Archive for januari, 2021

Curator Roma Metropolitane meldt dat het metronet begin april stilvalt

31 januari 2021

Roma Metropolitane, het bedrijf dat namens de stad toezicht houdt op het beheer en de bouw van het metronet, is sinds eind oktober 2019 in gecontroleerde vereffening. Het gaat dus al lange tijd slecht met het zwaar verlieslatende bedrijf.

Maar nu komt het mogeijk definitieve einde wel heel dichtbij. De curator stelt in een vlijmscherpe brief aan het stadsbestuur dat er gewoon teveel schulden zijn en dat het bedrijf nog maar een kleine stap verwijderd is van een faillissement.

Binnen twee maanden komt er een definitief einde aan de werking van Roma Metropolitane. Dat kondigt curator Andrea Mazzotto aan in een vijf pagina’s tellende brief aan burgemeester Raggi en haar raadsleden.

De curator heeft de voorbije maanden verschillende reddingspogingen ondernomen en meermaals geprobeerd om de financiële toestand van Roma Metropolitane recht te trekken.

Maar er is geen beginnen aan, de schuldenberg is gewoon te groot. In alle mogelijke scenario’s vloeit er nog altijd meer geld buiten dan er binnenkomt. Onder meer de lonen voor de arbeiders die momenteel werken aan metrolijn C nemen een forse hap uit het budget.

Vanaf 31 maart 2021 zal Rome Metropolitane zijn huidige verplichtingen niet meer kunnen nakomen, waardoor het insolvent wordt. Daardoor zullen we alle activiteiten moeten stopzetten, meldt de curator.

metropo(3)

Dat scenario zou zonder meer een ramp zijn. Het einde van Roma Metropolitane zou leiden tot de instorting van het volledige transportsysteem van Rome. Het betekent concreet dat zowel de lijnen A, B als C vanaf april buiten werking worden gesteld.

Als dat gebeurt moeten honderdduizenden mensen alternatieve vervoersmogelijkheden zoeken, wat zou zorgen voor een overrompeling van het stedelijke busnet en een ongeziene verkeerschaos.

De nota van de curator laat niet veel ruimte voor interpretatie. Het volledig stopzetten van Roma Metropolitane zou een verwoestend domino-effect hebben, schrijft hij.

Vooreerst zouden de bouwwerken voor de metrolijn C, die nu al kampen met vele jaren vertraging, helemaal worden stilgelegd. De betaling voor de bouwarbeiders wordt dan gestaakt, waardoor die niet meer zullen willen voortwerken.

Daarnaast zouden ook de verbindingen op de metrolijnen A en B en op het gedeelte van de C-lijn dat al klaar is, worden opgeschort. Zonder toezichthouder ontstaan wettelijke problemen als de treinen toch blijven rijden.

De overheidsvereisten inzake veilig vervoer en de brandvoorschriften kunnen dan juridisch niet meer worden gegarandeerd. Vervoersmaatschappij ATAC, de exploitant van het net, zou bij het verdwijnen van Roma Metropolitane gedwongen zijn om het volledige metronet stil te leggen.

Los van de enorme praktische ongemakken die dat zou meebrengen voor de burgers, zou de stopzetting van het metronet ook een groot economisch verlies betekenen voor ATAC.

De vervoersmaatschappij kampt zelf al jaren met een miljardenschuld, maar kan voortwerken dankzij een overeenkomst met haar schuldeisers. Als de inkomstenstroom van de metrotickets opdroogt, zal ATAC ook de verplichtingen van dat afbetalingsplan niet meer kunnen nakomen.

metropo(5)

De curator wijst op nog andere juridische problemen die de stopzetting van Roma Metropolitane zou veroorzaken. De strafbare feiten die daaruit zullen voortvloeien zijn voor rekening van degenen die het faillissement van het bedrijf hebben veroorzaakt, schrijft Mazzotto.

Lees: de voltallige meerderheid in de gemeenteraad van Rome, vooral degenen die in het verleden te maken hebben gehad met Roma Metropolitane, riskeren voor de rechter te moeten verschijnen wegens frauduleus faillissement.

Het ziet er dus niet goed uit, zelfs niet voor de politici in de gemeenteraad die altijd hun best hebben gedaan om het openbaar vervoer in de stad zo goed mogelijk te laten verlopen. Wat gaat er nu gebeuren? Dat het metronet effectief stilvalt, is bijna ondenkbaar, maar de tijd dringt.

Er kan een regeling worden getroffen zoals exploitant ATAC die nu al heeft met haar schuldeisers, ofwel volgt een snelle en totale reorganisatie van het bedrijf, gevolgd door een doorstart, een soort Roma Metropolitane 2.0. Dat zou echter veel jobs kosten, iets wat de politici in dit verkiezingsjaar tot elke prijs willen vermijden.

Eender welke oplossing er wordt uitgedokterd, het moet erg snel gebeuren. De tijd om een beslissing te nemen is zeer kort. Als het stadsbestuur niet reageert, zal deze week de aandeelhoudersvergadering van Roma Metropolitane bij elkaar worden geroepen.

De enige beslissing die daar kan worden genomen is dat de directie op bevel van de curator naar de rechtbank stapt om het faillissement aan te vragen.

De brief van de curator komt bijzonder ongelegen voor burgemeester Raggi die zich volop aan het voorbereiden is op de komende verkiezingen en ondertussen ook nog moet afrekenen met de gevolgen van de Covid-19-crisis die van de toeristenstad Rome een economisch slagveld hebben gemaakt.

metropo(6)

Raggi zou de gemeenteraad kunnen vragen om enkele miljoenen vrij te maken, zodat Rome Metropolitane weer heel even vooruit kan. Maar Rome sleept zelf een schuld mee van meer dan 1,2 miljard euro en het is lang niet zeker dat Raggi in de gemeenteraad een meerderheid vindt om de zoveelste geldtransfer naar een bodemloze put goed te keuren.

Bovendien beginnen ook de andere partijen naar verkiezingsmodus te schakelen en zullen ze niet snel geneigd zijn om Raggi op de valreep geschenken te laten uitdelen.

Het belooft dus, andermaal, weer een spannende week te worden op de Capitolijnse heuvel.

Colosseum verloor vorig jaar 51 miljoen euro inkomsten

30 januari 2021

Twee jaar geleden behoorde het Colosseum in Rome nog bij de meest bezochte sites ter wereld. In Italië is het amfitheater de populairste bezienswaardigheid. In 2019 kwamen ongeveer 7,5 miljoen mensen er een kijkje nemen.

In datzelfde jaar werd het Colosseum uitgeroepen tot de populairste toeristische attractie ter wereld, dit op basis van boekingsgegevens die werden verzameld door TripAdvisor.

Vorig jaar was er omwille van de ons inmiddels bekende reden, een enorme terugval met 75 procent van het aantal bezoekers, wat neerkomt op een verlies van 51 miljoen euro inkomsten.

colosseum (3)

Half januari zag het er eindelijk naar uit dat het wereldberoemde Flavische amfitheater weer zou kunnen openen, maar omdat de regio Lazio van de gele naar de oranje risicostatus overschakelde, moest dat heropeningsfeestje nog maar een keer worden uitgesteld.

Ook de opening van de nieuwe tentoonstelling over Pompeii in het Colosseum, die eveneens gepland was voor 17 januari en eerder ook al eens werd opgeschoven, moest alweer worden geannuleerd.

Vanaf 1 februari mogen het Colosseum, het Forum Romanum en de Palatijn weer open, zij het beperkt. De sites zijn maandag tot en met vrijdag van 10.30 tot 16.30 uur (met laatste toegang om 15.30 uur) voor het publiek geopend. In het weekend blijven ze dicht.

Een aantal bezienswaardigheden in het Parco archeologico del Colosseo blijven volledig gesloten. Daaronder het Domus Aurea of het Gouden Huis van Nero, de Santa Maria Antiqua, de Rampa Domizianea, het Museo Palatino, het Casa di Augusto en het Casa di Livia, de Criptoportico Neroniano en de Aula Isiaca.

colosseum (2)

Het jaar is hoe dan ook slecht begonnen. Niet alleen voor het Colosseum, maar voor alle musea en bezienswaardigheden in Rome.

Er zijn geen toeristen in de stad en zelfs wanneer de situatie binnen enkele maanden opklaart, kan het verlies dat nu al wordt geboekt in 2021 onmogelijk nog worden goedgemaakt. Puur financieel-economisch is het voor de musea en archeologische sites in Rome nu al een verloren jaar.

Bovendien beseffen alle betrokkenen dat er ook na een heropening nog een hele tijd zal moeten gewerkt worden met bezoekersquota, waardoor een museum of site de normale beschikbare capaciteit niet volledig kan gebruiken. Zolang dat duurt zullen de verliezen blijven oplopen.

Manuscript Mysteries VI – Cornelia en de Bataven

30 januari 2021

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.

Vandaag aflevering 6 van Manuscript Mysteries: Cornelia en de Bataven.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is de zesde bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

Deze aflevering van Manuscript Mysteries is opgedragen aan de herinnering aan mijn onlangs onverwacht overleden (oud)collega’s Céline Van Hoorebeeck en Jeanine De Landtsheer.

* * * * *

‘Cornelia was een dame’ zei de Grote Speurder, ‘Zonder enige twijfel. Een dame, een persoon van stand.’

Cornelia was de jongste dochter van P. Cornelius Scipio Africanus de Oude (263-183 v.Chr.), de overwinnaar van Hannibal in de Tweede Punische Oorlog, en Aemilia Tertia.

Zoals alle Romeinse meisjes en vrouwen, droeg Cornelia alleen haar familienaam. Ze trouwde met Tiberius Sempronius Gracchus, een verdienstelijk staatsman die tamelijk jong overleed, in 153 v.Chr.

Van de twaalf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bereikten slechts drie de volwassenheid, een meisje en twee jongens. Het meisje, Sempronia, trouwde met Scipio Aemilianus, eigenlijk een Aemilius die door een Cornelius Scipio geadopteerd was en daarom Aemilianus heette.

Wie niet meer kan volgen, gelieve niet te panikeren: Romeinse stambomen zijn notoir ingewikkeld, met de Julio-Claudiërs als absoluut hoogtepunt. Zo waren de kleinzonen van keizer Augustus zijn zonen, en dat kwam niet door incest, maar omdat hij de zonen van zijn dochter Iulia als zijn eigen zonen geadopteerd had.

angelica_gracchiCornelia, moeder van de Gracchen.
(Angelica Kauffman, 1785).

Sempronia speelt verder in de geschiedenis geen rol van betekenis, zij staat geheel in de schaduw van haar twee broers. Díe maakten namelijk wel zeker geschiedenis en horen zowat tot de enige min of meer deugdzame Romeinen (naast Spartacus, maar dat was geen Romein natuurlijk) in die goede oude Sovjet-historiografie.

Tiberius Sempronius Gracchus was volkstribuun in 134 v.Chr. De situatie in Rome was nijpend (maar dat is ze eigenlijk altijd, dus niets nieuws onder de zon).

Doordat Rome na het eind van de Tweede Punische Oorlog (218-202 v.Chr.) zich steeds meer was gaan bezighouden met de politieke zaken in het Oosten (favoriete bezigheid van westerse politici tot op de dag van vandaag, en niet altijd met even positieve gevolgen, om het eufemistisch te zeggen), waren de boeren-soldaten die de ruggengraat van het Romeinse leger vormden, steeds vaker van huis, zodat de kleine boerderijen langzaam maar zeker ten onder gingen.

De rijke grootgrondbezitters werden steeds rijker en wisten op kosten van de oude boerenstand enorme landgoederen of latifundia te verwerven, die ze lieten bewerken door slaven. Bovendien pikten ze steeds meer staatsland, ager publicus in. Kortom, de rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer. Och, niets nieuws onder de zon, dus.

Die werklozen troepten in Rome samen, waar ze het aartsmodel werden voor de Sovjet-historiografie: het proletariaat. Deze arme bevolkingslaag had slechts twee dingen: kinderen en stemrecht. Die kinderen interesseerden niemand, maar dat stemrecht was uiteraard wél interessant voor de heren politici. Och, kom, niets nieuws onder de zon, ik heb het al gezegd.

Vanaf de tweede helft van de 2de eeuw v.Chr. zullen verscheidene mensen van goede wil proberen een oplossing voor dit probleem te vinden. Cornelia’s zoon Tiberius Sempronius Gracchus was de eerste.

Zijn oplossing bestond uit twee elementen: beperking van de hoeveelheid ager publicus die iemand in zijn eigen bezit mocht hebben, en (gebruikmakend van de grond die daardoor vrijkwam) stichting van coloniae verspreid over heel Italië, waar de arme stadsbevolking opnieuw een eigen bestaan zou kunnen opbouwen.

Geen slecht idee, maar de grootgrondbezitters waren niet erg happig om delen van hun bezit af te staan. Uiteindelijk, goede ideeën hebben zelden veel effect in de politiek. Niets nieuws onder de zon dus (en dit is, zo beloof ik u, de laatste maal dat ik dat zeg).

Tiberius wist uiteindelijk een compromis te bereiken. Maar hij beging één fout. Hij wilde zijn mandaat laten verlengen en dat was tegen de wet. Erger nog, het zag ernaar uit dat hij wel eens succes zou kunnen hebben met zijn streven. Op dat moment vielen senatorialen Tiberius aan en in een bloedbad dat het leven kostte aan 300 personen, kwam ook Tiberius om. De voornaamste beschuldiging was dat hij naar het koningschap streefde en niets zette zoveel kwaad bloed als dat.

‘Een dame, Cornelia was een dame’ zei de Grote Speurder. Cornelia verdroeg de moord op haar zoon met waardigheid die aan de Stoa doet denken. Maar jaren gaan voorbij en kleine Caius, Tiberius’ broer en enig overgebleven kind van Cornelia (met Sempronia natuurlijk, maar die zijn we al zowat vergeten), werd groot. Dat was nog niet zo erg, maar hij wilde in de sporen treden van zijn grote broer, hij wilde ook volkstribuun worden. Hij zou de staat wel eens veranderen.

Dom. Cornelia wist dat, voorzag wat er zou gebeuren. En u weet: moeders hebben altijd gelijk. En u weet: hun kinderen luisteren nooit. Toen Caius in 124 v.Chr. te kennen gaf dat hij zich kandidaat wilde stellen voor het ambt van volkstribuun, schreef Cornelia hem één of meer brieven.

De brieven van Cornelia circuleerden later in Rome en men vertelde er veel goeds van. Cicero schrijft er over (Brutus, 211). Er resten ons nog twee fragmenten van die overgeleverd zijn bij de schamele resten van het oeuvre van Cornelius Nepos (geen familie overigens):

Fragment 1

‘Je zult zeggen dat het iets moois is om je op je vijanden te wreken. Dat lijkt aan niemand belangrijker en mooier te zijn dan aan mij, maar wel op voorwaarde dat het mogelijk is om dat na te streven zonder de staat in gevaar te brengen. Maar als dat niet mogelijk is, laat onze vijanden dan gedurende lange tijd en op vele plaatsen niet te gronde gaan en zo blijven zoals ze nu zijn, liever dan dat de staat ten onder gaat.’

Fragment 2

‘Ik zou in de geijkte bewoordingen durven zweren dat – buiten degenen die Tiberius Gracchus hebben gedood – geen enkele vijand mij zoveel last en lijden bezorgd heeft als jij vanwege deze kwestie, terwijl juist jij van alle kinderen die ik ooit had, hun rol zou moeten opnemen en er voor zorgen dat ik op mijn oude dag zo min mogelijk zorg zou hebben. Bij alles wat je doet, zou je moeten willen dat dat mij zo veel mogelijk plezier zou doen, en je zou het als verboden moeten zien iets belangrijks tegen mijn wil en mening te doen. Kan, vooral omdat ik nog maar kort te leven heb, zelfs deze korte tijd jou niet te baat komen dat je je niet tegen mij verzet en de staat niet te grabbel gooit? Welk einde zal er eindelijk zijn? Wanneer zal onze familie ophouden in waanzin te razen? Wanneer zullen we in die zaak maat kunnen houden? Wanneer zullen we ervan afzien allerlei last te lijden of te bezorgen? Wanneer zullen we er ons voor schamen te staat in verwarring en oproer te brengen? Maar als dit allemaal niet mogelijk is, stel je dan kandidaat voor het ambt van volkstribuun als ik dood ben. Wat mij betreft, doe wat je wilt als ik het niet meer weet. Als ik dood ben, zul je mij dodenoffers brengen en mij als vooroudergod aanroepen. Zul je je op dat moment niet schamen dat je juist die goden met gebeden zult smeken die je toen ze leefden en aanwezig waren, verwaarloosde? Laat Jupiter niet dulden dat dat zal voortduren of dat jou zo’n waanzin in de geest komt! En als je hier mee door gaat, vrees ik dat je voor je hele leven door je eigen schuld zoveel ellende zult ondervinden dat je je nooit zelf recht in de ogen zult kunnen kijken.’

Beste lezer, u hebt deze fragmenten nu gelezen: lees ze nog eens. Deze twee passages zijn de enige ons overgeleverde literaire prozateksten uit de hele klassieke Romeinse literatuur die door een vrouw geschreven zijn. ‘Een dame!’ wijst de Grote Speurder mij terecht. Ja, het is al goed: door een dame.

Tenminste als ze echt zijn. Uiteraard hebben classici de authenticiteit betwist, zoals nu eenmaal alles in de Klassieke Filologie voorwerp van discussie is. Het feit dat er geen parallellen zijn in de rest van Nepos’ oeuvre, geen lange citaten uit redevoeringen of uit brieven, suggereert mogelijk dat ze inderdaad authentiek zijn.

Het haalde evenwel niets uit. Caius stelde zich kandidaat, werd verkozen voor twee jaar (meteen), overwoog om zich nog eens kandidaat te stellen (waar hebben we dat nog gezien?) en werd toen door de senatorialen aangevallen.

Hij verschanste zich aanvankelijk op de Aventijn, maar moest vluchten. Achtervolgd, benam hij zich het leven. Dit keer kostte de verdrijving van een Gracchus 1500 mensenlevens: wie durft nog te zeggen dat de geschiedenis geen vooruitgang kent?

Hoe Cornelia dit heeft verdragen, weten we niet, althans niet uit eerste hand. Blijkbaar heeft ze ook dit verlies met waardigheid gedragen. Cornelia werd voor latere generaties het model van een matrona, een Romeinse dame.

varotari_gracchi
Cornelia Africana, Tiberius Gracchus en Gaius Gracchus
(Alessandro Varotari, 1620)

U vraagt zich wellicht af wat de Grote Speurder hiermee te maken heeft. U kent hem onderhand. Bekend om zijn miraculeuze oplossingen voor ingewikkelde kwesties die hij in een mum van tijd tot opheldering weet te brengen. Maar tot nog toe lijkt er weinig reden voor zijn optreden in het geval van Cornelia.

Kijk, dat is nu fout gedacht.

Ik heb boven al gezegd dat de fragmenten van Cornelia’s brief of brieven (we zijn niet zeker of de twee passages uit hetzelfde document afkomstig zijn of juist niet) zijn overgeleverd met de werken van Cornelius Nepos, over wie u in een vorige aflevering al een en ander hebt kunnen vernemen. De overlevering (of transmissie) van Nepos’ oeuvre is nogal problematisch.

Een van de beste handschriften was dat van Leuven dat op 25 augustus 1914 verbrandde in de Universiteitsbibliotheek. Dat volume stamde uit de tweede helft van de 15de eeuw en lijkt door een monnik van de abdij van Park gekopieerd. Een tweede handschrift uit die periode zit in Leiden, Universiteitsbibliotheek, ms. BPL 2011. Nauw verwant als broer of zus, zijn ze allebei gekopieerd op hetzelfde origineel.

Dat laatste wordt ook geacht de basis te zijn van een handschrift uit het eind van de 12de of begin van de 13de eeuw dat nu in Wolfenbüttel zit (Herzog-August-Bibliothek, ms. Gudianus latinus 166). Dat laatste handschrift is de stamvader van alle andere handschriften, meestal 15de-eeuwse kopieën uit Italië. Klein probleem: de kwaliteit van de codex uit Wolfenbüttel is minder goed dan die uit Leiden en Leuven. Vandaar ook het belang van de helaas verbrande Leuvense Parcensis.

Het gemeenschappelijk origineel van deze drie handschriften wordt (zoals in de nieuwsbrief over de verloren Nepos van Leuven al verteld is) gezocht in de codex Danielis, het handschrift van Pierre Daniel (1531-1604), sinds 1567 baljuw van Saint-Benoît-sur-Loire, die een aantal handschriften van de in 1562 geplunderde en vernielde abdij van Fleury heeft ‘gered’.

Deze codex Danielis is de Heilige Graal van alle Neposuitgevers. Maar hier beginnen de problemen pas, want er wordt een ander handschrift vermeld in de oude edities, de codex Gifanianus die eigendom geweest zou zijn van ene Hubertus van Giffen (1534-1604) uit Buren (provincie Gelderland, in de Betuwe), eveneens jurist en filoloog. Van Giffen zou na een reis naar Italië rechten doceren in Straatsburg, Altdorf, Ingolstadt en Praag.

Hij publiceerde een editie van het leerdicht De rerum natura van Lucretius in Antwerpen bij Christophe Plantin in 1565-1566. In die editie vermeldt hij een aantal parallelvoorbeelden voor woorden en constructies uit Nepos en hij verwijst daarbij naar een oud handschrift in zijn bezit: uetus meus codex. Ook in een brief aan de beroemde Justus Lipsius (1547-1606) uit 1594 verwijst hij nog naar een Neposhandschrift.

lucretius_vangiffen

Dus: waren er dan twee handschriften? Die allebei van dezelfde kwaliteit waren? Of gaat het maar om één exemplaar en heeft Van Giffen dat van Daniel gekregen of juist Daniel van Van Giffen? En waar kwam dat dan vandaan? Uit Fleury waar Daniel actief was, maar waar in de oude catalogi geen Neposhandschrift vermeld wordt? Of uit de Nederlanden waar de twee kopieën die wij kennen als de handschriften van Leuven en Leiden, vandaan komen? Als het handschrift uit de Nederlanden komt, hoe komt Daniel er dan aan? En als het uit Fleury komt, hoe kan Van Giffen het dan citeren?

Tot nog toe heeft niemand dit raadsel tot tevredenheid kunnen oplossen en de knoop kunnen ontwarren. Het is als een hond die in zijn eigen staart probeert te bijten: het arme dier rent en rent en rent en het krijgt zijn staart nooit te pakken. U raadt het al: dit is een zaak voor de Grote Speurder.

Maar het kan nog veel ingewikkelder! Niemand heeft nog echt gekeken naar het Brusselse ms. 9884-89.

Ms. 9884-89 is een 16de-eeuwse kopie van een paar middeleeuwse historische teksten. Het was eigendom van een zekere Antonius Caucus = Antonius van Cuijk (1530-1600). Vervolgens kwam het terecht bij de Antwerpse jezuïet en filoloog Andreas Schottus (1552-1628), zowat het laatste echte intellectuele genie dat de Scheldestad heeft voortgebracht.

cornelia(1)

Schottus voegde op f. 160-161 twee teksten uit het oeuvre van Nepos toe, diens leven van Cato de Oude (Vita Catonis) en de Corneliafragmenten. De latere geschiedenis van dit handschrift is eenvoudig: Schottus liet het na aan de Antwerpse jezuïeten die het onderbrachten bij de groep Bollandisten (sinds 1643 bezig met een groot wetenschappelijk project om alle heiligenlevens wetenschappelijk uit te geven, ze zitten nu begin december in het kerkelijk jaar).

Vandaar werd het bij de opheffing van de jezuïeten door Jozef II in 1778 naar de toenmalige Koninklijke Bibliotheek in Brussel gebracht, de voorloper van de huidige, waar het afgezien van een Parijsreis tijdens de Franse periode nog altijd zit.

De Grote Speurder ging er eens rustig voor zitten. Hij sloeg het volume behoedzaam open en bladerde tot aan f. 160. Toen knikte hij en zei: ‘Kijk! Schottus vermeldt waar hij zijn wijsheid vandaan heeft. Heel verstandig. Precies wat men van de laatste verstandige Antwerpenaar kan verwachten.

Maar’ zo voegde de Grote Speurder er aan toe ‘hij heeft de twee teksten op een andere manier gekopieerd. Het leven van Cato de Oude heeft hij uit een editie genomen en daarbij in de marge variante lezingen genoteerd. Ex codice Batavico ‘Uit een Bataafs boek’. Wel, wel. En de Corneliafragmenten komen blijkbaar rechtstreeks uit die codex Batavicus. Heel interessant.’

Bij het horen van wat de Grote Speurder zei, verschoot ik van kleur: ‘Een codex Batavicus? Dus nóg een ander handschrift?’

De Grote Speurder keek mij vriendelijk aan en schudde het hoofd, nauwelijks merkbaar, maar toch onmiskenbaar. ‘Soms moet men de zaken ingewikkelder maken om ze simpeler te maken’ zei hij. ‘Dat zei Don Camillo ook al in de vierde film.’ Don Camillo was een favoriet van de Grote Speurder. Hij was zelfs een keer speciaal naar Brescello gereisd en had daar in de sporen van Don Camillo en Peppone gelopen. Tot aan de Po.

Wie in de wetenschappelijke literatuur gaat zoeken, zal weinig vinden over de codex Batavicus. De geleerden zijn het eens (goed: bijna eens) dat het om hetzelfde handschrift als de codex Gifanianus gaat, maar veel meer weet men er niet over te vertellen.

De naam Batavicus wijst natuurlijk op de Bataven. Na hun optreden in de oudheid als soldaat in het Romeinse leger en als keizerlijke lijfwacht en hun opstand waren ze bijna vergeten tot de eerste humanisten ze weer van onder het stof haalden. En toen begon een tweede Bataafse opstand.

Want aan de ene kant eisten de Hollandse humanisten (d.w.z. uit het graafschap Holland, dus Dordrecht, Leiden, Gouda, Delft, Haarlem, Amsterdam en Rotterdam) op dat de Bataven bij hen hadden gewoond en dat zij dus de rechtmatige opvolgers waren, maar van de andere kant stelden de Gelderse humanisten dat juist Gelre de bakermat van de Bataven was geweest, dus Nijmegen, Tiel, Zaltbommel en… Buren waar Van Giffen geboren was. Dat had zich allemaal in de vroege 16de eeuw afgespeeld.

(Overigens, voor wie het interesseert: de Gelderse humanisten hadden gelijk. Het kerngebied van de Bataven was de Gelderse Betuwe. In het huidige Holland woonden de Caninefaten. De naam Lugdunum Batavorum voor Leiden is dan ook niet correct en je vindt deze dan ook niet in de oudheid (wel: Lugdunum alleen). Het gaat om een uitwas van deze humanistentwist.)

Toen de Tachtigjarige Oorlog in de tweede helft van de 16de eeuw begon, zag men in de Bataven en hun opstand van 69-70 helemaal voorlopers en de Republiek der Verenigde Nederlanden was zeer Bataafsgezind. De voornaamste nederzetting in Oost-Indië heette niet voor niets Batavia (nu: Jakarta).

Toen de Fransen in 1795 de Republiek binnenvielen, stichtten zij daar een satellietstaat met de naam Bataafse Republiek. Sindsdien is de Bataafse belangstelling in Nederland wat bekoeld.

cornelia(2)

Maar één ding is duidelijk: de codex Batavicus kwam uit de Noordelijke Nederlanden, uit Holland of uit Gelre, uit het land van Van Giffen. En daar had waarschijnlijk een zekere Johannes van Cuijk het handschrift gebruikt voor zijn zeldzame editie van Nepos die in Utrecht in 1542 verscheen.

Van Cuijk? U herkent de naam? Inderdaad: Johannes wordt geacht de vader te zijn van Antonius, de bezitter van ms. 9884-89. Maar dat is nog niet genoeg. Historisch vallen bepaalde factoren samen en rechtvaardigen de identificatie van de codex Batavicus en de codex Gifanianus, maar we moeten ook nog tekstbewijs hebben.

Voor één keer lijkt het geluk een beetje aan onze kant te staan, want er zijn nog twee reeksen variante lezingen uit de Gifanianus bekend. Een ervan is te vinden in de Parijse Neposeditie die Jean Savaron in 1602 op de markt bracht, de andere bevindt zich in een handschrift in de Vaticaanse bibliotheek, ms. Reginensis latinus 768, waarin een zekere Paul Petau een paar lezingen uit de codex Gifanianus in de marge gezet heeft. In beide gevallen gaat het om lezingen voor de Corneliafragmenten.

Helaas moet het enthousiasme weer wat getemperd worden, want de kopiist van het zeer fraaie ms. Reg.lat. 768 was een groot kalligraaf, maar een slecht kopiist en de tekst wemelt van de fouten. In feite staan alle lezingen die Petau uit de codex Gifanianus noteerde, ook in het handschrift van Wolfenbüttel, zodat we geen basis hebben om de twee tegenover elkaar te plaatsen.

De lezingen uit ms. 9884-89 komen in alle gevallen met de Gifanianus overeen, maar er is verder maar één echt verschil met de codex uit Wolfenbüttel. In ieder geval lijkt de aanname dat de codices Batavicus en Gifanianus dezelfde zijn, gerechtvaardigd, ook al is ons bewijsmateriaal heel spaarzaam.

cornelia(2)

‘Kijk’ zei de Grote Speurder, ‘nu zitten we op de goede weg. We kunnen dus bewijzen dat er in ieder geval een goed handschrift van Nepos in de Nederlanden was, dat als model gediend moet hebben voor de handschriften in Leuven en Leiden. Dat is 2 tegen 1. Zie je wel, dat de dingen compliceren ze eenvoudiger maakt? Nu de Danielis nog!’

‘In feite is de zaak veel eenvoudiger dan ze eruit ziet,’ voegde de Grote Speurder er verder aan toe. ‘Iedereen heeft het over de codex Danielis, maar niemand weet waar men het over heeft. Als je gaat kijken naar het historisch bewijs, dan blijkt dat dat flinterdun is. We kennen de codex Danielis eigenlijk alleen uit een Neposeditie die in 1608 in Frankfurt op de markt kwam.

De uitgever zegt daarin dat hij gebruik heeft gemaakt van een exemplaar van een oudere editie uit 1543, waarin Pierre Daniel in de marge uit een handschrift een reeks variante lezingen heeft genoteerd. Helaas niet voor de Corneliafragmenten of voor het leven van Cato, zodat we niet kunnen vergelijken, maar dat mag ons niet deren.

‘Met andere woorden: niemand heeft ooit dat handschrift van Daniel gezien. Erger nog: niemand heeft doorgehad dat Daniel helemaal geen handschrift van Nepos hád! Er was maar één handschrift en dat was dat van Van Giffen die het in zijn Lucretiuseditie uit 1565-1566 gebruikt.

De twee kenden elkaar uit Orléans, waar ze allebei studeerden op datzelfde moment. Van Giffen heeft Daniel zijn handschrift laten zien en deze heeft in zijn eigen exemplaar van Nepos een reeks varianten uit het handschrift van zijn vriend genoteerd. Kortom: DE CODEX DANIELIS HEEFT NOOIT BESTAAN. DE HEILIGE GRAAL BESTAAT NIET.

En daarmee vervallen alle problemen in één keer. Daniel heeft geen Nepos uit Fleury gehaald, hij heeft niet op een mysterieuze wijze een handschrift uit de Nederlanden bemachtigd dat hij dan aan Van Giffen zou hebben gegeven, hij heeft ook geen handschrift van Van Giffen gekregen, althans niet écht gekregen: hij heeft het wel mogen consulteren. Maar dat rechtvaardigt niet dat we spreken over een codex Danielis.

‘Maar om terug te keren tot Cornelia. Omdat noch het Leidse noch het Leuvense handschrift de Corneliafragmenten hadden, blijft er voor de teksttraditie alleen het handschrift in Wolfenbüttel over én ms. 9884-89. Het Brusselse handschrift bevat de enige passage continue tekst die rechtstreeks uit de codex Gifanianus is gekopieerd en is dus voor de Corneliafragmenten eigenlijk onze beste en meest betrouwbare bron.

‘De enige prozafragmenten uit de klassieke Latijnse literatuur die door een vrouw geschreven zijn, zijn ons dus het best bekend uit een Brussels handschrift. En dat heeft niemand ooit gezien of beseft.’

Niemand?

Niemand. Behalve de Grote Speurder natuurlijk. Met complimenten. Ook van Cornelia zelf. Zij was uiteindelijk een grote dame. En dames erkennen altijd de verdiensten van een ander.

suvee_gracchiC
Cornelia, moeder van de Gracchen. (Joseph-Benoît Suvée, 1795).
Deze schilder werd in 1743 geboren in Brugge en was directeur
van de France academie (Villa Medici) in Rome.

APPENDIX

Voor de echte fanaten en voor wie er nu nog niet genoeg van heeft, volgt hier een nieuwe teksteditie van de fragmenten van Cornelia, met kritisch apparaat. A = het handschrift van Wolfenbüttel, B = ms. 9884-89, G = ms. 14635-37 in Brussel als vertegenwoordiger van de Italiaanse afstammelingen van A, R = Reg.lat. 768 uit de Vaticaanse bibliotheek, eveneens als vertegenwoordiger van de Italiaanse 15de-eeuwse kopieën uit de traditie van A.

Door deze twee (G en R) erbij te betrekken ontstaat er een vollediger beeld van wat er allemaal gebeurd is, ook al zijn deze twee handschriften (of de rest) voor de tekstkritiek eigenlijk van geen belang. Zoals gezegd bevatten het ex-Leuvense ms. 4 (P) en het Leidse ms. BPL 2011 (L) de Corneliafragmenten niet.

De moderne conjecturen zijn ontleend aan de standaardeditie van Nepos door P.K. Marshall uit 1977 in de Teubnerreeks. Deze teksteditie zal binnenkort in een wetenschappelijk tijdschrift verschijnen.

U hebt de primeur dus, maar wees er voorzichtig mee! Bij misbruik zal de Grote Speurder u weten te vinden!

Verba ex epistula Corneliae Gracchorum matris ex libro Cornelii Nepotis de Latinis historicis excerpta[1]

Dices pulchrum esse inimicos ulcisci. Id neque maius neque pulchrius cuiquam atque mihi esse uidetur, sed si liceat Republica salua ea persequi. Sed quatenus id fieri non potest, multo tempore[2] multisque partibus[3] inimici nostri non peribunt atque uti nunc[4] sunt, erunt potius quam Respublica profligetur[5] atque pereat.

Eadem[6] alio loco

Verbis conceptis deierare ausim (praeterquam qui Tiberium Gracchum necarunt) neminem inimicum[7] tantum[8] molestiae tantumque[9] laboris quantum te ob has res mihi tradidisse. Quem oportebat omnium eorum (quos antehac[10] habui[11] liberos) parteis[12] eorum[13] tolerare atque curare, ut quam minimum sollicitudinis in senecta haberem. Vtique quaecumque ageres, ea[14] uelles maxime mihi placere atque uti nefas haberes rerum maiorum[15] aduersum meam sententiam quicquam facere. Praesertim mihi cui parua pars uitae restat[16], ne id quidem tam breue spatium[17] potest[18] opitulari quin et mihi aduersere[19], et Rempublicam profliges[20]? Denique quae[21] pausa erit? Ecquando[22] desinet familia nostra insanire? Ecquando modus ei rei haberi poterit? Ecquando desinemus et habentes et praebentes[23] molestiis desistere[24]? Ecquando perpudescet[25] miscenda atque perturbanda republica?[26] Sed si omnino id fieri non potest, ubi ego mortua ero, petito tribunatum. Per[27] me facito quod lubebit[28], cum ego non sentiam. Vbi mortua ero, parentabis mihi et inuocabis deum parentem. In eo tempore non pudet[29] te eorum deum preces[30] expetere, quos uiuos atque praesentes relictos atque desertos habueris? Ne ille sirit[31] Iuppiter te ea perseuerare nec tibi tantam dementiam uenire in animum! Et si perseueras, uereor ne in omnem uitam tantum laboris tua culpa[32] recipias, uti in nullo tempore tute tibi placere possis.

_______________________

[1] Titulum om. AG Fragmentum epistolae Corneliae Gracchorum matris ex eodem libro Cornelii Nepotis B Verba Corneliae matris Graecorum R (Graccorum post corr.).

[2] Multo tempore BAG Marshall malo temperes Bergk.

[3] Aetatibus Petauius artibus H. Peter.

[4] Non R.

[5] Profligeretur G.

[6] Eidem G.

[7] Inimicum expunctum in R nescio utrum a Petauio necne qui in margine add.: > a cod(ice) Gif(aniano), cuius sensus non omnino manifestus (ut iuste annotauit P.K. Marshall in editione Teubneriana).

[8] Tantae A.

[9] Post tantumque add. et ras.B molestie (error scribalis Schotti quem correxit ipse).

[10] Post hac G scripsit hoc, at statim rasit.

[11] Antehac habui BAG ante habuerim R.

[12] Partis Marshall partis R partem Petauius.

[13] Ras. Schottus (at sine dubio erat in eius exemplari) meorum Roth coram Peter. Om. G.

[14] Ei G.

[15] R huc quicquam quod in BA post sententiam legitur, transponit (non corr. a Petauio).

[16] Restat om. A superest GR (non corr. a Petauio).

[17] Post spatium G add. praeter et statim ras.

[18] Potes Petauius. Opitulari potest G.

[19] Aduerseris AGR (Petauius corr. in aduersere.).

[20] Profuges A (ut uidetur; fortasse post corr. in profliges).

[21] Marshall scribit A legere qua et non quae, at non assentio. Puto abbreviationem qua A usus est, eandem esse qua utitur ut m uel n indicet eandemque formam huic scribae propriam esse.

[22] Et quando GR (sic et in sententiis sequentibus).

[23] Habentes et praebentes BAG absentes et presentes R.

[24] Incessere Petauius insistere Nipperdey.

[25] Prependescet G.

[26] Ecquando … republica om. R.

[27] Post R. Per G add. supra lin.

[28] Libebit R (non corr. a Petauio).

[29] Non pudet BAGR num pudebit Petauius non pudebit Marshall ne pudeat Salmasius.

[30] Prece Petauius paces uel pacem Bergk.

[31] Sinat GR.

[32] Culpa tua AGR (non corr. a Petauio) Marshall.

Succesvolle serie Barbarians krijgt tweede seizoen

29 januari 2021

De streamingzender Netflix heeft na het enorme succes van het eerste seizoen van de serie Barbarians niet lang gewacht om een tweede seizoen aan te kondigen. Met een beetje geluk verschijnt die tegen eind dit jaar al op het scherm.

Barbarians is gebaseerd op ware historische gebeurtenissen en speelt zich af in 9 na Chr., toen de Romeinen tijdens de befaamde strijd in het Teutoburgerwoud drie legioenen kwijtspeelden aan de in opstand gekomen Germaanse stammen.

barbarians1Foto: Netflix

Het eerste seizoen van deze Duitse fictieserie met historische wortels verscheen op 23 oktober online. De serie, die zich zowel afspeelt in het Germaanse als het Romeinse kamp, bleek niet alleen een goed verhaal en mooie beelden te bevatten, maar was vooral zeer knap en met veel oog voor historische details gemaakt.

Zo spreken de Romeinen in de serie bijvoorbeeld effectief Latijn. De serie werd erg goed ontvangen, zodanig zelfs dat Netflix al na enkele weken besliste om een tweede seizoen te produceren.

Het decor van de serie is het uitgestrekte Teutoburgerwoud waar verschillende Germaanse stammen in een min of meer gewapende vrede met en naast elkaar leven. Het Romeinse leger is in opdracht van keizer Augustus ook in Germania gearriveerd.

De Romeinse troepen worden geleid door gouverneur Varus (een mooie rol van Gaetano Aronica) die op zijn beurt wordt bijgestaan door Arminius. De aanwezigheid van die laatste is voor de Romeinen een groot voordeel, want Arminius kent de omgeving.

barbarians2Foto: Netflix

Als kind woonde Ari, zoals hij toen heette, in deze streek, vooraleer hij in handen viel van de Romeinen en daarna in Rome door Varus persoonlijk werd opgevoed en voorbereid op een militaire carrière.

Maar dan ontmoet Arminius oude bekenden en merkt hij wat de Romeinen allemaal aanrichten in zijn vroegere vaderland.

Barbarians pakt ook uit met schitterende en geloofwaardige hoofrolspelers. Arminius (Laurence Rupp), Thusnelda (Jeanne Goursaud) en Folkwin (David Schutter) zien we overigens zeker terug in het tweede seizoen.

barbarians3Foto: Netflix

Onvermijdelijk in dit verhaal bevat de serie een flinke portie geweld en al in de eerste aflevering wordt duidelijk dat de Romeinen allesbehalve lieve jongens zijn.

Maar de Germaanse barbaren, en dan vooral de knappe en door zowat iedereen begeerde vrouwelijke krijger Thusnelda, laten zich niet zomaar doen.

Bekijk hier de trailer van het eerste seizoen van Barbarians

Virginia Raggi zet locoburgemeester Luca Bergamo aan de deur

28 januari 2021

Virginia Raggi, de burgemeester van Rome, heeft haar kabinet herschikt en daarbij haar plaatsvervanger en trouwe vazal Luca Bergamo opzij gezet. Bergamo, die ook de verantwoordelijke schepen/wethouder van Cultuur was, wordt vervangen door Lorenza Fruci. Gemeenteraadslid Pietro Calabrese wordt de nieuwe locoburgemeester. Het is de negentiende wijziging die Raggi sinds 2016 doorvoert in de gemeenteraad.

De aanstelling van Fruci krijgt al meteen kritiek omdat ze een voormalige klasgenote van Raggi zou zijn. Ze hebben samen op de middelbare school gezeten. Volgens de lokale media zijn ze ook goede vriendinnen, al kon dat nog niet bevestigd worden.

Fruci verwierf in Rome enige bekendheid omdat ze een boek heeft geschreven over burlesque dansen en ook een biografie over Bettie Page, een fotomodel uit de jaren ’50 op haar naam heeft staan.

Raggi bracht tijdens het overdragen van de cultuurportefeuille hulde aan het uitstekende werk van Luca Bergamo die jarenlang zijn best heeft gedaan om cultuur toegankelijker te maken voor de inwoners van Rome.

Onder meer de MIC-kaart (Museo in Commune) die 5 euro kost en waarmee je een heel jaar gratis en onbeperkt 19 stedelijke musea en 25 archeologische sites kan bezoeken, is één van Bergamo’s initiatieven. De MIC-kaart is enkel bestemd voor inwoners, studenten en tijdelijke inwoners (die ingeschreven zijn in het tijdelijke bevolkingsregister).

De vervanging van de partijloze maar politiek zeer ervaren Luca Bergamo, die na de vorige verkiezingen in 2016 door Raggi werd aangeduid als schepen/wethouder voor Cultuur en in datzelfde jaar ook plaatsvervangend burgemeester werd, is verrassend.

Bergamo staat bekend als een vertrouweling van Raggi en vaak verschenen ze beiden op evenementen, persconferenties en openingsrecepties. De ingreep van Virginia Raggi moet zonder twijfel worden gezien in het licht van de komende gemeenteraadsverkiezingen.

raggi

De burgemeester bereidt zich voor op een tweede ambtstermijn maar weet dat een herverkiezing niet gemakkelijk zal zijn. Ze probeert zich dan ook zoveel mogelijk te omringen met fedelissimi, haar meest trouwe en loyale medewerkers.

Luca Bergamo verklaarde in de lokale media dat hij maanden geleden bedenkingen had geuit bij de beslissing van Virginia Raggi om zich voor de tweede keer kandidaat te stellen als burgemeester. De statuten van de MoVimento 5 Stelle (M5S) of Vijfsterrenbeweging verbieden in principe dat hun verkozenen een tweede ambtstermijn opnemen.

Maar Raggi heeft die bepaling weten te omzeilen en kreeg van de partijleiding de toestemming om zich toch opnieuw verkiesbaar te stellen. De commentaar die Luca Bergamo op die beslissing heeft gegeven, kostte hem nu vermoedelijk zijn functie. Bergamo vertrekt naar eigen zeggen zonder wrok en vertelde aan journalisten blij te zijn met de kansen die hij in het politieke milieu heeft gekregen.

Nieuw hotel, bibliotheek en cultureel centrum gepland tegenover MAXXI-museum

28 januari 2021

Het stadsbestuur van Rome heeft het plan goedgekeurd voor de herbestemming van de oude kazerne en het bijhorende terrein aan de Via Guido Reni, vlak tegenover het MAXXI-museum. Het terrein van het voormalige militaire complex, de Stabilimento Militare Materiali Elettrici di Precisione, is ongeveer 55.000 m² groot.

kazerne_flaminio (1)Ontwerpbeeld: Studio 015 – Paola Viganò

35.000 m² van die oppervlakte wordt bestemd voor de bouw van 600 nieuwe woningen, waarvan 6.000 m² specifiek voor sociale woningbouw. Ongeveer 7.000 m² wordt gereserveerd voor de bouw van een hotel en 3.000 m² is voorbehouden aan nieuwe buurtwinkels. Op de site komen ook een bibliotheek, een cultureel centrum en ondergrondse parkeergarages. De omgeving wordt heraangelegd met groen en een paar nieuwe wegen.

Wat betreft de Città della Scienza, de veelbesproken Stad van de Wetenschap, die aan de overzijde van de straat is gepland, op het terrein van de vroegere Stabilimento Militare Materiali Elettrici di Precisione, naast het MAXXI, blijft het nog steeds stil. Als er ooit al wordt begonnen aan dit prestigeproject zal het vermoedelijk in een afgeslankte vorm zijn.

Met een kostprijs die in 2014 al werd geraamd op 350 miljoen euro, een prijskaartje dat vandaag ongetwijfeld aanzienlijk duurder zou uitvallen, is de stad Rome met de lege stadskas in het achterhoofd, ook niet gehaast om eraan te beginnen.

kazerne_flaminio (2)Ontwerpbeeld: Studio 015 – Paola Viganò

Maar aan de overzijde van de straat lijken de plannen nu dus behoorlijk concreet. De oude kazerne maakt plaats voor een nieuwe moderne stadswijk, compleet met alle mogelijke voorzieningen.

Het masterplan voor de hele omgeving werd enkele jaren geleden ontworpen door de Milanese architect Studio Paola Viganò. Dat kantoor werd toen als winnaar van de internationale architectuurwedstrijd aangeduid. Aan die ontwerpwedstrijd namen 246 ontwerpkantoren uit 20 landen deel.

kazerne_flaminio (3)Ontwerpbeeld: Studio 015 – Paola Viganò

Het huidige stadsbestuur erfde het project van hun voorgangers. De totale kostprijs van het project wordt geraamd op 200 miljoen euro. De Cassa Depositi e Prestiti (CDP), een investeringsfonds dat de lokale overheden helpt bij de realisatie van infrastructuurprojecten, betaalt 43 miljoen euro.

Tien miljoen euro van dat bedrag is bestemd voor de omgevingsaanleg en de bouw van de ondergrondse parkings. De rest van de investering wordt gedragen door andere partners en investeerders. De bedoeling is dat de werken dit jaar nog beginnen, maar zoals bekend durven werkplanningen in Rome al eens opschuiven.

Rome introduceert half februari vaccinatie-certificaat

27 januari 2021

De regio Lazio werkt aan de ontwikkeling van een systeem waarmee burgers die de vaccinatiecyclus volledig hebben afgerond, ook hun officiële vaccinatie-certificaat kunnen downloaden. Dat zou in principe vanaf half februari mogelijk moeten zijn.

Rome gaat ervan uit dat zo’n bewijs van inenting in de toekomst zeker van pas zal komen. Het is niet ondenkbaar dat luchtvaartmaatschappijen of bepaalde landen in de toekomst van reizigers een dergelijk certificaat zullen eisen.

Italiaanse burgers zullen via het SPID (Sistema Pubblico d’Identità Digitale), waarmee je toegang krijgt tot de online diensten van openbare besturen, in het vaccinatieregister hun officiële document eenvoudig kunnen downloaden.

vaccin

De Italiaanse aanpak staat in schril contrast met het getalm dat Europa tentoonspreidt. De Griekse premier Kyriakos Mitsotakis lanceerde half januari het idee van een Europees erkend vaccinatiebewijs. Verschillende landen, vooral die waar toerisme erg belangrijk is, reageerden enthousiast op het voorstel.

Maar de Europese Commissie wil eerst overleggen. Er is grote onduidelijkheid over de vorm dat zo’n vaccinatiecertificaat moet aannemen. Dat kan een nieuwe digitale inentingskaart zijn die online beschikbaar is, maar evengoed kan het een document worden zoals reizigers dat al jaren gebruiken als bewijs dat men gevaccineerd is tegen bepaalde tropische ziektes.

De Europese Commissie wil zelf een voorstel uitwerken in overleg met de Wereldgezondheidsorganisatie. Een tweede probleem is de mogelijke discriminatie. De uitreiking van een vaccinatiecertificaat mag geen afbreuk doen aan de individuele vrijheden of de grensoverschrijdende mobiliteit.

Het risico bestaat dat het vrij verkeer van personen binnenkort alleen geldt voor wie al gevaccineerd werd. Dat wil Europa vermijden. Sommige landen willen maar alleen maar over een vaccinatiepaspoort discussiëren als iedereen de kans heeft gehad om zich te laten inenten.

Europa liet tot dusver alleen weten dat de kwestie gevoelig ligt. Op het Italiaanse initiatief is tot dusver nog niet gereageerd.

Wanhopige restaurantsector betoogt samen met touroperators

27 januari 2021

In Rome heeft de toeristische sector voor de derde keer in twee weken betoogd. Mensen die beroepshalve bezig zijn met toerisme (reisbureaus, gidsen, touroperators, …) kregen ditmaal versterking van honderden restauranthouders en andere werknemers die actief zijn in de voedings- en cateringsector. Op Piazza del Popolo verzamelden een duizendtal mensen.

Zowat iedereen voelt zich in de steek gelaten door de regering. De restaurants zijn gesloten. Uitbaters en personeel zijn echt wanhopig. De tegemoetkomingen van de regering komen veel te laat en zijn amper voldoende om een maand verder te kunnen. Al wie met toerisme of ermee verbonden diensten te maken heeft, zit volgende maand al een jaar zonder noemenswaardig inkomen.

De woordvoerder van dienst op Piazza del Popolo is ditmaal Francesco Testa, de zaakvoerder van het bekende restaurant Checco allo Scapicollo aan de Via dei Generi in de EUR-wijk.

Dat is een erg grote zaak waar ook bruiloften plaatsvinden, die de catering op evenementen verzorgt en waar grote groepen en families terecht kunnen voor feesten. De zaak beschikt zelfs over een park van 1 ha en een speeltuin voor de kinderen.

checco

Iedereen in onze sector vraagt om weer op een veilige manier aan het werk te gaan. Dat kunnen we ook, dat is bewezen in de korte periode dat we vorig jaar open waren. Als we tegen 1 februari niet kunnen heropenen ziet het er bijzonder slecht uit. Dan spreken we niet meer over de sluiting van 30 procent van onze restaurants, bars en bedrijven, maar over een fatale slag voor de Romeinse economie, zegt Testa boos.

De wanhoop in de sector is vooral groot omdat niemand enig licht aan het einde van de tunnel ziet. Het is zelfs niet duidelijk hoe lang die spreekwoordelijke tunnel wel is. Het zijn vooral de rekeningen voor de vaste kosten en huur die de restaurantsector pijn doen.

De regering heeft geen flauw idee van wat er komt kijken bij het openhouden van een zaak zoals de mijne, zegt Testa. Een groot restaurant zoals Checco allo Scapicollo heeft dagelijks voor gemiddeld 1.500 euro kosten. Allerlei rekeningen, huur, personeelskosten, elektriciteit, water, onderhoud, taksen allerhande, teveel om op te noemen.

Alles bij elkaar heb ik tot nu toe van de regering 30.000 euro ontvangen. Daar kom ik dus nog maar amper een maand mee toe, enkel om mijn gewone vaste kosten te betalen. Wij kunnen gelukkig nog aan catering doen, maar toch zijn de inkomsten met meer dan de helft gedaald.

Ik kan nog ongeveer 120.000 euro per maand factureren. Dat lijkt veel, maar voor een zaak zoals de onze is dat lang niet genoeg om rendabel te zijn. Als de lockdown blijft duren, dan moeten we sluiten, zo simpel is het, zegt Testa.

Zoals Francesco zijn er duizenden zaakvoerders in Rome. De besmettingen komen niet van de restaurants want die zijn dicht. Toeristen kunnen het virus ook niet verspreiden want die zijn er niet. De besmettingsbronnen zijn te zoeken in de kantoren waar nog gewerkt wordt en waar niet of onvoldoende wordt gecontroleerd of bij het openbaar vervoer, zegt Stefano Donghi, de voorzitter van de vereniging van touroperators in Rome.

Ook zijn sector vraagt om vanaf 1 februari weer aan het werk te kunnen gaan. Een derde van de reisbureaus heeft sinds april nog geen enkele financiële tegemoetkoming gekregen. De andere collega’s hebben sinds augustus niets meer ontvangen. Het hoeft niet gezegd dat dit onmenselijk en onhoudbaar is. Als er nu niet snel iets gebeurt krijgt Rome een economische klap die het in jaren niet meer te boven zal komen, besluit de voorzitter.

Premier Conte dient ontslag van zijn regering in

26 januari 2021

Zoals verwacht heeft premier Giuseppe Conte vandaag bij president Sergio Mattarella het ontslag van zijn regering aangeboden. Het tweetal sprak een half uurtje met elkaar op Palazzo del Quirinale. Nadien bracht de ontslagnemende premier ook de voorzitters van de Kamer en de Senaat officieel op de hoogte.

De regering Conte-II werd in een crisis gestort nadat Matteo Renzi, de leider van de kleine partij Italia Viva, zijn ministers terugtrok uit de coalitie. Daardoor verloor Conte zijn meerderheid.

Conte, die vorige week nog een vertrouwensstemming in de kamer en de senaat overleefde, rekent wel op een doorstart en hoopt dat Mattarella hem snel een mandaat zal geven om een nieuwe en sterkere regering te vormen. De kans is groot dat de president dat ook zal doen, al hangt dat af van de ontmoetingen die Mattarella morgen met de verschillende partijleiders zal hebben.

Op twee partijen na zit ook niemand te wachten op het andere alternatief: vervroegde verkiezingen. De kans is groot dat de extreem-rechtse partijen Lega van Matteo Salvini en Fratelli d’Italia bij een volgende stembusgang een forse overwinning zullen boeken, een scenario dat de huidige regeringspartijen doet huiveren. Salvini stuurde al een bericht de wereld in waarin hij verklaarde dat het moment van de waarheid is aangebroken.

italia

De ontslagnemende premier wil vooral onafhankelijke senatoren lokken om opnieuw een meerderheid te kunnen vormen. Hij heeft daarvoor de voorbije dagen al pogingen gedaan, maar die hebben tot nu toe echter minder succes gehad dan verwacht.

Het is dus lang niet zeker of de regering Conte-III er ooit zal komen. Evengoed kan Mattarella na de consultatie van de verschillende partijleiders beslissen om een andere formateur of een technocraat aan te stellen. In dat verband werd al meermaals de naam van Mario Draghi (73) genoemd, de voormalige voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB).

Strikt genomen moest de regering nog niet opstappen. Maar omdat er binnenkort een aantal belangrijke stemmingen in de Senaat op komst zijn en de coalitiepartijen zich de schande wilden besparen om daar geen meerderheid te halen, hebben ze voor de vlucht vooruit gekozen en Conte gevraagd om toch het ontslag van de regering aan te bieden.

Vooral de Partito Democratico (PD) had daarop aangedrongen. De ontslagnemende regering wordt ook nog altijd gesteund door de MoVimento 5 Stelle (M5S) en het kleine Liberi e Uguali (LeU). Het dissidente Italia Viva vertegenwoordigde amper 3 procent in de coalitie, maar was wel nodig om die te kunnen vormen.

De politieke crisis komt op een bijzonder slecht moment. Italië is zwaar getroffen door de Covid-19 pandemie. In de grote toeristische sector en alle aanverwante diensten liggen alle activiteiten al bijna een jaar stil. Het land bevindt zich ook in de ergste economische recessie sinds de Tweede Wereldoorlog. Op dit moment kan Italië elke periode van politieke onzekerheid zeker missen. Toch is dat nu precies de situatie waarin het land zich bevindt.

Verloren gewaand schilderij Guido Reni keert terug naar de Galleria Borghese

26 januari 2021

Een eeuwenlang verloren gewaand schilderij van Guido Reni (1575-1642) is vanaf dit najaar opnieuw te bewonderen in de Galleria Borghese, tenminste indien de musea in Rome ooit nog eens opnieuw de deuren openen. Kunstliefhebbers worden stilaan wanhopig in deze virustijden. Maar dat terzijde.

Het doek Danza Campestre dook in 2008 op in Londen, werd aanvankelijk toegeschreven aan andere meesters en uiteindelijk pas in 2017 erkend als een origineel werk van Reni. Nu is het schilderij voor het eerst na vele eeuwen weer terug in Rome.

borghreni(6)

Het schilderij werd lange tijd als verloren beschouwd. Waar het al die tijd is bewaard gebleven of welke omzwervingen het heeft gemaakt, valt niet meer te achterhalen.

Het doek was destijds nochtans goed bekend, want het is opgenomen in de originele inventaris van kardinaal Scipione Borghese (1577-1633), die net als paus Paulus V (1550-1621) een grote liefhebber was van het werk van Guido Reni.

De kunstenaar schilderde deze Danza Campestre omstreeks 1602, in het begin van zijn verblijf in Rome, waarna het werk meteen terechtkwam in de collectie van Scipione Borghese.

Scipione Borghese was een behoorlijk fanatieke kunstverzamelaar en een beschermer van de kunsten in het algemeen. Als lid van de familie Borghese was hij onder meer de beschermheer van de schilder Caravaggio en de kunstenaar Bernini.

Scipione Borghese (foto hieronder) gebruikte de immense rijkdom die hij als kardinaal verwierf om één van de grootste en meest indrukwekkende kunstcollecties van Europa samen te stellen.

borghreni(7)

Hij kocht op grote schaal werken van de meest vooraanstaande schilders en beeldhouwers van zijn tijd. Scipione werd daarbij gewillig geholpen door zijn zijn oom Paulus V (Camillo Borghese) die zijn relaties en invloed gebruikte om voor zijn neef kunstwerken te verwerven die hem interesseerden, maar schijnbaar onbereikbaar waren.

Scipione ontwikkelde op de Pincio-heuvel in Rome een groot landgoed met tuinen en wijngaarden (het park dat we vandaag kennen als Villa Borghese, maar dat er toen heel anders uitzag) en bouwde een palazzo om zijn enorme collectie in onder te brengen. Dat is de huidige Galleria Borghese.

Omdat het gebouw na verloop van tijd te klein werd, zou hij later ook nog de Villa Mondragone in het zuiden van Rome (toen nog gelegen op het grondgebied van Frascati, vandaag hoort het gebouw bij de gemeente Monte Porzio Catone) gebruiken om zijn alsmaar groeiende verzameling te kunnen plaatsen.

Na de renovatie van Villa Borghese in 1775 (het palazzo was sinds de zeventiende eeuw altijd een semi-openbaar museum geweest), groeide die plek dankzij de fantastische sculpturen en kunstwerken van de Borghese-collectie uit tot de huidige Galleria Borghese, één van de spectaculairste kunstmusea ter wereld.

borghreni(9)

Het gebouw zelf, met de enorme barokke plafonddecors, draagt alleen maar bij tot de monumentale nalatenschap van Scipione Borghese.

Hoewel latere generaties een aantal kunstwerken van de kardinaal wereldwijd hebben verspreid, zowel via verkoop als door diplomatieke schenkingen, vormt de verzameling van Scipione Borghese vandaag nog altijd de grote kern van het museum.

De Danza Campestre van Guido Reni werd in het verleden wellicht eveneens verkocht of weggeschonken – dat is niet meer te achterhalen – maar keert nu dus terug naar de plek waar het doek voor de eerste keer te bewonderen was.

De verwerving van Danza Campestre is het eerste belangrijke wapenfeit van Francesca Cappelletti, de nieuwe directeur van de Galleria Borghese, hoewel de procedure al veel eerder in gang werd gezet door haar voorganger Anna Coliva.

Toen het schilderij in 2008 onverwacht opdook op een antiekmarkt in Londen, legde aanvankelijk niemand de link met Guido Reni. Het werk werd toegeschreven aan een anonieme kunstenaar uit Bologna.

Dat het werk toch aan de anonimiteit werd onttrokken, is te danken aan kunsthandelaar en antiquair Patrick Matthiessen die ervan overtuigd was dat het hier ging om een originele Reni.

De man die in Londen eigenaar is van de Matthiesen Gallery, zowel een commerciële kunstgalerij als een kunstmuseum, begon aan een langdurige speurtocht die uiteindelijk duidelijk maakte dat het inderdaad een doek van Reni was en dat het bovendien oorspronkelijk deel uitmaakte van de Borghese-collectie.

De originele inventaris en de beschrijving van het schilderij door Scipione Borghese brachten absolute zekerheid. Patrick Matthiessen nam het doek in 2017 op in zijn catalogus, waarna het werd gekocht door kunstgalerij Fondoantico in Bologna.

Die presenteerde het op zijn beurt in maart vorig jaar op de bekende kunst- en antiekbeurs TEFAF in Maastricht. De Galleria Borghese aarzelde niet en kocht het schilderij voor ongeveer 800.000 euro. Op 23 december arriveerde het kunstwerk weer in Rome.

borghreni(12)

Francesca Cappelletti hoopt het schilderij dit najaar te kunnen presenteren aan het publiek, samen met een aantal andere werken uit dezelfde periode. Dit om het werk van Guido Reni in de juiste context te kunnen plaatsen, maar vooral om de kunstenaar te herontdekken. Al te vaak wordt Reni door het grote publiek nog steeds beschouwd als een classicus en academicus, met een niet zo gevarieerd oeuvre.

Wie het werk van Reni bestudeert merkt echter al gauw de buitengewone expressieve manier waarop hij personages op het doek tot leven weet te brengen. Het talent van Guido Reni is vaak onderschat. Guido Reni was pas 27 toen hij de Danza Campestre schilderde, maar zelfs toen al zag een kenner als Scipione Borghese het grote potentieel en het talent van de jonge kunstenaar.

Na de dood van Annibale Carracci (1560-1609) beschouwde de kardinaal Guido Reni als de belangrijkste schilder die op dat moment in Rome aanwezig was. Caravaggio was toen al (in 1606) gevlucht uit Rome.

Het heuvelachtige landschap, het decor waarin onze personages zich bevinden, is bezaaid met een kasteeltje, boerderijen, een kerkje en een kleine burcht. Een kring van netjes geklede mensen, met de vrouwen zittend op banken, terwijl de mannen, waarvan er verschillende gewapend zijn met musketten of vuurroeren (klaar voor een jachtpartij?) lijken te waken over de sereniteit van het moment.

borghreni(4)

Het schilderij roept een aantal vragen op. De edelste dame, of alleszins degene met de meeste durf, staat in het midden van de open ruimte en lijkt een dans te hebben gegeven aan een jongeman in een wat meer bescheiden kostuum die haar hand vastpakt met zijn rechterhand, terwijl zij in de andere nog haar verfrommelde hoed vasthoudt, zodat de scène halverwege tussen smeekbede en dans blijft hangen.

De violist, die haast smekend naar het paar kijkt, lijkt aan te dringen op de tweede optie. Hij zit duidelijk te wachten om een deuntje te spelen. Een andere muzikant heeft zijn conclusies al getrokken. Hij houdt zijn luit nog vast, maar staat op het punt eerst een flinke slok te nemen uit een fles wijn die hij lekker koel bewaart in een stromend riviertje.

borghreni(18)

Vlak naast hem slaapt iemand, het hoofd op de armen, leunend tegen een houten bank, wellicht al dronken. De fles ernaast is een stille getuige en lijkt dat te suggereren.

Een jongedame pronkt met haar onverschilligheid, het hoofd op haar arm en ostentatief wegkijkend van het bijna dansende koppel, net alsof het haar allemaal niet interesseert. Vandaag zou ze een mooie horloge hebben gedragen; ze had er dan zeker op gekeken.

Vreemd, want bijna alle anderen kijken nieuwsgierig toe naar wat er gaat gebeuren. Is zij jaloers? Ongeduldig? Verveelt ze zich? Is het gezelschap haar te min? Alleen de grootmoeders doen normale dingen: die houden zich noodgedwongen met de jongste van het gezelschap bezig.

borghreni(17)

Het hele groepje mensen is een beetje vreemd, een allegaartje van verschillende sociale klassen die terechtgekomen zijn op een dansfeestje op het platteland. Sommigen lijken zelfs wat verlegen of voelen zich een beetje ongemakkelijk.

Misschien is er een eenvoudige uitleg voor wat we hier allemaal zien. De vele mannen, de zogenaamde jagers, vormen misschien het escorte van een groep edele dames of een voornaam gezelschap. Ze zitten allemaal aan de linkerzijde van het schilderij.

Ze waren wellicht op daguitstap, eventjes buurten in een ander kasteel, en botsten op een vrolijke bende dorpelingen. Op aandringen van één van de dames (de danskandidate?) hield het gezelschap een tijdje halt, vastbesloten om even mee te genieten van de zorgeloze en argeloze pret en het eenvoudige leven op het platteland.

Eén opmerkelijk detail springt letterlijk in het oog. Volgens de toen wijdverbreide smaak voor trompe l’oeil worden twee vliegen afgebeeld op het doek, net alsof ze de toeschouwer willen aansporen ze met de hand even weg te jagen. Op een foto zijn de vliegjes moeilijk te zien, maar het is op een fantastische manier gedaan. Zoek ernaar als je dit doek in de toekomst eens in het echt kan zien.

borghreni(10)

GUIDO RENI – ACHTERGROND

De schilder, tekenaar en etser Guido Reni werd geboren op 4 november 1575 in Calvenzano di Vergato, nabij Bologna. Hij kreeg zijn vorming in het atelier van de Antwerpse schilder Denijs Calvaert (1540-1691) die een groot deel van zijn leven in Bologna woonde en werkte.

Calvaert runde eigenlijk een soort schilderacademie, waar hij een honderdtal leerlingen had verzameld. Behalve Guido Reni werden ook Francesco Albani (1578-1660) en Domenichino (1581- 1641) door de Vlaming Calvaert gevormd.

Na de dood van Calvaert werkte Reni een tijd in het atelier van de gebroeders Carracci en trok omstreeks 1601 voor het eerst naar Rome. Daar raakte hij al snel in de gunst van kardinaal Scipione Borghese, die altijd oog had voor jonge, beloftevolle kunstenaars.

Guido Reni maakte snel naam met zijn barokke fresco’s, onder andere in de San Gregorio Magno (1608-1610) en met zijn beroemde Aurora (1613-1614) in het Palazzo Rospigliosi Pallavicini. Dit laatste werk zou de bewondering van generaties toekomstige kunstenaars afdwingen.

In 1616 vestigde Guido Reni zich definitief in Bologna. Zijn meesterschap over coloriet en stofuitdrukking, evenals zijn gevoelige tekenwijze, blijkt uit zijn grote altaarstukken en doeken zoals Kindermoord in Bethlehem (1611) en Samson als overwinnaar (1611), beiden te zien in de Pinacoteca in Bologna.

Reni was bovendien een voortreffelijk portrettist. Zijn werk werd na 1616 strenger classicistisch, met een zilverig schijnsel van een koeler palet. Na 1630, tegen het einde van zijn leven, hanteerde hij een stijl die men ‘onaf’ zou kunnen noemen, schetsmatig en met een naar abstractie neigende monochromie. Hij overleed op 18 augustus 1642.

Het gebeurt wel vaker, maar toch zijn er maar weinig schilders in de kunstgeschiedenis die zo razendsnel tot de toppen van de roem zijn opgeklommen en later weer een tijdlang behoorlijk diep zijn gezonken.

Tot ruim een eeuw na zijn dood waren kenners het erover eens dat Guido Reni zijn inspiratie aan engelen moest hebben ontleend. Men was er van overtuigd dat indien Rome plots van de aardbol zou verdwijnen, alleen het verlies van Rafaël en Guido Reni betreurd zou worden. Bernini vond dat hij ‘beelden uit het paradijs’ schilderde.

In 1601 of 1602 arriveerde Reni, net als Giovanni Lanfranco (1582-1647) en Domenichino, in Rome en ondergaat daar gedurende korte tijd de invloed van Caravaggio, maar weldra werd Rafaël de grote inspiratiebron voor de stijl van de jonge meester.

In Reni’s oeuvre vindt men dan soms ook een soort religieuze sentimentaliteit terug die een combinatie is van Caravaggio en Carracci. Na de dood van Carracci werd Reni zowel in Rome als in Bologna de belangrijkste schilder. Hij leidde een groot en vruchtbaar atelier, waaruit (vooral) religieuze werken over heel Europa werden verspreid.

Omdat Reni er telkens opnieuw in slaagde mooie en engelachtige vrouwenfiguren te schilderen, zond zijn collega Il Guercino (1591-1666) een van zijn dienaars naar Reni om te zien op welk prachtig model hij zich baseerde. Dat moest immers een fantastische vrouw zijn.

Reni riep een van zijn helpers bij zich en liet hem poseren. Reni schilderde daarop een van zijn mooiste vrouwenfiguren, wendde zich tot de verbaasde dienaar en beval hem tegen Guercino te zeggen dat de ware schoonheid in het hoofd van de kunstenaar zit.

guidoreniZelfportret (circa 1635)

Jaloerse concurrenten van Reni verspreidden het verhaal dat de schilder ooit door zijn medewerkers een zwerver had laten oppakken en hem aan het kruis nagelde opdat de meester de doodstrijd realistisch zou kunnen uitbeelden.

Van zichzelf beweerde Reni dat hij zijn leven lang maagd was gebleven, maar hij was wel gekend als een fanatieke gokker. Van Guido Reni werden ongeveer 250 werken en zowat 500 tekeningen gecatalogeerd.

Nadat Reni eeuwenlang werd beschouwd als de beste schilder na Rafaël, schreef de zelf niet onbesproken maar invloedrijke Britse kunstcriticus John Ruskin (1819-1900) hem in zijn essay ‘Modern painters’ (1846) naar de verdoemenis. Kunst moest volgens Ruskin in de eerste plaats waarheidsgetrouw zijn aan de natuur.

In 1877 werd Ruskin door de Amerikaanse schilder Whistler aangeklaagd wegens smaad, toen hij één van diens werken omschreef als “een uitgegoten pot verf”. Ruskin verloor het proces, moest een schadevergoeding betalen en nam ontslag als professor aan de Universiteit van Oxford.

Zijn commentaar over Guido Reni bleef echter lang hangen. Jaren later verklaarde de Amerikaanse verzamelaar en kunsthistoricus Bernard Berenson (1865 1959) nog steeds “dat wij ons van Reni afkeren met een onuitsprekelijke afschuw”.

Berenson was één van de eerste kunsthistorici die zich volledig had toegelegd op de bestudering van schilderijen uit de Italiaanse Renaissance. Hij werkte als adviseur voor particuliere kunstverzamelaars en gaf daarnaast vaak advies aan invloedrijke kunsthandelaars.

Waaraan Guido Reni het had verdiend om zo afgekraakt te worden is nooit duidelijk geworden. Feit is dat het werk van Reni, die er trots op was “gezichten te kunnen schilderen met hun ogen op honderd verschillende manieren ten hemel geheven”, door latere generaties plots een hele tijd niet meer naar waarde is geschat. Vandaag is dat weer helemaal anders.

De aankomst en de voorstelling van het schilderij in de Galleria Borghese door Francesca Cappelletti kan je bekijken in dit filmpje (6,5 minuut, Italiaans)