou hij langs de Thermen van Diocletianus komen.

En als de poort open staat (elke dag behalve maandag), dan zou hij vermoedelijk de verleiding niet kunnen weerstaan (en waarom ook niet? we zijn pas aan het begin, dus nog tijd genoeg!) om naar binnen te lopen.

Daar, net vóór de ingang van het museum, onderdeel van het Museo Nazionale Romano, bevindt zich een tuin die alle hectiek spoorslags doet vergeten. In één klap staat Schrijver dezes in de essentie van Rome, in één klap is hij zichzelf weer geworden.

rubria(4)

In het midden staat een enorme vaas waaruit een zachte waterstroom opspuit en in het bassin beneden druppelt, waar vissen zwemmen. Om deze klassieke vaas (bij de Santa Cecilia in Trastevere staat er ook zo een; daar moet Schrijver dezes ook weer eens heen, zou hij dan bedenken) staan enkele cipressen.

Om dit centrale deel heen zijn in perkjes omzoomd met buxushagen opschriften opgesteld. Opschriften die uitnodigen om … En daar zou Schrijver dezes zijn notitieboekje al boven gehaald hebben en hij zou begonnen zijn om weer een paar stenen te transcriberen.

Schrijver dezes is zich zeer wel bewust dat al deze opschriften al wetenschappelijk verantwoord uitgegeven zijn, maar daar gaat het niet om: het gaat er om zelf de teksten te lezen, te ontcijferen, te achterhalen wat er achter schuilt, wat deze teksten betekenen en wat ze eigenlijk vertellen.

De een gaat aan het strand liggen, de ander zit uren lang op een terras te nippen aan een drankje, Schrijver dezes transcribeert opschriften. Ieder diertje zijn pleziertje. Lees Horatius, Carmina, I,1 er nog maar eens op na.

Terwijl Schrijver dezes van steen naar steen schuifelt, doorpriemt zijn geest de mysteriën van het verleden. Want achter elk opschrift zit een verhaal. Dat weet u nu onderhand wel, als lezer van deze bijdragen, al dan niet gedwongen.

De meeste stenen in de opschriftentuin bij de Thermen van Diocletianus (die officieel de Giardino dei Cinquecento heet) zijn grafstenen en achter elke steen gaan verschillende personen schuil. Sommigen hadden werkelijk geen geluk in het leven. Zoals Rubria Nape.

Wie zij was? Eigenlijk geen idee. De toevoeging Rubria die overeenkomt met een nomen gentilicium, doet vermoeden dat ze geen slavin had, maar de opschriften zeggen niet expliciet dat ze vrijgelatene was.

Nape is geen Latijnse naam en zou eerder bij iemand passen met het statuut van slaaf. Maar de stenen die haar naam bevatten, zijn dan weer te mooi om er geen geld achter te zien. Dus…

Stenen? U trekt wellicht uw wenkbrauwen op, als u dit leest. Inderdaad: stenen, meervoud. Want daar staan naast elkaar twee grafsteles opgericht door Rubria Nape.

De eerste is voor haar twee zonen of wellicht eerder zoontjes, met de namen Amor en Saecularis. Vreemde namen die eigenlijk weer meer aan het slavenmilieu doen denken. Amor wil Schrijver dezes nog geloven, maar Saecularis heeft duidelijk niet de spreuk nomen omen waargemaakt.

De steen is zonder meer mooi te noemen. Zoals vaak heeft de stele de vorm van een altaar, met boven een hoger veld met een zegekrans geflankeerd door twee rozetten.

De letters, klassieke kapitalen waar keizer Augustus nog bijna jaloers op zou zijn geweest, zijn groot, mooi afgewerkt en over het oppervlak gespreid met een waardige soberheid die de korte tekst een grotere indringendheid verleent. De tekst zelf luidt eenvoudig:

DIS MANIBVS
AMORI ET
SAECVLARI
RVBRIA NAPE
MATER
FILIIS
PIISSIMIS
FECIT

Dis manibus / Amori et / Saeculari / Rubria Nape / mater / filiis / piissimis / fecit.

‘Aan de goden van de onderwereld. Voor Amor en Saecularis, haar respectvolle zonen heeft hun moeder Rubria Nape (dit) gemaakt.’

rubria(1)

Eind eerste eeuw, vermoedelijk. De reden daarvoor volgt nog. De vermelding van de Di Manes levert de Flavische dynastie als vroegste datering op.

Of Amor en Saecularis inderdaad piissimi waren, vertelt het verhaal niet. Het adjectief is een vast onderdeel van veel grafschriften, zodat de echte waarde daarvan toch wat gedevalueerd is.

Wat weten we nu? Een moeder die haar twee zonen verloren heeft. Tragisch, maar zeker niet ongewoon. De kindersterfte lag in de Romeinse tijd schrikbarend hoog, vergeleken met onze huidige tijd, althans in West-Europa.

Wat wel opvalt, zijn de namen. Geen namen van Romeinse burgers, ‘Liefde’ en ‘Eeuwige’: zo noem je als Romeins burger je kinderen niet. Zeker niet rond 100 n.Chr. Een paar eeuwen later raakt het hele Romeinse naamsysteem op de schop en de val van het Romeinse rijk is dan nabij.

Net rechts van de grafsteen voor Amor en Saecularis staat een andere steen. Weer met Rubria Nape erop:

DIS MANIBVS
T FLAVIO
ABASCANTO
RVBRIA
NAPE
BENEMERENTI
FECIT

Dis Manibus / T(ito) Flavio / Abascanto / Rubria / Nape / benemerenti / fecit.

‘Aan de goden van de onderwereld. Voor Titus Flavius Abascantus die zich om haar verdienstelijk heeft gemaakt, heeft Rubria Nape dit gemaakt.’

rubria(2)

Rubria Nape had blijkbaar flink wat geld, want ook deze steen is mooi, met rozetten en een krans bovenaan en met een fraai lettertype ruim over het oppervlak verdeeld. Een dame met geld én met smaak. En met tenminste twee keer een reden om een grafsteen op te richten.

Wat de verhouding tussen Rubria Nape en Titus Flavius Abascantus was, zegt de tekst niet. Benemerenti ‘die zich verdienstelijk heeft gemaakt, die dit wel verdiend heeft’ wordt in grafschriften vaak als adjectief bij coniugi of uxori geplaatst ‘voor de echtgenoot’ (mannelijk dan wel vrouwelijk). Maar hier is dat niet het geval. Er was anders in principe genoeg plaats om dat woord toe te voegen.

Patrono ‘voor haar meester’ was een andere optie, als Rubria Nape Abascantus’ slavin was geweest. Soms konden slaven in huis in zo’n goede verstandhouding tot hun meesters staan dat ze een grafsteen oprichten. Maar hier weten we het niet. Ook geen spoor van dat magische woord libertus dan wel liberta ‘vrijgelatene’: vaak liet een patronus zijn slaven per testament vrij.

De tekst is uiterst ingetogen beperkt tot namen en het adjectief benemerenti. Het blijft voor ons in de nevelen verborgen. Op één detail na: als Rubria Nape slavin dan wel vrijgelatene van Titus Flavius Abascantus was geweest, dan had ze geen Rubria Nape geheten, maar Flavia Nape. Dus misschien toch eerder zijn echtgenote?

Titus Flavius Abascantus dan. Bij hem is de naam in ieder geval suggestief. Romeins burger met de tria nomina, de drie namen. Abascantus is absoluut geen Romeinse naam, zodat ook hier het vermoeden van een slavenverleden speelt. Maar dan wel een vrijgelatene, anders had hij de namen van een Romeins burger niet gehad.

En waarschijnlijk vrijgelatene door een lid van de Flavische dynastie, want hij draagt de naam van keizer Titus. Dat brengt ons aan het eind van de eerste eeuw n.Chr. Misschien gaat het wel om een gewezen paleisslaaf…

En daarmee hebben we een probleem. Want er zijn verschillende personen met precies deze naam bekend. Zo is er een .T. Flavius Abascantus voor wie zijn vrouw Flavia Hesperis een grafsteen oprichtte. Dat is zeker niet dezelfde als de onze, want anders zitten we weer met Rubria Nape. Tenzij Abascantus natuurlijk haar een bijzondere weldaad bewezen had, zonder dat ze getrouwd waren of iets dergelijks, al zou dat eerder ongewoon zijn geweest.

En dan is er een Titus Flavius Abascantus van wie we weten dat hij inderdaad vrijgelatene was uit de Flavische periode. Deze Abascantus was een belangrijk man en richtte op een stuk land uit zijn bezit langs de Via Appia een grafmonument voor zijn vrouw Priscilla op. De dichter Statius noemt hem ergens.

U kunt het monument nog zien. Op het punt waar de Via Ardeatina van de Via Appia afbuigt, waar de laatste ook een kleine knik maakt om een lavatong te vermijden, bevindt zich aan de ene kant van de weg het kerkje Quo Vadis waar volgens de legende de vluchtende Petrus Christus tegenkwam. Aan de andere kant van de weg bevindt zich enkele meters naar achteren en wat verscholen achter een jonger huis een ronde bouw die het bewuste grafmonument zou zijn.

Maar er is meer. Schrijver dezes moet iets bekennen. Hij leest niet alleen opschriften en ernstige auteurs als Ovidius, Vergilius, Seneca, Sallustius, Florus, Festus en Cassius Hemina. (Wie? ah, nu heeft Schrijver dezes u toch te pakken, die kent u niet…), hij leest bij tijd en wijle ook wel iets lichters.

Als hij nu naar Rome zou gaan, is het niet uitgesloten dat hij een boek van Lindsey Davis meepakt, want dat heeft hij nog vaker gedaan. Een reeks detectives die in de tijd van keizer Vespasianus speelt.

lindsey_davis

Schrijver dezes sluit zijn Romedag graag af met een maaltijd in zijn restaurant Da Vincenzo (waar hij al meer dan 25 jaar komt) en leest dan graag op zijn hotelkamer een paar hoofdstukken over de exploten van Didius Falco. Vechtend tegen de slaap, dat wel. Waarbij nog steeds niet duidelijk is of die slaap aan de lange ronde die hij in Rome gemaakt zou hebben, te wijten is of aan de grappa na het eten.

Lindsey Davis heeft een hele reeks thrillers over deze Didius Falco op haar naam staan. Eén van de minder sympathieke karakters (buiten de misdadigers natuurlijk) is ene Abascantus, het hoofd van de geheime dienst, de chief spy. Het botert niet goed tussen Falco en Abascantus. Maar is dat nu de Abascantus van Rubria Nape?

Schrijver dezes staat voor niets. Hij heeft de schrijfster gecontacteerd die hem verzekerd heeft dat het om de man van Priscilla ging. Maar niets sluit uit, besloot zij haar mail, dat dit swine (ik citeer) daarna meteen weer getrouwd kan zijn.

We zullen het nooit weten.

Schrijver dezes zucht eens diep. Als hij nu naar Rome zou gaan, dan zou hij naar de tuin bij de Thermen van Diocletianus gaan, ja, en als het mooi weer is, ook naar de Via Appia. En hij zou een Didius Falco meenemen voor ’s avonds. Diepe zucht. Die rottige mondmaskers ook.