Archive for 18 juli 2021

Manuscript Mysteries IX – Batavia Lovaniensis

18 juli 2021

Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.

Vandaag aflevering 9: Batavia Lovaniensis.

Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is de negende bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Deze bijdrage is opgedragen aan de herinnering aan Jozef IJsewijn (1932-1998).

* * * * *

‘Wat eens in leed gescheiden werd,’ murmelde de Grote Speurder voor zich heen, ‘en nimmer werd geheeld.’ Hij keek op van het handschrift waar hij voorzichtig in zat te bladeren. Het papier was nogal fragiel. Het was een belangrijk handschrift voor de Grote Speurder: het was het allereerste dat hij ooit in Brussel in handen had gehad, ms. II 53, en het lag open op een folio met twee gedichten die aan keizer Hadrianus werden toegeschreven.

U kent het handschrift wellicht niet. U kent zelfs wellicht de context niet waarin het handschrift tot stand kwam, al kent u er allen een facet van. Ms. II 53 is het aantekenboek van de vroege humanist Gerard Geldenhouwer die in 1482 in Nijmegen geboren werd.

soranus(2)

Na zijn studie in Leuven (waar anders?) bleef Geldenhouwer in Leuven hangen (‘Bekend verhaal’, peinsde de Grote Speurder). Hij zou daar satiren schrijven, de zaak van het Humanisme verdedigen, vriendschap sluiten met andere humanisten uit het Leuvense en een wezenlijke bijdrage leveren aan de allereerste editie (nog 35 exemplaren bewaard, waarvan twee in Brussel) van de Utopia van Thomas More die in 1516 bij Dirk Martens in de Naamsestraat in Leuven van de pers rolde. (‘Daar heb ik ook nog gewoond’, peinsde de Grote Speurder verder. Zijn gedachten kwamen steeds losser van het handschrift te staan.)

Aan het eind van de jaren 1510 werd Geldenhouwer secretaris van de bisschop van Utrecht, Filips van Bourgondië, de laatste bastaard van Filips de Goede. Men zegt vaak dat des hertogen motto Aultre n’auray ‘ik zal geen andere hebben’, betrekking heeft op zijn huwelijkstrouw, maar de schier onoverzienbare sliert onwettige kinderen die deskundig ingeschakeld werden om de hertogelijke politiek te dienen, doet daar toch tenminste een wenkbrauw omhoog gaan.

Toen de bisschop in 1524 overleed, raakte Geldenhouwer een beetje op de dool. Bovendien begon hij sympathie te koesteren voor het nog zeer jonge Lutheranisme. Toen dat duidelijk werd, brak iedereen met hem en Geldenhouwer trok uiteindelijk naar Duitsland waar hij aan de net gestichte (Lutherse) universiteit van Marburg hoogleraar in de geschiedenis werd en in 1542 overleed. Hij is nog goed terecht gekomen, uiteindelijk.

In zijn Leuvense jaren had hij ook de vriendschap opgedaan van Frans van Cranevelt die ook in Nijmegen geboren was (in 1485), eerst in Keulen gestudeerd had, later in Leuven, daar getrouwd was met een vooraanstaande patriciërsdochter, in 1519 pensionaris (juridisch adviseur) van Brugge was geworden en in 1522 lid van de Grote Raad in Mechelen. Daar overleed hij in 1564. (’64’, dacht de Grote Speurder, ‘weer een van die grote figuren die geboren of gestorven zijn in een jaartal 64’; ik laat dit verder aan uw eigen beoordeling over).

Cranevelt was ook een echte humanist, een van die geleerden die zich in de 15de en 16de eeuw vol overgave stortten op de studie van de klassieke literatuur en die probeerden om zo goed mogelijk het Latijn van de oudheid te schrijven. Cranevelt vertaalde enkele Griekse werken in het Latijn en onderhield een belangwekkende correspondentie.

Hij kende Erasmus en Thomas More persoonlijk, evenals de Spaans-Brugse humanist Juan Luis Vives, maar daarnaast was er nog een hele schare correspondenten die hun opwachting maken in de bewaarde brieven. Want deze brieven bleven bewaard en de 385 stukken horen tot de grootste schatten van de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

canterUit hetzelfde handschrift: deel uit een brief van de
aartsbisschop
van Canterbury aan Erasmus; zomer 1521.
Enig bekende rest van deze brief.

Een van de correspondenten was natuurlijk Geldenhouwer. En de Grote Speurder zag nu net op f. 50v van zijn handschrift dat daar ook de naam van Cranevelt genoemd werd. Ms. II 53 is een verzameling aantekeningen over eigentijdse gebeurtenissen die Geldenhouwer bezighielden. In de staat waarin het handschrift zich nu bevindt, betreft het aantekeningen uit de jaren rond 1520 en 1530 met een flink gat daartussen.

Naast de eigenlijke aantekeningen bevat het handschrift ook een reeks documenten in origineel of in kopie, stukken die de gebeurtenissen moesten verduidelijken. De inhoud is veelzijdig en gaat van paskwillen op paus Adrianus VI, spotdichten op de pausen Alexander VI en Julius II, tot de burgeroorlog tussen Zwolle en het eveneens Overijsselse Hasselt. Vaak staat de naam van Erasmus er te lezen, geregeld ook die van Luther. En op f. 50v staat nog heel iets anders.

Op die pagina noteerde Geldenhouwer twee gedichten, gedichten die hij gevonden had in een handschrift in de bibliotheek van de Artes-faculteit van de Leuvense universiteit, toen hij dat handschrift samen met Cranevelt had gelezen. Het was een handschrift met de Apolocyntosis van Seneca (4 v.Chr. – 65), de filosoof en opvoeder van keizer Nero.

De Apolocyntosis is een satire op de vergoddelijking van keizer Claudius en wordt in het Nederlands mooi weergegeven als de Verpompoening in plaats van de Apotheosis of Vergoddelijking van de keizer. De tekst is ons slechts uit 40 handschriften bekend, waarvan een in Luik: verder nergens in de Benelux, zelfs niet in Leiden of in Brussel.

Het Leuvense is niet tot ons gekomen. Tot 1636 had de Leuvense Universiteit geen centrale bibliotheek. Studenten en professoren moesten het stellen met kloosterbibliotheken (zoals die van Sint-Maartensdal waarvan het overgrote deel sinds het eind van de 18de eeuw in de Koninklijke Bibliotheek zit) of met de boekenverzamelingen van de colleges en pedagogieën.

Daarvan is nauwelijks iets bewaard of bekend, maar we hebben wel het geluk dat de boekenlijst van de faculteit van de Artes uit ca. 1450 is overgeleverd. De Artes-faculteit was de faculteit die elke student moest doorlopen vooraleer hij zich eventueel aan de studie van de Rechten, Geneeskunde of Theologie kon wijden (de zogenaamde hogere faculteiten).

Hij: want studenten waren destijds exclusief mannelijk. In Leuven heeft het zelfs uiteindelijk tot 1920 geduurd voordat meisjes werden toegelaten en voordat u nu verontwaardigd uitbarst of uw lachen niet kunt houden: dat was nog niet eens zo laat: Oxford en Cambridge waren nog later.

soranus(1)

Daardoor weten we dus dat er ongeveer 150 items op die cataloguslijst stonden en in deze bibliotheek aanwezig waren. Nummer 142 is getiteld Ludus Senicae ‘Het Spel van Seneca’ en is het handschrift met de Apolocyntosis. Maar er stond meer in dat volume. Zoals de twee gedichten die Geldenhouwers aandacht gaande hielden. Hij kopieerde ze niet alleen in zijn aantekenboek of Collectanea zoals het meestal genoemd wordt, hij zou ze ook uitgeven.

Geldenhouwer was zelfs de allereerste die deze klassieke Latijnse gedichten publiceerde. Naar het Leuvens handschrift. In zijn Lucubratiuncula de insula Batavorum die in 1520 bij Michiel Hillen van Hoogstraten in Antwerpen het licht zag (exemplaren in de Koninklijke Bibliotheek: IV 40.723 A en VH 28.172 A), op een speciale pagina voor het begin van de tekst.

Hij zou een van deze gedichten herdrukken in zijn Batavica Historia uit 1530 en dat was niet de laatste maal dat dit gedicht naar Geldenhouwer herdrukt zou worden. Integendeel, de Noord-Nederlandse geschiedschrijvers uit de 16de, 17de, 18de en 19de eeuw waren er dol op en konden er niet genoeg van krijgen.

Het gedicht dat Geldenhouwer, zelf afkomstig uit de oude hoofdstad van de Bataven, uit het Leuvense handschrift de wereld in bracht, ging nl. over een Bataaf. Een heel bijzondere Bataaf. Die tot twee opmerkelijke kunststukjes in staat was:

Versus Aelii Hadriani Augusti de Sorano Batauo milite

Ille ego Pannoniis quondam notissimus oris
Inter mille uiros primus fortisque Batauos,
Hadriano potui qui iudice vasta profundi
Aequora Danubii cunctis transnare sub armis,
Emissumque arcu, dum pendet in aere, telum,
Ac redit, ex alia fixi fregique sagitta.
Quem neque Romanus potuit neque barbarus unquam
Non iaculo miles, non arcu uincere Parthus,
Hic situs, hic memori saxo mea facta sacraui.
Viderit anne aliquis post me mea gesta sequatur.
Exemplo mihi sum, primus qui talia gessi.

Verzen van keizer Hadrianus over de Bataafse soldaat Soranus

Ik ben die ooit op Pannonische oevers zo bekende
Eerste man onder duizend sterke Bataven,
Die onder Hadrianus’ oog het brede water
Van de diepe Donau kon overzwemmen, gewapend,
En die een met de boog geschoten pijl, in de lucht zwevend,
Toen hij terugviel, met een andere pijl raakte en kliefde,
Die nooit Romein of Barbaar kon overtreffen,
Geen soldaat met spies, geen Part met boog.
Hier lig ik, hier op deze gedenksteen vereeuwig ik mijn daden.
Laat iemand maar zien dat hij na mij mijn daad kan evenaren.
Ik ben mijzelf ten voorbeeld, die als eerste zoiets gedaan heb.
(Teksteditie en vertaling: Michiel Verweij)

Doet u dat maar eens na. Soranus (van wie dit het grafschrift lijkt) groeide in het Nederlands bewustzijn uit tot een tweede model-Bataaf, na Julius Civilis van de grote Opstand uit 69-70. Gedurende enkele eeuwen kon Nederland, leek het, niet Bataafs genoeg zijn. Batavia was de naam van de hoofdstad van Nederlands-Oost-Indië, de Bataafse republiek was de satellietstaat van de Franse republiek van de Revolutie enz.

En ook Soranus kreeg zijn deel, want in de 19de eeuw zag een hele reeks schuttersverenigingen met deze naam het licht, verspreid over het hele land: in Boxtel, Heinkenszand, Lieshout (Mariahout), Boukoul, Wekerom, Lochem of Oostkapelle, naast een sociëteit Soranus in Groningen en een café Soranus in Boukoul.

soranus(5)

U hebt er een hele kluif aan om al deze plaatsen op te zoeken, want over het algemeen (buiten Groningen) gaat het niet bepaald om wereldsteden. Ja, Boxtel natuurlijk, dat is ook wat groter. (‘En’ dacht de Grote Speurder met een wat weemoedige glimlach, ‘dat ken ik maar al te goed!’, want daar had hij zijn middelbare school gevolgd.)

Als u op internet aan het zoeken bent, moet u niet schrikken als u op een site belandt met de schrikbarende tekst ‘Krijgsman Soranus in Lieshout’: Lieshouters zijn best aardig, vooral zolang ze in Lieshout blijven, maar de naam is wat angstwekkend. Overigens lijken er geen zwemverenigingen te bestaan die zich onder de schutse van Soranus hebben geplaatst. Waarom is een ander verhaal.

Tot nu toe lijken er geen problemen te zijn. En al helemaal geen reden om er de Grote Speurder bij te halen. Nog afgezien van het feit dat niemand er de Grote Speurder bij heeft gehaald, want hij zat zelf in dat handschrift te lezen.

Maar toen keek de Grote Speurder op en sprak met angstaanjagende stem de sidderende woorden:

‘Een gedicht van keizer Hadrianus dat niet van keizer Hadrianus is, over een Bataaf die misschien wel helemaal geen Bataaf was, die Soranus genoemd wordt, maar die wellicht helemaal niet zo heette, een gedicht dat op een opschrift stond dat waarschijnlijk geen opschrift was, uit een handschrift dat niet bewaard is gebleven! Is dat niet bij uitstek een zaak voor mij?’

hadria(1)

Het werd doodstil in de leeszaal toen de donderende woorden van de Grote Speurder tot in de verste uithoeken gerold waren en weerklonken. Iedereen keek op. Wat was dit? Alle moderne historici die over de Bataven schrijven, vermelden dit gedicht als een opschrift dat ergens in Pannonië, het moderne Hongarije, de Nederlandse nationale eer stond op te houden, en nu verkondigt de Grote Speurder ineens dat daar niets van klopt?

De Grote Speurder merkte niets van de beroering en het ongemakkelijk geschuifel. Zijn gedachten waren elders. ‘Dat het Leuvense handschrift niet bewaard is gebleven, is niets nieuws. Dat deelt het helaas met heel wat andere Leuvense handschriften, al is dit veel eerder in de nevelen der geschiedenis verdwenen: vanaf ca. 1600 wordt er niets meer over de Artes -bibliotheek vermeld. Maar goed, we hebben toch nog Geldenhouwers editie en zijn eigen kopie in dit Brusselse handschrift.

‘Het gedicht doet zich als een grafgedicht voor. Dat is een literair genre in de klassieke literatuur. Martialis heeft zo twee prachtige epigrammen over een jong meisje geschreven, maar niemand zegt dat die ook daadwerkelijk op haar graf zullen hebben gestaan (V, 34; eigen vertaling):

Hanc tibi, Fronto pater, genetrix Flaccilla, puellam
     Oscula commendo deliciasque meas,
Paruola ne nigras horrescat Erotion umbras
     Oraque Tartarei prodigiosa canis.
Inpletura fuit sextae modo frigora brumae,
     Vixisset totidem ni minus illa dies.
Inter tam ueteres ludat lasciua patronos
     Et nomen blaeso garriat ore meum.
Mollia non rigidus caespes tegat ossa, nec illi,
     Terra, grauis fueris: non fuit illa tibi.

Dit meisje, vader Fronto, moeder Flaccilla, beveel ik
     U aan, mijn kusjes en mijn lieveling,
Zodat de kleine Erotion niet bang is van de zwarte schimmen
     Of van de monsterlijke muil van de hellehond.
Ze zou bijna haar zesde winterkou beleefd hebben,
     Als ze niet evenveel dagen minder had geleefd.
Laat haar nu dartel spelen tussen zulke oude beschermers
     En laat haar mijn naam babbelen met lispelende mond.
Laat geen harde plag haar zachte beenderen bedekken, aarde,
Wees niet zwaar voor haar: ze was het ook niet voor u.

‘Ook het grafschrift voor de kinderen van Sextus Pompeius is een gedicht (zie: Avonturen met opschriften XI ), maar er zijn twee belangrijke verschilpunten met het gedicht over onze Bataaf: ten eerste staat de naam van de overledenen daar duidelijk in vermeld (en daar dient een grafschrift nu eenmaal voor!) én het opschrift is teruggevonden.

Maar niemand heeft ooit het opschrift voor de Bataaf gezien. Iedereen kopieert braaf van elkaar dat het een grafschrift is. Mommsen, Bücheler, Byvanck, en recenter Buijtendorp, Van de Bunt, Wikipedia. Niemand heeft ook maar het minste bewijs dat deze tekst ooit daadwerkelijk op een steen gekapt is geweest, niemand weet waar die steen te zien zou zijn geweest. Maar niemand wordt ervan weerhouden om braaf de voorgangers na te zeggen dat dit een grafsteen uit Hongarije op de oevers van de Donau was. Kortom, iedereen zegt dat dit een opschrift is omdat iedereen zegt dat het een opschrift is.’

De Grote Speurder leek zich op te winden. Slaafs een ander napraten was nooit zijn stijl geweest.

soranus(3)

‘We kennen dit gedicht alleen uit de handschriftelijke overlevering’, vervolgde hij, ‘want het Leuvense handschrift was niet het enige. Het oudste handschrift met dit gedicht zit in Valenciennes (ms. 411) en dateert uit de 9de eeuw. Dan zijn er enkele uit de 12de eeuw (Montpellier, Londen, Oxford) en uit de 13de en 14de (Parijs) en tot slot een aantal uit de 15de (Vaticaan, Besançon, Tours). Wie was er destijds toch in opschriften geïnteresseerd? Middeleeuwers hadden wel wat anders te doen!

‘Bovendien zien we duidelijke groepen en een evolutie. In Valenciennes staat het gedicht samen met een grafgedicht dat blijkbaar op de Sint-Pieter in Rome heeft gezeten en twee grafdichten uit Lyon, allemaal van christelijke oorsprong, behalve onze Bataaf natuurlijk. In Montpellier zien we het gedicht uit de Sint-Pieter, onze Bataaf en een ander poëtisch niemendalletje dat elders op naam van keizer Hadrianus is gezet. In de Parijse en Londense handschriften hebben we een groep van vier gedichtjes, alle op naam van Hadrianus.

Vanaf dat moment weet ook iedereen de naam van die soldaat te vermelden als Soranus (die niet in de oudste handschriften te vinden is): waar komt die ineens vandaan? Bovendien krijgen we tekstkritisch twee duidelijke groepen, met Parijs en Londen aan de ene kant en Valenciennes, Montpellier en Leuven aan de andere. In sommige Italiaanse handschriften is het gedicht helemaal alleen en zonder titel of auteur overgeleverd, als een appendix bij Seneca’s Apolocyntosis. Nogal wat handschriften met dit gedicht bevatten ook Seneca’s satire, maar niet allemaal.

‘Goed, dat zijn de feiten. We hebben dus een meervoudige tekstoverlevering. Moeten we dan aannemen dat hetzelfde opschrift een aantal malen is gekopieerd door middeleeuwers die normaal absoluut niet in epigrafische teksten waren geïnteresseerd? Of hebben we niet meer kans de waarheid te benaderen als we uitgaan van een gedicht dat in handschriften is gaan circuleren en dat uiteindelijk deel is gaan uitmaken van een groepje gedichten dat op naam van keizer Hadrianus is gezet?

soranus(4)

Ons handschriftelijk materiaal komt voornamelijk uit Frankrijk, zeker het vroegere, want de Italiaanse tak is gewoon recenter. Hoe en wanneer moet een opschrift uit Hongarije in de vroege middeleeuwen ooit in Oost-Frankrijk zijn beland? En toen was het nog bijna gemakkelijker om daarheen te reizen dan in de tijd van het corona-reisverbod! Al wat je toen moest doen, was wat Hunnen en Avaren trotseren! Dat is minder erg dan een stel virologen! Alhoewel, als je hard genoeg loopt, ontsnap je nog wel aan een viroloog, maar die Avaren hadden gemene zwaarden en trefzekere pijlen!

‘Kijk, dat zijn vragen die niemand zich ooit gesteld heeft. Nee, men kopieert maar gewoon vrolijk wat voorgangers al hebben gezegd. In feite berust het idee dat het om een opschrift gaat, niet op wat iemand ooit epigrafisch heeft aangetroffen, maar op het feit dat het gedicht zelf zegt dat het een grafmonument is. Maar als ik nu zeg dat ik keizer Augustus ben, ben ik dan ook echt keizer Augustus? Juist!

Alle grafdichten, of ze nu echt op een graf hebben gestaan of niet, zeggen dat ze een graf bedekken. Dat is deel van het spel. En dus geen argument. Zo ook komt de toeschrijving aan Hadrianus gewoon voort uit de vermelding van de keizer als toeschouwer bij de exploten des Bataafs. Zou Hadrianus echt een grafdicht maken voor zomaar een soldaat? Nog erger: heette de man wel Soranus? De oudste handschriften hebben geen naam, maar ineens duikt die op, niemand weet waarvandaan. Er is verder geen enkele Bataaf met de naam Soranus bekend, al is dat geen beslissend argument.

‘Bovendien,’ de Grote Speurder was in vorm, ‘klopt het metrum eigenlijk niet, want de tweede a van Hadriano is lang, terwijl de i kort is. Er is een variant in sommige late handschriften om daar Traiano te lezen, wat in ieder geval metrisch klopt. Alleen als je de i als een medeklinker j leest, kun je het metrum doen kloppen. Maar kun je veronderstellen dat een Bataafse soldaat dat weet?

‘En dan nog: was het wel een Bataaf? Wat zegt hij in het gedicht: alleen dat hij de eerste van wel duizend Bataven is. Maar wat waren dat dan? Leden van de keizerlijke lijfwacht, de Equites singulares Augusti? Of leden van een vast garnizoen, de cohors III Batavorum of de ala I Batavorum die in Vindobona (Wenen) gelegerd was in 118, het enige moment dat Hadrianus in Pannonië is geweest? Maar in beide typen eenheid dienden mannen van allerlei herkomst: daar zaten Tungri bij, en Ubii, en Nerviërs, en Texuandri, en Cananefaten, en wat weet ik nog allemaal meer, ook al behielden die eenheden de naam Bataafs.

hadria(2)

‘Gaan we nog verder. Waarom zeggen dat de soldaat in kwestie zijn exploot heeft verricht in Pannonië, als het graf zelf in Pannonië lag? Dat was niets bijzonders. Deze vermelding suggereert al dat het gedicht eerder elders is ontstaan dan in Pannonië. En nog iets: zou een soldaat nu echt net deze twee prestaties, verricht in des keizers aanschijn, op zijn graf laten zetten als het hoogtepunt van zijn leven? Al heb je natuurlijk rare vogels. En mensen die weinig verrichten in hun leven. Maar evengoed is het mogelijk om dit gedicht te zien als een versje op de buitengewone prestaties van een soldaat op een bepaald moment, dat dan vanuit literaire motieven de vorm van een grafdicht heeft aangenomen.

‘In ieder geval is de structuur en het taalgebruik echt klassiek: een middeleeuwer schreef anders, met alle respect: die had een andere manier om te dichten. En uiteraard had het weinig zin om iets als dit gedicht te schrijven lang na de feiten. Aangenomen dat de inhoud enig verband met de realiteit heeft: dat is niet a priori uitgesloten, want de Bataafse zwemprestaties worden door andere auteurs, zoals Dio Cassius, vermeld. Het gedicht zal dus wel uit de 2de eeuw dateren (n.Chr. natuurlijk).

Bovendien is de wijze van schrijven kenmerkend voor iemand met een degelijke literaire en retorische vorming, zoals de zin en de gedachte doorlopen over verschillen de verzen heen, mooi in parallel zijn uitgewerkt, en duidelijk op een conclusie uitlopen: dat is allemaal niet kenmerkend voor een grafdicht door een amateur (want wat zou je anders in een militaire eenheid van ook nog eens buitenlandse, niet-Romeinse herkomst verwachten), maar voor een ervaren literator, voor iemand die gewoon gedichten schreef, los van funeraire context, in een groot stedelijk centrum, zoals Rome of in de omgeving van het hof, niet in een verloren uithoek aan de Donau.

hadria(3)

‘Is het van belang te weten of dit gedicht aanvankelijk een opschrift was? Ja, alles is van belang. Als het een echt opschrift was, zegt dat iets over het waardepatroon van de militaire eenheid waartoe de soldaat behoorde. Als het geen inscriptie is, is het een literair gewrocht dat ons leert hoe een bepaalde prestatie indruk heeft gemaakt (en terecht), maar zonder verder als bron over de militaire eenheden te kunnen dienen. Als het aan de Donau is gevonden, zegt het iets over de samenstelling van de troepen daar, maar als het ergens anders vandaan zou komen, verandert de bewijskracht natuurlijk aanzienlijk. Hoe dan ook: zonder meer aannemen dat het een opschrift uit Hongarije is, is naïef en onwetenschappelijk en stuit op tal van problemen waarover men dan heen walst en danst zonder zich de fundamentele vraag te stellen: wat heb ik hier eigenlijk voor mij liggen?’

De Grote Speurder knikte. Hij had weliswaar geen nieuwe sluitende oplossing gevonden, maar de bestaande theorie volledig omvergekegeld. En dat is ook al iets. ‘Blijft staan dat dit een gedicht uit de 2de eeuw is, dat in de middeleeuwen een zekere populariteit genoot en opvallend vaak in samenhang met teksten van Seneca is overgeleverd. En waarvan de eerste editie in Antwerpen verscheen, op basis van een Leuvens handschrift waarvan alleen nog een stukje in kopie in het Brusselse ms. II 53 rest.’

En hij murmelde: ‘aan hecht gegroeiden stam de wijd vertakte kroon!’

Toen keerde hij zijn gezicht naar buiten en vervolgde, mijmerend, met de woorden van Hadrianus’ beroemdste (en authentiek) gedicht:

Animula vagula blandula,
hospes comesque corporis,
quae nunc abibis in loca,
pallidula, rigida, nudula,
nec ut soles dabis iocos?

‘Lief fladderend zieltje,
Mijn lichaams gast en gezel,
Naar wat voor streken ga je nu,
Zo bleek, zo hard, zo naakt,
Zonder tijd voor grapjes meer?’
(Vertaling: Michiel Verweij)

Met dank voor deze bijdrage aan
Dr. Michiel Verweij
Oude en kostbare drukken
Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel