Archive for 8 februari 2021

Wetenschappers onderzoeken relikwieën in de Santi XII Apostoli-basiliek

8 februari 2021

In de crypte van de basilica dei Santi XII Apostoli in Rome bevinden zich al sinds de zesde eeuw relikwieën die aan de apostelen Philippus en Jakobus worden toegeschreven. Het gaat om een dijbeen, een scheenbeen en een voet.

Recent onderzoek waarbij ook Nederlandse wetenschappers betrokken waren, maakte duidelijk dat alvast de restanten die worden toegeschreven aan Jakobus, onmogelijk van de apostel kunnen zijn. De relieken van Philippus konden nog niet worden onderzocht.

reliposto(12)

De wetenschappers zijn er wel van overtuigd dat degene die de relikwieën destijds aan de kerk bezorgde, te goeder trouw heeft gehandeld. Dat hele proces maakte deel uit van een officiële ‘translatie’. De beenderen werden dus niet gekocht van een of andere duistere sjacheraar.

In heel Europa, maar vooral in Rome, bestond in de vroege middeleeuwen immers een bloeiende handel in beenderen en menselijke overblijfselen. Soms werd er heel wat geld gegeven voor iets dat zogenaamd “echt van een heilige afkomstig was”.

Maar niet alle speurders naar relikwieën waren oplichters. Velen van hen dachten soms oprecht dat ze de laatste rustplaats van een bepaalde heilige hadden opgespoord.

Het recente onderzoek in de Santi XII Apostoli is verricht door een internationaal team wetenschappers, waaronder prof. dr. Lautaro Roig Lanzillotta (Rijksuniversiteit Groningen, RUG), die verbonden is aan het Koninklijk Nederlands Instituut Rome (KNIR) en prof. dr. ir. Hans van der Plicht, een expert op het gebied van koolstof-14 dateringen, eveneens van de RUG .

Vóór het hoogaltaar van de Santi XII Apostoli kan je afdalen naar de crypte van de basiliek. Omstreeks 1880 decoreerde men deze ruimte in oud-Romeinse stijl met hier en daar een altaartje dat een groepje botten toont. Deze ruimte is dus, in tegenstelling tot wat velen denken, geen restant uit de oudheid.

reliposto(3)

Vooraan, tegenover de trappen, bevinden zich de relikwieën waarvan eeuwenlang werd aangenomen dat ze toebehoorden aan de apostelen Philippus en Jacobus de Mindere.

Wetenschappers stellen zich echter al lang vragen over de echtheid van de beenderen. De relikwieën kregen hier op 1 mei 1879 een plaatsje, kort nadat in een muur in de kerk de antieke porfieren urne met de relieken was teruggevonden.

We lezen: ‘hic condita sunt corpora SS apostolor. Philippi et Jacobi min.’  De vermelding van Jacobus de Mindere als apostel is merkwaardig, want deze Jacobus was de zoon van ene Maria die bij de vrouwen hoorde die bij de kruisdood van Christus aanwezig waren en daarna ontdekten dat het graf leeg was.

Volgens Mattheus waren er twee apostelen met de naam Jacobus. De eerste was Jacobus de Meerdere, de zoon van Zebedeüs en Salome (Mattheus 4:21). De tweede was Jacobus, zoon van Alfeüs (Mattheus 10:3).

Volgens vele exegeten is deze laatste te vereenzelvigen met Jacobus de Mindere die het latere hoofd is van de christengemeenschap in Jeruzalem. Volgens de huidige opvattingen zou deze Jacobus de Mindere echter op zichzelf staan en niet behoord hebben tot de oorspronkelijke twaalf apostelen.

Philippus was wel apostel (Mattheus 10:3), volgens Johannes was hij de derde die zich bij Jezus aansloot, na Andreas en diens broer Simon Petrus, maar werd hij als eerste door Jezus rechtstreeks uitgenodigd met de woorden ‘Volg Mij’ (Johannes 1:45).

In ieder geval hebben talloze gelovigen altijd aangenomen dat in de basilica dei Santi XII Apostoli de resten van twee van de eerste christenen en apostelen van Jezus werden bewaard.

Na de eerste moeilijke eeuwen werd het christendom vanaf de vierde eeuw geleidelijk aan de dominante religie. Nadat keizer Constantijn de Grote op zijn sterfbed het christendom tot de staatsgodsdienst had uitgeroepen, werden in Rome en elders in Italië talrijke kerken gebouwd.

Al snel werden ook overblijfselen van vereerde christelijke martelaren uit hun graven gehaald en naar deze kerken verplaatst om als relikwieën te worden vereerd.

Op basis van een Romeinse wet, die de onschendbaarheid van graven garandeerde, heeft de Kerk echter lange tijd de opgraving en overbrenging van stoffelijke resten geweigerd, ook al waren ze dan afkomstig van martelaars.

reliposto(9)

Vanaf het einde van de vierde eeuw, toen ook de stoffelijke resten van niet-martelaars mochten vereerd worden, werd het gebruik om hun graven te openen en de restanten te verplaatsen algemeen.

De eerste historisch bekende verplaatsing van het lichaam van een martelaar naar een kerk is die van Babylas van Antiochië in 354 na Chr. Zijn stoffelijke resten werden van een begraafplaats in Antiochië overgebracht naar een kerk in de voorstad Daphne, die keizer Constantius Gallus speciaal voor dit doel had laten bouwen.

Meteen daarop werd translatio (translatie) populair: nog geen jaar later waren de overblijfselen van de heiligen Timoteüs, Andreas en Lucas naar Constantinopel gebracht. Vanaf de tweede helft van de vierde eeuw laten bronnen een toenemende populariteit en verspreiding van relikwieën zien.

Ondanks de aanvankelijke kritiek van bisschoppen, begon men steeds vaker relikwieën van martelaren en heiligen in kerken te plaatsen. In het hele Romeinse Rijk werden lichamen en lichaamsdelen opgegraven, verplaatst en in vele belangrijke kerken herbegraven in de apsis, vlak bij het altaar.

reliposto(1)

In de middeleeuwen was een officiële heiligverklaring door de paus zeker niet gebruikelijk. In vele gevallen ontwikkelde de verering van een lokale heilige zich spontaan. Het ging dan meestal een plaatselijke buitengewoon godvruchtige man of vrouw, een bisschop of in sommige gevallen zelfs een koning.

In die gevallen werd de canonisatie of heiligverklaring verricht door één of meerdere bisschoppen, die de relieken van de heilige liet opgraven en in een speciaal schrijn liet opbergen.

Dat schrijn werd vervolgens tijdens een plechtige misviering ter verering op of in een altaar geplaatst. Dit proces wordt de elevatio genoemd, of de ‘verheffing’ van de relieken.

Een variant hierop is de voormelde translatio , de overbrenging van de stoffelijke resten van heiligen, in principe in een plechtige processie, naar een andere plaats, meestal een kerk.

Daarbij hoorde ook een translatiefeest, de feestdag waarop de plechtige overbrenging van de relieken van de heilige werd herdacht. Een dergelijke translatio gebeurde destijds ook met de resten van de apostelen Philippus en Jakobus.

Wie de vermeende resten van de apostelen heeft verplaatst en waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, weet niemand. Ze werden echter neergelegd in de Santi XII Apostoli-basiliek, die speciaal voor hun nagedachtenis was gebouwd. De betrokkenen moeten in die tijd dus wel erg zeker van hun zaak geweest zijn.

De skeletten zijn al lang niet meer compleet, verre van zelfs. In de Santi XII Apostoli bevinden zich alleen nog fragmenten van een scheenbeen, een dijbeen en een gemummificeerde voet.

Sinds de zesde eeuw worden het scheenbeen en de voet toegeschreven aan Philippus, terwijl het dijbeen van Jakobus zou zijn.

reliposto(7)

Een internationaal team van wetenschappers nam zich voor om voor eens en altijd uit te zoeken of de verhalen die doorheen de eeuwen waren overgeleverd eigenlijk wel klopten.

Het onderzoek werd verricht door de Zuid-Deense Universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit van Pisa, het Cranfield Forensic Institute in Engeland, het Italiaanse Pontificio Istituto di Archeologia Cristiana en het Deense Nationalmuseet.

Als hoofdonderzoeker trad prof. Kaare Lund Rasmussen uit Odense op. De Nederlandse bijdragen werden zoals verteld geleverd door prof. Lautaro Roig Lanzillotta van het KNIR / Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap en prof. Hans van der Plicht van de Faculty of Science and Engineering, die de koolstofdatering voor zijn rekening nam.

De resten van Philippus bleken echter te lastig om te ontsmetten en te dateren. Hoe oud deze relikwieën zijn, blijft dan ook voorlopig nog onbekend.

Het vermeende dijbeen van Jakobus kon echter wel worden onderworpen aan een aantal archeometrische analyses.

reliposto(6)De voet die wordt toegeschreven aan Philippus.

De belangrijkste uitkomst was die van de koolstofdatering, die uitkwam op 214 tot 340 na Chr. Het bewaard gebleven dijbeen is dus niet van de apostel Jakobus, maar van iemand die ongeveer 160 tot 240 jaar later leefde dan hij.

Wel werpt deze relikwie een klein beetje licht op een heel vroege, vrijwel ongedocumenteerde periode in de geschiedenis van het vroege christendom.

Wie deze persoon dan wel was, zullen we nooit weten. Wel is het zoals verteld heel waarschijnlijk dat degene die het dijbeen aan de Santi XII Apostoli-basiliek heeft bezorgd, echt geloofde dat het van Jakobus was.

Deze persoon heeft het bot hoogstwaarschijnlijk uit een christelijk graf gehaald, dus het is wel degelijk een dijbeen van een vroege christen, of het nu een apostel was of niet. Hetzelfde geldt voor de overblijfselen van (misschien) Philippus.

Vroege kerkelijke autoriteiten die op zoek waren naar het lijk van een apostel die al honderden jaren dood was, zochten natuurlijk vooral op oude christelijke begraafplaatsen waar de lichamen van heiligen zouden kunnen liggen, schrijven de onderzoekers in een wetenschappelijk artikel dat werd gepubliceerd in Heritage Science.

Hun bevindingen kan je hier nalezen (Engelstalig).

We keren nog eenmaal terug naar de crypte in de Santi XII Apostoli-basiliek. Links, naast de kapel met de vermeende relieken van de apostelen, staat een grafteken of cenotaaf die misschien werd gemaakt door Andrea Bregno.

De identiteit van de kunstenaar die het uitvoerde is onzeker. De cenotaaf was bedoeld voor de in 1477 gestorven Raffaele della Rovere, de broer van paus Sixtus IV en vader van Julius II.

reliposto(2)Onderzoek van de (vermeende?) voet van Philippus.

In het achterste deel van de crypte, achter de trappen, vinden we de brede ovalen marmeren deksteen van de ‘silo’ waarin zich duizenden (stukken van) beenderen bevinden uit de catacomben van Priscilla.

Toen deze catacomben door oorlogsgeweld geen veilige rustplaats meer boden, werden letterlijk complete karrevrachten botten naar Rome gebracht en in de kelders van enkele kerken gestort.

Als gevolg van die actie bevindt zich vandaag in de Santi XII Apostoli nog steeds één van de grootste opslagplaatsen van oude beenderen in Rome.

Foto’s beenderen en crypte:
Kaare Lund Rasmussen
Simone Schiavone

AANVULLING

Constantijn (samen met medekeizer Licinius) vaardigde in 313 het ‘Edict van Milaan’ uit, een zogenaamd ‘Tolerantie-edict’. Hiermee verkregen de christenen vrijheid van godsdienst en werd formeel een einde gemaakt aan de christenvervolgingen. Het christendom werd een toegelaten godsdienst (Religio licita) en voortaan had het christendom dezelfde rechten als andere erkende godsdiensten. De Romeinse burgers waren vrij zelf hun religie te kiezen en te belijden.

In het edict waren evenwel bijzondere bepalingen voorzien waaruit de sterke voorkeur van Constantijn voor het christendom bleek. Van een verheffing van het christendom tot officiële staatsgodsdienst en enige toegelaten religie is dan echter nog geen sprake. Bij vele leden van de aristocratie en bij vele burgers bleef trouwens de gehechtheid aan de nationale cultus van Deus Sol Invictus nog erg levendig.

Constantijn heeft zich pas in 337 op zijn sterfbed tot het christendom bekeerd en laten dopen (dan nog door de ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia, hoewel Constantijn het arianisme door het Concilie van Nicea als ketterij had laten veroordelen). Maar de meeste christenen lieten zich toen slechts laattijdig dopen. Dit omwille van het feit dat boete over de doodzonde zwaar was en slechts éénmaal kon worden toegestaan. Constantijns late doop is dus zeker geen uitzondering. Ook op zijn sterfbed heeft Constantijn het christendom niet tot staatsgodsdienst uitgeroepen. Het pas onder keizer Theodosius I ‘de Grote’ (346-395, keizer vanaf 379) dat het christendom als officiële staatsgodsdienst en enige toegelaten religie in het Romeinse Rijk wordt erkend.

Theodosius heeft in 380 het christendom – meer bepaald het katholieke christendom zoals was vastgelegd in het concilie van Nicea – de facto tot staatsgodsdienst gemaakt door het ‘Edict van Thessaloniki’ (‘Cunctos Popilos’), waardoor het de officiële religie en de enige toegelaten godsdienst van het keizerrijk werd. Alle heidense erediensten werden toen verboden. Wie nog betrapt werd op het offeren aan de oude goden hing een zware straf boven het hoofd.

Vanaf dat moment gaan bisschoppen en monniken vele heidense tempel aanvallen en vernietigen. Maar vele lokale bisschoppen behouden die tempels en vormen ze om tot christelijke cultuscentra, kwestie van kostenbesparing : een mooi voorbeeld hiervan is het Pantheon in Rome, dat daardoor tot op heden bewaard is gebleven. (Tekst: Johan Vanhecke).