Archive for 5 februari 2021

Nieuw circuit voor Formule E-racewedstrijd in Rome

5 februari 2021

Het racecircuit voor de Formule E-wedstrijd in de EUR-wijk in Rome is helemaal vernieuwd. De tijdelijke omloop voor elektrische racewagens behoort nu tot één van de langste circuits in de geschiedenis van het E-Prix kampioenschap. De race in Rome wordt op 10 april gereden.

De Formule E, officieel het ABB Formula E Championship, is een autosportklasse georganiseerd door de FIA (Fédération Internationale de l’Automobile), die enkel elektrische auto’s toelaat.

Het nieuwe circuit is 3,3 km lang en heeft negentien bochten. In de geschiedenis van de Formule E was alleen het 3,4 km lange circuit van Beijing langer. Rome organiseert de E-Prix al sinds 2018.

Het evenement vindt nog altijd plaats in het EUR-district en loopt nog steeds langs enkele belangrijke gebouwen zoals het Palazzo dei Congressi en het Palazzo della Civiltà del Lavoro, ook bekend als het Colosseo Quadrato.

eprix21

Rome is één van de steden waar de start en finish van de E-Prix-piste niet op dezelfde plaats liggen en dat zal ook dit jaar het geval zijn. De bocht van 180 graden na de start – waar in het verleden al eens brokken vielen – verdwijnt en wordt vervangen door een bocht van 90 graden.

Volgens Renato Bisignani, algemeen manager van de Formule E-wedstrijden in Italië, is Rome voor de E-Prix-coureurs één van de beste circuits en werd de omloop door de recente aanpassingen nog spannender.

Rome is een vrij uniek stratencircuit op de Formule E-kalender, want het is een baan met een aantal snelle en vloeiende bochten met verschillende radiussen. Het resultaat is een circuit waar de coureurs het verschil kunnen maken. We hebben de plannen voorgelegd aan het comité voor coureurs en zij waren laaiend enthousiast, want het is een supersnel en uitdagend circuit, aldus Bisignani.

De vorige E-Prix in Rome leverde ongeveer 60 miljoen euro economische winst op. Rome heeft een contract voor de organisatie van de Formule E-wedstrijden tot 2025. Een bijkomend winstpunt is dat de FIA de renovatie van het wegdek zal betalen en het hele circuit opnieuw zal asfalteren.

Een Vlaamse beeldhouwer in de Sint-Pietersbasiliek

5 februari 2021

François (Frans) Duquesnoy en zijn familie

Links van het baldakijn van Bernini in de Sint-Pietersbasiliek, zien we tegen de voorste pijler het beeld van de apostel Andreas, dat door de Vlaming François Duquesnoy, bijgenaamd ‘il Fiammingo’, werd gemaakt. Dat François (of Frans) Duquesnoy de opdracht kreeg voor het vervaardigen van het marmeren beeld van de heilige Andreas, wijst op de grote faam die de Vlaamse kunstenaar toen genoot in Rome, in die tijd het epicentrum van de kunst. Tijd voor een kennismaking met deze in Brussel geboren kunstenaar en zijn familie.

De vier grote pijlers die de koepel van de Sint-Pietersbasiliek ondersteunen werden door Bramante begonnen maar door Michelangelo voltooid. De pijlers werden nadien door Bernini kundig verfraaid.

Hij bekleedde ze met marmer en maakte in de naar het baldakijn gekeerde zijden nissen voor vier enorme, vijf meter hoge heiligenbeelden. Daarvan zou Duquesnoy er dus ook eentje maken.

duquesnoy (1)

De apostel Andreas wordt voorgesteld met het X-vormige kruis (Andreaskruis) waarop hij op traditionele wijze werd vastgebonden – niet genageld – hoewel hij vóór 1400 meestal op een gewoon kruis werd afgebeeld.

De andere beelden stellen voor: de H. Veronica met doek door Francesco Mochi (1580-1654), de H. Helena, moeder van keizer Constantijn de Grote door Andrea Bolgi (1605-1656 ) en de H. Longinus met de speer waarmee hij Jezus doorboorde door Gian Lorenzo Bernini (1598-1680).

Boven deze heiligenbeelden bracht Bernini vier loggia’s aan waarin de voornaamste relikwieën van de kerk werden bewaard.

Boven het beeld van Veronica wordt een stuk van de zweetdoek bewaard waarmee zij het gelaat van Christus depte toen hij op weg was naar Golgotha.

Boven het beeld van de H. Helena bevinden zich fragmenten van het Heilig Kruis, die zij tijdens een bedevaart naar Jeruzalem had bemachtigd, en boven het beeld van Longinus de punt van de lans, waarmee de zijde van Christus werd doorboord.

Die ijzeren spits, vroeger in Byzantium bewaard, werd door sultan Bajazet II in 1492 geschonken aan paus Innocentius VIII (Giovanni Cibo, pontificaat van 1584 tot 1492).

Boven het beeld van Andreas werd de schedel van deze apostel bewaard, afkomstig uit een Grieks klooster in Patras en die in de vijftiende eeuw door de Griekse christenen naar Rome was gebracht en aan paus Pius II (Enea Silvio Piccolomini, pontificaat 1458-1464) werd gegeven.

Maar deze reliek is door paus Paulus VI (Giovanni Montini, pontificaat 1963-1978) in 1965, als gebaar van verzoening, teruggeschonken aan de Grieks-orthodoxe kerk. Bij die gelegenheid hieven de paus en de patriarch Athenagoras I, na bijna duizend jaar schisma, de wederzijdse banvloeken op.

Andreas was de broer van Petrus en wordt beschouwd als de stichter en de eerste bisschop van de kerk van Byzantium. De patriarchen van de Grieks-orthodoxe kerk zien zichzelf als de opvolgers van Andreas, zoals de paus in Rome de opvolger van Petrus is. Volgens de overlevering zou Andreas in Patras in Griekenland gekruisigd zijn.

Het ontwerp van het Andreas-beeld, waaraan Duquesnoy twee jaar had gewerkt, werd vernield door afgunstige collega-kunstenaars. Hij begon er opnieuw aan en toen het beeld bijna voltooid was kreeg François, tot zijn grote teleurstelling, te horen dat zijn Andreas-beeld niet zou worden opgesteld op de voorziene plek in de basiliek, zoals hem beloofd was.

duquesnoy (4)

In juli 1639 was het kolossale beeld van de apostel Andreas eindelijk voltooid en op 2 maart 1640 werd het onthuld in bijzijn van paus Urbanus VIII. Het werd een echte triomf voor il Fiammingo, die nu door de Italianen werd uitgeroepen tot beste beeldhouwer van Rome, na Bernini. En het beeld kreeg nu toch zijn voorziene plaatsing tegen een koepelpijler van de Sint-Pieter.

Rubens was een groot bewonderaar van François Duquesnoy, zoals blijkt uit zijn brief die hij in 1640, ter gelegenheid van de onthulling van het Andreas-beeld, naar zijn collega-kunstenaar stuurde. Rubens zou kort daarna, op 30 mei, overlijden.

Brief van P.P. Rubens aan François Duquesnoy

Ik hoor tot hier de lofbetuigingen over het standbeeld van de Heilige Andreas dat recent werd ingehuldigd. Persoonlijk, en samen met gans onze natie verheug ik mij met u en neem ik deel aan uw glorie.

Was ik niet opgehouden door mijn leeftijd en door de jicht die mijn bewegingen beperkt, dan zou ik daar geweest zijn om de perfectie van uw merkwaardige werken te kunnen bekijken en te bewonderen.

Maar ik hoop dat je naar ons terugkeert en dat de glorie van uw illustere werken ook kan schitteren in Vlaanderen, ons dierbaar vaderland. Ik hoop dat dit gebeurt vooraleer het licht in mijn ogen zal uitdoven. Zo kunnen mijn ogen dan genieten van de schitterende scheppingen die door uw hand werden vervaardigd, en ik buig met veel genegenheid en bid opdat God u een lang en gelukkig leven mag schenken.

Antwerpen, 17 april 1640,
Uw zeer genegen en zeer toegewijde dienaar,
Pieter Paul Rubens

François Duquesnoy
(Brussel 1597 – Livorno 1643)

De beeldhouwer François Duquesnoy werkte bijna zijn gehele loopbaan in Rome en stond er bekend als il Fiammingo of Francesco Fiammingo. De Zuidelijke Nederlanden, vaak in hun geheel Vlaanderen genoemd, werden in zijn tijd min of meer soeverein bestuurd door de aartshertogen Albrecht (zoon van keizer Maximiliaan II) en Isabella (dochter van de Spaanse koning Filips II). Sinds 1581 erkenden de Noordelijke Nederlanden de Spaanse vorst niet meer.

François Duquesnoy is een belangrijke vertegenwoordiger van de classicistische en monumentale tak van de barok die in Rome vanaf de jaren 1620 groot succes kende.

De belangrijkste biografen van François zijn de schilder Giovanni Pietro Bellori (1615-1695), conservator van de antiquiteiten in Rome en bibliothecaris van Christina van Zweden, en de beeldhouwer Giovanni Battista Passeri (1609/1610-1688). Ze waren tijdgenoten en grote bewonderaars van François Duquesnoy.

François Duquesnoy (Du Quesnoy) is in Brussel geboren in een kunstenaarsfamilie. Zijn vader en leermeester was de beeldhouwer Jérôme (Hieronymus, Jeroen) Duquesnoy de Oude. François is de broer van de beeldhouwer en architect Jérôme (Hieronymus) Duquesnoy de Jonge.

In het begin van zijn carrière maakte Duquesnoy kleine beeldjes voor de vrije markt, restaureerde antieke sculpturen, en vervaardigde kleinschalige kopieën naar bekende werken zoals de Torso Belvedere en de Laocoön-groep.

Hij werd ook bekend voor zijn talent om kinderen te beeldhouwen, waardoor hij de naam krijgt een putti-kunstenaar te zijn. De jonge François maakte verbluffende vorderingen en zijn talent en begaafdheid waren zo groot, dat weldra de bestellingen elkaar opvolgden.

Enkele vroege werken van Frans trokken de aandacht van aartshertog Albrecht, die hem de financiële middelen ter beschikking stelde om in Rome zijn opleiding voort te zetten. Samen met zijn broer Jérôme (Hieronymus de Jonge) trekt François naar Rome, waar hij de rest van zijn leven zal blijven werken.

Volgens Passeri gaan de broers onderweg na een onenigheid uit elkaar en François arriveert in 1618 in de Heilige Stad. Zijn broer zal hem pas enkele jaren later in Rome vervoegen.

Aartshertog Albrecht sterft in 1621 en dit betekent de stopzetting van de financiële steun voor Duquesnoy, maar de kunstenaar beslist om in Rome te blijven. De rijke en invloedrijke Vlaming Pieter Visscher, Pietro Pescatore, wordt nu zijn beschermheer en bewonderaar. Hij zorgt voor opdrachten voor François en brengt hem in contact met verschillende belangrijke personaliteiten.

Vanaf 1626 ging de Franse schilder Nicolas Poussin (1594-1665), die twee jaar daarvoor in Rome was gearriveerd, in het huis van Duquesnoy wonen, om de kosten te drukken.

Kunstliefhebbers in Rome, waaronder ook Rubens die van 1600 tot 1608 in de Heilige Stad verbleef, raken geïnteresseerd in de jonge Duquesnoy die nu onder de invloed van het patronaat van de familie Barberini komt.

François kwam in contact met Cassiano del Pozzo, secretaris van kardinaal Francesco Barberini (1597-1679), neef van de pas verkozen Barberini-paus Urbanus VIII. Voor de kardinaal maakte hij het bas-reliëf De slaap van Silenus (een eigenhandige bronzen kopie ervan bevindt zich in het Rubenshuis in Antwerpen).

duquesnoy (3)

In 1627 maakte Duquesnoy kennis met Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) en hij assisteerde hem bij diens monumentale baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Hij is vooral verantwoordelijk voor de putti en de engelen ervan.

Duquesnoy werd ook bekend voor zijn gestileerde en tijdloos ogende portretbustes, waarin hij vooral aandacht schenkt aan een realistische weergave. François behartigde in Rome de belangen van de Vlaamse kunstenaarskolonie en werd lid van de Academia di San Luca en van de elitaire Virtuosi al Pantheon.

De Romeinse gilde van de bakkers bestelde bij Duquesnoy het gracieuze beeld van de Heilige Suzanna voor de kerk van Santa Maria di Loreto. De kunstenaar werkte het beeld, dat bijzonder veel lof oogstte bij zijn tijdgenoten, af tussen 1629 en 1633. Zijn zwakke gezondheid verhinderde dat François het werk sneller kon voltooien. Het wordt algemeen beschouwd als een van de meesterwerken van de beeldhouwer.

Via Pietro Pescatore krijgt Duquesnoy in 1633 de opdracht om een funerair monument voor Ferdinand van den Eynde te maken in de Santa Maria dell’Anima in Rome. Pescatore stelt Duquesnoy ook voor aan verschillende kunstkenners, onder wie Filippo Colonna.

Voor Colonna maakt Duquesnoy een ivoren crucifix, dat later in het bezit komt van paus Urbanus VIII. De paus bestelt vervolgens nog twee werkjes. Ondertussen was Duquesnoy nog altijd aan het werken aan het beeld van de apostel Andreas dat dus in 1639 eindelijk voltooid zou geraken.

Met zijn Heilige Andreas en zijn “Heilige Suzanna”, welke Burckhardt als “wellicht het beste beeld uit de zeventiende eeuw” aanzag, heeft Duquesnoy zijn plaats ingenomen bij de grootste beeldhouwers aller tijden. Hij werd in één adem genoemd met Bernini en Alessandro Algardi (1595-1654).

In zijn Vite uit 1672 schrijft de Romeinse kunstenaarsbiograaf Giovanni Pietro Bellori dat Duquesnoy met zijn meesterwerk de Heilige Susanna “aan de moderne beeldhouwers het voorbeeld van geklede standbeelden heeft nagelaten, wat hem op meer dan gelijke hoogte bracht met de beeldhouwers uit de Oudheid.”

Hij vergeleek Duquesnoy’s Heilige Susanna zelfs met de werken van de klassieke Griekse beeldhouwer Polykleitos (ca. 470 – ca. 420 v. Chr.).

In 1642 bestelt Antonius Triest (1576-1657), de bisschop van Gent, bij François Duquesnoy een grafmonument voor de Gentse Sint-Baafskathedraal, maar de kunstenaar weigert de opdracht omwille van zijn aanstaande reis naar Frankrijk. Duquesnoy maakt evenwel enkele terracotta modellen voor putti. Het monument voor de bisschop zal later door zijn broer Jérôme Duquesnoy II (1602-1654) worden gemaakt.

Samen met Poussin wordt Duquesnoy door kardinaal Richelieu (1585-1642) en Lodewijk XIII (1601-1643) naar Parijs uitgenodigd. Duquesnoy krijgt de positie aangeboden van directeur van het departement Beeldhouwkunst in de nog op te richten ‘Académie Royale de Peinture et de Sculpture’.

Pas in 1643 maakt Duquesnoy aanstalten om naar Parijs af te reizen, onder meer omdat hij, als Zuid-Nederlander, door de Spaanse autoriteiten het verbod kreeg om voor de koning van Frankrijk te werken. Poussin was eind 1942 naar Rome teruggekeerd omdat de sfeer in Parijs hem niet beviel.

François Duquesnoy trok samen met zijn broer Jérôme naar Frankrijk, maar onderweg werd hij ziek, en op 19 juli 1643 overleed hij in Livorno. Jérôme werd ervan beschuldigd zijn broeder te hebben vergiftigd, maar dit blijkt onjuist te zijn. François leed immers sinds geruime tijd aan een slepende ziekte.

Enkele auteurs vertellen dat François Duquesnoy Rome verliet uit ontgoocheling omdat zijn Andreas-beeld niet de beloofde plaats in de Sint Pieter zou krijgen. Onderweg naar Frankrijk sterft hij en de brief, waarin gemeld werd dat het beeld toch tegen een koepelpijler in de basiliek zou opgesteld worden zoals aanvankelijk was gepland, zou de dag na het overlijden van de beeldhouwer in Livorno gearriveerd zijn.

Dit lijkt eerder een anekdotisch verzinsel, dat niet door historische bronnen word ondersteund. De meeste documenten en publicaties maken geen gewag van dit verhaal.

duquesnoy (2)

Bij de onthulling van het beeld in maart 1640 was er algemene lof en bijzondere waardering door de paus en de kunstliefhebbers. Het lijkt dan ook weinig waarschijnlijk dat de voorziene plaatsing van het beeld in de Sint-Pieter dan nog steeds geweigerd werd.

De kroniekschrijver John Evelyn, die in 1644 Rome bezocht, schreef dat het vooral de slechte lichtinval op de plaats van het Andreas-beeld was dat Duquesnoy’s teleurstelling veroorzaakte en zijn dood bespoedigde. Dit kan een mogelijke aanwijzing zijn dat het beeld toen al in de basiliek stond.

Als kunstenaar was Frans Duquesnoy een rusteloze zoeker, zelden tevreden met het bereikte resultaat. Mede daardoor is het kleine aantal bewaard gebleven monumentale en eigenhandige werken te verklaren, die hem evenwel bestempelen tot één der belangrijkste beeldhouwers van de zeventiende eeuw.

In zijn oeuvre kan men twee richtingen, beide even oprecht als gevoelvol, onderscheiden: een meer op de antieke kunst afgestemde, zoals de H. Susanna, en een lossere, vrijere en krachtiger vormgeving, zoals de H. Andreas.

Hieronymus (Jérôme) Duquesnoy de Oudere
(Le Quesnoy (?) ca. 1570 – Brussel 1641 of 1642)

De vader van François, Hiëronymus Duquesnoy (du Quesnoy) de Oudere, was beeldhouwer aan het hof van aartshertog Albrecht van Oostenrijk (1559-1621) en aartshertogin Isabella van Spanje, de landvoogden van de Zuidelijke Nederlanden. Hij was een tijdgenoot van P.P. Rubens

Over zijn leven is weinig bekend. Ook zijn geboortejaar is niet gekend maar moet zich situeren rond 1570. Volgens de biografen en vrienden van zijn zoon François, de schilder Giovanni Pietro Bellori en de beeldhouwer Giovanni Battista Passeri, zou Jérôme afkomstig zijn uit het Waalse dorpje Quesnoy. Het is echter niet bekend uit welk Quesnoy, want in België en Noord-Frankrijk zijn er meerdere plaatsen met die naam.

Vanaf 1603 was hij werkzaam als beeldhouwer in Brussel. Zijn naam verschijnt meerdere keren in de archieven van verschillende monumenten in Brussel. Hij had drie zonen, Philippe, François en Jérôme, en twee dochters, Anne en Antoinette. Later zou Jérôme Duquesnoy de Oudere hertrouwen waarbij hij nog een zoon kreeg. Hij overleed in Brussel in 1641 of 1642.

Van het oeuvre van Jérôme de Oudere zijn slechts weinig restanten overgebleven, maar één sculptuur van hem is wereldberoemd: het bekende bronzen beeldje Manneken Pis dat in 1619 werd vervaardigd om een openbare fontein in Brussel te sieren.

duquesnoy (7)

Dit beeldje is geen echte ‘vondst’ van Jérôme Duquesnoy, want zo zijn er wel meer putti pisciatore uit die tijd gekend. In de veertiende eeuw maakten sommige teksten zelfs gewag van beelden van plassende mannenfiguren als tafeldecoratie tijdens banketten. Vooral aan het Bourgondische hof was men dol op die figuurtjes die een niet-aflatende stroom rozenwater plasten.

In de Grieks-Romeinse oudheid was het trouwens niet uitzonderlijk dat Cupido, de god van de liefde, werd afgebeeld als een naakt jongetje dat stond te plassen. Ook in het vijftiende-eeuwse Italië was de putto pisciatori populair als fonteindecoratie.

In die periode vond Manneken Pis vermoedelijk zijn oorsprong, want een tekst uit 1452 vermeldt al een zekere ‘Menneken Pist’, een stenen fonteintje dat de functie van mijlpaal tussen twee stadswijken van Brussel vervulde. Het Manneken Pis van Duquesnoy verving dit oudere fonteintje, dat ook Julianekensborre werd genoemd.

Het huidige Manneken Pis op de hoek van de Stoofstraat en de Eikstraat in Brussel is een kopie, het originele is te zien in het Museum van de stad Brussel.

Van de andere werken van Hieronymus de Oudere vermelden we nog de twee allegorische beeldhouwwerken, de Rechtvaardigheid en de Waarheid, voor de gevel van het stadhuis van Halle, dat in 1616 gebouwd werd op de plaats van het voorgaande stadhuis dat in 1595 volledig afbrandde.

De beelden van Jérôme Duquesnoy werden in 1879 vervangen door twee beelden met hetzelfde thema van de hand van beeldhouwer Cyprien Godebsky. Wat er met de oorspronkelijke beelden van Duquesnoy gebeurd is blijft een raadsel.

duquesnoy (6)

Ook bekend is zijn monumentale sacramentstoren (1604) in de gotische Sint-Martinuskerk in Aalst (Priester Daensplein). Het is een stenen toren van ongeveer 8 m hoog en 3,3 m breed, gebouwd voor het bewaren van geconsacreerde hosties.

Dit laat-renaissancistische tabernakel is opgebouwd en versierd met niet minder dan 38 beelden en talrijke reliëfs. Dit kunstwerk is zeldzaam in zijn soort want tijdens de Beeldenstorm werden in de Nederlanden veel sacramentstorens vernield.

Hieronymus (Jérôme) Duquesnoy de Jongere
(Brussel 1602 – Gent 1654)

De jongere broer van François werd geboren in Brussel in 1602 en kreeg zijn artistieke opleiding, net zoals zijn broer, in het atelier van zijn vader. Over zijn jeugdjaren is verder niets bekend.

Toen hij samen met François onderweg was naar Rome kregen de twee broers ruzie en ze verlieten elkaar. Bepaalde bronnen vertellen dat Jérôme een tijdje in Spanje en Portugal zou verbleven hebben. Pas drie jaar later, in 1921, kwam Jérôme, die toen pas 19 jaar was, in Rome aan en hij werd daar de leerling van zijn oudere broer.

Zoals verteld trok hij in 1643 samen met zijn broer naar Parijs, maar onderweg overleed François in Livorno. Vanuit Livorno keerde Jérôme naar Brussel terug en werd er door landvoogd Leopold Willem in 1645 aangesteld als ‘eerste architect en hofbeeldhouwer’ aan het Hof te Brussel.

Vanaf 1651 was hij echter vooral werkzaam aan het praalgraf voor bisschop Antoon Triest in de Sint-Baafs-kathedraal in Gent. Het werk is geplaatst in een architecturale omlijsting, en toont Maria en Christus die op het beeld van de bisschop neerkijken.

In 1654 werd Hiëronymus echter vervolgd voor sodomie omwille van het seksueel misbruik van twee jongens van 8 en 11 jaar oud, de zoon van een schoenlapper en een koorknaap.

In de procesarchieven wordt dit als volgt omschreven: “… hem bevelende dat hij met zijn handeken soude tasten ende kotelen het dyncxken van den beeldsnijder en dat de beeldsnijder ook taste ende kotelde aan tkulleken en dyncxken van hem … “

Veel documenten betreffende dit proces worden bewaard in het Gentse stadsarchief.

duquesnoy (5)

Tijdens de eerste twee ondervragingen ontkende Jérôme Duquesnoy alles, maar onder tortuur bevestigde hij de versie van de jongens. Onnodig te zeggen dat een bekentenis onder foltering rechtskundig geen enkele waarde heeft. (Keizer Jozef II van Oostenrijk, een verlichte geest, zou aan deze onmenselijke praktijken een einde stellen).

Maar de bekentenis betekende voor de verdachte de doodstraf. Op dergelijke feiten stond toen immers de hoogste straf. Nu werd alles in het werk gesteld om de kunstenaar te redden. De naaste verwanten en vrienden van de beeldhouwer stuurden een verzoekschrift aan aartshertog Leopold Willem en deden beroep op zijn goedertierenheid.

Op 17 september steunde zelfs bisschop Antoon Triest een smeekschrift dat inhield Jérôme naar Brussel te sturen om er te verschijnen voor de private Raad van de koning en om de doodstraf die hem te Gent wachtte om te zetten in levenslange hechtenis, om zo Duquesnoy voor de kunst niet te laten verloren gaan.

duquesnoy (8)

Jérôme zelf verklaarde dat hij als architect en kunstenaar van Zijne Majesteit de Koning, onderworpen was aan de rechtspraak van het Hof te Brussel, en dat de Gentse magistratuur dus juridisch onbevoegd was. Maar de Raad te Brussel gaf een ongunstig advies en verklaarde dat de rechtspraak van de rechtbank van Gent wettig was en diende uitgevoerd te worden.

De kunstenaar werd dan op 28 september 1654 veroordeeld tot wurging aan de staak, gevolgd door verbranding en al zijn eigendommen werden verbeurd verklaard. Het vonnis werd de dag zelf nog voltrokken op de Korenmarkt in Gent. De twee jongens, Constant de Somere en Jacob de Sterck, werden verbannen.

De gerechtskosten beliepen meer dan negenhonderd florijnen. Alles werd in rekening gebracht, tot zelfs de twaalf missen “… by de Paters Recolletten ghecelebreert over de siele van Jeronimus de Quesnoy, gheexecuteerd mette coorde ende daer naer verbrant tot asschen.”

Hoe het gedrag was van de veroordeelde is nergens te vinden, maar hij heeft niet opgehouden zijn onschuld staande te houden, zeggende dat hij enkel tekeningen had gemaakt van de borst en armen van beide knapen. Duquesnoy werd enkel veroordeeld op grond van de verklaringen van beide jongens.

Een bijdrage van
Johan Vanhecke
Clublid S.P.Q.R.

Bronnen

  • Lydie Hadermann-Misguich, «Les Du Quesnoy». Éditions J. Duculot S.A., 5800 Gembloux., 1970. Uitgegeven in de reeks “Wallonie, Art et Histoire”
  • Roelandts Oscar, «De Beeldhouwers Hieronymus Duquesnoy: vader en zoon». Gedrukt in de Stedelijke Jongensschool van Gent., 1900
  • Mariette Fransolet, «François du Quesnoy, sculpteur d’Urbain VIII, 1547-1643». Publisher: Academie royale de Belgique, 1942
  • Marion Boudon-Machuel, «François Du Quesnoy». Éditions Paris, France: Arthena, Paris, 2005
    Ian Chilvers, «The Oxford Dictionary of Art and Artists»
  • Shearer West, «Guide to Art» (Bloomsbury)