Manuscript Mysteries VII – Sulpicia in Ferrara

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.

Vandaag aflevering 7 van Manuscript Mysteries: Sulpicia in Ferrara.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is de zevende bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Vooraleer u aan het stevige onderstaande stukje begint, even duidelijk maken wie Sulpicia is. Sulpicia was een Latijnse dichteres uit de tijd van keizer Augustus. Zij was waarschijnlijk een nicht van onder andere Servius Sulpicius en Valerius Messala Corvinus, tot wiens literaire kring zij behoorde. Ze is onder meer bekend van haar gedichten in het vierde boek van het Corpus Tibullianum.

Vermoedelijk is Sulpicia de enige dichteres uit de Latijnse literatuur van wie we enkele verzen bezitten. Waar en wanneer ze geboren werd, wie ze was en wanneer ze gestorven is, is ons niet bekend.

Albius Tibullus is een Romeinse elegisch dichter uit de tweede helft van de eerste eeuw v. Chr. Hij is de auteur van twee boeken elegieën en behoort tot de elegiaci. Onder zijn naam is de elegieënbundel Corpus Tibullianum uitgebracht. Deze bundel bevat onder andere gedichten van Tibullus zelf en Sulpicia.

* * * * *

‘Ik mag dat graag lezen’, zei de Grote Speurder, ‘Ferrara, ja, Sulpicia…’ en zijn blik dwaalde af.

Een van de lastige dingen van de Grote Speurder is dat zijn associaties zo snel gaan dat niemand ze kan volgen. Een ander lastig ding is dat hij ervan uit gaat dat zijn toehoorders dat wél kunnen. Dat schept een continu communicatieprobleem dat te vergelijken is met een vergadering met murmelende mondmaskerdragers.

Als u namelijk op basis van bovenstaande dacht dat de Grote Speurder doelde op een verhaal rond of eventueel op het werk van een zekere Sulpicia uit Ferrara, dan zit u er glad naast. Erger nog, u bent dan beland in de categorie hopeloze gevallen en de kans dat u in de rest van dit verhaal nog mee kunt, is klein, ja, bitter klein. Laat ons heel duidelijk zijn: Sulpicia is nooit in Ferrara geweest.

En dat weet de Grote Speurder natuurlijk, want hij dacht eigenlijk aan Giorgio Bassani die in Bologna geboren is, over Ferrara schreef en in 2000 in Rome overleed, in de tijd dat de Grote Speurder daar zelf drie maanden lang allerlei dingen naspeurde. Wat dat was, doet er nu niet toe en er was ook geen verband met het overlijden van Bassani.

Maar inderdaad, de Grote Speurder leest graag Giorgio Bassani en toen hij (de GS om het niet al te moeilijk te maken, niet GB) zelf in Ferrara was, trof het hem dat hij zelden een stad had bezocht die zo volledig kloppend was weergegeven in de literatuur als Ferrara in het werk van Bassani. Sulpicia doet hier overigens ook niet haar intrede, want Bassani schrijft niet over een Sulpicia en hij heeft waarschijnlijk nauwelijks geweten wie ze was.

Maar wat doet ze dan in dit verhaal? Dat is dan weer zo’n onnavolgbare gedachtesprong van de Grote Speurder, want hij doelde op ms. 14640 in Brussel. Doe geen moeite dit te begrijpen. Pijnig ook uw hersens niet af om te zoeken wat u eventueel zou kunnen weten van ms. 14640, want dat is allemaal vergeefse moeite. Niemand kent ms. 14640. Dat is net het probleem. Behalve natuurlijk de Grote Speurder…

sulpicia(3)

Ms. 14640 is een handschrift met het zogenaamde Corpus Tibullianum. Dat bestaat uit drie boeken (tegenwoordig over vier boeken verdeeld) met in de eerste twee de in totaal 16 elegieën van Tibullus (ca. 55 – 18 v.Chr.), een iets oudere tijdgenoot van Ovidius.

Het derde boek (dat moderne edities dus vaak in twee splitsen) bevat het werk van een zekere Lygdamus (soms geïdentificeerd met de jonggestorven oudere broer van Ovidius) en van Sulpicia. Daar is ze dus!

Sulpicia was een (vermoedelijk) jonge vrouw die in een reeks van zes korte elegieën (zo kort dat ze bijna epigrammen zijn) haar liefde voor een zekere Cerinthus bezingt. Een schuilnaam, conform de gewoonten van de klassieke Latijnse poëzie, net als Catullus’ Lesbia, Propertius’ Cynthia, Tibullus’ Delia en Ovidius’ Corinna.

sulpicia(1)

Niemand weet wie Cerinthus was. De Grote Speurder houdt zijn lippen stijf op elkaar geperst, al zie je hem denken…

Het bijzondere aan Sulpicia’s gedichten is nu dat ze de enige gedichten uit de klassieke Latijnse literatuur zijn van de hand van een vrouw. Ze is de poëtische collega van Cornelia dus.

De gedichten doen fris en oprecht aan, al moet je in de Latijnse literatuur altijd uitkijken met zo’n omschrijving. Een voorbeeld (Sulpicia, Elegidion 1 = Tibullus, III, 13 = IV, 7):

Tandem uenit amor, qualem texisse pudori
Quam nudasse alicui sit mihi fama magis.
Exorata meis illum Cytherea Camenis
Attulit in nostrum deposuitque sinum.
Exoluit promissa Venus: mea gaudia narret,
Dicetur si quis non habuisse sua.
Non ego signatis quicquam mandare tabellis,
Me legat ut nemo quam meus ante, uelim,
Sed peccasse iuuat, uultus componere famae
Taedet: cum digno digna fuisse ferar.

‘Eindelijk kwam de liefde, en wel zo dat ze uit schroom verbergen
Mij meer roem brengt dan als ik ze aan iemand onthul.
Door mijn zangen bewogen bracht Cythereïsche Venus
Hem mij en plaatste hem in mijn schoot.
Venus kwam haar beloften na: ze mag mijn vreugde vertellen,
Als van iemand gezegd wordt dat deze de hare niet had.
Ik wilde niet iets aan gezegelde wastafeltjes toevertrouwen,
Zodat niemand mij eerder zou lezen dan mijn lief,
Maar het was goed even af te wijken, altijd het gezicht in de plooi voor de faam
Verveelt: men zal zeggen dat ik samen was met wie ik het verdien.’

Maar wat heeft dit nu met Ferrara te maken, zal de vertwijfelde lezer zich onderhand afvragen. De Grote Speurder schudt wat meewarig het hoofd. Niet heel sympathiek misschien, maar daar kan hij ook weinig aan doen.

Nog zo’n onhebbelijkheid van de Grote Speurder is dat hij ervan uitgaat dat u allemaal perfect op de hoogte bent van de tekstoverlevering van Tibullus en co. en dat inclusief alle varianten in het kritisch apparaat, zodat u de volgende toelichting eigenlijk helemaal niet nodig zou hebben.

Tibullus was in de middeleeuwen nagenoeg onbekend. Afgezien van enkele verzen in florilegia (bloemlezingen) stamt het oudste handschrift (nu in Milaan) uit ca. 1375. Dat is laat, heel laat. Alle andere handschriften stammen van deze Milanese codex af.

Het tweede handschrift zit in het Vaticaan en werd rond 1400 gekopieerd. Dan is er een kleine groep van een stuk of vijf die in de jaren 1420 werden afgeschreven. En dan is er nog een partij van meer dan 100 van na 1435. Tibullus was duidelijk in toenemende mate populair in het Italiaanse Humanisme.

‘Terecht’, merkt de Grote Speurder op. Hij leest niet alleen graag Bassani, maar ook Tibullus. Eigenlijk gewoon de klassieke Romeinse elegie. In wezen is de Grote Speurder een romantische ziel.

In Brussel worden er twee handschriften van Tibullus bewaard. Alle twee zijn ze nagenoeg onbekend in de wetenschappelijke literatuur, zoals wel vaker het lot is van de Brusselse handschriften van klassieke Latijnse auteurs.

Het andere handschrift, ms. 14638, is een heel mooi geschreven klein volume op perkament, dat van ca. 1455-1460 dateert en ook de elegieën van Propertius bevat. De kopiist maakt zich op f. 108v kenbaar als Johannes en op f. 1r staat ook een (later uitgekrabd) wapen met de naam in afkorting: Io(hannes) Ma(…).

Deze is wel geïdentificeerd met Gian Matteo Battigella die verder overigens nauwelijks bekend is. Of de Io(hannes) Ma(…) van het wapen identiek is met de kopiist Johannes is niet zeker, maar wordt wel (te gemakkelijk?) aangenomen. Vreemd genoeg wordt dit tamelijk late handschrift wél gebruikt in de Teubneruitgave van Tibullus uit 1988 (siglum: X).

Ms. 14640 is groter en minder mooi verzorgd en bevat geen enkele aanduiding van zijn herkomst of eerdere bezitters. Op f. 1r is een wat klungelige poging gedaan om een initiaal te versieren met de uit Italiaanse Quattrocento-handschriften goed bekende witte ranken. De letters zijn verder duidelijk, de rode inkt uit de titels is nogal verbleekt. Kortom, nauwelijks een handschrift dat je op een tentoonstelling zou aantreffen.

En toch lag dit volume op de grote en o zo mooie Ovidiustentoonstelling in de Leuvense universiteitsbibliotheek van 2019-2020, zelfs met extra toelichting. ‘Terecht’, merkte de Grote Speurder op.

Ik keek vragend op. ‘Kijk’, zei de Grote Speurder. Als er geen expliciete gegevens over een handschrift zijn van het type van vermeldingen, colofons, bezittersmerken, wat weet ik allemaal, dan is de enige bron die ons kan inlichten, het handschrift zelf, in zijn zuivere, zijn naakte materialiteit. Eerst beschrijven, dan die beschrijving duiden, interpreteren.

‘Welnu, dit handschrift bestaat uit perkament én papier, en wel zo dat het buitenste bifolio van elke katern van perkament is en dus de papieren binnenkant beschermt. Het perkament is trouwens een palimpsest, want je kunt zien dat de oorspronkelijke tekst is weggepoetst’.

‘Welnu, wat onderscheidt papier van perkament, codicologisch bekeken? Juist, papier heeft een watermerk. En als je dat gaat zoeken kom je bij nr. 444 of 445 in het repertorium van Picardt, Wassertiere, uit, waarvan het watermerk in dit handschrift een variant is.’

(Ho, even stoppen, voordat het te vlug gaat. Papier werd vroeger uit een gemalen brei geschept in papiermolens. en in die ‘schep’ zat een tekening, het fabrieksmerk van de producent: dat is het watermerk. Door de merken te groeperen in grote naslagwerken en ze te verbinden met gedateerde documenten die hetzelfde merk hebben, is het mogelijk een handschrift van papier grofweg te dateren en te lokaliseren. Het laatste alleen in de vroegere periode en met een beetje geluk, want papier werd toen ook al over grotere afstanden verhandeld. Omdat zo’n ‘schep’ vrij snel versleet, moest hij geregeld vernieuwd worden, zodat de merken zelf slechts een beperkte tijd meegingen.

Bij het maken van een nieuwe tekening op de nieuwe schep traden onvermijdelijk lichte varianten op en die bezorgen a) veel hoofdbrekens, want u moet ze wel precies herkennen, en b) een nauwkeuriger datering.

Er zijn verschillende problemen bij deze watermerkstudie. Zo stammen onze gegevens over datering nooit uit de productie zelf, maar uit het gebruik. Daar kan dus wat tijd tussen zitten. Bovendien komt de herkenning vaak nogal nauw, want je moet wel zo nauwkeurig mogelijk herkennen om zeker te zijn van de datering.

Tot slot zijn er bepaalde typen die zo veel gebruikt zijn dat het herkennen in de kleinste details zit. Dit geldt met name voor de ossenkop en de letter P. Als u echt iemand gek wilt maken, geef deze persoon dan een watermerk met de letter P en vraag dat hij/zij een exacte match zoekt in het repertorium van Picardt. Succes verzekerd! Koopt u maar vast een bloemetje voor het sanatorium! Vandaar ook dat in het toch al wat eigenaardige ras der Codicologen de Watermerkelaars helemaal een bizarre subspecies vormen…)

‘Dit watermerk’, ging de Grote Speurder onverdroten voort, ‘is, gelukkig, tamelijk duidelijk en zeldzaam, een fabeldier dat betuigd is voor de periode 1428-1430 in Ferrara.’

Hèhè, daar zijn we, eindelijk: Ferrara!

‘Maar dat zou dus betekenen dat dit handschrift dat dus volstrekt genegeerd wordt in de wetenschappelijke literatuur, in feite tot de vroege groep van Tibulluscodices hoort en derhalve juist actief bestudeerd zou moeten worden!.

‘Maar er is nog meer! Iedereen weet dat er na vers 25 van de tweede elegie van boek I een lacune is.’

Nu ja, ‘iedereen weet’: niet dus. Ik heb er al op gewezen dat de Grote Speurder ervan uitgaat dat iedereen het kritisch apparaat met de lezingen uit andere handschriften van om het even welke auteur vlot in zijn hoofd heeft zitten. Wat niet wegneemt, dat er inderdaad en onomstotelijk een lacune ís na I, 2, 25.

Omdat er een volledig vers ontbreekt en omdat Tibullus’ oeuvre geschreven is in elegische disticha, tweeregelige strofen waarvan beide verzen een ander patroon hebben, staat het inderdaad vast dat er een heel vers ontbreekt. En dat deze lacune niet teruggaat op een of andere filologenfantasie. Want dat kan ook…

‘Ja,’ mijmerde de Grote Speurder, ‘een lacune… Maar niet in dit handschrift!’ En hij sloeg het open, uiteraard meteen op de juiste plaats. Sommige mensen zijn werkelijk onuitstaanbaar in hun altijd gelijk hebben. ‘Kijk: de pentameter volgt gewoon op de hexameter!’

De Grote Speurder had gelijk. Er stond een vers, terwijl de gezaghebbende handschriften daar niets hebben. De Grote Speurder pakte de editie in de Teubnerreeks en wees triomfantelijk: daar stond hetzelfde vers! Het was een oude ‘conjectuur’, een voorstel tot verbetering door een humanist of latere geleerde. In dit geval gaat het om een voorstel tot tekstherstel door een zekere Giovanni Aurispa.

U kent die niet. Troost u, ik ook niet. Maar de Grote Speurder, in een poging om echt irritant en betweterig te doen, ging onverdroten voort. ‘Deze Siciliaanse humanist (1376-1459) was actief in heel Italië, Rome, Firenze… Hij onderwees daar Grieks, in Firenze, vanaf 1425. Tot hij na een paar jaar ruzie kreeg met zijn instelling en zijn collega’s. Alle Groten krijgen ruzie met hun chefs.’

sulpicia(2)

De Grote Speurder keek even voor zich uit. Maar zijn gedachte bleef onuitgesproken. ‘En’ vroeg hij toen, ‘weet je wat hij toen deed? Aurispa? Eind 1427? Jawel: hij ging naar Ferrara en verbleef daar van 1428 tot 1430. Bingo!’

Weer Ferrara. De conclusie moet dus wel zijn dat dit ms. 14640 inderdaad in Ferrara gekopieerd werd in de jaren 1428-1430 in de omgeving van Giovanni Aurispa. Ineens blijkt dit verwaarloosde en vergeten handschrift tot de kerngroep van de overlevering van Tibullus te horen!

De Grote Speurder aaide zacht over de band, hij streelde het bijna: je zou zowat denken dat hij zich ook verwaarloosd voelde, van tijd tot tijd. ‘En er is nog meer’, zei hij, toen hij uit zijn rêverie opkeek.

‘Als je goed kijkt, zie je tussen de regels af en toe aantekeningen staan. In tegenstelling tot echt middeleeuwse handschriften waarin deze aantekeningen vaak woordverklaringen bevatten, gaat het hier om variante lezingen, voorafgegaan door vel ‘of’ of lege ‘lees (in plaats hiervan)’.

Dit is een typisch Italiaans humanistenhandschrift met lezingen uit andere handschriften of voorstellen van Aurispa zelf. Filologenwerk. Een kritisch apparaat dus!’

Middeleeuwse handschriften zijn kopieën van andere handschriften. Bij het kopiëren worden fouten gemaakt en deze fouten worden vaak weer mee gekopieerd in volgende afstammelingen. Dat noemen we ‘varianten’.

In een wetenschappelijke editie worden de voornaamste varianten in een soort notenapparaat, het ‘kritisch apparaat’, vermeld, zodat de lezer zicht krijgt op de tekstoverlevering en op de mate waarin de tekstuitgever eventueel van de handschriften afwijkt en ze corrigeert. Dat laatste is soms nodig, omdat er af en toe plaatsen in een tekst zijn waar niets meer mee aan te vangen is. Deze tekstherstellingen zijn de net al genoemde conjecturen.

‘En weet je wat nu zo grappig is?’, ging de Grote Speurder door. ‘Eigenlijk staan al onze geleerde tekstedities van Tibullus op hun kop. We proberen normaal immers aan de hand van bepaalde varianten uit verschillende takken van de overlevering een verantwoorde lezing te vinden, maar bij Tibullus, waar alle handschriften kopieën zijn naar hetzelfde handschrift (dat we dan nog hebben ook, het volume in Milaan) en bovendien waar al die kopieën het werk zijn van geleerde humanisten die beter Latijn kennen dan wij over het algemeen ooit kunnen hopen, zijn er eigenlijk helemaal geen ‘varianten’, maar alleen conjecturen. Voorstellen van geleerde collega’s, bewust geformuleerd en niet toevallig ontstaan.

‘Het is hoog tijd voor een échte kritische editie van Tibullus, die rekening houdt met het feit dat de verschillen tussen de handschriften conjecturen zijn en geen gewone varianten, waartussen je kunt kiezen. En een die rekening houdt met ons ms. 14640!’

‘Ach ja, Ferrara. … En Sulpicia. Ik mag dat best graag lezen’, besloot hij. Ik laat aan u over om te gissen wat hij nu weer dacht.

Met dank voor deze bijdrage aan
Dr. Michiel Verweij
Oude en kostbare drukken
Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.