Poggio Bracciolini, De varietate fortunae (II)

VERTAALFEUILLETON – EPISODE 2

Een viertal weken geleden kon je lezen wat het plan is: een vertaling van boek I – minstens gedeeltelijk – van het werk De varietate fortunae van humanist Poggio Bracciolini. Samengevat: naar Rome in de jaren 1400! In de eerste episode kon je lezen hoe Poggio z’n werk heeft opgedragen aan paus Nicolaas V: eloquent, en een tikje brutaal.

poggio4

Vandaag gaan we dus naar Rome. Zoals aangegeven, vertelt Poggio na het voorwoord hoe zijn toenmalige baas – paus Martinus V – om gezondheidsredenen de stad had verlaten, en dat hij die vrije tijd benutte om samen met Antonio Loschi door Rome te dwalen.

Eerder voegde ik daaraan toe: ‘En dan start Poggio zijn indrukwekkende en gedetailleerde beschrijving van de monumenten van het oude Rome, zoals ze te zien waren in de 15de eeuw.’ Maar voor hij echt concreet wordt, laat hij zijn personages – Antonio en hijzelf – er nog even op los filosoferen, al zitten ze wel zeer concreet op de Capitoolheuvel. Als humanisten kruiden ze hun dialoog met antieke citaten en beelden. Dichter Vergilius komt aan bod, politicus Marius, (mogelijks) schrijver Libanios.

Poggio herhaalt zichzelf regelmatig, zij het met vele variaties. In mijn vertaling heb ik gepoogd om even gevarieerd te zijn, maar dat neemt niet weg dat het punt – de punten eigenlijk – erg duidelijk gemaakt worden. Aangezien het om belangrijke boodschappen gaat, nemen we het hem niet kwalijk.

En het gaat er heftig aan toe: Rome ‘ligt neergeworpen op de grond, als een gigantisch bedorven kadaver, dat van alle kanten is aangevreten’. Een appetijtelijk beeld. De val van Rome (stad en rijk) is voor deze humanisten het ultieme bewijs van de wispelturigheid van het Lot. En ze zijn ook niet wars van wat overdrijving: ‘Alleen haar ruïnes getuigen van haar vroegere waardigheid en grootsheid.’

poggio2 (2)

Over ruïnes gesproken: Poggio en Antonio zitten ‘op de ruïnes van de Tarpeïsche burcht, achter de enorme marmeren drempel van een poort van een tempel’. Welke? We raadplegen de uitgevers.

Volgens Boriaud zou het kunnen gaan om de tempel van Jupiter, waarvan er in die tijd ‘misschien nog resten zichtbaar waren’. Ook Merisalo laat deze mogelijkheid open. Volgens D’Onofrio lijken ze zich te bevinden ‘bij kolossale resten van de tempel van Jupiter Optimus Maximus, waarop het kerkje S. Salvatore in Maximis of Maximinis gebouwd was’, met ‘een weids uitzicht over de stad, richting Palatijn, Aventijn en Trastevere’. De kerk zal u vandaag tevergeefs zoeken: ze werd afgebroken in de 16de eeuw.

Niet alleen de welluidende naam is fluïde (naast ‘in Max…’ vind je eveneens ‘de Max…’); ook voor het jaartal van destructie en de locatie geeft de literatuur verschillende mogelijkheden. Een artikel waard?

De tempeldrempel in kwestie maakt in ieder geval deel uit van de ‘ruïnes van de Tarpeïsche burcht’: volgens Boriaud ‘Tarpeïsche citadel’, bij D’Onofrio ‘Tarpeïsche rots’. En volgens Merisalo kan ‘Tarpeïsche burcht’ gebruikt worden als pars pro toto voor de hele Capitoolheuvel. Daar zitten die twee dus, aan het begin van deel 1 van De varietate fortunae. Laten we hen gezelschap houden. Veel leesplezier!

DEEL EEN

I. Niet zo lang geleden ging paus Martinus, kort voor zijn dood, uit Rome naar de Colli Albani, omwille van zijn gezondheid. Wij waren daardoor vrij van werkverplichtingen, en bezochten daarom dikwijls de verlaten stukken van de stad – de zeer befaamde Antonio Loschi en ik. We zagen er de oude grootsheid van de ingestorte gebouwen en de weidse ruïnes van de antieke stad, we zagen er de enorme val van zo’n groot rijk … en we waren overmand door ontzag voor de volstrekt verbluffende en betreurenswaardige wispelturigheid van het Lot.

Toen we eens de Capitoolheuvel hadden beklommen, snakte Antonio, moe van het paardrijden, naar rust – en ikzelf ook. We stegen af van onze paarden, en gingen zitten op de ruïnes zelf van de Tarpeïsche burcht, achter de enorme marmeren drempel van een poort, naar ik meen, van een tempel. Overal in het rond lagen er zeer vele gebroken zuilen. Van daar hadden we een weids uitzicht over de stad. Antonio liet zijn ogen een hele tijd van hier naar daar dwalen, en zei toen zuchtend, een beetje verbouwereerd: ‘Hoe ver, Poggio, staat deze Capitoolheuvel af van die, die de grote dichter Vergilius heeft bezongen: ‘Nu van goud, vroeger ruig door dichte begroeiing.’

We zouden het vers misschien beter omdraaien: ‘Ooit van goud, nu woest door doorns en struiken.’ Het doet mij denken aan die beroemde Marius. Ooit was hij een grondlegger van de heerschappij van de stad. Maar hij werd verbannen uit het vaderland, voortvluchtig en behoeftig, en belandde in Afrika. Men zegt dat hij daar op de ruïnes van Carthago ging zitten, en vol verwondering nadacht over zijn eigen noodlot en dat van Carthago. Hij vergeleek ze met elkaar, en vroeg zich af welk van beide voor het grootste spektakel had gezorgd.

poggio2 (3)

Maar ik kan de enorme val van deze stad met geen enkele andere vergelijken. Deze ramp overtreft immers alle andere, of ze nu door de natuur veroorzaakt zijn, of door de mens zijn aangericht. En al lees je alle geschiedenisboeken, al onderzoek je uitvoerig alle gedenkschriften, al doorzoek je alle historische annalen, nooit heeft het Lot een groter voorbeeld van haar wispelturigheid getoond dan de stad Rome, de mooiste en de schitterendste van alle steden die er ooit geweest zijn of ooit zullen zijn.

Aan een vriend die verlangde Rome te zien, omschreef de zeer geleerde Griekse schrijver Libanios Rome niet als een stad, maar als een deel van de hemel. Het is dus des te meer verbijsterend, des te bitterder om te zien, dat het wrede Lot haar zozeer van vorm en uitzicht heeft doen veranderen: ze is nu beroofd van elke bekoorlijkheid, ze ligt neergeworpen op de grond, als een gigantisch bedorven kadaver, dat van alle kanten is aangevreten. Er is dus zeker reden tot huilen.

Ooit was deze stad de kraamkamer van zovele schitterende mannen en bevelhebbers. Ze was de voedster van zovele generaals, van zovele uitstekende keizers. Ze was de verwekker van zovele en zo grote deugden, de moeder van zovele schone kunsten. Hier ontsprongen de krijgskunst, de basis voor een zedelijk bestaan, de artikels van de wetten, de voorbeelden van alle deugden en de kunst om goed te leven. Ze heerste over de wereld.

Maar het Lot, dat onverbiddelijk alles op zijn kop zet, heeft haar beroofd van haar macht en majesteit, en zelfs onderworpen aan een zeer lage slavernij, lelijk, verachtelijk. Alleen haar ruïnes getuigen van haar vroegere waardigheid en grootsheid.

poggio2 (1)

En laat ons even vergeten dat het rijk verdwenen is, dat koninkrijken zich hebben losgescheurd, dat provincies verloren zijn gegaan. Het is in zekere zin haar goed recht dat Fortuna zulke zaken geeft en neemt. Maar het komt des te harder aan dat het Lot zo bandeloos tekeer is gegaan binnen de muren van Rome, met verwoestingen en vernielingen.

Mocht een van die beroemde oude Romeinen weer tot leven komen, hij zou zweren dat hij geen Romeinen zag, dat hij in een heel andere stad terecht was gekomen. Ze is zo door elkaar gegooid, tot en met de bodem zelf, dat hij bijna niets zou herkennen wat aan de oude stad doet denken.

En ja: koninkrijken veranderen, keizerrijken vervormen, landen vallen uit elkaar, volkeren schikken zich naar de wil van het Lot; want het ligt in de aard van het beestje om altijd nieuwe dingen na te streven. Het zou dus helemaal niet zo gek lijken dat deze zaken aan haar oordeel gehoorzamen.

II. Maar de gebouwen van deze stad, publieke en private … men dacht dat ze boven de krachten van het Lot verheven waren; ze konden met de onsterfelijkheid zelf wedijveren … Nu zijn ze deels grondig verwoest, deels ingestort en omvergeworpen, en er is heel weinig over dat aan de vroegere grootsheid herinnert.

De kracht en de wispelturigheid van het Lot zijn werkelijk verbijsterend. Ze heeft die massieve gebouwen, volgens de oprichters immuun voor het noodlot, grondig vernietigd; ze liet amper iets over van zo’n grote zaken. Heeft de wereld ooit iets opzienbarenders meegemaakt?

Zovele gebouwen van Rome – tempels, zuilengangen, badhuizen, theaters, aquaducten, kunstmatige havens, paleizen – vernietigd door het noodlot; van zo’n grote hoeveelheid schitterende zaken blijft er niets of bijna niets over.’

poggio2 (1)

‘Niets of bijna niets’? Hyperbool of realiteit?

Volgende keer gaan we op monumentenjacht!

Bruno Vantomme
brunovantomme@hotmail.com

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.