Manuscript Mysteries V – Vermist in Leuven: Cornelius Nepos

Manuscript Mysteries V

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.

Vandaag aflevering 5 van Manuscript Mysteries met voor één keer niet een Brussels handschrift in de aandacht, maar een Leuvens, althans eentje dat zich ooit in Leuven bevond: Vermist in Leuven: Cornelius Nepos.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de vijfde bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

‘Men is de Grote Speurder of men is het niet,’ zei de Grote Speurder. Echt bescheiden klonk het niet. Maar er is nu eenmaal één Grote Speurder (en dat is eerlijk gezegd ook ruim voldoende).

Er zijn van die gelegenheden dat de Grote Speurder tot zelfs voor zijn doen zeldzame hoogten reikt. Dit was een van die gelegenheden. Adriaantje, het trouwe beestje, kon alleen maar in bewondering toekijken. Een handschrift beschrijven kan iedereen of men kan het in ieder geval leren. In detail een handschrift beschrijven dat er niet meer ís en waarvan ook geen goede beschrijving voorhanden is, dát is een kunst die alleen de Grote Speurder beheerst.

Op 19 juli 64 brandde Rome en volgens sommige kwaadwillende geruchten zong Nero bij die gelegenheid over de brand van Troje. 1850 jaar, 1 maand en 6 dagen later stookten de bezettende Duitse troepen een groot deel van Leuven af, waaronder de Universiteitsbibliotheek. Of de Duitse soldateska daarbij zong, is niet overgeleverd.

Na enkele dagen restte er van de Universiteitsbibliotheek niets dan de zwartgeblakerde muren, terwijl her en der enkele verkoolde boeken te vinden waren en snippers papier tot in het huidige Waals-Brabant door de lucht fladderden. Ook de catalogus was verbrand zodat niemand precies weet wat er allemaal verloren is gegaan.

In 1918 publiceerde Edouard de Moreau een boekje waarin hij een lijst opnam van oude boeken en handschriften waarover hij nog iets had kunnen vinden. Het is de enige ‘catalogus’ van de bibliotheek van vóór 1914 die we hebben.

nepo(1)

De ereplaats bij de handschriften uit de verloren Leuvense collectie, zeker voor de handschriften van klassieke Latijnse literatuur, kwam toe aan een volume met de Levens van Cornelius Nepos (ca. 100 – ca. 25 v.Chr.). Nepos stamde uit Noord-Italië. Hij bleef ver van de politiek (wat zeer verstandig was in die dagen), maar concentreerde zich op zijn literaire activiteit.

Zijn Chronica in drie boeken ging reddeloos verloren, maar van zijn uitgebreide verzameling biografieën bleef één boek bewaard. In deze verzameling had hij steeds korte levensbeschrijvingen per type activiteit samengebracht, zoals de historici of de veldheren.

Bovendien had hij afwisselend een boek over Romeinse vertegenwoordigers en niet-Romeinse (meestal Griekse) samengesteld. Bewaard bleef het boek over de niet-Romeinse veldheren, met o.m. Miltiades, Themistocles, Alcibiades, maar ook Hannibal.

‘Hannibal’, dacht de Grote Speurder en een vlaag van melancholie overviel hem. Ooit, lang geleden, zo leek het, toen hij Latijn leerde op school, in de 5de klas, had hij het leven van Hannibal als wekelijkse huistaak moeten vertalen. Waar zouden ze zijn, zijn medeleerlingen van toen?

Henk Rooijackers, Elise Merks, Astrid Spijkers, Luc Stevens, Kitty Daamen, Idith Beljaars, Peter van den Hurk, Annemarie den Ouden, Claudia Schimanofsky, Christiane van de Pas, Erica Beerens, Monique Bottema, Jolande Wilms. En pater Elfrink, de leraar. Die altijd ‘een paar vormen’ vroeg. De Grote Speurder glimlachte. ‘Hannibal…’

Dat de Grote Speurder juist Nepos als (eerste) huistaak kreeg, was niets bijzonders. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw was Nepos erg in trek als eerste lectuur op de Latijnse school door de combinatie van zijn eenvoudige, onopgesmukte stijl en correcte taal en de morele lessen die uit de reeks portretten getrokken konden worden.

nepo(4)

Nepos bleef tot diep in de twintigste eeuw op deze benijdenswaardige positie, tot de leraren hem beu waren en de kritiek op de arme auteur steeds sterker werd. ‘Anekdotisch, onbeduidend’. Nepos verdween van het schooltoneel.

In de middeleeuwen werd hij echter amper gelezen. Men heeft het altijd over één handschrift uit de abdij van Fleury aan de Loire (nu: Saint-Benoît-sur-Loire), vermoedelijk uit de twaalfde eeuw. In de zestiende eeuw verdween dat in de collectie van de lokale baljuw Pierre Daniel. En daarna verdween het helemaal. In feite heeft niemand dit handschrift ooit echt gezien: in een volgende aflevering kom ik hier nog op terug…

Men kent drie handschriften die kopieën van deze codex zouden zijn. Een ervan, eind twaalfde eeuw, zit in Wolffenbüttel (ms. Gud. lat. 166) en is de vader van alle Italiaanse handschriften van Nepos (waaronder het Brusselse ms. 14635-37), maar de kwaliteit van deze kopie staat ver ten achter bij de andere twee, ook al zijn die veel jonger.

nepo(7)

Een hiervan zit nog altijd in de Leidse Universiteitsbibliotheek (ms. BPL 2011, derde kwart vijftiende eeuw, uit de Nederlanden of westelijk Duitsland). Het andere was het volume dat in 1914 in Leuven verbrandde. U raadt het al: juist dat laatste gold als de beste kopie en dus als het belangrijkste handschrift van Nepos na het verdwijnen van de zgn. codex Danielis zelf.

Het Leuvense handschrift staat bekend als de codex Parcensis, omdat het in 1829 uit die bibliotheek voor de universiteitsbibliotheek verworven werd. De bibliotheek van Park had Jozef II en de Fransen overleefd, maar in 1829 was er een ernstig geldtekort en een deel van de bibliotheek werd toen verkocht. De Bibliothèque de Bourgogne, de voorloper van de huidige Koninklijke Bibliotheek van België, en de Britse bibliofiel Thomas Phillipps waren de grootste kopers, maar Leuven wist ook een en ander te bemachtigen.

Waaronder de Nepos. Alleen: niemand wist dat Nepos in dat handschrift zat. Het was een zogenaamde convoluut waarin verschillende teksten samengebracht zijn, en de codex was eigenlijk alleen bekend vanwege het eerste deel met de Preken van de vierde-eeuwse Syrische kerkvader Ephrem.

Pas in 1851 ontdekte de Zwitserse classicus K.L. Roth het tweede gedeelte met Nepos. Hij vergeleek het handschrift met zijn eigen editie (hij ‘collationeerde’ het, zoals de technische term luidt). Dit exemplaar bestaat nog en wordt in de Bazelse universiteitsbibliotheek bewaard.

Bovendien publiceerde Roth in 1853 in het Rheinisches Museum für Philologie een artikel over het handschrift met elementen van een beschrijving. Opvallend ontbreken hier de afmetingen: Roth volstaat met de aanduiding ‘Quarto’.

Het artikel van Roth is nog steeds (al bijna 170 jaar dus!) het belangrijkste over dit handschrift. Het is dus echt niet zo dat alleen het meest recente telt. Hoe lang dit nog zal zijn, is een andere zaak, want nu de Grote Speurder in actie is geschoten, valt niet uit te sluiten dat binnenkort het definitieve laatste woord over dit handschrift gezegd wordt. (Er circuleren inmiddels hardnekkige geruchten dat er inderdaad iets op komst is…).

nepo(3)

Men moet de Grote Speurder niet onderschatten. Roth trouwens ook niet, maar dat is nu niet meteen ter zake. Buiten de collatie en het artikel van Roth is er welgeteld één foto van het handschrift bekend, van een blad uit het leven van de Spartaanse koning Agesilaus (hoofdstuk 7, §3 – hoofdstuk 8, §4), en wel in het album La paléographie des classiques latins van E. Châtelain (Paris, 1884-1900).

Roth is natuurlijk nergens heel duidelijk. Zo zegt hij dat de band een afgekrabd wapen vertoont. Hij geeft geen afmetingen, al zegt hij wel dat het handschrift uit 57 folia van perkament bestaat, die samen zeven quaterniones vormen + één los blad. Hij heeft het over initialen met miniaturen. Dat is het zo’n beetje.

U zult het niet geloven, maar dat volstaat om een globale beschrijving van het handschrift te geven en het zo een beetje te reconstrueren. Althans … voor de Grote Speurder.

Om te beginnen verraadt het afgekrabde wapen dat het om een typische boekband van Park gaat. Alle handschriften van die abdij hebben in principe dezelfde band uit de achttiende eeuw: karton, bedekt met lichtbruin leer, met goudgestempelde ribben en versiering op de rug, met een goudgestempeld randje op voor- en achterplatten en met het wapen van de abdij dat in alle gevallen is afgekrabd.

De vermelding van de quaterniones laat toe de structuur van de katernen (als het ware de innerlijke opbouw van het handschrift) te reconstrueren. Die miniaturen moeten we met een flinke zak zout nemen. Om te beginnen hebben handschriften van klassieke Latijnse schrijvers zelden miniaturen in de zin van mooi geschilderde tafereeltjes. Zeker niet in onze contreien.

Vijftiende-eeuwse luxe-exemplaren uit Italië willen nog wel eens een auteursportret in de eerste initiaal hebben (bijv. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, ms. 12172 met de eerste decade van Livius), maar in Noordwest-Europa vind je die dingen gewoon niet.

De foto bij Châtelain toont ook een vrij eenvoudige uitvoering en het lijkt gewoon uitgesloten dat daar miniaturen bij passen. Waar het over gaat is wellicht de versiering van de initialen met het gebruikelijke penwerk. Uit de foto valt ook het aantal regels af te leiden. En het type schrift: een gotische hybrida om de technische term te gebruiken.

nepo(5)

Voor de rest moet je de Grote Speurder zijn. Want: ‘Dat lijkt wel op onze Diederik’, zei de Grote Speurder. Hilvarenbeek ligt weliswaar 15 km van Oirschot, maar het blijft de Kempen, dus alle reden om hem als ‘onze’ te betitelen.

Inderdaad, het type schrift doet sterk denken aan dat in enkele andere handschriften uit de abdij van Park, met name aan de codices met Caesars De bello Gallico (Brussel, ms. 17937) en Quintilianus’ Institutio oratoria (Brussel, ms. II 2219; zie ook aflevering 1 van Manuscript Mysteries).

En dat heeft grote gevolgen. Want: daardoor hebben we een idee van de grootte van de letters (ca. 2 mm). En daarmee kunnen we de hoogte van de bladspiegel en van het blad zelf berekenen. Kijk, daarom is de Grote Speurder de Grote Speurder…

Meer nog, niet alleen kunnen we aan de hand van alles wat we rechtstreeks bij Roth vinden, wat we op de foto kunnen aflezen en wat we uit deze gegevens kunnen afleiden, een vrij gedetailleerde beschrijving geven van dit handschrift dat niemand al meer dan een eeuw lang heeft gezien, we kunnen het ook duiden.

De verwantschap met de genoemde andere handschriften van klassieke auteurs uit de abdij van Park laat ons toe ook de Neposcodex in verband te brengen met de vroeg-humanistische belangstelling van abt Van Thulden (afkomstig uit het Noord-Brabantse Hilvarenbeek) die uiteindelijk tot in 1462 in Rome had gezeten als procurator van de Norbertijnenorde.

Ook tijdens zijn lange abbatiaat (1462-1494) keerde hij nog naar Rome terug, waar hij de pausen Nicolaas V en Sixtus IV persoonlijk kende. Niet toevallig twee pausen die nauw met de Vaticaanse bibliotheek verbonden zijn. Daarmee wordt de Neposcodex van Park dus meteen een uiting van het prille Humanisme in Leuven en omgeving.

Duidelijk eerder dan aan de universiteit, waar deze stroming vanaf 1490-1500 zo’n grote rol zou spelen met Erasmus en Lipsius dat de historische reputatie van de universiteit voor eeuwig daarmee verbonden is.

nepo(6)

En met de studie van het Humanisme zoals door Jozef IJsewijn (1932-1998) in gang gezet werd, de hoogleraar die het eerste congres ter wereld over de Latijnse literatuur vanaf de middeleeuwen organiseerde, het eerste handboek over deze ‘Neolatijnse’ literatuur schreef en het eerste tijdschrift leidde. Een van de beste latinisten ook. En een groot vriend van Rome.

‘Als we daar niet meer naar toe kunnen gaan’, had IJsewijn eens tegenover de Grote Speurder verzucht, want, ja, het hoge woord moet eruit, de Grote Speurder had zijn doctoraat onder begeleiding van deze IJsewijn gemaakt. Kortom, de Neposcodex van Park was niet alleen een belangrijke getuige van de tekst van het werk van Nepos, het was ook een cultuurhistorisch belangrijk stuk voor Leuven zelf, ook al heeft niemand dat tot nog toe beseft.

Met andere woorden: een stuk dat de volle aandacht van iemand van het kaliber van de Grote Speurder meer dan verdient…

Laten we dan nu de Meester zelf aan het woord. Met kennersblik slaat hij Châtelain open op het juiste blad (plaat CLXXXII als u het na wilt kijken). En dan decreteert hij:

‘Convoluut. Band van het type van de Parkabdij; 18de eeuw (karton, lichtbruin leer, goudgestempelde decoratie). Totaal: (i) schutblad + 183 folia + (i) schutblad. Twee onderdelen die sterk verschillen en derhalve het resultaat van een afzonderlijke productie zijn, zodat het ook niet mogelijk is om gegevens voor het een op het ander over te dragen.

‘Goed. Deel I: 126 folia van papier, 20 x 14 cm volgens de opgave bij E. de Moreau in 1918, onversierde rode initialen, lopende titels in rood. Bevat de Latijnse vertaling van de Preken van Ephrem. 15de eeuw.

‘Interessanter: deel II: 57 folia van perkament, zegt Roth. Afmetingen: ca. 16,5 x ca. 11 cm met een bladspiegel van ca. 14,4 x 8,6 cm, zeg ik met dank aan het lettertype (gotische hybrida, ca. 2 mm). 1 kolom van 28 regels (in de eerste katern blijkbaar 29, zegt Roth). Katernstructuur: zeven katernen van steeds 8 folia + een los blad, dat maakt: i-vi8 vii9(8+1). Altijd leuk die technische formules.

Gedecoreerde initialen met penwerk. Er waren een incipit-formule en een explicitformule voor het hele werk, maar niet voor de afzonderlijke levens die op de ‘normale’ manier begonnen met het leven van Miltiades.

Achteraan stond ook nog het leven van Cato de Oude, maar dat van Atticus ontbrak. De eerste letters van afzonderlijke zinnen of zinsdelen waren opgehoogd door aanstreping in rood, tenminste als ik de foto correct interpreteer. Kortom: typisch product uit de Parkabdij, zeggen we 1460-1490.’

(Stilte.)

(Nog meer stilte.)

Het is alsof de verbrande codex herleeft en daar vóór ons ligt. Nooit eerder vertoond. Nooit eerder is iemand er in geslaagd om de Leuvense Neposcodex zo gedetailleerd te beschrijven.

Men is de Grote Speurder of men is het niet,’ zei de Grote Speurder. Echt bescheiden klonk het niet. Maar er is nu eenmaal één Grote Speurder. Zo is het.

nepo(2)

Voor wie de literatuur over dit handschrift wil raadplegen: K.L. Roth, ‘Der Codex Parcensis des Aemilius Probus’, Rheinisches Museum für Philologie, 8 (1853), 626-639; L. Roersch, ‘Notes critiques sur Cornélius Nepos’, Revue de l’instruction publique en Belgique, nr. 7, juli 1861, 233-257; E. Chatelain, La paléographie des classiques latins (Paris, 1884-1900), plaat CLXXXII; E. de Moreau, La Bibliothèque de l’Université de Louvain “1636 – 1914” (Louvain, 1918), p. 52, nr. 10b; P.K. Marshall, The manuscript tradition of Cornelius Nepos, Bulletin of the Institute of Classical Studies, Supplement 37 (London, 1977), pp. 26-30. Een nieuw artikel ‘The lost manuscripts of Cornelius Nepos. An attempt at reconstruction of the Leuven volume and a new perspective on the codex Danielis’ is inmiddels aangeboden aan Les Études classiques.

Met dank voor deze bijdrage aan
Dr. Michiel Verweij
Oude en kostbare drukken
Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.