Archive for 17 november 2020

Romeinse hotels vangen patiënten op van te volle ziekenhuizen

17 november 2020

Volgens gegevens die de Banca d’Italia bekendmaakte, daalde het aantal toeristen in Italië de eerste negen maanden van dit jaar gemiddeld met 77,1 procent vergeleken met dezelfde periode vorig jaar. In sommige populaire regio’s zoals Toscane of in steden zoals Rome en Firenze is de daling van het aantal bezoekers nog groter.

Heel wat hotels in Rome zijn bij gebrek aan toeristen gewoon dicht en bij degenen die open zijn is de bezettingsgraad ondermaats. Het is één van de redenen waarom steeds meer hotels zich nu zelf kandidaat stellen om patiënten op te vangen uit ziekenhuizen die overbevolkt dreigen te geraken.

safehotel

De regio Lazio betaalt de hoteluitbater per gast en per overnachting 30 euro. Dat is niet zoveel, maar nog altijd beter dan helemaal niets. Het hotel staat wel in voor het onderhoud van de kamers, de receptie en bewaking en het voorzien van benodigdheden zoals zeep en toiletpapier.

Een zogenaamd Covid-19-hotel is geen ziekenhuis, maar eerder een thuis voor herstellende patiënten die geen sociale of gezinsondersteuning hebben, maar toch in observatie moeten blijven.

Voor alle duidelijkheid: in de hotels verblijven geen besmette mensen, alleen personen die herstellende zijn en van wie het ziektebeeld is gestabiliseerd. Op verschillende plaatsen in Italië worden hotels gebruikt om patiënten op te vangen.

federalberghiroma

Federalberghi, de vereniging van hoteluitbaters fungeert als tussenpersoon waarmee de regio Lazio overeenkomsten kan sluiten met hoteluitbaters. Volgens voorzitter Giuseppe Roscioli zijn in Rome momenteel vijftien hotels beschikbaar voor patiënten. Daarvan worden er acht gebruikt, waardoor er voorlopig geen nieuwe hotels aan de kandidatenlijst worden toegevoegd.

Volgens Roscioli is het geen probleem om meer hotels te vinden als het nodig zou zijn. Toeristen zijn er toch niet en de kamers blijven leeg. De voornaamste uitdaging is hoe de hotels met deze speciale klanten moeten omgaan voor wat betreft de klassieke hotelservice.

Dit is uiteraard een gans andere situatie dan wanneer mensen gewoon voor hun plezier enkele dagen komen logeren. Ook de veiligheid is uiteraard belangrijk. Telkens moet ook worden nagegaan hoe nieuwe besmettingen kunnen vermeden worden.

urbangardenrome

Het systeem werkt in ieder geval. Hotel Alba aan de Viale Di Torre Maura in Prenestino opende op 31 oktober als Covid-19-faciliteit en heeft nu al dertig klanten uit ziekenhuizen.

Antonella De Gregorio, de uitbaatster van het Urban Garden Hotel aan de Via di Rebibbia in Tiburtino, was één van de eersten die zich kandidaat heeft gesteld en vindt het een positieve ervaring.

Ook het personeel of de buurtbewoners hebben er geen probleem van gemaakt dat hier tijdelijk patiënten in plaats van gewone gasten verblijven. Momenteel zijn 23 van de 50 kamers in het driesterrenhotel bezet.

Wagenpark van Vaticaanstad wordt volledig elektrisch

17 november 2020

Het wagenpark van Vaticaanstad wordt op vrij korte termijn volledig vervangen en zal weldra alleen nog maar uit elektrische voertuigen bestaan. Het Vaticaan wil de milieuvriendelijkste staat ter wereld worden en is goed op weg om die titel ook binnen te halen.

Vaticaanstad investeerde de voorbije jaren reeds aanzienlijk in ledverlichting in de pauselijke basilieken, de Sixtijnse kapel en op het Sint-Pietersplein. Reeds in 2008 werden zonnepanelen geplaatst op de Paulus VI-aula en het cafetaria.

scv1

De paus rijdt al langer elektrisch en kreeg in het verleden al meermaals een elektrische wagen aangeboden. Recent ontving Francis ook een pausmobiel die wordt aangedreven door waterstof. Ook de politie patrouilleert in de omgeving van het Sint-Pietersplein al langer met kleine elektrische wagentjes.

polizia

Auto’s die tot het wagenpark van Vaticaanstad behoren leggen jaarlijks gemiddeld slechts 6.000 km af. Er is dus geen noodzaak om vast te houden aan wagens met verbrandingsmotoren.

Op verschillende locaties rond de Sint-Pietersbasiliek staan nu al verschillende laadpalen voor elektrische voertuigen en ook in de omgeving van de andere pauselijke basilieken, de Santa Maria Maggiore, de  Sint-Jan van Lateranen en de  Sint-Paulus-buiten-de-Muren worden binnenkort extra laadpalen geïnstalleerd.

Manuscript Mysteries IV – Vettius en zijn Horatius

17 november 2020

Manuscript Mysteries IV

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt. Vandaag een nieuwe aflevering in de reeks Manuscript Mysteries: Vettius en zijn Horatius.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen zal krijgen, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de vierde bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

‘Weer die Vettii’ zei de Grote Speurder en hij trok zijn wenkbrauwen op. Ze begonnen hem te irriteren, die familie met hun nadrukkelijk gedoe. ‘Men kan ook overdrijven’ voegde hij er aan toe. ‘En bovendien: wat hier staat oogt onzinnig. En dat in Horatius! Als er iemand nooit onzinnig was, dan is het wel Horatius!’

De Grote Speurder had gelijk. Dat spreekt vanzelf. Maar ook hij kon niet om het feit heen. Laat ons evenwel met het begin beginnen. Quintus Horatius Flaccus (65-8 v.Chr.) is Romes belangrijkste lyrische dichter.

Hij was zoon van een vrijgelatene die alles over had voor zijn opvoeding, en vocht in 42 v.Chr. bij Philippi aan de kant van de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius. Dat was niet slim. Men dient altijd aan de kant van de winnaar te vechten.

Maar Horatius kreeg amnestie en een klein baantje en begon te dichten. Daarmee trok hij de aandacht van Vergilius en anderen, die hem voorstelden aan Maecenas, een van Augustus’ rechterhanden. Maecenas en Horatius werden vrienden voor het leven, al speelt hier natuurlijk altijd een verhouding van patronus en cliens mee.

Horatius kreeg zelfs een landgoed in de Sabijnse bergen en kon zich daar ver van het geroezemoes en gedoe van de stad uitleven. Nu ja: uitleven: niet overdrijven. Horatius bezingt immers continu de matigheid en de broosheid van het leven, al vloeit de wijn rijkelijk in zijn gedichten.

Zijn productie omvat drie fasen. Net als bij Vergilius en Ovidius, overigens, maar dat terzijde. Horatius’ eerste gedichten staan in de lijn van de hekeldichten van Catullus en Lucilius (tweede eeuw v. Chr., enkel fragmenten bewaard) en de klassiek-Griekse jambendichters Archilochus en Hipponax.

Maar Horatius’ Satiren (Sermones) en Epoden zijn veel minder direct bijtend. Ze richten zich ook minder tegen een bepaald historisch personage. De tweede fase bestaat uit de eerste drie boeken Oden of Carmina, waarin Horatius de lyrische versmaten van de vroeg-Griekse dichters Alcaeus (Alkaios) en Sappho in het Latijn doet weerklinken. In een van deze Oden (I, 11) staat het beroemde Carpe diem ‘Pluk de dag’:

‘Probeer niet te weten, – verboden is het -, Leuconoe, welk einde
De goden jou of mij zullen geven, en ondervraag geen
Babylonische astrologen. Om beter wat het ook zal zijn te dragen,
Of Jupiter nog verschillende winters schenkt of dat dit de laatste is
Die nu de Tyrrheense zee met tegenoverliggende rotsen
Breekt: wees verstandig, zeef de wijn, en in korte tijd
Besnoei lange hoop. Terwijl wij spreken, vlucht de afgunstige
Tijd: pluk de dag, laat zo min mogelijk over aan wat later komt.’
                                                         (Vertaling: Michiel Verweij)

Het metrum van dit gedicht is overigens aartsmoeilijk, omdat het bestaat uit steeds elkaar opvolgende en scherp van elkaar gescheiden stukken lang-kort-kort-lang. Het Latijn bezit eigenlijk te weinig woorden die daar echt goed in passen.

De Oden zijn zo meesterlijk dat eigenlijk niemand zich in de oudheid met Horatius heeft durven meten. Af en toe duikt er iemand met een gedicht in zo’n metrum op, maar nooit in een omvang van een hele bundel.

Pas in de Renaissance waagt men zich weer aan een wedijver met Horatius. Zoals Michael Pratensis in zijn Odae Romanae of ‘Romeinse Oden’, maar dat is een ander verhaal.

Na de Oden keerde Horatius zich tot een meer beschouwende soort poëzie, terug naar de dactylische hexameter, in zijn Epistulae of Brieven. Aan deze twee bundels wordt dan ook nog vaak de Ars poetica of ‘Dichtkunst’ toegevoegd. Op verzoek van Augustus schreef hij ook het Carmen saeculare voor het Romeinse eeuwfeest en tot slot een vierde bundel Oden. Hij stierf enkele maanden na Maecenas.

Horatius werd meteen klassiek. Net als Vergilius. Ook al zijn er geen graffiti met verzen van hem bekend uit Pompei (wat wel het geval is met Vergilius en Ovidius), Horatius werd snel schoolauteur. En dat zou hij blijven tot op de huidige dag, met een mogelijke korte onderbreking tussen de zesde en de achtste eeuw. Maar toen lag zowat de hele klassieke literatuur plat. In een soort corona-lockdown avant la lettre.

Er zijn ruim 800 handschriften met (delen van) zijn oeuvre bewaard. Hiervan dateert ongeveer de helft uit de vijftiende eeuw en stamt dus uit de context van het Italiaanse Humanisme. Dat laat nog altijd het indrukwekkende aantal van ruim 400 handschriften uit de ‘echte middeleeuwse’ fase van de handschriften. Zes stammen er zelfs uit de negende eeuw.

In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) worden er vijf bewaard, waarvan twee uit de elfde en twaalfde eeuw met het volledige oeuvre. Het mooiste hiervan is ms. 9776-78 uit de elfde eeuw.

Het handschrift oogt voor die periode als een vrij luxueus exemplaar: relatief groot formaat, heldere en vrij grote letter, titels van de gedichten in rubriek (rode inkt), initialen in grote, eenvoudige, normaal onversierde rode letters (alleen op f. 68r is er wat versiering met punten en vulvlakken), uitvoerig commentaar zowel uit de eigenlijke productiefase (en dus in dezelfde hand als de kopiist van de tekst) als door latere handen.

Een kostbaar object dat blijkbaar ook als zodanig werd beschouwd. In de vijftiende eeuw werd het gerepareerd door een onbekende die enkele weggevallen bladen aanvulde, het hele handschrift folieerde (= folionummers toevoegde) en enkele initialen van eenvoudig penwerk voorzag. Aan het begin van de zestiende eeuw was het volume in Brussel, in het bezit van Jean le Tourneur.

In de zeventiende eeuw was het eigendom van ene Henri Croonendael die op een apart blad zijn eigen wapenschild toevoegde. Ook toen gold het blijkbaar als een kostbaar bezit. Hoe en wanneer het precies in de Koninklijke Bibliotheek is beland, is niet meer na te gaan, maar dat moet in ieder geval vóór de Franse periode zijn geweest.

Uitzonderlijk is nog op f. 51r de (overigens tot recent onbekende en door de Grote Speurder ontdekte) tekening van een monster die al uit de elfde eeuw moet stammen en die de eerste verzen van de Ars poetica illustreert.

vettihora(1)Ms. 9776-78, f. 51r bevat de tekening van een monster.
(Trouwens: een gekroond monster, een coronavirus dus…)

Uitzonderlijk, maar minder snel in het oog lopend van ‘het grote publiek’ is de rubriek op f. 68r. Aan het eind van de Epoden staat daar de volgende tekst:

Vettius agorius basilius mauortius v c / Et inl excom Q Hor F dom excs ord legi / & ut potui emdaui / Confert epodon ex/pliciut § Ite magis/tro felice urb rome / oratore. Incip carm / seculare.

Ik laat deze nog even zonder vertaling. ‘Met reden’ bromde de Grote Speurder, ‘Er is ook niets van te maken. Dit is onzin.’ En hij grijnsde kwaadwillig: ‘En omdat onzin niet bestaat, moet er een oplossing bestaan!’

De Grote Speurder heeft gemakkelijk praten. Laat ons eerst de tekst eens fatsoeneren, d.w.z. alle afkortingen oplossen:

Vettius agorius basilius mauortius v(ir) c(larissimus) / Et inl(ustris) excom(es) Q(uinti) Hor(atii) F(lacci) dom(esticus) exc(on)s(ularis) ord(inis) legi / (et) ut potui em(en)daui / Confert epodon ex/pliciu(n)t § Ite(m) magis/tro felice urb(is) rome / oratore. Incip(it) carm(en) / seculare.

Dat ziet er al leesbaarder uit, al blijft het nog steeds nonsens. In principe gaat het hier om de zogenaamde subscriptie of onderschrift van Vettius Agorius Basilius Mavortius.

vettihora(2)

De naam Vettius doet misschien een belletje rinkelen: een Vettius Agorius Praetextatus was degene die de Porticus deum consentium op het Forum Romanum deed herstellen in de loop van de vierde eeuw, terwijl een Gabinius Vettius Probianus als praefectus Urbi of stadsprefect in diezelfde vierde eeuw een aantal beelden in de Basilica Iulia liet oprichten of herstellen en dat meteen ook liet vereeuwigen in verschillende opschriften.

De Vettii hoorden duidelijk tot de laat-antieke vooraanstaande families en speelden een belangrijke rol in de Romeinse (stads)politiek van die dagen. Bovendien wierpen ze zich bij herhaling op als verdedigers van het klassieke erfgoed.

Zo ook Vettius Agorius Basilius Mavortius. Hij was consul in 527 (dus een halve eeuw na de zogenaamde val van Rome!) en tevens comes domesticus wat een belangrijk militair commando inhield. Maar dat had hij achter zich gelaten. Hij hield zich later bezig met de poëzie.

Of beter: met de filologie. Met hulp van de verder onbekende Felix die in deze passage orator urbis Romae ‘redenaar van de stad Rome’ wordt genoemd en die vermoedelijk leraar in de welsprekendheid was. Nog altijd.

We zitten zoals gezegd meer dan 50 jaar nadat Romulus Augsutulus was afgezet. Italië was nog niet opnieuw veroverd door de Byzantijnen en Rome hield zichzelf dus een beetje in stand. Een periode van verval? Wie het mozaïek in de SS. Cosma e Damiano gaat bekijken, is daar toch niet zo zeker van.

En de activiteit van Mavortius (en zijn andere namen) valt in dezelfde periode. Enkele decennia later, in de jaren 530 en 540 zou dat anders zijn: toen werd Rome door de oorlogen tussen Byzantijnen en Ostrogoten zo getroffen dat de stad inderdaad een tijd in verval raakte. Aan het eind van de zesde eeuw valt echter het pontificaat van Gregorius de Grote (590-604) en moet Rome toch weer wat zijn opgeleefd.

Maar goed, hoe dan ook, in dat tweede kwart van de zesde eeuw hield Vettius Agorius Basilius Mavortius zich bezig met de oud-christelijke dichter Prudentius (van ruim een eeuw eerder) en met Horatius, althans in ieder geval met diens Epoden.

Men vermoedt dat hij met behulp (of op aanwijzen?) van de genoemde Felix zijn eigen exemplaar van Horatius grondig gecorrigeerd heeft. Op zich wijst dit op de cultus van de grote klassieke auteurs zoals de Romeinse elite deze in de late oudheid en tijdens de overgang naar de vroege middeleeuwen bedreef.

vettihora(3)

Het wijst er ook op dat in deze zogenaamde periode van verval nog altijd belangstelling voor de klassieke literatuur bestond en wel op hoog niveau. En niet enkel op school, waar de klassieke auteurs als onderdeel van het vak grammatica de eeuwen zouden gaan overleven.

Het is alsof de Romeinse elite niet in de gaten had dat het West-Romeinse rijk gevallen was. Overigens klopt die indruk wel: eigenlijk heeft men in Rome nog steeds niet in de gaten dat het Romeinse rijk gevallen is. Het sterkst blijkt dat als de paus de zegen Urbi et orbi uitspreekt. Dan is alles weer even normaal. de wereld is één geheel en Rome is de hoofdstad…

Maar goed. Een Romeinse senator verveelt zich en leest de Epoden van Horatius. Hij verveelt zich zo sterk dat hij zelfs zijn exemplaar gaat corrigeren, samen met de officiële leraar welsprekendheid die blijkbaar ook niet veel om handen had. Is dat genoeg om een Nieuwsbrief van SPQR aan te wijden? ‘Senator Vettius Agorius Basilius Mavortius verveelt zich!’ Men zou op het eerste gezicht zeggen van niet. En toch…

De Grote Speurder stak zijn rechterwijsvinger op en bewoog die heen en weer. ‘Het lijkt banaal’ zei hij, ‘maar is het dus niet. Van de 800 handschriften met Horatius hebben er maar acht dit opschrift van Dingus Mavortius.’

Waaronder dus het Brusselse ms. 9776-78…

Sommige andere oude handschriften met dit opschrift worden met Milaan in verband gebracht. Het Brusselse handschrift niet. Het is vermoedelijk eerder in Noordwest-Europa ontstaan (Frankrijk?).

vettihora(4)

Maar er is meer. Er is één handschrift bij deze acht, dat uit de vijftiende eeuw stamt (Gotha, Forschungsbibliothek, Ch. B 61). Andere zijn o.m. de mss. lat. 7900A en lat. 7972 uit de Bibliothèque nationale de France en ms. BPL 28 uit de Universiteitsbibliotheek van Leiden, alle uit de negende of tiende eeuw.

Maar dat handschrift uit Gotha is heel interessant. Niet alleen omdat het het enige recente handschrift met dit onderschrift is, ook omdat het een variant bevat die men verder alleen kent uit een verloren handschrift, de Vetustissimus Blandinius, gebruikt door de Bruggeling Jacobus Cruquius voor zijn Horatiuseditie die in 1570 in Antwerpen bij Christophe Plantin verscheen.

Cruquius had het handschrift net op tijd geraadpleegd, want in 1566 brandde de Gentse Sint-Pietersabdij af. Hier zat het handschrift eeuwen lang. En niet – zoals sommige wetenschappelijke auteurs vermelden – in Blankenberge (Blandinius verwijst naar de Blandijnberg…).

Betekent dit dat ook dit verloren Gentse handschrift misschien ditzelfde onderschrift bevatte? We zullen het nooit weten. Maar in ieder geval is de aanwezigheid in het Brusselse ms. 9776-78 dus iets bijzonders, al weten we nog niet goed hoe we dit moeten interpreteren.

‘Nóg niet’ riep van achter uit het vertrek de Grote Speurder. ‘Ik ben nu met andere dingen bezig, maar zodra ik tijd heb, zal ik dit serieus bestuderen!’ Men zij gewaarschuwd. Als de Grote Speurder zegt dat hij iets serieus zal bestuderen, dan is het menens. Minder dan 60 pagina’s wordt het dan niet, eerder ruim 200.

‘Maar’ zei de Grote Speurder die nu naar voren kwam gestommeld, ‘heb je nu in de gaten wat er met dit opschrift in ms. 9776-78 aan de hand is?’ Ik keek vragend op. ‘Je hebt nu wel keurig de afkortingen opgelost en de historische achtergrond toegelicht, allemaal goed en wel, maar de tekst zoals die in ons handschrift staat is nog steeds onbegrijpelijk en onleesbaar!’ Ik beet op mijn lip, want andermaal had de Grote Speurder gelijk. Zoals altijd. Hinderlijk individu dat het is.

vettihora(6)

Niet alleen dat, maar nóg hinderlijker is wanneer de Grote Speurder dan glimlacht en wenkt. Zijn vinger beweegt zich door de lucht en wijst onherroepelijk op de kern van de zaak. ‘Het is in feite net een oude reclamestunt. Twee voor de prijs van één. De tekst bevat niet één onderschrift, maar twee. De subscriptie van onze vriend Dingus enzovoort is vermengd geraakt met de eigenlijke incipit- en explicitformules.’

Het licht trof mij als een bliksemschicht. Middeleeuwse handschriften hebben geen titels, althans niet in onze betekenis. Zij leiden normaal een nieuwe tekst in met een zogenaamde incipit-formule: incipit liber primus ‘hier begint boek I’ e.d. Op dezelfde manier wordt het eind van een bepaald werk vaak aangeduid met een explicit-formule. In ms. 9776-78 is dat dus, verdeeld in drie stukken:

Q(uinti) Hor(atii) F(lacci)… epodon ex/pliciu(n)t … Incip(it) carm(en) / seculare

‘Hier eindigt [het boek van] de Epoden van Quintus Horatius Flaccus en begint het Carmen saeculare.

Maar deze vaste formule is hopeloos verstrikt geraakt met de Vettius Mavortius-subscriptie. Als we deze vreemde elementen weghalen, krijgen we voor deze laatste:

Vettius agorius basilius mauortius v(ir) c(larissimus) / Et inl(ustris) excom(es) dom(esticus) exc(on)s(ularis) ord(inis) legi / (et) ut potui em(en)daui / Confert § Ite(m) magis/tro felice urb(is) rome / oratore.

‘Ik, de zeer eerbiedwaardige en befaamde heer Vettius Agorius Basilius Mavortius, voormalig comes domesticus van de rang van de gewezen consuls, heb dit gelezen en naar mate van mijn kunnen gecorrigeerd met hulp van meester Felix, leraar welsprekendheid van de stad Rome.’

Nu hebt u dit gelezen en u knikt ijverig of voorzichtig. U denkt dat u de tekst en de vertaling begrepen hebt. Helaas, dat hebt u dus niet. En dat zeg ik niet om irritant te zijn, maar gewoon omdat het zo is. De vertaling die hierboven staat, is die van de Mavortius-formule is haar correcte vorm, niet die van de versie uit ms. 9776-78. In de andere handschriften staat nl. emendaui conferente mihi magistro Felice.

Conferente mihi is in ons handschrift: Confert Item, een poging om er iets zinvols van te maken, want de rubricator had ook door dat het niet klopte. ‘Niet dat dit vertaalbaar is – dat is het helaas nog steeds niet – maar toch een poging. Confert hangt nu in de lucht. Item ‘eveneens’ zou dan met Felix verbonden moeten worden, maar het blijft wat onduidelijk. De arme kopiist wist het ook niet meer. Maar hij kende de Grote Speurder dan ook niet. Dat scheelt.

vettihora(5)

Wat is er nu gebeurd? Waarschijnlijk stond in het model van ms. 9776-78 (of zelfs in het model van dat model) een dubbele overgangsformule. Enerzijds de Mavortius-tekst, anderzijds de gebruikelijke incipit- en explicitformules.

Maar deze stonden (zoals dat in laat-antieke en vroegmiddeleeuwse codices inderdaad wel eens het geval is) een beetje door elkaar, zij het typografisch onderscheiden. Misschien in een ander lettertype, misschien de ene tekst in het rood en de andere in het zwart: we zullen dat nooit weten.

Er moet in ieder geval een duidelijk onderscheid zijn geweest, want anders heeft het geen zin. Maar op een gegeven moment is dat onderscheid vervaagd. Een kopiist heeft beide formules overgenomen, maar zonder het materiële onderscheid te handhaven. Maar hij heeft wél de relatieve plaats van de tekstonderdelen bewaard. Waardoor ze vermengd raakten en dus een onbegrijpelijk resultaat opleverden.

Het is riskant, maar het zou er in theorie (en met de nodige speculatie) als volgt kunnen hebben uitgezien:

VETTIVS AGORIVS BASILIVS MAVORTIVS V C
ET INL EXCOM Q. HORATII FLACCI DOM EXCS ORD
LEGI ET VT POTVI EMENDAVI CONFERENTE MIHI
MAGISTRO FELICE VRBIS ROMAE ORATORE
EPODON EXPLICIVNT INCIPIT CARMEN SAECULARE

Misschien dat de naam van Horatius eigenlijk wel op een andere regel stond maar dan toch zodanig dat het aanleiding kon geven tot verwarring als het gemaakte onderscheid verviel. Uiteindelijk is zelfs de titel excomes domesticus nu in tweeën gesneden.

Maar nog hield de Grote Speurder niet op. Hij was niet te stoppen vandaag. Want met al zijn gespeur had hij bij die acht handschriften met de Mavortiustekst er één gevonden die dezelfde fout bevatte, ms. 202 uit het Queen’s College in Oxford, uit het eerste kwart van de twaalfde eeuw, een handschrift waarvan gedacht wordt dat het in Engeland zelf gemaakt is. ‘En’ zo speculeerde de Grote Speurder verder, ‘er moet dus een verband tussen het Brusselse handschrift en dat in Oxford zijn.’

Ik knikte. Het was duidelijk. ‘Zie je wel!’ riep de Grote Speurder weer uit zijn verre hoek, achter in de kamer. ‘Een kind kan de was doen!’ Hij heeft mooi praten.

Met dank voor deze bijdrage aan
Dr. Michiel Verweij
Oude en kostbare drukken
Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel