Archive for 20 februari 2021

De Brabantse ziel

20 februari 2021

Avonturen met opschriften – XVII

Bijna twee jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de zeventiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XVII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Eerlijk gezegd, Schrijver dezes voelt zich gevangen. Hij voelt zich klem zitten tussen avondklokken, knuffelcontact-beperkingen, mondmaskermoraal, virologen-tyrannie en (vooral) rode zones. Hij kan niet naar Rome, hij kan niet naar familieleden of vrienden, hij kan nog geen koffie drinken in de stad. Schrijver dezes wordt er wat mismoedig van.

Deze beperkingen dwingen een mens tot een blik op wat onmiddellijk in de nabijheid ligt. En dat is dus Brabant. Het oude hertogdom. Van Gembloux tot ‘s-Hertogenbosch, van Geminiacum tot Empel en zijn tempel. Even abstractie maken van al die Vlamingen, Luikenaars, Limburgers, Henegouwers, Zeeuwen, Hollanders, Geldersen, Friezen en wat er nog meer aan gespuis op deze aardkloot kruipt, wemelt en rondspringt. Gewoon: Brabanders.

Dat betekent dan ook dat we noodgedwongen de klassieke oudheid opnieuw een keer moeten inruilen voor latere tijden, maar, zoals u weet, is Schrijver dezes een moedig man die niet terugdeinst voor het onbekende.

De Texuandri hebben in Rome geen zichtbare sporen nagelaten en zijn sowieso opschriftelijk slecht betuigd, terwijl wat ten zuiden van de Kempen heeft gezeten, niet op bevredigende wijze geïdentificeerd is, of dat nu Grudii of Baetasii of nog andere wezens waren. Het resultaat is dan noodgedwongen een verkenning in Latijnse opschriften uit de vroeg-moderne periode.

Wie dan in Rome op zoek gaat naar Brabant, komt al snel tot de kern, tot de ziel zelf, de S. Maria dell’Anima. Daar is in Rome de Brabantse ziel het sterkst vertegenwoordigd.

Natuurlijk moeten we ook hier een onderscheid maken tussen de gewichtigdoenerij van sommige centra zoals Brussel, Antwerpen en ‘s-Hertogenbosch om tot de kern te komen, tot wat echt belangrijk is, Leuven en Oirschot. De bewoners van die andere stadjes zullen wel smalen, maar dat is enkel de kift en daar zetten wij ons grootmoedig over heen.

animbra(2)

Van Brussel vindt u in de Anima enkele putti op grafmonumenten van de hand van François Duquesnoy (heel verfijnd overigens, foto boven), aan Den Bosch herinnert (niet langer) een verdwenen grafmonument voor de topadvocaat en veelschrijver Theodorus van der Ameijden, Antwerpen is vertegenwoordigd door enkele graven van minder prominente lieden, zoals van ene Alexander Iunius die verkondigt dat hij afkomstig was van deze stad die hij aanduidt als quod oppidum in Belgis est nobiliss(imum) ‘welke stad de edelste in de Nederlanden is’. Ach ja, zelfs jaren verblijf in Rome zijn onvoldoende gebleken om de nefaste gevolgen van de Scheldewasem en -dampen teniet te doen.

Wij weten wel beter, wij, inwoners van de steden die er echt toe doen. Alsof het toeval ermee speelt, heeft Schrijver dezes speciale banden met beide steden: in Oirschot werd hij geboren, in Leuven woont hij. Toeval. Hij kan daar ook niets aan veranderen.

En dan spreekt het vanzelf dat we het over de centra hebben en niet over de aanklontersels van Heverlee, Herent of Kessel-Lo of van godbetert Spoordonk, Oost-, West- en Middelbeers, nee: de echte kern met hun Sint-Pieterskerken, oude stadhuizen, en venerabele traditie van Latijnse geleerdheid zoals beoefend aan de Latijnse school en universiteit.

Nu het aantal lezers van deze bijdrage gereduceerd is tot goed vijf personen, kan Schrijver dezes eindelijk ter zake komen. Het is niet de kwantiteit die telt, maar de kwaliteit. Genoeg etnische minderheden beledigd en verjaagd, ter zake!

De S. Maria dell’Anima is dan wel officieel de Duitse en Oostenrijkse kerk in Rome, eigenlijk is het aandeel van de Nederlanden in deze kerk in het monumentenbestand veel belangrijker en aanzienlijker. Van alle gewesten van het voormalige Heilige Roomse Rijk is het Sticht Luik het beste vertegenwoordigd.

Lieden die hardnekkig blijven spreken over de prinsbisschoppen, zien over het hoofd dat dit een vertaling is van het Duitse Fürstbischof , de aanduiding van een bisschop die ook wereldlijke macht heeft, zoals die van Utrecht, Kamerijk, Keulen, Paderborn, Münster en inderdaad ook Luik.

Maar niemand heeft het ooit over de prinsbisschoppen van Utrecht of Kamerijk. In de Franse vertaling is de bisschop zelfs helemaal weggevallen en heeft men het over de principauté de Liège, alsof het een rang betreft. Nee, de enig juiste aanduiding in het Nederlands is Sticht Luik.

Wat overigens niet verandert dat Luik inderdaad het sterkst in de S. Maria dell’Anima vertegenwoordigd is. Luik en … (Belgisch) Limburg: want de Emerixen uit Bilzen en Motmans uit Tongeren liggen in deze kerk als Luikenaars.

Nog zo’n tragisch misverstand: Limburgers zijn mensen die denken dat ze Limburger zijn, maar die dat historisch dus helemaal niet zijn. Ze stammen uit Loon, Gelre, Overmaas, wat weet ik allemaal!, maar niet uit het echte Limburg. Maastricht is zo ook een Brabants-Luikse stad en geen Limburgse. Terwijl het huidige (Belgisch) Limburg vroeger deel van Luik was en niet van Limburg, is op dit moment het echte Limburg deel van Luik en ligt Limburg dus buiten Limburg. Die zit. Denkt u maar eens goed na over deze zin…

animbra(3)

Nu Schrijver dezes echt nergens meer gewenst persoon is, kan hij verder gaan en stellen dat na Luik het hertogdom Brabant het sterkst in het monumentenbestand van de S. Maria dell’Anima vertegenwoordigd is.

Het meest prominent aanwezig is natuurlijk Willem van Enckenvoirt uit Mierlo (of all places, foto hierboven), Willem de Onvermijdelijke, die u in deze kerk alleen kunt ontlopen als u uw ogen stijf dichthoudt of enkel naar de vloer staart. Beide zouden zonde zijn.

Vandaag zal Schrijver dezes u echter niet vermoeien of vermeien met deze Willem: misschien komt hij bij een latere gelegenheid nog eens op hem terug. Vandaag zoeken we de Brabantse ziel en die zit niet in Mierlo.

Tegen de laatste pilaar vóór het koor, naar de rechterzijbeuk gewend, bevindt zich de grafplaat voor de Leuvenaar Henricus Gravius:

HENRICO GRAVIO EXIMIAE PROBITATIS
SPECTATAEQ ERVDITIONIS VIRO QVEM
POST QVATVOR LVSTRORVM IN
FLORENTISSIMA LOVANIENSI ACADEMIA
S. TH. PVBLICAM PROFESSIONEM
SIXTVS QVINTVS PONT MAX
INSIGNIS ERVDITIONIS ERGO
ROMAM EVOCAVIT
GREGORIVS XIV IN PONTIFICAM AVLAM
EXCEPIT SED AMPLIORIBVS
DIGNVM HONORIBVS
CHRISTVS IN COELVM
EVEXIT
DIE II APRILIS AN D
MDXCI
AETATIS SVAE LV

Henrico Gravio eximiae probitatis / spectataeq(ue) eruditionis uiro quem / post quatuor lustrorum in / florentissima Louaniensi academia / S(acrae) Th(eologiae) publicam professionem / Sixtus quintus pont(ifex) max(imus) / insignis eruditionis ergo / Romam euocauit, / Gregorius XIV in pontificiam aulam / excepit, sed amplioribus / dignum honoribus / Christus in coelum / euexit / die II aprilis an(no) D(omini) / MDXCI / aetatis suae LV.

‘Voor Henricus Gravius, een man van buitengewone deugdzaamheid en aanzienlijke geleerdheid die paus Sixtus V na een professoraat in de Heilige Theologie van twintig jaar aan de allerbloeiendste universiteit van Leuven naar Rome riep, die Gregorius XIV aan het pauselijk hof opnam, maar die Christus hogere eer waardig achtte en naar de hemel voerde op 2 april 1591 toen hij 55 oud was.’

animbra(4)

Wie enige ervaring heeft met grafschriften uit de oudheid, merkt terstond enkele wezenlijke verschillen. Zo wordt hier nadrukkelijk de datum aangegeven (iets wat op opschriften uit de oudheid eigenlijk nooit het geval is), naast de leeftijd. Die laatste vinden we in de oudheid ook, maar dan tot op de dag nauwkeurig aangeduid. Schrijver dezes merkt overigens dat hij Gravius al overleefd heeft.

Ook de zeer lovende kwalificatie van de persoon in kwestie komt niet op deze manier in de oudheid voor: in klassieke opschriften wemelt het weliswaar van de allerzoetste en allerdierbaarste vrouwen, mannen en kinderen, maar geleerdheid en deugdzaamheid worden aanzienlijk minder geprezen en als er een aanduiding over de carrière te vinden is, dan is dat in schematische vorm als opsomming van de verschillende posten die de persoon in kwestie bekleed heeft, niet in een vloeiende en enigszins enigmatische zin zoals hier.

In die zin is het grafschrift van Gravius typisch voor de opkomende barok in Romeinse kerken. Overigens zijn de letters S TH een latere toevoeging: de fraai gecentreerde opstelling van de tekst op deze steen wordt in r. 5 wreed verstoord.

Want wat weten we nu eigenlijk? Uit het opschrift blijkt dat Gravius ruim twintig jaar in Leuven gedoceerd heeft en toen naar Rome geroepen is. Maar om wat te doen? Wat moeten we verstaan onder dat opnemen aan het pauselijk hof?

De waarheid is aanzienlijk minder verbloemd. Henricus Gravius werd in 1536 in Leuven geboren als zoon van de boekdrukker Bartholomaeus Gravius die in zijn werkplaats aan de Naamsestraat o.m. de zgn. Leuvense Bijbel zou drukken. Henricus studeerde aan de universiteit (welke?, er is er natuurlijk maar één!) en vervolgde na zijn graad in de Artes met de volledige opleiding theologie. Hij zou zelf hoogleraar theologie in Leuven worden en daar in twee dingen naam maken.

animbra(10)Het Van Dalecollege in de Naamsestraat in Leuven.

Ten eerste raakte hij betrokken bij een van de grote conflicten die in Leuven zijn uitgevochten. Nee, dit gaat niet over Leuven ’68, het is veel erger. Het gaat om de eerste golf van theologisch dispuut met betrekking tot de rol van de goddelijke genade en de vrije wil des mensen in het bereiken van het heil.

U hebt natuurlijk het fraaie chiasme in de vorige zin bemerkt, chiasme dat ook de reële tegenstelling in de taal tot uitdrukking brengt. Schrijver dezes zal u nu verder niet met deze perikelen vermoeien: dit is zo ingewikkeld dat zelfs Schrijver dezes ervoor terugschrikt.

In ieder geval toen de jezuïet Leonardus Lessius in het midden van de jaren 1580 uit Rome terugkwam, verkondigde hij zulke stoutmoedige zaken dat Gravius samen met enkele andere medetheologen van de faculteit een formele censura opstelde met de bedoeling de zaak in Rome aanhangig te maken.

Dat laatste mislukte, Rome ging achter de jezuïeten staan en het volledige dossier wordt op dit moment nog altijd op het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) in Brussel bewaard.

Welke lessen kunnen we hieruit trekken? Dat de christelijke naastenliefde vaak niet de meest beoefende deugd van de theologen was (is?), dat Rome meestal achter de jezuïeten ging staan omdat de jezuïeten achter Rome stonden (die zin mag naar de paus!) en dat het zogezegde bolwerk van katholieke orthodoxie dat Leuven vaak heet te zijn, niet altijd zo orthodox was.

animbra(9)De Sint-Michielskerk in de Naamsetraat in Leuven.

Integendeel zelfs, men verkondigde hier graag dingen die in Rome minder geliefd waren. En dat is nog steeds zo. Rector Pieter De Somer noemde dat in zijn toespraak tot paus Johannes Paulus II tijdens diens bezoek aan Leuven in mei 1985 het ‘Recht om te dwalen’. En tot slot, dat de Koninklijke Bibliotheek in Brussel allerlei onvermoede schatten bevat.

Het tweede punt waarmee Henricus Gravius de aandacht op zich wist te vestigen, was zijn deelname aan het grote editieproject van de werken van Augustinus door de Leuvense theologen. Hij zou hierin het volume met de polemische traktaten voor zijn rekening nemen.

Dit project getuigt van de meer filologische oriëntatie die de Leuvense theologen een halve eeuw na hun conflicten met Erasmus hadden genomen. Deze Leuvense editie verving overigens de uitgave van Erasmus en zou aanzienlijke tijd maatgevend blijven.

In 1590 riep paus Sixtus V Gravius uit het op dat moment jammerlijk kwijnende Leuven (florentissima ‘allerbloeiendst’ is niet alleen lichtelijk overdreven, het was op dat moment gewoon absoluut onjuist: de periode van Gravius’ activiteit valt in een van de moeilijkste perioden van de Leuvense universiteit: niet dat Gravius daarvoor verantwoordelijk was, maar toch) naar Rome met de bedoeling om deze geleerde theoloog (want dat was hij zonder twijfel) aan het hoofd te plaatsen van de in oprichting zijnde Typographia Vaticana, de Vaticaanse drukkerij.

Gravius had met theologie, teksteditie én drukken ervaring, dus hij leek een ideale kandidaat. Helaas voor hem bleek Sixtus V bij zijn aankomst in Rome al overleden. Doelloos zwierf Gravius door de stad en werd door Sixtus’ opvolger Gregorius XIV aan het pauselijk hof opgenomen.

Hij werd ook lid van de beheerraad van de S. Maria dell’Anima, maar heeft daar feitelijk nauwelijks zitting in kunnen nemen, omdat hij enkele maanden na zijn aankomst in Rome op 2 april 1591 al overleed. Geen prefect dus van de Vaticaanse drukkerij, en zeker niet – zoals men soms vindt – prefect van de Vaticaanse bibliotheek. Wel een boeiende persoon.

Dat geldt ook voor de tweede persoon die ik hier wil voorstellen en die Gravius hoogstwaarschijnlijk in Rome heeft ontmoet en gekend. Daarvoor richten we de blik op de tweede centrumplaats in Brabant: Oirschot. Op dit punt aangekomen schiet het gemoed van Schrijver dezes even vol.

animbra(8)

Voor zijn geestesoog ziet hij de kapel van den Heiligen Eik, de Meierijsebaan die als een soort Via Appia (maar dan zonder klassieke ruïnes en pijnbomen) naar vreemde oorden voert, het centro storico met vroeg-16de-eeuws stadhuis, laat-gotische Sint-Pietersbasiliek, het romaanse Boterkerkje (jawel, zo heet het, als u nu uw lachen niet kunt inhouden, is elke toelichting toch niet aan u besteed), het Hof van Solms, Huize de Groenberg, Huize Blijendaal, de kleine straatjes, zijn Latijnse school en Hedingen, want – Schrijver dezes wil het u niet verhelen – hij is niet enkel titelvoerend rector van de Latijnse school (foto hierboven), maar ook landheer van maar liefst 1,2 ha voorouderlijk bos (foto hieronder).

animbra(6)

Daar in Oirschot werd rond 1530 waarschijnlijk in huize Den Engel aan de Nieuwstraat (nummer 5) Christiaan van der Ameijden geboren. Zijn grafsteen is te vinden in de hoek tegen de binnenkant van de voorgevel die het verst verwijderd is van de normaal voor het publiek geopende ingang:

D O M
CHRISTIANO AMEIDEN ORSCHOTANO BRABANTINO
OB SVMMAM VITAE PROBITATEM ET MVSICAE PERITIAM
PIO IIII. ET SVCCESSORIBVS PONT. MAX. CARO AC OB
MORVM SVAVITATEM ET BENEFACIENDI STVDIVM
OMNIBVS AMABILI QVI DE HOC HOSPITALI IN VITA
SEMPER BENE MERERI STVDVIT ET MORIENS SVA
HAEREDITATE DVMMODO IN HOC ALTARI PRO IVVANDA
PEREGRINORVM PIETATE QVOTIDIE PRIMA MISSA ET
ANNIVERSARIVM QVOTANNIS CELEBRETVR EIDEM
PRAECLARE SVBVENIT OBIIT DIE XX. NOVEMBRIS
ANNO M.DC.V.
ADMINISTRATORES HVIVS HOSPITALIS CONFRATRI BENEM. PP.

‘Voor Christiaan van der Ameijden uit Oirschot in Brabant, die paus Pius IV en zijn opvolgers dierbaar was vanwege zijn morele degelijkheid en zijn bekwaamheid in de muziek en die door allen geliefd werd vanwege zijn aangename manieren en zijn ijver om goed te doen, die bij leven altijd trachtte verdienstelijk te zijn voor dit hospitaal en bij zijn dood nog door zijn erfenis, op voorwaarde dat op dit altaar voor het welzijn van de pelgrims elke dag de eerste mis zou worden opgedragen en dat zijn jaargetijde zou worden gevierd. Hij stierf op 20 november 1605. De beheerders van dit hospitaal maakten dit monument voor hun collega vanwege zijn verdiensten.’

animbra(1)

De eerste sporen van Christiaans activiteit bestaan uit het madrigaal Quel dolce suon (op tekst van Pietro Bembo) dat in 1563 in een in Rome gedrukte bundel met voornamelijk werk van Orlandus Lassus (uit Mons) gedrukt werd, en uit zijn opname in de Sixtijnse kapel, de zangkapel van de paus zelf, in september 1563.

Bij dat laatste was iets bijzonders aan de hand en dat verklaart ook de expliciete vermelding van paus Pius IV in het grafschrift: het was net beslist dat kandidaat-zangers voortaan een soort examen zouden moeten afleggen en dat een aanbevelingsschrijven van een of andere kardinaal niet meer volstond voor toelating en opname (kwaliteit van de kandidaat in plaats van politieke benoeming dus…), maar Christiaan stond daar op de stoep met een eigenhandig schrijven dat van wel zeer hoog afkomstig was, zodat de zangers beslisten eerst aan de paus te vragen of het inderdaad zijn wens was dat Christiaan lid van de kapel zou worden.

Pius zei ja en Christiaan werd twee dagen na zijn verzoek opgenomen in de kapel. Of het schrijven in kwestie van de paus zelf afkomstig was of toch van iemand anders, is een onuitgemaakte zaak. Hoe Christiaan eventueel aan pauselijke bescherming kwam, is een van de grootste mysteriën van de geschiedenis. Of eigenlijk: Christiaan kwam uit Oirschot, dat volstond uiteraard…

In 1565 hield een kardinaalscommissie met o.m. Carolus Borromeüs (de latere heilige) een streng onderzoek naar de muzikale en morele kwaliteiten van de zangers in de Sixtijnse kapel. De gevolgen waren dramatisch: 13 zangers vlogen eruit en stonden op straat. Onder hen ook Christiaan. Niet omdat hij moreel niet deugde, maar zijn stem was aan de zwakke kant.

Maar nu herhaalde zich het mysterie: vier dagen later stond Christiaan weer op de stoep met een verklaring van, jawel, paus Pius IV, of Christiaan toch alsjeblieft weer lid van de Sixtijnse kapel mocht worden. Als enige van de ontslagen zangers keerde Christiaan terug in de Sixtijnse kapel.

Talent is talent en Oirschot is Oirschot, zegt Schrijver dezes dan. Uiteraard zonder de minste zweem van chauvinisme. Dat spreekt. Deze kwaal die o.m. met name de inwoners van zekere stad aan de Schelde kwelt, tergt en benevelt, is Oirschot ten enen male vreemd.

In de daaropvolgende jaren zou Christiaan een vaste waarde blijken in de Sixtijnse kapel, waar hij ettelijke bestuursfuncties waarnam. Ook in de broederschap van S. Maria dell’Anima was hij meermalen als provisor (= hoofd) actief. Uiteindelijk was hij in 1593 de directe collega van de beroemde(re) Giovan-Pierluigi da Palestrina als mastro di cappella (Palestrina vervulde die functie in de Cappella Giulia, het zangkoor van de Sint-Pieter).

Christiaan componeerde ook, al is er slechts weinig bewaard gebleven: buiten het al genoemde madrigaal alleen een mis en een Magnificat. Alles bij elkaar ruim 45 minuten muziek, goed voor een kleine cd.

Op 20 november 1605 (precies 414 jaar voor Schrijver dezes de Ovidius-tentoonstelling in Leuven opende) overleed Christiaan in zijn huis aan de Via dei Condotti. Jawel, als de gemeente Oirschot dat huis geërfd had, hoefde ze nooit naar de financiën te kijken!

Maar het huis kwam aan Christiaans neef, de boven al vermelde Theodorus van der Ameijden: zoals vaak hebben belangrijke Meierijse families een tak in Den Bosch en een tak elders.

In het opschrift zelf valt vooral op dat de nadruk ligt op de vermelding van de voorwaarde van de erfenis. Dat is waarschijnlijk mede de reden geweest waarom Christiaan een grafmonument kreeg. Het spreekt vanzelf dat deze aanduiding volstrekt on-klassiek is. Van Christiaan zelf wordt wel iets gezegd, maar het zwaartepunt lijkt elders te liggen.

animbra(7)

De tekst is in mooie letters gekapt, maar van een centrering is geen sprake, laat staan van een verband tussen zinsconstructie en regelverdeling. Een replica werd enkele jaren geleden aangebracht in de Oirschotse Sint-Pieterbasiliek (foto hierboven). U kunt die daar in de zomermaanden, als de kerk voor toeristisch bezoek geopend is, zien.

Geleerdheid en kunst, de hemelse sferen: de Brabantse ziel.

Of zoals de bekendste Oirschotse Latijnse dichter over de S. Maria dell’Anima zei (met ook een toespeling op het graf van de Leuvense paus Adrianus VI in de kerk):

Romae uin’ animam leuiter flantem borealem?
Has aedes intra: spiritus intus adest!
Inuenies olim quod nostri afferre solebant
Artifices, sonat hic Musa Brabanta lyra.
Hic, Adriane, tibi deiecta labore quies sit;
Irrequieto sic sit mihi laeta domus.

‘In Rome zoekt u de zacht waaiende ziel van het noorden?
Treed dan in dit huis: binnen woont die geest!
U zult er vinden wat onze kunstenaars hier brachten
Ooit, hier zingt de Muze uit het Brabantse land.
Hier, Adrianus, zij voor u rust na uw teleurstellend zwoegen;
En ook een welkom thuis voor mijn onrustige ziel.’

(Michael Pratensis Oirschotanus)