Een krans voor eenzame godinnen

Avonturen met opschriften – XX

Twee jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de twintigste bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XIX. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

De coronapandemie is vooral een tijd van beperking, van contacten, van reismogelijkheden. Van thuiswerk, van angstvallig tellen hoeveel mensen zich in uw bubbel persen. Het is een tijd van binnen blijven en isolatie. Van eenzaamheid ook. Deze nieuwsbrief wil de eenzamen een krans bieden, want van hen wordt veel gevraagd. Het wordt een krans voor eenzame godinnen.

Ons geliefde Rome ligt nog altijd buiten bereik, zodat we andermaal de blikken richten op wat dichterbij was. U herinnert zich wellicht Nehalennia nog wel. Die had geen last van eenzaamheid. Van heinde en verre dromden de mensen op haar tempelterreinen bij Domburg en Colijnsplaat. Ganuenta zoals dat laatste vermoedelijk heette.

nehal5Foto: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Maar er zijn andere godinnen die minder geluk hadden. Vier passeren hier de revue. Vier eenzamen. Viradecdis, Burorina, Hurstrga, Sandraudiga. Oefent u deze namen maar eens goed. Daar is geen woord Latijn bij. Dit is Keltisch of Germaans. Afhankelijk van de deskundige. Want daar wordt een bittere taalstrijd gestreden over de herkomst, toeschrijving en betekenis van deze namen. Schrijver dezes is wars van alles wat Erasmus destijds tumultus heette: hij hult zich dan ook in een diep stilzwijgen wat de namen betreft.

De Nederlanden in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Een gedeelte was redelijk goed in cultuur gebracht. De Ardennen waren wat ze nu nog zijn. De kuststrook was onherkenbaar, een zone van wadden, slikken, schorren, strandwallen, waarvan enkel delen van de Waddeneilanden nog een indruk kunnen geven.

Ook het Zwin bij Knokke en Cadzand is te klein om echt nog de verlaten woestheid van die tijden op te roepen. De zandgronden waren deels heide, onvruchtbare stuifgrond, deels bosjes. In feite is het na 2000 jaar ontginnen en ruilverkavelen onmogelijk nog iets daarvan terug te vinden. Enkele stukjes beekdal misschien.

Maar toch moet u dat landschap voor ogen houden, want in die wijde wereld, die ontoegankelijke verlatenheid, huizen deze godinnen, de goddelijke krachten die de Menapiërs, Marsaci, Morini, Texuandri, Frisiavones, Tungri, Condrusi, Bataven, Caninefaten, Chamaven, Tubanten, Amsivariërs, Friezen, Bructeren en al wat er verder nog aan Keltisch en Germaans hier huisde, vereerden, huldigden, aanbaden. De geheimzinnige godinnen, zoals Viradecdis, Burorina, Hurstrga, Sandraudiga.

Burorina is ons uit één enkel opschriftje bekend. Een steen van net 27 cm. hoog. U kunt dat bijna in uw hand houden. In 1756 werd de steen ontdekt, ingemetseld in een huis tegenover de kerk van Domburg, amper enkele honderden meters van de plaats waar in 1647 en 1651 altaren voor Nehalennia waren gevonden.

Het lijkt voor de hand te liggen dat ook deze steen van die vindplaats afkomstig is. Maar waarom komt Burorina dan nooit voor in de publicaties die in het midden van de 17de eeuw aan Nehalennia waren gewijd? Zoals de geschiedenis van Vlaanderen van de Bruggeling Olivier Vredius? Waarom was de vondst dan niet samen met de andere altaren in de kerk van Domburg opgesteld?

Goed, toegegeven, het is een kleine steen die gemakkelijk aan de aandacht kon ontsnappen, maar het blijft mysterieus. Vooral ook omdat de tekst in nagenoeg niets lijkt op wat we bij Nehalennia hebben gezien. Hier geen handelaars die hun gelofte aan de godin na behaald succes, hebben ingelost, gaarne en met reden. Nee. De tekst is eerlijk gezegd nogal beschadigd, vooral in het centrale gedeelte. Men leest over het algemeen:

DEAE
BVRORI
NE QVOD
VOTVM
[F]ECIT LAE
[T]VS PRO S[E]
[E]T SVIS P

Deae / Burori/ne quod / uotum / [f]ecit lae/[t]us pro s[e] / [e]t suis p(osuit).

Voor de godin Burorina, welke gelofte deed blij voor zichzelf en de zijnen plaatste.’

Dat is geen goed Nederlands. Wanhoop niet, nee, Schrijver dezes is niet aan geestesverwarring ten prooi. Maar waar het Latijn niet grammaticaal is, moet het Nederlands dat ook niet per se willen zijn. De P op het eind hoort tot het standaardrepertoire van de epigrafische afkortingen en staat voor posuit ‘heeft geplaatst’. Maar er stond al een persoonsvorm in fecit ‘heeft gemaakt’. Dat is er over.

Wie overigens dit opschrift gaat proberen te zoeken in de grote corpora of databases, zal het wellicht niet vinden. Dat komt omdat Schrijver dezes het beter weet. Dat wist u ongetwijfeld al, maar in deze tijden waarin de deskundigen in de vorm van virologen, epidemiologen, statistische types en weet ik wat de coronapandemie nog meer heeft opgeleverd en dat even welig tiert als in de verlaten velden eertijds de godinnen met exotische namen, doorlopend om uw aandacht vragen en over elkaar heen buitelen in het beter weten, hebt u er recht op te weten waarom Schrijver dezes het beter weet. Liever Viracdis dan Vlieghe en liever Hurstrga dan Van Ranst, maar: waarom?

Dit opschrift staat wel zeker in de corpora en databases, maar met de ‘gecorrigeerde’ vorm Burorin(a)e, om duidelijk te maken dat de uitgever zijn Geerebaert goed heeft gestudeerd en weet hoe de a-declinatie in elkaar zit. Alles goed en wel, maar er staat niet Burorinae, er staat Burorine en net dat verschil is van belang.

Het toont ons hoe de Latijnse taal aan het bewegen was, hoe de tweeklank aai die men in de 1ste eeuw v.Chr. spelde met ae, opschoof naar een e. Daarom zeggen de Italianen nog altijd le donne en niet illae dominae zoals 2000 jaar geleden. De ‘verkeerde spelling’ in dit opschrift geeft een blik van de levende taal.

De opsteller heeft nooit Geerebaert bestudeerd. En evenmin Cicero. Hij sprak het Latijn van zijn omgeving. En bij ontstentenis van een Unio linguistica of Taalunie kon hij spellen zoals hij wilde. Laat ons Caesar geven wat aan Caesar toebehoort en spellen zoals op de steen staat, want dat is op zich ook al een historische bron. En als we het doen omdat onze archeologen, oud-historici en classici geen Latijn meer kennen, dan hoeft het nog niet.

cicero

De infantilisering en het altijd gemakkelijk maken voor die arme bloedjes van studenten en wetenschappers mag ook wel eens ophouden. Als ze geen Latijn meer kennen, dat ze het dan maar eens leren! Schrijver dezes vreest dat hij steeds reactionairder wordt. Maar goed: laat ons dus spellen zoals de opsteller gespeld heeft en het Latijn gebruiken dat hij gebruikte.

Hij: dat is het enige wat in dit geval zeker is. Het opschrift leest laetus ‘blij’ en dat is mannelijk. Dat lijkt zozeer op de uitgebreide formule V S L L M (voor de niet-epigrafen onder u: u(otum) s(oluit) l(aetus) l(ibens) m(erito) ‘heeft zijn gelofte ingelost, blij, gaarne en met reden’), dat men er altijd dat laetus van blij in heeft herkend.

Maar dat is bizar, want nu ontbreekt er een naam. De lezing is niet helemaal zeker, toegegeven, en verscheidene uitgevers hebben dan ook andere vormen voorgesteld die meer naamachtig waren, maar de communis opinio houdt vast aan laetus. En als laetus nu eens Laetus was? Met hoofdletter? En dus de gezochte eigennaam?

Waarom niet? Dan heeft de zin ineens meer zin. Maar Laetus lost zijn gelofte niet in gaarne en met reden, doch voor zich en de zijnen. Die variant is absoluut on-Nehalennisch. Het altaartje zou trouwens in het niet verzinken tussen de andere altaren die toch zeker een meter hoog zijn, zo niet meer.

Waar kwam het altaartje dan vandaan? Toch uit het tempeldomein van Nehalennia? Van het strand bij Vrouwenpolder – Oostkapelle / Oranjezon, waar een Romeinse versterking heeft gestaan? Elders? Het binnenland van Zeeland was woest en ledig, alleen op de strandwallen was er echt bewoning.

Was Burorina een godin van de Menapiërs of de Marsaci die hier allebei huisden? Of kwam ze toch van elders? We weten het niet.

Burorina, zij gegroet! Een krans voor u gevlochten!

Hurstrga dan. Eerst die naam maar eens flink oefenen. Toen keer achter elkaar uitspreken, met rollende r zoals dat in die tijd klonk. Haar geschiedenis is al even mysterieus. Ook zij duikt op op één enkele altaarsteen, gevonden in het Bataafse rivierenland, ver van grote centra, ver van de grote stad. Nu ja, groot, zo groot was Ulpia Noviomagus natuurlijk ook weer niet. Het was geen Tongeren. Toch is er over Hurstrga (nog even en dan gaat het echt vanzelf, gelooft u maar) meer duidelijkheid dan over Burorina. Kijken we naar de tekst van het opschrift:

DEAE
HVRSTRGE
EX P EIVS
VAL SILVESTE[R]
DEC M BA[T]
POS L M

Deae / Hurstrge / ex p(raecepto) eius / Val(erius) Silueste[r] / dec(urio) m(unicipii) Bat(auorum) / pos(uit l(ibens) m(erito).

‘Voor de godin Hurstrga heeft op haar aanwijzen Valerius Siluester, decurio van het municipium der Bataven, (dit altaar) geplaatst, gaarne en met reden.

Wat voor Burorine gold, geldt ook voor Hurstrige: dit is de vorm zoals die op de steen te vinden is. De naam van de dedicant is niet helemaal te lezen: de letters SILV zijn zodanig afgesleten dat Schrijver dezes de andere ontcijferaars maar gelooft, maar echt gezien heeft hij het niet. Valerius Siluester was decurio, stadsmagistraat, van Municipium Batauorum, de stad der Bataven.

Dat kan alleen maar Nijmegen zijn. Schrijver dezes heeft genoeg Nijmeegs bloed door zijn overigens Brabantse aderen vloeien om dat te weten. Onlangs is hij er zelfs achter gekomen dat hij in 1944 al bij een bombardement is omgekomen. Twintig jaar voor zijn geboorte: doe dat maar eens na!

Valerius Siluester dus: hij vormt met dit opschrift meteen een bron, een historische bron, want het is een van de getuigenissen dat Nijmegen inderdaad een municipium was. Tot spijt van wie het benijdt, die van Maastricht vooral. Dat betwist Nijmegens aanspraak op de titel oudste stad van Nederland.

Maar in Maastricht zeggen ze wel meer. Dat het een Limburgse stad is bijvoorbeeld, terwijl het een Brabants-Luiks condominium was. U ziet op het Vrijthof op het Spaans gouvernement nog levensgroot het Brabantse wapen om te laten zien wie er de baas was.

maastricht

En nu we het toch over Maastricht hebben: schrijf alstublieft niet, zoals men de laatste tijd steeds vaker ziet: Mosa Traiectum als Latijnse naam. Zelfs op Wikipedia staat het zo. De vorm komt niet in onze bronnen uit de oudheid voor, maar ook in de middeleeuwen en daarna kende men genoeg Latijn om te weten dat twee substantieven nooit zomaar naast elkaar kunnen staan, maar dat daar altijd een verband moet worden uitgedrukt. Mosae Traiectum met genitief dus of Traiectum ad Mosam, met een voorzetselconstructie.

Maar één waanwijs iemand is begonnen om Mosa Traiectum te schrijven, want hij kende geen Latijn en snapte niet wat die e daar ineens te zoeken had en het hek is van de dam, want apen apen apen na en mensen ook.

Tongeren lijkt ineens zo oneindig veel maal simpeler…

Hurstrga dus. Het echte mysterie van Hurstrga zit elders. Als dit altaar nu in Nijmegen gevonden was, maar u hebt het al door: quod non. Deze steen is gevonden middenin de velden nabij de Waal, iets te westen van Tiel in Kapel-Avezaath. Ver van de grote stad. In een gebied van moerasbos en traag stromende rivieren, drassige gronden, een plaats waar geen mensen huizen, maar alleen Hurstrga. Numen inest in loco ‘er huist een godheid op deze plaats’. En dat zij daar huisde blijkt uit de tekst, want ex praecepto eius ‘op haar voorschrift’ kan alleen maar op Hurstrga slaan.

Valerius Siluester kende genoeg Latijn om te weten dat se en suus reflexief waren en ‘zich’ resp. ‘van hemzelf’ betekenen, terwijl eius op al het andere behalve het onderwerp wijst. Het praeceptum ‘voorschrift’ moet dus van de godin komen. Waarom wilde Hurstrga, de Bataafse godin, dat juist hier een altaar aan haar werd gewijd? Wat had Valerius Siluester gedaan dat de godin hem aanwees hier dat altaar te wijden? We weten het niet.

Hurstrga, gegroet! Een krans zij u gewijd! Godin van het drassige stroomgebied!

Laat ons zuidwaarts gaan. Alhoewel. Viradecdis zit overal. Voor haar zijn drie altaren bekend. Eerst dook er een op in het noorden van Groot-Brittannnië:

Deae Viradecthi pagus Condrustis, mili[t(ans)] in coh(orte) II Tungro(rum) sub S[i]lu[i]o [A]uspice prae[f(ecto)]

‘Aan de godin Viradecthis de gouw van de Condrusi die dient in de tweede cohort der Tungri onder prefect Silvius Auspex’

Tongeren! Althans de ciuitas, want de Condroz hoorde daar even goed toe als de wijde Kempische vlakten van de Texuandri.

Later vond men in Vechten aan de Rijn een tweede altaar:

DEAE
[VIR]ADECD[I]
[CIV]ES TVNGRI
[…] NAVTAE
[QV]I FECTIONE
[C]ONSISTVNT
V S L M

Deae / [Vir]adecd[i] / [ciu]es Tungri / [et] nautae / [qu]i Fectione / [c]onsistunt / u(otum) s(oluerunt) l(ibentes) m(erito).

‘Voor de godin Viradecdis hebben de burgers van de Tungri en de schippers die te Fectio = Vechten verblijven, hun gelofte ingelost, gaarne en met reden.’

Aan de hand van het Britse opschrift was de naam van de godin aan te vullen. Blijkbaar bevonden zich in Vechten, een vlootstation aan de limes, ook lieden uit de ciuitas der Tungri die als schipper actief waren. Consistere wordt hier begrepen als ‘verblijven zonder er echt te wonen’. Zo heeft Schrijver dezes in Rome geconsisteerd, lang geleden.

Maar het verhaal is nog niet ten einde, want in 1967 kwam er een derde opschrift boven de grond, toen men in Strées bij Hoei het altaar van de kerk ging verplaatsen. Waar Vaticanum II allemaal toe kan leiden. Bij het wegschuiven kwam namelijk onder het altaar een ouder altaar te voorschijn:

IN H D D
D VIRATHE
THI SVPE
RINA SVP
PONIS
V S L M

In h(onorem) d(omus) d(iuinae) / d(eae) Virathe/thi Supe/rina Sup/ponis / u(otum) s(oluit) l(ibens) m(erito).

‘Ter ere van het goddelijk huis. Voor de godin Virathethis heeft Superina, dochter van Suppo, haar gelofte ingelost, gaarne en met reden.’

De formule uit de eerste regel plaatst het opschrift aan het begin van de 3de eeuw. Virathethis is misschien een lokale of variante vorm. Laat ons er voorlopig maar niet van uitgaan dat het een andere godin is: de wereld is al rijk genoeg aan eenzame godinnen. Superina, dochter van Suppo, was haar in ieder geval dankbaar, ook al ontsnapt ons, zoals meestal, de concrete achtergrond.

Dat is het eeuwige probleem: wij duiden die opschriften historisch, maken er statistieken van, herleiden de individuen tot delen van een groep, maar achter elk opschrift zit een individueel verhaal, het verhaal van deze persoon die, man of vrouw, slaaf, vrijgelatene of burger, inheems, Romeins of exotisch, een reden had om dit bepaalde opschrift te maken. En wij weten niet waarom! Dat blijft het geheim tussen de mens en de godheid.

Het ziet er naar uit dat Viradecdis een godin was van de Condrusi aan de Maas. Sommige Condrusi maakten carrière in het Romeinse leger, andere in de scheepvaart. Wellicht brachten zij het Haspengouwse graan naar de limesforten. Dat is uiteraard het probleem van Tongeren. De Jeker is nu echt niet om over naar huis te schrijven als vaarweg. Tongeren ligt aan de landweg, maar niet aan een vaarweg. Het waren de Maasbewoners die de boot namen.

En alsof het toeval er mee speelt: de kerk van Strées is gewijd aan H. Nicolaas, de patroon van de schippers. Toeval? Het lijkt te mooi om waar te zijn om hier nog een verband te gaan zoeken. Laat ons voorzichtig zijn en Viradecdis eer bewijzen. Als je altaren zo ver zijn uitgezwermd als Schotland, Vechten en Strées, dan blijf je toch wat eenzaam achter.

Viradecdis, gegroet!, een krans zij u gewijd!

Als we dan van de boorden der Maas weer naar het noorden gaan en na de dalen van Dijle en Demer de zandige Kempen in schieten, dan komen we in het land van de Texuandri. En daar werd in 1812 bij wegwerkzaamheden tussen Breda en Antwerpen nog net op het huidig Nederlands grondgebied (destijds was het allemaal Frans uiteindelijk) in wat nu Noord-Brabant heet, maar toen het département des Deux Nèthes was, een altaar steen gevonden voor Sandraudiga:

DEAE
SANDRAVDIGAE
CVLTORES
TEMPLI

Deae / Sandraudigae / cultores / templi.

‘Aan de godin Sandraudiga de vereerders van de tempel.

Het lijkt zo simpel allemaal. En toch: wie waren die cultores templi? En waar stond die tempel? De formule cultores templi is maar van één ander opschrift bekend, van een altaar ergens in Moesia op de Balkan, dat in 2005 boven aarde kwam. In dat opschrift gaat het om de cultores templi Herculis. Hier weten we veel minder.

Sandraudiga is verder volstrekt onbekend en een tempel is er in het westen van Noord-Brabant of in Antwerpen ook (nog) niet gevonden. De tempels aan de Maas bij Kessel en Empel zijn veel te ver weg. Er zijn grenzen aan de afstand dat iemand met zware altaren zeult. Er moet dus toch ergens in de buurt een heiligdom zijn geweest. misschien geen groot bouwwerk, maar templum hoeft ook niet per se op een stenen constructie te wijzen.

Verder lost dat geen enkele vraag op. Wie die cultores templi zijn geweest en waarom ze gezamenlijk dit altaar aan Sandraudiga hebben gewijd, blijft een mysterie. Maar ze is een Texandrische godin en dat laat mij als Texandriër niet onberoerd.

Sandraudiga, gegroet! Een krans zij u gewijd!

Verder naar het oosten ligt het land van de Beerze en de Dommel, lentas dum flauens Dummela mittit aquas ‘terwijl de gele Dommel haar trage wateren stuwt’, zoals de dichter het zegt. Daar stroomt, ondanks alle ruilverkavelingen, rechttrekkingen, saneringen nog altijd een deel van de Beerze zoals het hoort, in haar eigen natuurlijke bedding.

eik2

En daar, ver weg van menselijke bewoning, vloeit de Beerze door een bosrijk land en daar, ver weg van menselijke bewoning waar de Beerze door bosrijk land stroomt, staat een witte kapel op de oevers van de stroom. Een kapel die een oudere kapel vervangt, die ook al een oudere kapel verving. Een kapel gebouwd naast een eik. Het verhaal gaat, zo vertelt het Petrus Vladeraccus (1571-1618), dat aan het begin van de 15de eeuw herders een beeldje van Maria met kind vonden op de oever van de rivier. Ze plaatsten het in een eik en vereerden het. En het bracht meteen genezing.

De inwoners van het nabijgelegen Oostelbeers of Middelbeers (niemand heeft ooit geweten waar de snoodaards vandaan kwamen) haalden het beeldje uit de eik en brachten het naar hun parochiekerk. Maria had smaak en de volgende ochtend stond het beeldje weer in de eik. Toen bracht men het beeldje naar de parochiekerk van Oirschot en daar staat het nog steeds. Tegenwoordig vertelt men het verhaal wat anders. Nu vinden de herders het beeldje terwijl het – net als fiere Margriet in Leuven – stroomopwaarts drijft en het avontuur met de Beersenaren vindt tweemaal plaats.

Maar het eind is hetzelfde, want het beeldje staat nog steeds in de Sint-Petrusbasiliek en het graf van Petrus Vladeraccus ligt daar vlak bij. En Schrijver dezes maakte van de tekst van Petrus Vladeraccus zijn eerste wetenschappelijke publicatie. En durfde vervolgens drie dagen het tijdschrift waarin het artikel verschenen was, niet open te doen.

eik1

Twee dingen onderscheiden Onze Lieve Vrouw van den Heiligen Eik (want zo heet ze, met verbindings-n) van haar eenzame collega’s: er bestaat geen opschrift voor haar en er komt nog steeds veel volk, zodat ze niet bepaald eenzaam is. Maar voor de plaats waar de kapel staat en de legende zich afspeelt, geldt evengoed: numen inest in loco ‘er huist een goddelijke macht op deze plaats’.

Men wordt hier gemakkelijk verleid om een voor-christelijke oorsprong aan te nemen, een cultus zoals voor Sandraudiga, Viradecdis, Hurstrga en Burorina, maar dan gekerstend en van nieuwe zin voorzien. Een zin die bestaat in de ontmoeting van de mens met het omvangende mysterie en in het zich opgenomen weten in dat omvangend geheel.

En waarom steken mensen een kaarsje op voor Maria? Toch om dezelfde reden als waarom Valerius Siluester, Laetus (?), Superina en de cultores templi hun geloften deden en hun altaren wijdden? Daarom,

Onze Lieve Vrouw van den heiligen Eik, gegroet!, een krans zij u gewijd!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.