Archive for 23 januari 2023

Luc Devoldere spreekt over Le Ceneri di Gramsci van Pasolini

23 januari 2023

In het kader van de Week van de Poëzie in Vlaanderen wijdt de Società Dante Alighieri Leuven op vrijdag 27 januari om 19.30 uur in Aula A13, Romaanse Poort (Brusselsestraat 63 in 3000 Leuven) een avond aan het magnum opus van Pier Paolo Pasolini, Le Ceneri di Gramsci.

Luc Devoldere, classicus, essayist en gepassioneerd vertaler van Pasolini (De As van Gramsci, 2012) geeft een lezing over het belang van dit gedicht voor de auteur, voor een tijdperk en voor zijn nalatenschap.

Tijdens de avond zal het mogelijk zijn om met de spreker over het gedicht van gedachten te wisselen. Je vindt de tekst hier. De voertaal van de avond is het Nederlands, met een korte inleiding in het Italiaans.

De toegang is gratis voor de leden van de Società Dante Alighieri en S.P.Q.R. Niet-leden betalen 5 euro. Graag vooraf inschrijven via info@danteleuven.be.

Gramsci_Pasolini2

Le Ceneri di Gramsci (1956), uit de gelijknamige bundel die in 1957 verscheen, is een cruciaal gedicht om Pasolini’s leven en werk te begrijpen, om de disperata vitalità aan te voelen die hij zelf als zijn dichterlijk en existentieel handelsmerk in de strijd wierp.

De inzet is hoog. Hier is een ambitieus en zelfbewust intellectueel aan het woord die midden in zijn tijd staat en het jargon van die tijd hanteert, maar tegelijk op hoogst persoonlijke wijze zijn eenzame positie in die tijd bepaalt, met gebruik van alle taalmiddelen.

Het is wellicht het hoogtepunt van zijn poëzie waarop niets echt meer kon volgen. Niet alleen het einde van de geschiedenis, maar ook van de eigen poëzie wordt in dit gedicht aangekondigd. Leven wordt voortaan overleven. Met passie, zeker. Zelfs met esthetische passie. Maar verslagen.

Gramsci_Pasolini

Per trein van Rome naar Milaan in 2 uur en 45 minuten

23 januari 2023

Vanaf vandaag zet Trenitalia een nieuwe hogesnelheidstrein in tussen Rome en Milaan. De nieuwe Frecciarossa van Trenitalia stelt de reistijd tussen beide steden nog scherper en overbrugt de afstand in 2 uur en 45 minuten.

frecciarossa (2)

De nieuwe verbinding vermijdt de stations Roma Termini en Milano Centrale. De trein vertrekt om 05.30 uur vanuit Roma Tiburtina en arriveert om 08.15 uur in het station Rogoredo in Milaan.

Omgekeerd vertrekt de trein om 20.44 uur in Milaan Rogoredo en komt om 23.29 uur aan in Rome Tiburtina. Beide stations zijn gemakkelijk te bereiken met bus en metro.

De nieuwe trein brengt het aantal dagelijkse Frecciarossa-verbindingen tussen Rome en Milaan op 90.

Daarbij horen zeven rechtstreekse diensten tussen Roma Termini en Milano Centrale, met een reistijd van 2 uur en 59 minuten.

De 81 andere ritten gebeuren van en naar dezelfde stations, maar met tussenstops en reistijden vanaf 3 uur en 8 minuten.

frecciarossa (1)

Poggio Bracciolini, De varietate fortunae (VI)

23 januari 2023

Vertaalfeuilleton – Episode 6 – ‘Badhuizen, part I’

Wanneer clublid Bruno Vantomme geen romans schrijft – zoals over de dochter van keizer Augustus (Rome en Julia) – of in (de trein naar) Rome zit, geeft hij Latijn in Leuven, of presenteert hij hier – ook in 2023 – een vertaalfeuilleton, over het werk De varietate fortunae van humanist Poggio Bracciolini.

poggio4

Ter gelegenheid van het nieuwe jaar spreek ik u meteen rechtstreeks aan, om u het beste te wensen. In september 2022 ging dit vertaalfeuilleton van start; de eerdere afleveringen vindt u hier.

Door examens en andere wereldse festiviteiten ligt er iets meer tijd dan gewoonlijk tussen deze episode en de vorige. In dit trimester zullen de intervallen, behalve door de gebruikelijke werkzaamheden, dan weer bepaald worden door de voorbereiding van een Romereis in april.

Maar ook Poggio zelf doet een duit in het zakje. Na de uitdagende identificering van een twaalftal ‘tempels’, leken de badhuizen een gemakkelijk te wassen varkentje, mogelijk zelfs te combineren met – ik zeg maar wat – triomfbogen en/of aquaducten.

Wat een koud kunstje leek, werd – toepasselijk dezer dagen – een koude douche: niet als in ‘een desillusie’, maar wel een verfrissende en breintintelende heuristische ervaring, die het wenselijk maakt niet één maar zelfs twee episodes te wijden aan de thermen. De tekst is nochtans kort, lijkt eenvoudig, rechttoe rechtaan:

Vertaling

We weten dat er zeven openbare badhuizen zijn gebouwd – ‘wasplaatsen’ voor het volk, ‘groot als provincies’, zoals Ammianus Marcellinus het schrijft. Hun vroegere uitzicht is zo vervormd, gestript van elke versiering, dat er niets overblijft waarvan je met zekerheid kan zeggen waarvoor het gediend heeft.

De Thermen van Diocletianus en van Severus Antoninus behouden tot vandaag de naam van hun oprichters, en hun gigantische resten, die minder aangetast zijn dan de overige badhuizen, maken een niet te onderschatten indruk op wie ze bekijkt.

En men vraagt zich verbaasd af: voor zoiets banaals als baden bouwde men zulke gigantische gebouwen, sleepte men zo vele en grote zuilen aan, zo’n veelkleurige marmeren versiering?

poggioVI_1

Van de Thermen van Constantijn, op de Quirinaalheuvel, zijn de overblijfselen veel minder indrukwekkend dan van de voorgaande. Dat ze het werk van Constantijn waren, blijkt uit een opschrift: we lezen dat stadsprefect Petronius Perpenna ze heeft laten herstellen.

We weten dat de Thermen van Alexander Severus dicht bij het Pantheon van M. Agrippa stonden; er blijven nog meerdere delen over, en indrukwekkende funderingen.

Van de Thermen van Domitianus zijn dan weer zeer weinige overblijfselen te zien. Dat ze op de plaats stonden waar nu de kerk van Silvester is, kwam ik te weten uit het boek over het leven van de pausen.

Van de overige badhuizen heeft de duistere vergetelheid niets zekers overgelaten, zelfs geen hint, over waar ze zich bevonden. Zozeer heeft de lange tijd hun naam uitgewist, terwijl er zo’n grote kosten zijn gemaakt, zoveel energie in is gekropen om ze te bouwen. Ik herinner mij dat ik in de boeken over de martelaars heb gelezen dat er, toen de Thermen van Diocletianus gebouwd werden – de meest verbeten vijand van ons christelijk geloof -, gedurende meerdere jaren 140.000 christenen als slaaf werden ingezet voor dat werk.

Duiding: ‘zeven badhuizen’

Groot is Poggio’s stelligheid omtrent het aantal badhuizen: zeven. In andere middeleeuwse en renaissancistische teksten vindt men alternatieve aantallen: tien, elf, twaalf … Maar Poggio houdt het graag bij zeven.

De Thermen van Diocletianus (ca. 300) gaven, zoals u weet, hun naam aan Stazione Termini, en wie de hele Piazza dei Cinquecento oversteekt – opgepast voor de bussen – komt er uiteindelijk bij uit. Wie bezocht nog niet het museum, met z’n exquise epigrafische collectie? Wie bezocht nog niet het karthuizerklooster, waarvan de kloostergang een oase van rust is in dit meest hectische van alle Romeinse stadsdelen?

poggioVI_2

Wie mocht nog nooit alle rugzakjes van leerlingen één per één droppen in de vestiaire, voor een blitsbezoek van twintig minuten? Wie stond nog niet in bewondering onder en over de gewelven van de kerk Santa Maria degli Angeli, die zich, net als het klooster, nestelde op de fundamenten van de Thermen, en wel iets heeft van een sacraal badhuis?

Met de Thermen ‘van Severus Antoninus’ bedoelt Poggio de Thermen van Caracalla (begin derde eeuw). Hier meent D’Onofrio iets te stellig: ‘aan wie de naam ‘Severus’ niet toebehoort’. Ooit ging de man wel degelijk door het leven als ‘Caesar Marcus Aurelius Severus Antoninus Pius Augustus’, en het gebouw stond bekend als ‘Thermae Antoninianae’. Poggio is duidelijk onder de indruk van de bouwwerken ‘voor zoiets banaals als baden’. Het Latijn is hier misschien nog wat peioratiever: ‘ad tam vilem usum’.

Merisalo stipt aan dat het marmer van beide badhuizen in Poggio’s tijd nog in situ was, en dat de Thermen van Caracalla vooral onder Paulus III (zestiende eeuw) gereduceerd zijn tot het skelet van vandaag, dat nog steeds erg imposant is en een bezoek volledig rechtvaardigt. Wie heeft daar nog nooit de namenlijst van zijn (leerlingen)groep meticuleus weten controleren? (Tot zover de anticiperende reminiscenties aan Romereizen, die potentieel eindeloos zijn.)

poggioVI_3

Van de Thermen van Constantijn (begin vierde eeuw) zijn zelfs geen ruïnes meer over. Ze zouden misschien ook wat in de weg staan, bij die statige Piazza del Quirinale. Voor de liefhebbers: de inscriptie heeft in het Corpus Inscriptionum Latinarum nummer VI 1750, en verwijst naar een restauratie onder prefect Petronius Perpenna Magnus Quadratianus (vijfde eeuw).

De Thermen van Alexander Severus – eigenlijk Severus Alexander – dateren uit het begin van de derde eeuw. Ze kwamen op en in de plaats van de oudere Thermen van Nero (eerste eeuw), tussen het Pantheon en de huidige Piazza Navona. Poggio zag nog ‘meerdere delen’, en ‘indrukwekkende funderingen’. Die laatste zijn vast wel onder de grond te vinden; bovengronds zijn er nu amper sporen van het badcomplex.

Poggio besluit zijn opsomming met de ‘Thermen van Domitianus’. Daarvan ‘zijn dan weer zeer weinige overblijfselen te zien’. De vraag is: hebben ze ooit bestaan? Ik kom er nog op terug. De humanist vervolgt: ‘Van de overige badhuizen heeft de duistere vergetelheid niets zekers overgelaten, zelfs geen hint, over waar ze zich bevonden. Zozeer heeft de lange tijd hun naam uitgewist, terwijl er zo’n grote kosten zijn gemaakt, zoveel energie in is gekropen om ze te bouwen.’ In dat opzicht hebben de badhuizen hun plaats in De varietate fortunae zeker verdiend. In wat volgt duiken we nog dieper in de tekst. Zoals de Romeinen begonnen in het caldarium, starten we bij het begin.

Wasplaatsen groot als provincies

Poggio opent zijn stukje over de thermen met een citaat van Ammianus Marcellinus: ‘‘wasplaatsen’ voor het volk, ‘groot als provincies’, zoals Ammianus Marcellinus het schrijft.’ Laten we, zoals de humanisten, ad fontes gaan. Waar komt het citaat vandaan? Volgens Boriaud gaat het om ‘Ammien Marcellin, 16, 10, 4’, volgens D’Onofrio om ‘Rerum gestarum, XIV [sic], 10, 14’; volgens Merisalo ‘Amm. 16.10.14’. Cerca trova, zou Vasari schilderen; Merisalo wint de zegepalm.

Even veelzijdig zijn de variante schrijfwijzen in de handschriften: historicus Ammianus (vierde eeuw) is er ook ‘Ancuanus’, ‘Annianus’ en ‘Anninanus’. Die heeft natuurlijk veel meer geschreven dan dat ene zinnetje over de thermen: in het slot van deze episode nodig ik u graag uit op een beloftevol zijpad, dat uiteraard naar Rome leidt – en zelfs in triomf.

poggioVI_4

Over handschriften gesproken, en met wat overdrijving: zonder Poggio hadden we misschien niet eens een tekst van Ammianus gehad. Zeker: Poggio’s herontdekking van Lucretius’ De rerum natura is in de loop der tijden met de pluimen gaan lopen (Greenblatt, The Swerve ...), en daar zijn argumenten voor te vinden.

Maar in hetzelfde jaar 1417 duikelde de handschriftenjager in Fulda een manuscript op van Ammianus’ Res Gestae, bracht het naar Italië, en daar rust het nog steeds in de Vaticaanse bibliotheek, als Vat. lat. 1873 (= V), nu ook digitaal. Zo zag Poggio zo’n 600 jaar geleden de tekst! De ‘lavacra in modum provinciarum’ vindt u op fol. 32r – al staat daar toch wel echt ‘prvinciarum’. (En welke snode humanist heeft er hier in de kantlijn geschreven? Cf. volgende episode.)

Vat. lat. 1873 (V) is overigens het enige middeleeuwse handschrift van Ammianus dat de tijden nog enigszins respectabel heeft doorstaan. Dat is relatief: van de Res Gestae hebben we enkel nog boeken 14 t.e.m. 31.

Tekstoverlevering kan meedogenloos zijn. In Hersfeld bevond zich bijvoorbeeld nog een ander manuscript (M) uit de 9de eeuw. In de jaren 1530 was het uitgeleend aan een uitgever in Bazel, en gebruikt voor een uitgave. Zo was een stuk Griekse tekst – de vertaling van hiërogliefen (!) op één van de Romeinse obelisken (boek 17.4) – enkel in dat handschrift te vinden.

Wat er dan gebeurde, vertaal ik uit een artikel van G. Kelly en J. Stover: ‘geen enkele geleerde zag het opnieuw tot zes min of meer volledige bladen van boeken 23, 28 en 30 herontdekt en gepubliceerd werden in 1876. Het handschrift was in de late zestiende eeuw uit elkaar gehaald; de bladen die werden teruggevonden, waren gebruikt om kasboeken te binden in het kasteel van Friedewald, zeven mijl van het klooster van Hersfeld.’ Gelukkig had een aantal varianten in het handschrift de weg naar een uitgever gevonden – al betekende dat misschien ook de dood van het manuscript.

Dank dus aan alle tekstoverleveraars, en al zeker aan Poggio, voor het volgende fragment. In boek 16.10 gaat het over het bezoek dat keizer Constantius II, de opvolger van Constantijn de Grote, in 357 aan Rome bracht. Doorgaans bevond hij zich immers in het oosten van het nog-niet-definitief-gesplitste rijk. Hij ‘koesterde’ immers, volgens Ammianus, in de vertaling van D. den Hengst, ‘de vurige wens Rome te bezoeken’. Wie niet?

In Constantius’ geval was het wel om een – volgens A.M. ongepaste – triomftocht te houden, iets waar SPQR-leden zich ongetwijfeld niet aan bezondigen. ‘Zijn enige bedoeling was om voor het volk, dat in pais en vree leefde en niet verwachtte of zelfs maar hoopte ooit iets dergelijks te zien, te pronken met een eindeloos lange optocht’.

Ammianus is eindeloos citeerbaar, maar ik zal me beperken tot wat het hart van Rome-liefhebbers, dus ook van Poggio, sneller doet slaan. Mogelijk is de beschrijving u al bekend, en dan zal u die graag opnieuw lezen; anders deel ik ze graag met u, met herhaalde lof aan vertaler D. den Hengst:

‘Toen hij de stad Rome naderde, nam hij de eerbewijzen van de senaat in ontvangst en bezag hij met onbewogen gelaat de eerbiedwaardige aanblik der patricische geslachten. Hij meende […] dat hij zich in het hart van de hele wereld bevond. Nadat hij zich vervolgens tot het volk had gewend, stond hij er versteld van in welke dichtheid heel het mensdom van overal ter wereld in Rome was samengestroomd.’ De triomftocht was zonder weerga. ‘De keizer werd met heilwensen als Augustus begroet, maar bleef onaangedaan door het daverend gejuich dat door heuvels en oevers weerkaatst werd’. (Bij Ammianus blinkt Constantius uit in een aan hooghartigheid grenzende zelfbeheersing.)

poggioVI_5

En dan, het moment suprème: ‘Vervolgens ging hij Rome binnen, de bakermat van het rijk en de maatstaf van alle dingen. Aangekomen bij het Spreekgestoelte, het symbool bij uitstek van Romes oeroude macht, was hij met stomheid geslagen. Waar hij ook keek, aan alle kanten werd hij verblind door de dicht opeen staande monumenten.’ Hoort u Poggio’s hart tekeergaan?

‘Hij hield een rede in de senaatszaal en tot het volk vanaf het Spreekgestoelte. Onder veelvuldige toejuichingen werd hij in het paleis ontvangen en hij verlustigde zich in de blijde stemming waarop hij gehoopt had. […] Daarna bezichtigde hij de wijken van de stad op de hellingen en de vlakke gedeelten tussen de hoogten van de zeven heuvels en de buitenwijken.

Telkens wanneer hij iets gezien had, dacht hij dat dát wel al het andere zou overtreffen: de tempel van Jupiter op het Capitool […] als de hemel boven het aardse; de baden die de omvang hadden van provincies, het reusachtige amfitheater aaneengevoegd uit blokken travertijn, waar het menselijk oog ternauwernood tot de bovenrand reikt, het Pantheon, dat wel een ronde stadswijk lijkt die is overwelfd door een schitterende hoge koepel, de hoog oprijzende zuilen die men vanbinnen langs wenteltrappen kan beklimmen en die de beelden dragen van vroegere keizers, de tempel van de Stad, het plein van de Vrede, het theater van Pompeius, het Odeon, het Stadion en nog andere sieraden van de stad.’

poggioVI

Een verpletterende indruk maakte het Forum van Trajanus: ‘een bouwwerk dat in alle hemelstreken zijn gelijke niet kent, en dat, naar wij menen, zelfs naar het eenstemmige oordeel der goden bewondering verdient.’ Constantius ‘stond sprakeloos als aan de grond genageld en liet het gigantische bouwwerk op zich inwerken, dat zich niet laat beschrijven en waarmee geen sterveling ooit meer zal kunnen wedijveren.’

Constantius was overdonderd en ‘klaagde, diep onder de indruk van het vele dat hij gezien had, over het onvermogen of de afgunst van de faam, omdat die altijd alles overdrijft, maar tekortschiet als het erom gaat te beschrijven wat zich in Rome bevindt. Na lang nadenken besloot hij de stad een nieuw monument te schenken door op de nabijgelegen Circus Maximus een obelisk op te richten’. Liefhebbers van obelisken, hiërogliefen en egyptologie in het algemeen, verwijzen we dus graag naar Ammianus, 17.4. (Met een bijzondere dank aan de kopiist van manuscript M., cf. supra. :-)) Ook bij Poggio komen de obelisken nog aan bod, en dus zeker in een latere episode.

We naderen het einde van deze aflevering. Zijn uiteenzetting over de badhuizen besluit Poggio als volgt: ‘Ik herinner mij dat ik in de boeken over de martelaars heb gelezen dat er, toen de Thermen van Diocletianus gebouwd werden – de meest verbeten vijand van ons christelijk geloof -, gedurende meerdere jaren 140.000 christenen als slaaf werden ingezet voor dat werk.’

In de volgende episode plaatsen we die informatie voor het voetlicht. De gevolgen zijn niet te onderschatten. Maar dat is nog niets in vergelijking met de kwestie van de ‘Thermen van Domitianus’: een historisch-filologische nachtmerrie. En dus ook droom? Tot dan!

Bruno Vantomme
brunovantomme@hotmail.com