Manuscript Mysteries VI – Cornelia en de Bataven

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.

Vandaag aflevering 6 van Manuscript Mysteries: Cornelia en de Bataven.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is de zesde bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

Deze aflevering van Manuscript Mysteries is opgedragen aan de herinnering aan mijn onlangs onverwacht overleden (oud)collega’s Céline Van Hoorebeeck en Jeanine De Landtsheer.

* * * * *

‘Cornelia was een dame’ zei de Grote Speurder, ‘Zonder enige twijfel. Een dame, een persoon van stand.’

Cornelia was de jongste dochter van P. Cornelius Scipio Africanus de Oude (263-183 v.Chr.), de overwinnaar van Hannibal in de Tweede Punische Oorlog, en Aemilia Tertia.

Zoals alle Romeinse meisjes en vrouwen, droeg Cornelia alleen haar familienaam. Ze trouwde met Tiberius Sempronius Gracchus, een verdienstelijk staatsman die tamelijk jong overleed, in 153 v.Chr.

Van de twaalf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bereikten slechts drie de volwassenheid, een meisje en twee jongens. Het meisje, Sempronia, trouwde met Scipio Aemilianus, eigenlijk een Aemilius die door een Cornelius Scipio geadopteerd was en daarom Aemilianus heette.

Wie niet meer kan volgen, gelieve niet te panikeren: Romeinse stambomen zijn notoir ingewikkeld, met de Julio-Claudiërs als absoluut hoogtepunt. Zo waren de kleinzonen van keizer Augustus zijn zonen, en dat kwam niet door incest, maar omdat hij de zonen van zijn dochter Iulia als zijn eigen zonen geadopteerd had.

angelica_gracchiCornelia, moeder van de Gracchen.
(Angelica Kauffman, 1785).

Sempronia speelt verder in de geschiedenis geen rol van betekenis, zij staat geheel in de schaduw van haar twee broers. Díe maakten namelijk wel zeker geschiedenis en horen zowat tot de enige min of meer deugdzame Romeinen (naast Spartacus, maar dat was geen Romein natuurlijk) in die goede oude Sovjet-historiografie.

Tiberius Sempronius Gracchus was volkstribuun in 134 v.Chr. De situatie in Rome was nijpend (maar dat is ze eigenlijk altijd, dus niets nieuws onder de zon).

Doordat Rome na het eind van de Tweede Punische Oorlog (218-202 v.Chr.) zich steeds meer was gaan bezighouden met de politieke zaken in het Oosten (favoriete bezigheid van westerse politici tot op de dag van vandaag, en niet altijd met even positieve gevolgen, om het eufemistisch te zeggen), waren de boeren-soldaten die de ruggengraat van het Romeinse leger vormden, steeds vaker van huis, zodat de kleine boerderijen langzaam maar zeker ten onder gingen.

De rijke grootgrondbezitters werden steeds rijker en wisten op kosten van de oude boerenstand enorme landgoederen of latifundia te verwerven, die ze lieten bewerken door slaven. Bovendien pikten ze steeds meer staatsland, ager publicus in. Kortom, de rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer. Och, niets nieuws onder de zon, dus.

Die werklozen troepten in Rome samen, waar ze het aartsmodel werden voor de Sovjet-historiografie: het proletariaat. Deze arme bevolkingslaag had slechts twee dingen: kinderen en stemrecht. Die kinderen interesseerden niemand, maar dat stemrecht was uiteraard wél interessant voor de heren politici. Och, kom, niets nieuws onder de zon, ik heb het al gezegd.

Vanaf de tweede helft van de 2de eeuw v.Chr. zullen verscheidene mensen van goede wil proberen een oplossing voor dit probleem te vinden. Cornelia’s zoon Tiberius Sempronius Gracchus was de eerste.

Zijn oplossing bestond uit twee elementen: beperking van de hoeveelheid ager publicus die iemand in zijn eigen bezit mocht hebben, en (gebruikmakend van de grond die daardoor vrijkwam) stichting van coloniae verspreid over heel Italië, waar de arme stadsbevolking opnieuw een eigen bestaan zou kunnen opbouwen.

Geen slecht idee, maar de grootgrondbezitters waren niet erg happig om delen van hun bezit af te staan. Uiteindelijk, goede ideeën hebben zelden veel effect in de politiek. Niets nieuws onder de zon dus (en dit is, zo beloof ik u, de laatste maal dat ik dat zeg).

Tiberius wist uiteindelijk een compromis te bereiken. Maar hij beging één fout. Hij wilde zijn mandaat laten verlengen en dat was tegen de wet. Erger nog, het zag ernaar uit dat hij wel eens succes zou kunnen hebben met zijn streven. Op dat moment vielen senatorialen Tiberius aan en in een bloedbad dat het leven kostte aan 300 personen, kwam ook Tiberius om. De voornaamste beschuldiging was dat hij naar het koningschap streefde en niets zette zoveel kwaad bloed als dat.

‘Een dame, Cornelia was een dame’ zei de Grote Speurder. Cornelia verdroeg de moord op haar zoon met waardigheid die aan de Stoa doet denken. Maar jaren gaan voorbij en kleine Caius, Tiberius’ broer en enig overgebleven kind van Cornelia (met Sempronia natuurlijk, maar die zijn we al zowat vergeten), werd groot. Dat was nog niet zo erg, maar hij wilde in de sporen treden van zijn grote broer, hij wilde ook volkstribuun worden. Hij zou de staat wel eens veranderen.

Dom. Cornelia wist dat, voorzag wat er zou gebeuren. En u weet: moeders hebben altijd gelijk. En u weet: hun kinderen luisteren nooit. Toen Caius in 124 v.Chr. te kennen gaf dat hij zich kandidaat wilde stellen voor het ambt van volkstribuun, schreef Cornelia hem één of meer brieven.

De brieven van Cornelia circuleerden later in Rome en men vertelde er veel goeds van. Cicero schrijft er over (Brutus, 211). Er resten ons nog twee fragmenten van die overgeleverd zijn bij de schamele resten van het oeuvre van Cornelius Nepos (geen familie overigens):

Fragment 1

‘Je zult zeggen dat het iets moois is om je op je vijanden te wreken. Dat lijkt aan niemand belangrijker en mooier te zijn dan aan mij, maar wel op voorwaarde dat het mogelijk is om dat na te streven zonder de staat in gevaar te brengen. Maar als dat niet mogelijk is, laat onze vijanden dan gedurende lange tijd en op vele plaatsen niet te gronde gaan en zo blijven zoals ze nu zijn, liever dan dat de staat ten onder gaat.’

Fragment 2

‘Ik zou in de geijkte bewoordingen durven zweren dat – buiten degenen die Tiberius Gracchus hebben gedood – geen enkele vijand mij zoveel last en lijden bezorgd heeft als jij vanwege deze kwestie, terwijl juist jij van alle kinderen die ik ooit had, hun rol zou moeten opnemen en er voor zorgen dat ik op mijn oude dag zo min mogelijk zorg zou hebben. Bij alles wat je doet, zou je moeten willen dat dat mij zo veel mogelijk plezier zou doen, en je zou het als verboden moeten zien iets belangrijks tegen mijn wil en mening te doen. Kan, vooral omdat ik nog maar kort te leven heb, zelfs deze korte tijd jou niet te baat komen dat je je niet tegen mij verzet en de staat niet te grabbel gooit? Welk einde zal er eindelijk zijn? Wanneer zal onze familie ophouden in waanzin te razen? Wanneer zullen we in die zaak maat kunnen houden? Wanneer zullen we ervan afzien allerlei last te lijden of te bezorgen? Wanneer zullen we er ons voor schamen te staat in verwarring en oproer te brengen? Maar als dit allemaal niet mogelijk is, stel je dan kandidaat voor het ambt van volkstribuun als ik dood ben. Wat mij betreft, doe wat je wilt als ik het niet meer weet. Als ik dood ben, zul je mij dodenoffers brengen en mij als vooroudergod aanroepen. Zul je je op dat moment niet schamen dat je juist die goden met gebeden zult smeken die je toen ze leefden en aanwezig waren, verwaarloosde? Laat Jupiter niet dulden dat dat zal voortduren of dat jou zo’n waanzin in de geest komt! En als je hier mee door gaat, vrees ik dat je voor je hele leven door je eigen schuld zoveel ellende zult ondervinden dat je je nooit zelf recht in de ogen zult kunnen kijken.’

Beste lezer, u hebt deze fragmenten nu gelezen: lees ze nog eens. Deze twee passages zijn de enige ons overgeleverde literaire prozateksten uit de hele klassieke Romeinse literatuur die door een vrouw geschreven zijn. ‘Een dame!’ wijst de Grote Speurder mij terecht. Ja, het is al goed: door een dame.

Tenminste als ze echt zijn. Uiteraard hebben classici de authenticiteit betwist, zoals nu eenmaal alles in de Klassieke Filologie voorwerp van discussie is. Het feit dat er geen parallellen zijn in de rest van Nepos’ oeuvre, geen lange citaten uit redevoeringen of uit brieven, suggereert mogelijk dat ze inderdaad authentiek zijn.

Het haalde evenwel niets uit. Caius stelde zich kandidaat, werd verkozen voor twee jaar (meteen), overwoog om zich nog eens kandidaat te stellen (waar hebben we dat nog gezien?) en werd toen door de senatorialen aangevallen.

Hij verschanste zich aanvankelijk op de Aventijn, maar moest vluchten. Achtervolgd, benam hij zich het leven. Dit keer kostte de verdrijving van een Gracchus 1500 mensenlevens: wie durft nog te zeggen dat de geschiedenis geen vooruitgang kent?

Hoe Cornelia dit heeft verdragen, weten we niet, althans niet uit eerste hand. Blijkbaar heeft ze ook dit verlies met waardigheid gedragen. Cornelia werd voor latere generaties het model van een matrona, een Romeinse dame.

varotari_gracchi
Cornelia Africana, Tiberius Gracchus en Gaius Gracchus
(Alessandro Varotari, 1620)

U vraagt zich wellicht af wat de Grote Speurder hiermee te maken heeft. U kent hem onderhand. Bekend om zijn miraculeuze oplossingen voor ingewikkelde kwesties die hij in een mum van tijd tot opheldering weet te brengen. Maar tot nog toe lijkt er weinig reden voor zijn optreden in het geval van Cornelia.

Kijk, dat is nu fout gedacht.

Ik heb boven al gezegd dat de fragmenten van Cornelia’s brief of brieven (we zijn niet zeker of de twee passages uit hetzelfde document afkomstig zijn of juist niet) zijn overgeleverd met de werken van Cornelius Nepos, over wie u in een vorige aflevering al een en ander hebt kunnen vernemen. De overlevering (of transmissie) van Nepos’ oeuvre is nogal problematisch.

Een van de beste handschriften was dat van Leuven dat op 25 augustus 1914 verbrandde in de Universiteitsbibliotheek. Dat volume stamde uit de tweede helft van de 15de eeuw en lijkt door een monnik van de abdij van Park gekopieerd. Een tweede handschrift uit die periode zit in Leiden, Universiteitsbibliotheek, ms. BPL 2011. Nauw verwant als broer of zus, zijn ze allebei gekopieerd op hetzelfde origineel.

Dat laatste wordt ook geacht de basis te zijn van een handschrift uit het eind van de 12de of begin van de 13de eeuw dat nu in Wolfenbüttel zit (Herzog-August-Bibliothek, ms. Gudianus latinus 166). Dat laatste handschrift is de stamvader van alle andere handschriften, meestal 15de-eeuwse kopieën uit Italië. Klein probleem: de kwaliteit van de codex uit Wolfenbüttel is minder goed dan die uit Leiden en Leuven. Vandaar ook het belang van de helaas verbrande Leuvense Parcensis.

Het gemeenschappelijk origineel van deze drie handschriften wordt (zoals in de nieuwsbrief over de verloren Nepos van Leuven al verteld is) gezocht in de codex Danielis, het handschrift van Pierre Daniel (1531-1604), sinds 1567 baljuw van Saint-Benoît-sur-Loire, die een aantal handschriften van de in 1562 geplunderde en vernielde abdij van Fleury heeft ‘gered’.

Deze codex Danielis is de Heilige Graal van alle Neposuitgevers. Maar hier beginnen de problemen pas, want er wordt een ander handschrift vermeld in de oude edities, de codex Gifanianus die eigendom geweest zou zijn van ene Hubertus van Giffen (1534-1604) uit Buren (provincie Gelderland, in de Betuwe), eveneens jurist en filoloog. Van Giffen zou na een reis naar Italië rechten doceren in Straatsburg, Altdorf, Ingolstadt en Praag.

Hij publiceerde een editie van het leerdicht De rerum natura van Lucretius in Antwerpen bij Christophe Plantin in 1565-1566. In die editie vermeldt hij een aantal parallelvoorbeelden voor woorden en constructies uit Nepos en hij verwijst daarbij naar een oud handschrift in zijn bezit: uetus meus codex. Ook in een brief aan de beroemde Justus Lipsius (1547-1606) uit 1594 verwijst hij nog naar een Neposhandschrift.

lucretius_vangiffen

Dus: waren er dan twee handschriften? Die allebei van dezelfde kwaliteit waren? Of gaat het maar om één exemplaar en heeft Van Giffen dat van Daniel gekregen of juist Daniel van Van Giffen? En waar kwam dat dan vandaan? Uit Fleury waar Daniel actief was, maar waar in de oude catalogi geen Neposhandschrift vermeld wordt? Of uit de Nederlanden waar de twee kopieën die wij kennen als de handschriften van Leuven en Leiden, vandaan komen? Als het handschrift uit de Nederlanden komt, hoe komt Daniel er dan aan? En als het uit Fleury komt, hoe kan Van Giffen het dan citeren?

Tot nog toe heeft niemand dit raadsel tot tevredenheid kunnen oplossen en de knoop kunnen ontwarren. Het is als een hond die in zijn eigen staart probeert te bijten: het arme dier rent en rent en rent en het krijgt zijn staart nooit te pakken. U raadt het al: dit is een zaak voor de Grote Speurder.

Maar het kan nog veel ingewikkelder! Niemand heeft nog echt gekeken naar het Brusselse ms. 9884-89.

Ms. 9884-89 is een 16de-eeuwse kopie van een paar middeleeuwse historische teksten. Het was eigendom van een zekere Antonius Caucus = Antonius van Cuijk (1530-1600). Vervolgens kwam het terecht bij de Antwerpse jezuïet en filoloog Andreas Schottus (1552-1628), zowat het laatste echte intellectuele genie dat de Scheldestad heeft voortgebracht.

cornelia(1)

Schottus voegde op f. 160-161 twee teksten uit het oeuvre van Nepos toe, diens leven van Cato de Oude (Vita Catonis) en de Corneliafragmenten. De latere geschiedenis van dit handschrift is eenvoudig: Schottus liet het na aan de Antwerpse jezuïeten die het onderbrachten bij de groep Bollandisten (sinds 1643 bezig met een groot wetenschappelijk project om alle heiligenlevens wetenschappelijk uit te geven, ze zitten nu begin december in het kerkelijk jaar).

Vandaar werd het bij de opheffing van de jezuïeten door Jozef II in 1778 naar de toenmalige Koninklijke Bibliotheek in Brussel gebracht, de voorloper van de huidige, waar het afgezien van een Parijsreis tijdens de Franse periode nog altijd zit.

De Grote Speurder ging er eens rustig voor zitten. Hij sloeg het volume behoedzaam open en bladerde tot aan f. 160. Toen knikte hij en zei: ‘Kijk! Schottus vermeldt waar hij zijn wijsheid vandaan heeft. Heel verstandig. Precies wat men van de laatste verstandige Antwerpenaar kan verwachten.

Maar’ zo voegde de Grote Speurder er aan toe ‘hij heeft de twee teksten op een andere manier gekopieerd. Het leven van Cato de Oude heeft hij uit een editie genomen en daarbij in de marge variante lezingen genoteerd. Ex codice Batavico ‘Uit een Bataafs boek’. Wel, wel. En de Corneliafragmenten komen blijkbaar rechtstreeks uit die codex Batavicus. Heel interessant.’

Bij het horen van wat de Grote Speurder zei, verschoot ik van kleur: ‘Een codex Batavicus? Dus nóg een ander handschrift?’

De Grote Speurder keek mij vriendelijk aan en schudde het hoofd, nauwelijks merkbaar, maar toch onmiskenbaar. ‘Soms moet men de zaken ingewikkelder maken om ze simpeler te maken’ zei hij. ‘Dat zei Don Camillo ook al in de vierde film.’ Don Camillo was een favoriet van de Grote Speurder. Hij was zelfs een keer speciaal naar Brescello gereisd en had daar in de sporen van Don Camillo en Peppone gelopen. Tot aan de Po.

Wie in de wetenschappelijke literatuur gaat zoeken, zal weinig vinden over de codex Batavicus. De geleerden zijn het eens (goed: bijna eens) dat het om hetzelfde handschrift als de codex Gifanianus gaat, maar veel meer weet men er niet over te vertellen.

De naam Batavicus wijst natuurlijk op de Bataven. Na hun optreden in de oudheid als soldaat in het Romeinse leger en als keizerlijke lijfwacht en hun opstand waren ze bijna vergeten tot de eerste humanisten ze weer van onder het stof haalden. En toen begon een tweede Bataafse opstand.

Want aan de ene kant eisten de Hollandse humanisten (d.w.z. uit het graafschap Holland, dus Dordrecht, Leiden, Gouda, Delft, Haarlem, Amsterdam en Rotterdam) op dat de Bataven bij hen hadden gewoond en dat zij dus de rechtmatige opvolgers waren, maar van de andere kant stelden de Gelderse humanisten dat juist Gelre de bakermat van de Bataven was geweest, dus Nijmegen, Tiel, Zaltbommel en… Buren waar Van Giffen geboren was. Dat had zich allemaal in de vroege 16de eeuw afgespeeld.

(Overigens, voor wie het interesseert: de Gelderse humanisten hadden gelijk. Het kerngebied van de Bataven was de Gelderse Betuwe. In het huidige Holland woonden de Caninefaten. De naam Lugdunum Batavorum voor Leiden is dan ook niet correct en je vindt deze dan ook niet in de oudheid (wel: Lugdunum alleen). Het gaat om een uitwas van deze humanistentwist.)

Toen de Tachtigjarige Oorlog in de tweede helft van de 16de eeuw begon, zag men in de Bataven en hun opstand van 69-70 helemaal voorlopers en de Republiek der Verenigde Nederlanden was zeer Bataafsgezind. De voornaamste nederzetting in Oost-Indië heette niet voor niets Batavia (nu: Jakarta).

Toen de Fransen in 1795 de Republiek binnenvielen, stichtten zij daar een satellietstaat met de naam Bataafse Republiek. Sindsdien is de Bataafse belangstelling in Nederland wat bekoeld.

cornelia(2)

Maar één ding is duidelijk: de codex Batavicus kwam uit de Noordelijke Nederlanden, uit Holland of uit Gelre, uit het land van Van Giffen. En daar had waarschijnlijk een zekere Johannes van Cuijk het handschrift gebruikt voor zijn zeldzame editie van Nepos die in Utrecht in 1542 verscheen.

Van Cuijk? U herkent de naam? Inderdaad: Johannes wordt geacht de vader te zijn van Antonius, de bezitter van ms. 9884-89. Maar dat is nog niet genoeg. Historisch vallen bepaalde factoren samen en rechtvaardigen de identificatie van de codex Batavicus en de codex Gifanianus, maar we moeten ook nog tekstbewijs hebben.

Voor één keer lijkt het geluk een beetje aan onze kant te staan, want er zijn nog twee reeksen variante lezingen uit de Gifanianus bekend. Een ervan is te vinden in de Parijse Neposeditie die Jean Savaron in 1602 op de markt bracht, de andere bevindt zich in een handschrift in de Vaticaanse bibliotheek, ms. Reginensis latinus 768, waarin een zekere Paul Petau een paar lezingen uit de codex Gifanianus in de marge gezet heeft. In beide gevallen gaat het om lezingen voor de Corneliafragmenten.

Helaas moet het enthousiasme weer wat getemperd worden, want de kopiist van het zeer fraaie ms. Reg.lat. 768 was een groot kalligraaf, maar een slecht kopiist en de tekst wemelt van de fouten. In feite staan alle lezingen die Petau uit de codex Gifanianus noteerde, ook in het handschrift van Wolfenbüttel, zodat we geen basis hebben om de twee tegenover elkaar te plaatsen.

De lezingen uit ms. 9884-89 komen in alle gevallen met de Gifanianus overeen, maar er is verder maar één echt verschil met de codex uit Wolfenbüttel. In ieder geval lijkt de aanname dat de codices Batavicus en Gifanianus dezelfde zijn, gerechtvaardigd, ook al is ons bewijsmateriaal heel spaarzaam.

cornelia(2)

‘Kijk’ zei de Grote Speurder, ‘nu zitten we op de goede weg. We kunnen dus bewijzen dat er in ieder geval een goed handschrift van Nepos in de Nederlanden was, dat als model gediend moet hebben voor de handschriften in Leuven en Leiden. Dat is 2 tegen 1. Zie je wel, dat de dingen compliceren ze eenvoudiger maakt? Nu de Danielis nog!’

‘In feite is de zaak veel eenvoudiger dan ze eruit ziet,’ voegde de Grote Speurder er verder aan toe. ‘Iedereen heeft het over de codex Danielis, maar niemand weet waar men het over heeft. Als je gaat kijken naar het historisch bewijs, dan blijkt dat dat flinterdun is. We kennen de codex Danielis eigenlijk alleen uit een Neposeditie die in 1608 in Frankfurt op de markt kwam.

De uitgever zegt daarin dat hij gebruik heeft gemaakt van een exemplaar van een oudere editie uit 1543, waarin Pierre Daniel in de marge uit een handschrift een reeks variante lezingen heeft genoteerd. Helaas niet voor de Corneliafragmenten of voor het leven van Cato, zodat we niet kunnen vergelijken, maar dat mag ons niet deren.

‘Met andere woorden: niemand heeft ooit dat handschrift van Daniel gezien. Erger nog: niemand heeft doorgehad dat Daniel helemaal geen handschrift van Nepos hád! Er was maar één handschrift en dat was dat van Van Giffen die het in zijn Lucretiuseditie uit 1565-1566 gebruikt.

De twee kenden elkaar uit Orléans, waar ze allebei studeerden op datzelfde moment. Van Giffen heeft Daniel zijn handschrift laten zien en deze heeft in zijn eigen exemplaar van Nepos een reeks varianten uit het handschrift van zijn vriend genoteerd. Kortom: DE CODEX DANIELIS HEEFT NOOIT BESTAAN. DE HEILIGE GRAAL BESTAAT NIET.

En daarmee vervallen alle problemen in één keer. Daniel heeft geen Nepos uit Fleury gehaald, hij heeft niet op een mysterieuze wijze een handschrift uit de Nederlanden bemachtigd dat hij dan aan Van Giffen zou hebben gegeven, hij heeft ook geen handschrift van Van Giffen gekregen, althans niet écht gekregen: hij heeft het wel mogen consulteren. Maar dat rechtvaardigt niet dat we spreken over een codex Danielis.

‘Maar om terug te keren tot Cornelia. Omdat noch het Leidse noch het Leuvense handschrift de Corneliafragmenten hadden, blijft er voor de teksttraditie alleen het handschrift in Wolfenbüttel over én ms. 9884-89. Het Brusselse handschrift bevat de enige passage continue tekst die rechtstreeks uit de codex Gifanianus is gekopieerd en is dus voor de Corneliafragmenten eigenlijk onze beste en meest betrouwbare bron.

‘De enige prozafragmenten uit de klassieke Latijnse literatuur die door een vrouw geschreven zijn, zijn ons dus het best bekend uit een Brussels handschrift. En dat heeft niemand ooit gezien of beseft.’

Niemand?

Niemand. Behalve de Grote Speurder natuurlijk. Met complimenten. Ook van Cornelia zelf. Zij was uiteindelijk een grote dame. En dames erkennen altijd de verdiensten van een ander.

suvee_gracchiC
Cornelia, moeder van de Gracchen. (Joseph-Benoît Suvée, 1795).
Deze schilder werd in 1743 geboren in Brugge en was directeur
van de France academie (Villa Medici) in Rome.

APPENDIX

Voor de echte fanaten en voor wie er nu nog niet genoeg van heeft, volgt hier een nieuwe teksteditie van de fragmenten van Cornelia, met kritisch apparaat. A = het handschrift van Wolfenbüttel, B = ms. 9884-89, G = ms. 14635-37 in Brussel als vertegenwoordiger van de Italiaanse afstammelingen van A, R = Reg.lat. 768 uit de Vaticaanse bibliotheek, eveneens als vertegenwoordiger van de Italiaanse 15de-eeuwse kopieën uit de traditie van A.

Door deze twee (G en R) erbij te betrekken ontstaat er een vollediger beeld van wat er allemaal gebeurd is, ook al zijn deze twee handschriften (of de rest) voor de tekstkritiek eigenlijk van geen belang. Zoals gezegd bevatten het ex-Leuvense ms. 4 (P) en het Leidse ms. BPL 2011 (L) de Corneliafragmenten niet.

De moderne conjecturen zijn ontleend aan de standaardeditie van Nepos door P.K. Marshall uit 1977 in de Teubnerreeks. Deze teksteditie zal binnenkort in een wetenschappelijk tijdschrift verschijnen.

U hebt de primeur dus, maar wees er voorzichtig mee! Bij misbruik zal de Grote Speurder u weten te vinden!

Verba ex epistula Corneliae Gracchorum matris ex libro Cornelii Nepotis de Latinis historicis excerpta[1]

Dices pulchrum esse inimicos ulcisci. Id neque maius neque pulchrius cuiquam atque mihi esse uidetur, sed si liceat Republica salua ea persequi. Sed quatenus id fieri non potest, multo tempore[2] multisque partibus[3] inimici nostri non peribunt atque uti nunc[4] sunt, erunt potius quam Respublica profligetur[5] atque pereat.

Eadem[6] alio loco

Verbis conceptis deierare ausim (praeterquam qui Tiberium Gracchum necarunt) neminem inimicum[7] tantum[8] molestiae tantumque[9] laboris quantum te ob has res mihi tradidisse. Quem oportebat omnium eorum (quos antehac[10] habui[11] liberos) parteis[12] eorum[13] tolerare atque curare, ut quam minimum sollicitudinis in senecta haberem. Vtique quaecumque ageres, ea[14] uelles maxime mihi placere atque uti nefas haberes rerum maiorum[15] aduersum meam sententiam quicquam facere. Praesertim mihi cui parua pars uitae restat[16], ne id quidem tam breue spatium[17] potest[18] opitulari quin et mihi aduersere[19], et Rempublicam profliges[20]? Denique quae[21] pausa erit? Ecquando[22] desinet familia nostra insanire? Ecquando modus ei rei haberi poterit? Ecquando desinemus et habentes et praebentes[23] molestiis desistere[24]? Ecquando perpudescet[25] miscenda atque perturbanda republica?[26] Sed si omnino id fieri non potest, ubi ego mortua ero, petito tribunatum. Per[27] me facito quod lubebit[28], cum ego non sentiam. Vbi mortua ero, parentabis mihi et inuocabis deum parentem. In eo tempore non pudet[29] te eorum deum preces[30] expetere, quos uiuos atque praesentes relictos atque desertos habueris? Ne ille sirit[31] Iuppiter te ea perseuerare nec tibi tantam dementiam uenire in animum! Et si perseueras, uereor ne in omnem uitam tantum laboris tua culpa[32] recipias, uti in nullo tempore tute tibi placere possis.

_______________________

[1] Titulum om. AG Fragmentum epistolae Corneliae Gracchorum matris ex eodem libro Cornelii Nepotis B Verba Corneliae matris Graecorum R (Graccorum post corr.).

[2] Multo tempore BAG Marshall malo temperes Bergk.

[3] Aetatibus Petauius artibus H. Peter.

[4] Non R.

[5] Profligeretur G.

[6] Eidem G.

[7] Inimicum expunctum in R nescio utrum a Petauio necne qui in margine add.: > a cod(ice) Gif(aniano), cuius sensus non omnino manifestus (ut iuste annotauit P.K. Marshall in editione Teubneriana).

[8] Tantae A.

[9] Post tantumque add. et ras.B molestie (error scribalis Schotti quem correxit ipse).

[10] Post hac G scripsit hoc, at statim rasit.

[11] Antehac habui BAG ante habuerim R.

[12] Partis Marshall partis R partem Petauius.

[13] Ras. Schottus (at sine dubio erat in eius exemplari) meorum Roth coram Peter. Om. G.

[14] Ei G.

[15] R huc quicquam quod in BA post sententiam legitur, transponit (non corr. a Petauio).

[16] Restat om. A superest GR (non corr. a Petauio).

[17] Post spatium G add. praeter et statim ras.

[18] Potes Petauius. Opitulari potest G.

[19] Aduerseris AGR (Petauius corr. in aduersere.).

[20] Profuges A (ut uidetur; fortasse post corr. in profliges).

[21] Marshall scribit A legere qua et non quae, at non assentio. Puto abbreviationem qua A usus est, eandem esse qua utitur ut m uel n indicet eandemque formam huic scribae propriam esse.

[22] Et quando GR (sic et in sententiis sequentibus).

[23] Habentes et praebentes BAG absentes et presentes R.

[24] Incessere Petauius insistere Nipperdey.

[25] Prependescet G.

[26] Ecquando … republica om. R.

[27] Post R. Per G add. supra lin.

[28] Libebit R (non corr. a Petauio).

[29] Non pudet BAGR num pudebit Petauius non pudebit Marshall ne pudeat Salmasius.

[30] Prece Petauius paces uel pacem Bergk.

[31] Sinat GR.

[32] Culpa tua AGR (non corr. a Petauio) Marshall.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.