Archive for the ‘Romenieuws’ Category

Herdenking legendarische sneeuwbui aan Santa Maria Maggiore uitgesteld tot 30 augustus

5 augustus 2020

In Rome wordt ieder jaar op 5 augustus La Festa della Madonna della Neve (het feest van Onze-Lieve-Vrouw van de Sneeuw) gevierd. Dat gebeurt door het nabootsen van de legendarische sneeuwbui die in het jaar 352 op deze datum zou hebben plaatsgevonden. Op de plek waar de sneeuwbui zou neergekomen zijn, werd de Basilica di Santa Maria Maggiore gebouwd.

santamariamaggiore2

Het spektakel op Piazza di Santa Maria Maggiore, dat ieder jaar veel mensen lokt, werd echter uitgesteld tot 30 augustus, van 20 uur tot middernacht. De kunstmatige sneeuwval en de bijhorende lichtshow worden begeleid door de muziekband van de Carabinieri.

Het evenement wordt georganiseerd met steun van de stad Rome, het Vaticaan en het Ministerie van Cultuur. Hoe de corona-veiligheidsmaatregelen zullen gehandhaafd worden en wat de gevolgen daarvan zijn, is nog niet duidelijk. Het is echter vrijwel zeker dat minder mensen het herdenkingsfeest zullen kunnen bijwonen.

Wat vandaag wél zal plaatsvinden, is de misviering van 10 uur in de Santa Maria Maggiore-basiliek. Ter ere van La Madonna della Neve worden tijdens de viering witte bloemblaadjes vanaf het plafond naar beneden gestrooid. Dat wordt nog eens herhaald om 17 uur.

Een rijke patriciër, Giovanni of Johannes genaamd, droomde in de nacht van 4 op 5 augustus 352 dat de Maagd Maria hem opdracht gaf een kerk te bouwen op de plaats waar de volgende ochtend sneeuw zou liggen. Dat zou een mirakel zijn, want in augustus daalt de temperatuur in Rome niet snel onder de dertig graden.

Giovanni vond de droom echter zo realistisch dat hij contact nam met paus Liberius (352-366). De paus vertelde hem dat hij precies dezelfde droom had gehad. Ondanks het feit dat iedereen het erover eens was dat het ondenkbaar was dat in het snikhete Rome op dat moment sneeuw zou vallen, ontdekte men de dag nadien in de Esquilijn-wijk dat het op een bepaalde plek flink had gesneeuwd.

Paus Liberius trok naar de locatie om het wonder met eigen ogen te aanschouwen en tekende in de verse sneeuw de ruwe omtrekken van wat een nieuwe kerk moest worden. Giovanni zou de bouw financieren. Die eerste kerk kreeg de naam Basilica Liberiana.

santamariamaggiore1

Paus Sixtus III (432-440) herbouwde de kerk in 432 tot een grotere versie als herinnering aan het concilie van Efeze dat een jaar eerder had plaatsgevonden en veranderde ook de naam van de kerk in de huidige. Op dit concilie was de positie van Maria als moeder van Christus vastgesteld, en door een kerk aan haar te wijden toonde de paus zijn betrokkenheid bij dit besluit.

Hoewel er geen historische basis is voor de wonderbaarlijke gebeurtenis, wordt die sindsdien elk jaar op 5 augustus herdacht met een evenement waarbij de legendarische sneeuwbui wordt nagebootst. Dat blijft in deze snikhete maand augustus een behoorlijk surrealistisch spektakel.

Rome eert Federico Fellini met een tweede straatnaam en een tentoonstelling

5 augustus 2020

In Rome is er al een Largo Federico Fellini (op het einde van de Via Vittorio Veneto, vlakbij de Villa Borghese), maar nu krijgt de beroemde filmregisseur nog een tweede eerbetoon met een nieuwe straatnaam: de Lungotevere Federico Fellini.

Dat wordt de nieuwe benaming van het eerste stuk van de weg die de Piazzale Maresciallo Giardino bij de kruising verbindt met de Via Roberto Morra di Lavriano, vlakbij de Ponte della Musica in het noorden van de stad.

fellinistraatnaam (1)

Daarvoor wordt een klein stukje van de Lungotevere Maresciallo Cadorna herdoopt. Het overige gedeelte van deze straat, tot aan de Ponte Duca d’Aosta, behoudt de naam van de maarschalk.

Het zal nog eventjes duren vooraleer de nieuwe naam officieel wordt. Het gaat immers om een naamsverandering waardoor een aantal administratieve procedures moeten doorlopen worden.

Italië viert dit jaar de honderdste verjaardag van de geboorte van Federico Fellini (1920-1993) met een heleboel evenementen en tentoonstellingen die zich grotendeels afspelen in de omgeving van de kuststad Rimini, de geboorteplaats van de filmregisseur. In Rimini opent in december ook het Federico Fellini Filmmuseum.

Maar ook in Rome wordt aandacht geschonken aan dit jubileum, onder meer met de eerder vermelde tentoonstelling Felliniana – Ferretti sogna Fellini in de filmstudio Cinecittà. Rome is dan ook onlosmakelijk verbonden met Fellini. Heel wat van zijn films spelen zich af in deze stad.

De meest bekende zijn waarschijnlijk ‘Roma’ en ‘La Dolce Vita’, maar ook in ‘Le notti di Cabiria’, ‘Lo Sceicco Bianco’ en ‘Intervista’ vereeuwigde Fellini Rome op zijn suggestieve en eigenzinnige manier.

Federico Fellini is zonder enige twijfel één van de meest bekende Italiaanse regisseurs uit de naoorloogse Europese fiilmgeschiedenis. Hij heeft meer dan 20 films op zijn naam staan waaronder enkele klassiekers als het voormelde ‘La Dolce Vita’, ‘La Strada’ en ‘Satyricon’.

Vanuit de filmstudio’s van Cinecittà in Rome veroverde Fellini ook de wereld: hij won liefst vier keer de Oscar voor de beste buitenlandse film. In 1993, enkele maanden voor zijn dood, kwam daar nog eens een Lifetime Achievement Award bij, een Oscar voor zijn rijke filmcarrière.

De films van Fellini zijn doorgaans complexe psychologische zoektochten waarin een excentriek personage – gemodelleerd op Fellini zelf – op zoek gaat naar de zin van het bestaan. Die zoektocht voert hem door een bizarre wereld, bevolkt door groteske figuren en confronteert hem met herinneringen, dromen, fantasieën en obsessies.

Het resultaat is een kleurrijke, chaotische puzzel van indrukken en gebeurtenissen, vaak zonder duidelijke verhaallijn. Wel duidelijk aanwezig, bijna als een rode draad doorheen de films, is Fellini’s scherpe kritiek op de leegheid en de decadentie van de Italiaanse aristocratie en op de praalzucht en schijnheiligheid van de katholieke kerk.

Rome vormde een dankbare voedingsbodem om de grenzeloze creativiteit van de regisseur te stimuleren. De inspiratiebronnen in de stad waren talrijk: de volksbuurten, het circus, de kerk, reclame, dames van lichte zeden, …

Overal in Rome vond Fellini wel ideeën en invalshoeken die hij gretig en vol fantasie in zijn films verwerkte.

Fellini werkte niet alleen in Rome, hij verbleef er ook lange tijd. De regisseur woonde tientallen jaren met zijn vrouw Giulietta Masina in de Via Margutta. Een plaquette op de gevel van hun huis uit die tijd duidt dat vandaag nog altijd aan.

fellinistraatnaam (3)

In die tijd ging Fellini regelmatig een koffie drinken in café Canova aan Piazza del Popolo, waar het interieur elementen uit films van Fellini bevat en waar nog altijd enkele Fellini-memorabilia te zien zijn.

Dat Fellini om de honderdste verjaardag van zijn geboorte te vieren, nogmaals erkenning krijgt met een nieuwe straatnaam in Rome, is niet echt een verrassing. Rome heeft veel te danken aan deze koning van de Italiaanse verbeelding. Zowat alle belangrijke plaatsen in de stad kwamen in zijn films aan bod.

Een herkenningspunt dat in Rome wellicht het meest met Fellini wordt geassocieerd, is de Trevifontein. De scène uit La Dolce Vita met de Zweedse actrice Anita Ekberg en Marcello Mastroianni behoort tot de meest beroemde in de Italiaanse filmgeschiedenis.

fellinistraatnaam (6)

In de scène gaat Marcello in de vroege ochtend op zoek naar melk voor een jong katje dat het filmpersonage Sylvia (Anita Ekberg) heeft opgepikt. Sylvia wandelt al spelend met het katje alleen verder door de verlaten straatjes van Rome en botst dan op de majestueuze Trevifontein.

Als Marcello met een glaasje melk arriveert, ziet hij tot zijn verbijstering Sylvia door de fontein waden. Ze verleidt Marcello om hetzelfde te doen en dan spatte de erotische vonken van het scherm. Maar tot een echte kus komt het net niet. Het stilvallen van de fontein en het aanbreken van de dageraad verstoren het magische moment.

De beroemde filmscène staat in het collectieve geheugen van iedere Italiaan gegrift. Toen Marcello Mastroianni in 1996 stierf, sloot de stad Rome het water van de Trevifontein een hele dag af en werd het monument in zwarte doeken gehuld. Toen Anika Ekberg in 2015 overleed werd aan de Trevifontein een gigantisch spandoek gehangen met de tekst ‘Ciao Anita’.

Fellini’s films mogen dan wel doorspekt zijn met onwezenlijke, bijna surrealistische scènes, toch haalde hij heel vaak zijn inspiratie uit waargebeurde feiten die hij dan, soms jaren later, op geheel eigen wijze in een filmscenario verwerkte.

Dat was ook zo met de beroemde fonteinscène. In 1958 pakte de krant Il Tempo uit met een reportage van fotograaf Pierluigi die beelden had gemaakt van Anita Ekberg die na een nachtje stappen in Rome in behoorlijk ontklede toestand verfrissing zocht in de Trevifontein.

Het verhaal werd opgepikt door de Italiaanse en internationale roddelpers en breed uitgesmeerd in kranten en magazines. Twee jaar later verwerkte Federico Fellini dit verhaal in ‘La Dolce Vita’.

Anita Ekberg mocht haar nachtelijke escapade in de Fontana di Trevi nog eens overdoen, ditmaal met Marcello Mastroianni aan haar zijde. Het zou één van de meest bekende scènes uit de filmgeschiedenis worden.

Ekberg zelf hield aan de scène in de Trevi-fontein slechte herinneringen over. Het was immers januari en in tegenstelling tot haar ervaringen na het wilde feestje twee jaar eerder, was het water ondanks haar hoge laarzen ijskoud.

fellinistraatnaam (2)

Al evenzeer verbonden met Fellini is de Via Veneto, die zowat synoniem staat met het zogenaamde dolce vita-tijdperk, de periode in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw. In die tijd speelde het leven van de Romeinse jetset en de buitenlandse filmsterren zich grotendeels af in deze straat.

Door de faam van de filmstudio Cinecittà stond Rome toen bekend als ‘Hollywood aan de Tiber’, waardoor de stad voortdurend gefrequenteerd werd door talrijke vedetten.

Deze glamoureuze toestroom van beroemdheden lokte hordes paparazzi aan, wat Fellini in ‘La Dolce Vita’ dramatiseerde. De term paparazzo werd overigens dankzij deze film opgenomen in het algemene taalgebruik. Het woord verwijst naar de achternaam van de opdringerige persfotograaf Paparazzo.

De regisseur gebruikte de Via Veneto ook als achtergrond voor ‘Le notti di Cabiria’ (1957), met in de hoofdrol zijn eigen vrouw Giulietta Masina. Zij speelt een prostituee in Rome, die tevergeefs naar ware liefde zoekt.

fellinistraatnaam (7)

Fellini had ook iets met het Colosseum. Tijdens het filmen van ‘Lo Sceicco Bianco’ (1952) met in de hoofdrol Alberto Sordi, voerde hij vooraleer het filmwerk begon, dagelijks de katten die toen nog talrijk aanwezig waren in het amfitheater. Het Colosseum vormt ook de achtergrond van de motorrace aan het begin van ‘Roma’ (1972).

Ook de Spaanse Trappen naar de Trinità dei Monti vormen een spectaculaire achtergrond in ‘Lo Sceicco Bianco’ wanneer de pasgetrouwde Oscar (Leopoldo Trieste) en Wanda (Brunella Bovo) naar de Via Sistina wandelen.

Fellini was als perfectionist ook gefascineerd door de rationalistische en strakke symmetrie van de fascistische architectuur in Rome. In ‘La Dolce Vita’ kwam de buitenwijk EUR reeds aan bod.

Maar de wijk en de gebouwen zouden pas echt prominent in beeld worden gebracht in ‘Le Tentazioni del Dottor Antonio’ (1962), een onderdeel van de filmkomedie Boccaccio ’70. Die werd geregisseerd door Mario Monicelli, Federico Fellini, Luchino Visconti en Vittorio De Sica.

fellinistraatnaam (5)

Ook de Sint-Pietersbasiliek en het Sint-Pietersplein kwamen bij Fellini aan bod. ‘La Dolce Vita’ opent met een panoramisch perspectief van de basiliek, met Marcello. Een helikopter waaronder een standbeeld van Jezus bengelt, vliegt over.

Later in de film klimmen Mastroianni en Ekberg naar de koepel van de Sint-Pieter. Piazza San Pietro en het Castel Sant’Angelo vormen ook het decor voor het einde van ‘Lo Sceicco Bianco’.

Ook Piazza del Popolo komt voor in ‘La Dolce Vita’. Marcello en Maddalena (Anouk Aimée) pikken er een prostituee op.

Het Termini station was in heel wat Fellinifilms te zien, waaronder ‘Lo Sceicco Bianco’ (1952), ‘I Vitelloni’ (1953), ‘Le notti di Cabiria’ (1957), ‘Roma’ (1972) en ‘Ginger e Fred’ (1986).

De Thermen van Caracalla werden opgevoerd in zowel ‘Le Notte di Cabiria’ en in ‘La Dolce Vita’. Het Mausoleum van Cecilia Metella aan de Via Appia Antica was te zien in ‘Roma’.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de filmstudio’s van Cinecittà, waar Fellini de meeste van zijn films opnam en monteerde.

Behalve de actuele tentoonstelling die gewijd is aan Federico Fellini, opende Cinecittà vorig jaar ook het Museo Italiano dell’Audiovisivo e del Cinema (MIAC), een museum dat gewijd is aan de Italiaanse cinema. Het spreekt vanzelf dat ook hier heel wat aandacht naar Fellini gaat.

Op 20 januari en 15 juni van dit jaar zouden twee grote protagonisten van de Italiaanse en internationale cinema, Federico Fellini en Alberto Sordi, 100 jaar oud zijn geworden.

Om dat te vieren, heeft het Istituto Quinta Dimensione een tentoonstelling aan hen een duotentoonstelling gewijd. Je kan deze gratis bezoeken in de evenementenruimte Spazio5 aan de Via Crescenzio 99 en dit tot 30 augustus.

fellinistraatnaam (4)

Dankzij de ruim 70 foto’s uit de collectie van Carlo Riccardi (°1926), een fotojournalist en vriend van Fellini, die tijdens zijn loopbaan van meer dan vijftig jaar een schitterend archief wist uit te bouwen, kan je de belangrijkste momenten uit hun carrière volgen en een aantal leuke backstage-momenten ontdekken.

Zowel Fellini als Sordi waren in hun tijd het symbool van Italië in de wereld en de inspiratiebron voor tientallen filmmakers. Ze leefden niet alleen Rome, maar gaven de stad dankzij hun vele films ook een stukje onsterfelijkheid.

Een bezoek aan Villa Albani-Torlonia in Rome

4 augustus 2020

Vandaag brengen we een bezoek aan de schitterende Villa Albani-Torlonia, gelegen aan de Via Salaria 92. Het monumentale gebouw is niet te verwarren met Villa Torlonia aan de Via Nomentana.

Villa Albani Torlonia is een historische villa in een prachtig aangelegd park en een museum met een uitzonderlijke collectie klassieke sculpturen. De villa is niet alleen kunsthistorisch, maar ook historisch belangrijk: in 1870 werd in deze villa de overgave van de Pauselijke Staten aan het koninkrijk Italië ondertekend.

albanitorlonia(1)

De villa met bijgebouwen en tuinen werd tussen 1747 en 1763 gebouwd door kardinaal Alessandro Albani (1692-1779) op een uitgestrekt groen gebied aan de Via Salaria dat eerder eigendom was geweest van de families Accoramboni, Ercolani en Orsi.

De architect was Carlo Marchionni. Bekende namen zoals Giovanni Battista Nolli, Giovanni Battista Piranesi en Johan Joachim Winckelmann bepaalden mee de bouwplannen van de kardinaal.

Waar nu de villa ligt, bevonden zich destijds verschillende wijngaarden en weiden, voorzien van permanente watertoevoer dankzij het aquaduct Aqua Felix. Het gebouw is één van de laatste villa suburbana en is in laat-barokke en neoklassieke stijl opgetrokken.

De villa met zijn collectie, fonteinen, beelden, trappen en fresco’s, de Italiaanse tuin, het Kaffeehaus, verschillende kleinere gebouwen en een kleine tempel die dienst doet als volière, vormt een sublieme getuigenis van die specifieke antiquarische smaak die halverwege de achttiende eeuw naar voren kwam.

albanitorlonia(5)

Rome was toen een belangrijke bestemming voor de reizigers van de zogenaamde grand tour, de uitgebreide reis die jonge volwassenen van de Europese en vooral Britse elite en adel maakten langs de monumenten en bezienswaardigheden op het vasteland. Het maken van de grand tour was gebruikelijk van de achttiende tot in het begin van de twintigste eeuw.

De rondreis was bijna een verplicht onderdeel van hun vorming en werd alleszins beschouwd als een onderdeel van de opvoeding en het leren kennen en waarderen van de (klassieke) kunsten. Ouders stimuleerden deelname aan de grand tour zodat de jongeren op deze manier ver van huis hun wilde haren konden kwijtraken.

Dat verliep in de praktijk vaak anders. Regelmatig gaven deze jongelui een aanzienlijk minder serieuze invulling aan de grand tour dan hun ouders in gedachten hadden. De grand tour was voor velen de gelegenheid om tijdelijk te ontsnappen uit het keurslijf van de hoogste standen.

Vanaf 1750 reisden ook volwassen Britten en vrouwen door Frankrijk en Italië. Het accent van de grand tour verschoof daarbij langzamerhand van educatie naar ontspanning en plezier. Hoogtepunten van de traditionele grand tour waren Parijs, Venetië, Firenze, Rome en Napels.

albanitorlonia(6)

Terug naar onze villa. Kardinaal Alessandro Albani was de neef van paus Clemens XI (1700-1721) en de jongere broer van kardinaal Annibale en had een functie als bibliothecaris van de Kerk.

De kardinaal was naast diplomaat en mecenas, ook een groot kunstliefhebber en één van de grootste achttiende-eeuwse verzamelaars van antieke Griekse en Romeinse sculpturen. Al sinds zijn jeugd had hij een passie voor de antieke wereld.

Zijn collectie was het resultaat van vondsten bij archeologische opgravingen in Rome en omgeving (de kardinaal ging de opgegraven stukken persoonlijk ophalen) en van gerichte aankopen.

De villa deed dan ook meer dienst als museum voor de collectie en als cultureel trefpunt voor de talrijke bevriende antiquairs van kardinaal Albani, dan als woonhuis.

Hier werden discussieavonden georganiseerd, concerten gegeven en gemaskerde komedies en dansvoorstellingen opgevoerd. Zo zou er ook maar één slaapkamer zijn geweest: de kardinaal verkoos ’s avonds naar zijn stadswoning terug te keren.

Voor de thematische opstelling van de beelden in de villa deed kardinaal Albani een beroep op Johann Joachim Winckelmann. Winckelmann woonde op dat moment als bibliothecaris van de kardinaal in de villa en werkte er aan de catalogisering van de beeldencollectie.

Hij was ook belast met de aankoop van beelden op veilingen om de verzameling nog verder uit te breiden. Naast de Griekse en Romeinse beelden bevatte de collectie ook schilderijen van onder andere Perugino, Signorelli, Van Dyck, Tintoretto, Guercino, Giulio Romano, Annibale Carracci, David, Gherardo delle Notti, Ribera, Luca Giordano, Taddeo Zuccari en Gaspare Vanvitelli.

In 1733 kocht paus Clemens XII (1730-1740) een deel van de kunstcollectie, die eerst in het Museo Capitolino terecht kwam, later in de Vaticaanse Musea. Winckelmann werd in 1768 in Trieste vermoord, kardinaal Albani stierf tien jaar later.

Onmiddellijk na zijn dood verkochten de erfgenamen van de kardinaal een deel van de kunstwerken, de villa bleef grotendeels intact. Een maand na de dood van de kardinaal kocht Giovanni Battista Visconti, die Winckelmann opvolgde als directeur oudheden bij het Vaticaan, 56 kunstwerken

De opvolger van Winckelmann als bibliothecaris van Villa Albani, Stefano Antonio Morcelli, telde in 1785 in de inventaris nog 677 antieke kunstwerken.

albanitorlonia(2)

Toen kwamen de Fransen en Napoleon. Ze plunderden de villa en namen 518 kunstwerken in beslag om over te brengen naar Parijs. Op het moment dat de kisten met kunst al klaar stonden in de haven om te worden verscheept, kon men op het nippertje beletten dat 400 van de 500 stukken Rome verlieten.

De beelden en kunstwerken die toch in Parijs terecht kwamen, werden na bemiddeling door Canova na 1815 teruggegeven aan hun legitieme eigenaar prins Carlo Albani.

Maar doordat de prins weigerde te betalen voor het transport van de beelden van Parijs naar Rome, bleven een aantal sculpturen in Parijs en keerden uiteindelijk maar een klein aantal stukken terug. De rest van de collectie werd verkocht aan het Glyptothek in München.

De villa bleef in het bezit van de familie Albani tot in het midden van de negentiende eeuw. Toen kwam het gebouw in handen van de familie Albani-Castelbarco, die het vervolgens in 1852 verkocht aan de familie Chigi. Veertien jaar later, in 1866, werd de villa opnieuw verkocht, ditmaal aan de familie Torlonia.

De verzameling antieke munten en medailles van kardinaal Albani kwam terecht in de Apostolische Bibliotheek van het Vaticaan; de sarcofagen, zuilen, bustes en beelden raakten verspreid.

Het domein in zijn huidige vorm hebben we te danken aan prins Alessandro Torlonia (1800-1886) die de verlaten villa kocht in 1866 en grondig liet restaureren, zoals een bronzen opschrift op de gevel van het hoofdgebouw aangeeft: ‘Alexander Albani vir eminentissimus instruxit et ornavit / Alexander Torlonia vir princeps in melius restituit’.

Hij verkocht echter een groot deel van het uitgestrekte terrein om te verkavelen. In de buurt ontstonden nieuwe straten zoals de Via Adda, de Via Basento en de Via Po. Ook de Viale Regina Margherita werd in die periode aangelegd.

In 2003 wilde de stad Rome de villa met de kunstwerken en het terrein van 8 ha kopen voor het luttele bedrag van 23 miljoen euro. Toenmalig premier Silvio Berlusconi zou daarop 125 miljoen hebben geboden, alleen voor de kunstwerken.

De stad dreigde ook met onteigening om van het domein een openbaar park te maken. Uiteindelijk, na jaren onderhandelen, kwamen het stadsbestuur en de eigenaar toch tot een vergelijk. De laatste telg van de adellijke familie, Don Alessandro Torlonia, woonde in de villa tot het jaar van zijn dood in 2018. Momenteel zou het gebouw niet meer bewoond zijn.

viaalbani

Door vondsten bij archeologische opgravingen in de talrijke domeinen van de familie (onder andere langs de Via Appia en in Porto d’Anzio) en door aankopen op veilingen, kon prins Alessandro Torlonia-Borghese de collectie antieke sculpturen van kardinaal Albani uitbreiden tot één van de rijkste en belangrijkste privécollecties antieke kunst ter wereld.

Vandaag zouden in de villa meer dan duizend kunstwerken ondergebracht zijn, vooral antieke vondsten en schilderijen. De beelden staan overal op het domein opgesteld, in de halfronde portiek, in de tuinen, in de loggia van het casino nobile en in het hoofdgebouw zelf.

Men heeft berekend dat de collectie Torlonia goed is voor een ruim derde van het antieke patrimonium van de stad Rome. Een deel van de verzameling beelden in de villa is onlangs gerestaureerd.

Een aantal antieke sculpturen, niet uit deze villa, maar afkomstig uit de opslagplaatsen van Palazzo Torlonia aan de Via della Lungara, kan je vanaf 25 september bewonderen in de Musei Capitolini. Van de 620 beelden uit de vroegere catalogus werden er 96 geselecteerd en gerestaureerd met de luxejuwelier Bulgari als sponsor. Daarover later meer.

Ook als je de villa niet bezoekt, kan je een glimp opvangen van de rijkdom van de Torlonia’s. Als je rond de omheiningsmuur van het domein wandelt, krijg je doorheen het hek op het einde van de doodlopende Via di Villa Albani een mooi zicht op het Kaffeehaus van de villa. Dit was vroeger de zuidelijke ingang van het domein.

albanitorlonia(3)

Het Kaffeehaus werd in 1764 tegen de halfronde portico aangebouwd. Op de architraaf van het paviljoen lees je ‘alexander torlonia v p [vir princeps] renovavit’. Midden op het pleintje voor het Kaffeehaus ligt het granieten beeld van Amphitrite, de vrouw van Poseidon en de godin van de zee, geleund tegen een mythologische zeestier.

Waar nu in de doodlopende steeg voornamelijk garageboxen te vinden zijn, klaterde in vroegere tijden het water van een waterval die ontsproot uit het beeld van Amphitrite. Vandaag zien zowel het bijgebouw als de kunstwerken in de onmiddellijke omgeving er behoorlijk verwaarloosd uit.

albanitorlonia(4)

In de muur aan de westkant van het pleintje zien we tussen twee Ionische zuilen een fontein in de vorm van een grot. Links en rechts van de fontein hangen twee mooie bas-reliëfs met levensgrote afbeeldingen van soldaten, eronder twee maskers. In de muur aan de west- en de oostkant prijken twee enorme bebaarde tritons.

albani(13)

Om Villa Albani-Torlonia te bezoeken moet je eerst dit aanvraagformulier invullen met vermelding van de gesproken taal en het per e-mail verzenden, samen met een kopie van je identiteitsbewijs. De Stichting Torlonia zal, na aanvaarding van het verzoek, de eerste beschikbare datum voorstellen.

De bezoeken zijn gratis, duren ongeveer twee uur en worden georganiseerd in groepen van maximaal 15 personen onder begeleiding van een gids. Ze omvatten Villa Albani-Torlonia, de Italiaanse tuin en het Kaffeehaus met de onlangs gerestaureerde beeldencollectie.

Villa Albani-Torlonia
Via Salaria 92, Rome
info@fondazionetorlonia.org

Praktische informatie voor een bezoek vind je hier

Referendum op komst om het aantal parlementsleden te verminderen

3 augustus 2020

De Italiaanse regering zal op 20 en 21 september een nationaal referendum houden over de vermindering van het aantal parlementsleden. In een aantal regio’s zullen op dezelfde datum regionale verkiezingen plaatsvinden.

Het referendum, oorspronkelijk gepland op 29 maart, was uitgesteld vanwege de virusuitbraak. Ook de regionale verkiezingen hadden in mei moeten plaatsvinden, maar werden om dezelfde reden eveneens uitgesteld,

De Italiaanse afgevaardigden hadden in oktober vorig jaar een radicale grondwetshervorming aangenomen die het aantal parlementsleden met ongeveer een derde  zou verminderen.

Dat was een verkiezingsbelofte van de Vijfsterrenbeweging (MoVimento 5 Stelle of M5S). De ingreep zou volgens de partij een besparing opleveren van minstens 500 miljoen euro.

Italiaanse parlementsleden en senatoren staan bekend om hun vele privileges, hun gigantische salarissen en hun speciale pensioenregeling. Ze zijn ook met heel veel.

Als de voorgestelde hervorming het haalt, zou het aantal gekozen vertegenwoordigers dalen van 945 naar 600.

Het aantal Kamerleden (nu met 630) zou moeten dalen tot 400. Het aantal senatoren (nu 315) zouden na goedkeuring van het referendum nog met 200 zijn.

Na het Verenigd Koninkrijk (ongeveer 1.400, het aantal leden van het House of Lords is variabel) heeft Italië het op één na grootste parlement in Europa. Frankrijk komt met 925 parlementsleden in de buurt.

De regionale verkiezingen hebben betrekking op zes regio’s: Toscane, Puglia, Campanië, Veneto, Marche en Ligurië, in totaal meer dan 21 miljoen mensen.

De kleine regio Valle d’Aosta, die een speciale status geniet, zou op 20 en 21 september eveneens naar het stemhokje trekken. In ongeveer duizend steden en gemeenten zullen de kiezers ook een burgemeester aanduiden.

Kunstmuseum Musja in Rome amper een jaar na opening alweer dicht

2 augustus 2020

Het Musja in Rome sluit nog geen jaar na de opening alweer de deuren. Het privémuseum dat gewijd is aan hedendaagse Italiaanse kunst, is één van de eerste culturele slachtoffers van de maandenlange gedwongen sluiting tijdens de lockdown. Ook sinds de heropening kwamen er nauwelijks bezoekers over de vloer.

Het is niet het enige museum in Rome dat momenteel kampt met lege zalen waar amper iemand rondloopt. In tegenstelling tot de staats- en stadsmusea kunnen privémusea natuurlijk niet rekenen op een financiële backup om de verliezen op te vangen.

musja1

Het opmerkelijke kunstmuseum Musja was de levensdroom van ondernemer Ovidio Jacorossi die op 23 oktober vorig jaar op 85-jarige leeftijd stierf, slechts een paar weken na de opening van het museum die plaatsvond op 8 oktober 2019.

Het Musja Museum is gevestigd aan de smalle Via dei Chiavari 7, niet ver van Campo de’ Fiori, op de plaats waar het ondernemersavontuur van de familie Jacorossi begon. Hier opende Agostino Jacorossi, de grootvader van Ovidio, in 1922 een kleine winkel waar hij steenkool en hout verkocht.

In de daaropvolgende decennia zou het kleine bedrijfje van Jacorossi uitgroeien tot een enorm succesvolle groep en een belangrijke speler worden in de brandstof- en energiesector.

Jacorossi werd zelfs één van de hoofdrolspelers in de modernisering van Italië. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was hij voor de distributie van aardolie al de grootste speler van Italië.

Twintig jaar later behoorde Jacorossi reeds tot de tien grootste industriële groepen van het land. De groep bouwde gaandeweg ook belangen uit in de logistieke sector en ging zich ook bezig houden met het beheer van openbare gebouwen.

In die tijd begon het bedrijf ook te investeren in de culturele sector, wat zich vooral vertaalde in het steunen van allerlei kunstinitiatieven, maar ook in de renovatie of de opening van musea en archeologisch waardevolle plekken in heel Italië.

In 1984 leverde Jacorossi de technische infrastructuur van het Guggenheim Museum in Venetië. Later volgden onder meer investeringen in het Museo Emilio Greco in Catania, de beroemde middeleeuwse ruim 60 m diepe waterput in Orvieto (de Pozzo di San Patrizio) en het Palazzo Ducale in Genua.

De bedrijvengroep lanceerde in de jaren ’80 ook een concept waarbij een allesomvattende dienstverlening aan musea werd aangeboden. Vandaag lijkt het vanzelfsprekend dat een museum allerlei zaken zoals de ticketverkoop, de uitbating van de koffiebar, de museumshop of boekenwinkel, de bewaking en het verhuren van ruimtes voor evenementen, uitbesteed of in concessie geeft aan derden, maar toen was dat een grote nieuwigheid.

Ovidio Jacorossi testte in 1990 het concept zelf uit in het vernieuwde Palazzo delle Esposizioni in Rome, waarin hijzelf 18 miljard lire had geïnvesteerd.

De ondernemer begon aan het einde van de jaren ’60 met de opbouw van zijn inmiddels zeer uitgebreide collectie Italiaanse kunst, waaronder schilderijen, tekeningen en sculpturen van de grootste Italiaanse kunstenaars van de twintigste eeuw. Er zijn weinig bekende namen die niet in zijn verzameling terug te vinden zijn.

musja2

De kunstcollectie van Jacorossi zou inmiddels ongeveer 2.500 werken tellen. Daarvan werd slechts een klein deel tentoongesteld in de tentoonstellingsruimte van ongeveer 1.000 m² in het historische pand aan de Via Chiavari.

Het was de bedoeling de getoonde werken regelmatig af te wisselen en nu en dan een bepaalde kunstenaar extra in de kijker te zetten. De eigen collectie hedendaagse kunst was groot genoeg om dat jarenlang vol te houden.

Het gebouw en de tentoonstellingszalen werden in 2017 gerenoveerd en ingericht door architect Carlo Iacoponi. Van sommige delen maakte hij spelonkachtige ruimtes die, afhankelijk van de getoonde kunstwerken, soms zelfs wat griezelig aandeden. Bezoekers waanden zich weleens in een geheimzinnige grot of een ondergronds tempelcomplex met kunst.

Onder het gebouw bevinden zich overigens restanten van het Theater van Pompeius. De renovatie behield architecturale elementen uit verschillende tijdperken, van de Romeinse oudheid tot de Renaissance, waaronder de zestiende-eeuwse binnenplaats die wordt toegeschreven aan Baldassarre Peruzzi.

De combinatie van al die stijlen, samen met moderne ingrepen zoals onder meer de glazen verbindingsgang, is wonderwel geslaagd. Alleen daarom al was een bezoek aan het Musja de moeite waard.

musja1

De eerste en enige tijdelijke tentoonstelling die plaatsvond in het museum was The Dark Side – Chi ha paura del buio? Het was de eerste expo van wat een trilogie rond het thema ‘angst’ had moeten worden en die eindigde op 28 juni. Ondanks de maandenlange sluiting tijdens de lockdown mocht deze tentoonstelling ongeveer tienduizend bezoekers verwelkomen.

Scholieren en studenten kunstonderwijs konden in het museum een speciale didactische rondleiding meemaken, een aanbod waarvan gretig gebruik werd gemaakt tot alle scholen wegens de virusuitbraak werden gesloten en aan de leerrijke uitstapjes een einde kwam. Het was dus niet zo dat mensen hun weg niet vonden naar het jonge museum.

Door de gevolgen van de viruscrisis blijkt het openhouden van het privémuseum echter financieel niet langer houdbaar. Vooral de kosten voor personeel en bewaking wegen zwaar door. Het is uiteraard ook vervelend om een hele dag aan een kassa of op een stoel in een zaal te zitten zonder dat er ook maar een bezoeker passeert.

In een mededeling hekelt Ovidio Maria Jacorossi, de zoon van de stichter, onder meer ook de overdreven bureaucratische procedures waarmee het museum al te maken kreeg en wijst hij op de grote onzekerheid voor de toekomst.

Het is niet ondenkbaar dat het museum ooit opnieuw opent, al is de kans momenteel groter dat de tentoonstellingsruimte, of het pand in zijn geheel, een nieuwe bestemming krijgt.

Kerstboom van Rome verhuist naar Piazza del Popolo

1 augustus 2020

Het is nog enkele maanden wachten op kerstmis, maar Rome is nu al op zoek naar een sponsor voor de stedelijke kerstboom. Die zal dit jaar omwille van de werkzaamheden aan de Metro C-lijn niet worden geïnstalleerd op de gebruikelijke locatie op Piazza Venezia, maar op Piazza del Popolo, aan de andere kant van de Via del Corso.

Geïnteresseerde bedrijven kunnen zich tot 4 september aanmelden bij het stadsbestuur van Rome. De voorbije twee jaar werd de plaatsing van de officiële kerstboom van Rome gesponsord door het Amerikaanse filmstreamingbedrijf Netflix. Dat houdt niet zo’n goede herinneringen over aan het kerstboomavontuur, al hadden die niets te maken met de sponsor.

Twee jaar geleden haalde de kerstboom van Rome wereldwijd negatieve krantenkoppen. De boom verloor kort na zijn aankomst in Rome het grootste deel van zijn naalden, waardoor hij door de Romeinen al gauw spelacchio of kaalkopje werd genoemd. Er werd wekenlang gelachen met de uitgedunde kerstboom.

Ook vorig jaar verliep de plaatsing van de kerstboom van Rome niet zo vlot. De boom bleek toen te groot voor transport en er werden dan maar een aantal takken afgezaagd. In Rome werden die er weer aangelijmd, maar visueel was die ingreep niet helemaal geslaagd. Deze boom kreeg al snel de bijnaam spezzacchio of splintertje.

Een wandeling door Quartiere Coppedè in Rome

31 juli 2020

Het is al meer dan twaalf jaar geleden dat we nog eens iets vertelden over het fraaie Quartiere Coppedè, een pittoreske wijk in het noordoosten van Rome, ver weg van de klassieke toeristische circuits en de verkeersdrukte.

Hoog tijd dus om nog eens een wandeling te maken doorheen dit fraaie maar weinig bekende stukje Rome dat genoemd is naar zijn ontwerper, de Florentijnse architect en beeldhouwer Luigi Gino Coppedè.

coppede(1)

Quartiere Coppedè bevindt zich niet zover van Villa Torlonia (aan de Via Nomentana) en het Museo d’Arte Contemporanea (MACRO) op de hoek van de Via Nizza en de Via Cagliari.

Sinds de opening van deze twee toeristische bestemmingen is de bekendheid van de Coppedèwijk de jongste jaren een klein beetje toegenomen. Wie het bestaan ervan kent, wandelt weleens verder tot aan de Piazza Mincio. Toch blijft de plek voor de meeste toeristen een onbekend pareltje.

De wijk herinnert in niets aan de tijden van de glorierijke keizerlijke of pauselijke geschiedenis van Rome. Slenterend langs de merkwaardige huizen rondom de Piazza Mincio, dat het hart van de wijk vormt, word je ondergedompeld in een bijzondere magische en eclectische sfeer die hier alom heerst.

coppede(16)

Luigi Gino Coppedè (1866-1927) kreeg in 1915 van de stad Rome de opdracht om hier een nieuwe residentiële zone te ontwerpen. De architect presenteerde zijn ontwerp op 19 oktober 1916 en op 23 augustus 1917 begonnen de eerste bouwwerkzaamheden.

Coppedè kon werken in volledige vrijheid en in de nieuwe wijk zijn fantasie totaal uitleven. Hij werkte tot aan zijn dood in 1927 aan de realisatie van zijn ideeën. Hoewel hij ook elders in Italië erg actief is geweest, was dit het lievelingsproject van de Florentijn.

Coppedè liet zich zowel inspireren door het antieke Rome en het klassieke Griekenland, als door de middeleeuwen, de neogotiek, de renaissance en de barok. Daar voegde hij nog een snuifje Italiaanse art nouveau aan toe.

Na het overlijden van Gino Coppedè werd het project voltooid door zijn schoonbroer, de Florentijnse architect (Enrico) Paolo Emilio Andrè (1877-1939).

coppede(2)

Deze kleine sprookjesachtige wijk bestaat uit een cluster van 18 palazzi en 26 kleinere gebouwen. De toegang tot de wijk wordt gevormd door een monumentale boog die twee grote torengebouwen, de zogenaamde Palazzi degli Ambasciatori, met elkaar verbindt.

In deze ingangspoort hangt een grote kroonluchter in smeedijzer en op de gevels van de beide palazzi bevinden zich dierlijke en florale symbolen, middeleeuwse maskers en sculpturen van ridderfiguren.

coppede(4)

Zodra je onder deze luchter doorwandelt richting Piazza Mincio, kom je terecht in een bijna magische wereld van grappige huizen die uitbundig versierd zijn met maskers, mozaïeken, reliëfs, schilderingen en monsterachtige creaturen.

Het centrum van de kleine wijk wordt zoals verteld gevormd door de Piazza Mincio, waar de neobarokke Fontana delle Rane, ‘de fontein van de kikkers’, het middelpunt vormt. Er staan in totaal twaalf beelden van kikkers op dit waterbekken.

De fontein bestaat uit een centraal bassin, enkele centimeters hoger dan het straatniveau, met vier paar figuren, die elk een schaal ondersteunen waarop een kikker staat waaruit water in het bassin gutst. Vanuit het midden van de fontein rijst een tweede bassin op, ongeveer twee meter hoog, waarvan de rand wordt bekroond door acht andere kikkers.

Coppedè ontwierp deze fontein in 1924, naar verluidt als knipoog naar de Fontana delle Tartarughe, de ‘fontein van de Schildpadden’ van Giacomo della Porta op de Piazza Mattei in het oude joodse getto van Rome.

Verder vinden we in Quartiere Coppedè een aantal eigenaardige en fantasierijke constructies, zoals de Villini delle Fate, de ‘feeënhuisjes’, eigenlijk een mengeling van drie huizen die als een blokkendoos op en naast elkaar zijn gestapeld.

Barokke wapenschilden, renaissancistische loggia’s, torentjes en middeleeuwse bogen geven het geheel een bijzonder uitzicht. Het is één van de vele creatieve hoogtepunten van architect Coppedè.

Aan de ingang toont een ronde mozaïek de inscriptie ‘de villa’s van de feeën Neme, Melete, Aede’, en daarbij zijn drie meisjes afgebeeld in oude Romeinse kleding.

Elk ‘feeënhuisje’ is gewijd aan één van de drie belangrijkste Italiaanse kunststeden – Firenze, Rome en Venetië – en de gevelversieringen verwijzen naar die steden. Zo zien we een fresco over Firenze in de renaissance, dat het opschrift ‘Fiorenza Bella’ draagt, als een soort eerbetoon aan de geboortestad van de architect.

Voorts zijn er ook afbeeldingen van Dante en Petrarca aangebracht en reliëfs met de gevleugelde leeuw van Venetië. Op de balustrade van een klein balkon staat de Romeinse wolvin met Romulus en Remus.

De toren draagt een astronomische klok en aan de kant van de Via Olona een zonnewijzer en een levensboom met het opschrift ‘Domus Pacis’. Eveneens opmerkelijk aan het gebouw is het gebruik van erg veel verschillende bouwmaterialen: marmer, baksteen, travertijn, glas, hout, terracotta, smeedijzer, …

coppedekaartje

Een ander opvallend gebouw is het Palazzo del Ragno, het ‘Paleis van de Spin’. Het complex dankt zijn naam aan het grote mozaïek boven de voordeur. Dit gebouw bestaat uit vier verdiepingen en een balkon met een loggia in renaissancestijl. Boven dit balkon is een schilderij van een ridder en twee griffoenen te zien.

Op de hoek tegenover het ‘Paleis van de Spin’ bevindt zich het Palazzo Cabiria, dat versierd is met arabeske motieven. Het palazzo dankt zijn naam aan de epische film Cabiria (1914) van Giovanni Pastrone.

Quartiere Coppedè vormde overigens het decor van een aantal Italiaanse films van verschillende befaamde regisseurs, waaronder Dario Argento, Francesco Barilli, Mario Bavo, Richard Donner, Carlo Vanzina en Nandi Cicero.

Luigi ‘Gino’ Coppedè was beeldhouwer, architect en decorateur. Tussen 1885 en 1890 werkte hij in het meubelatelier van zijn vader Mariano waar hij zich bekwaamde in de houtsculptuur en de beeldhouwkunst. In 1891 werd hij professor in architectuur, en doceerde aan verschillende universiteiten, onder andere in Pisa en Rome.

Gino Coppedè ontwikkelde gaandeweg een eigen eclectische architectuurstijl met veel art deco elementen en uitbundige versieringen. De art nouveau kunststroming vloeide voort uit de arts-and-craftsbeweging en bloeide op in Europa in de periode tussen 1890 en 1910.

Art nouveau was in verschillende Europese landen populair. Daardoor ontstonden verschillende benamingen om deze stroming aan te duiden. De Italiaanse benamingen zijn Stile Liberty en Stile Floreale. In Italië ontwikkelde de art nouveau zich van begin 1900 tot aan de Eerste Wereldoorlog.

De eerste grote verwezenlijking van Gino Coppedè was een opdracht voor bankier Evan Mackenzie in Genua. Door de realisatie van Castello Mackenzie kreeg de architect meer bekendheid en de bankier bezorgde hem een aantal nieuwe opdrachten. Coppedè was inmiddels met zijn gezin verhuisd naar Genua.

coppede(15)

In 1917 werd hem gevraagd om in Rome een nieuwe residentiële wijk te ontwerpen, die we vandaag kennen als Quartiere Coppedè. In 1919 werkte hij aan een aantal gebouwen in Messina (Sicilië).

In San Siro, aan het Comomeer, bouwde hij in 1921 de Villa La Gaeta, die in 2006 als decor diende voor de slotscène uit de James Bondfilm Casino Royale. In 1924 ontwierp de architect in Sevilla een nieuw kasteel voor markies de la Motilla.

Het is slechts een kleine greep uit het toch vrij aanzienlijke werk van de architect die vooral in Genua heel wat gebouwen realiseerde, maar van wie we ook ontwerpen terugvinden in Livorno, Pietrasanta, Napels en Bucine (Arezzo).

Hij werkte veel samen met zijn broer Adolfo, eveneens een architect, en was gehuwd met Beatrice Romanelli († 1920), een dochter van de Florentijnse beeldhouwer Pasquale Romanelli.

Gino Coppedè overleed in Rome op 27 september 1927 als gevolg van longcomplicaties die optraden na een heelkundige ingreep. Hij werd begraven in het familiegraf op de begraafplaats van de San Miniato al Monte in Firenze.

Minder bekend is dat Gino Coppedè kort voor zijn overlijden in Rome nog een tweede project realiseerde, namelijk het pand dat vandaag bekend staat als Palazzo Coppedè. Het bevindt zich aan de Via Vittorio Veneto nr. 7.

Als je vanaf de Piazza Barberini inwandelt is dat het eerste gebouw rechts aan het begin van de straat, op de hoek met de Via di San Basilio, vlak naast de Fontana delle Api of de Bijenfontein van Bernini.

palcoppede(3)

Het neobarokke palazzo werd in 1927 gebouwd. Op 30 maart 1931 opende Benito Mussolini hier een tentoonstelling over rationele architectuur, een stijl die toen opgang maakte in Rome. Het gebouw is beschermd en staat onder toezicht van het Ministerie van Erfgoed en Cultuur.

Vandaag bevinden zich in het gebouw een aantal appartementen en kantoren. Momenteel staat er zelfs een kantoor te koop. De vraagprijs voor deze ruimte met een oppervlakte van 280 m² bedraagt 2,7 miljoen euro.

Op dit adres bevindt zich ook het Casa Argentina, een vereniging die zich sinds 1965 bezighoudt met de promotie en de verspreiding van de Argentijnse cultuur in Italië. Ze onderhoudt tevens de culturele banden tussen Argentijnen die in Italië verblijven en hun vaderland.

Er worden hier ook cursussen gegeven, onder meer Spaans, Argentijnse cultuur, tango en theater. Het Casa Argentina beschikt tevens over een bibliotheek met meer dan vierduizend werken. Die kan op afspraak worden bezocht.

Klik hier voor praktische informatie over het Quartiere Coppedè

Zaterdag 1 augustus om 19 uur geeft de culturele vereniging L’Asino d’Oro een rondleiding doorheen Quartiere Coppedè. Vooraf inschrijven is verplicht. Alle informatie vind je op hun website.

Met dank aan clublid
JOHAN VANHECKE
voor zijn bijdrage
aan dit artikel

Hackers dringen binnen in computers van het Vaticaan

30 juli 2020

De krant The New York Times meldt dat hackers zijn binnengedrongen in computers van het Vaticaan. De krant baseert de berichtgeving op de resultaten van een onderzoek door Recorded Future, een bedrijf voor cyberveiligheid dat wereldwijd actief is.

Onder meer het Pauselijke Instituut voor Buitenlandse Missies (PIME) zou het slachtoffer geworden zijn van een computerinbraak, evenals het Studiecentrum van de Heilige Stoel voor China in Hongkong. Ook het bisdom Hongkong kreeg af te rekenen met hackers.

sanpietro

De inbraken gebeurden volgens The New York Times door hackersgoep RedDelta, die wellicht in opdracht van de Chinese overheid actief is.

Ze vonden plaats in mei tijdens een cruciale periode voor de relaties tussen China en de Heilige Stoel, tijdens onderhandelingen over de verlenging van het voorlopige samenwerkingsakkoord tussen China en het Vaticaan dat in 2018 werd gesloten.

Dat akkoord legt onder meer de procedure voor de benoeming van nieuwe Chinese bisschoppen vast. Het was ook de periode van de onrust in Hongkong, nog vóór de goedkeuring van de repressieve Chinese veiligheidswet.

China zou streven naar controle over de ondergrondse katholieke kerk en de invloed van Rome op Chinese katholieken proberen terug te dringen. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken ontkent elke betrokkenheid.

Italië verlengt noodtoestand tot 15 oktober

30 juli 2020

Het Italiaanse parlement keurde het voorstel van de regering goed om de noodtoestand in het land te verlengen tot 15 oktober. Italië riep op 31 januari voor een half jaar de noodtoestand uit nadat bij twee Chinese toeristen in Rome een besmetting met het coronavirus was vastgesteld. Die periode loopt vandaag af.

Door het verlengen van de noodtoestand kan de regering blijven beschikken over extra geld voor het nemen van speciale maatregelen, kunnen sneller beslissingen worden genomen en krijgen de regionale autoriteiten indien nodig meer bevoegdheden om in te grijpen.

virusteller_juli

Italië was het eerste Europese land dat door het virus werd getroffen. Vooral de noordelijke regio groeide uit tot het epicentrum van de virusuitbraak en kampte wekenlang met overvolle ziekenhuizen en massale sterfgevallen.

Tot nu toe telde Italië 35.129 virusdoden. Van de 246.776 personen die tot dusver besmet raakten, zijn er inmiddels 199.031 weer hersteld of ontslagen uit het ziekenhuis.

Er duiken in heel Italië nog steeds besmettingen op. De jongste dagen is het aantal zelfs weer gestegen. Volgens premier Giuseppe Conte is alles nu echter beter onder controle dan enkele maanden geleden en zijn de gezondheidsdiensten ook beter voorbereid.

De zorgen van Gabinius Vettius en Fabius Titianus

30 juli 2020

Avonturen met opschriften – XII

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de twaalfde bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XII. (Dit stuk werd geschreven tijdens de lockdown vanwege het Covid-19-virus in de lente van 2020 en werd door zijn baasje opgedragen aan zijn trouwe metgezel Adriaantje). De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. Zo wil het het spreekwoord. En wat voor kleine dingen geldt, geldt ook voor grote. Voor katten en muizen, maar ook voor keizers en senatoren. Toen in de derde en vierde eeuw de keizers steeds vaker en langer uit Rome afwezig waren, keerden in het dagelijks bestuur van de stad de oude senatoren weer terug. Natuurlijk aangesteld door de keizers, maar toch.

Keizer Augustus had er toch niet aan moeten denken dat zo maar senatoren ineens prestigieuze bouwprojecten gingen ondernemen en zich daarmee onder de aandacht van het publiek brachten. Tiberius, Caligula, Nero, Domitianus, de Severi: ziet u die al senatoriale concurrentie dulden op de bouwmarkt? Inderdaad, quod erat demonstrandum. Zo is het. Geen gespuis op het schouwtoneel van de hoofdstad, alleen de hoofdrolspeler en dat is de keizer.

augustus

Maar als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. En de kat was in toenemende mate van huis. En de oude senatoriale adel stak voorzichtig het hoofd weer op. Heel voorzichtig, want er waren al zoveel hoofden gesneuveld dat er van de eigenlijke oude senatoriale adel niet zo heel veel ouds meer overschoot.

Goed, de nieuwe oude senatoriale adel dan. Deze is in het Rome van de late oudheid steeds duidelijker aanwezig. Denk aan de domus onder het Palazzo Valentini. Denk aan de ombouw van de insula aan de Clivus Scauri, de Clivo di Scauro op de Celio, Caelius, bedoel ik. Daar werd een oudere domus met een insula verenigd tot een nieuw en grandioos complex dat u kunt bezoeken als de case romane di SS. Giovanni e Paolo.

gabiniusforo(1)

Overigens zijn alle huizen in Rome in principe Romeinse huizen, uit welke tijd ze ook stammen: case romane zegt in Rome eigenlijk niet zo heel veel bijzonders. Het zou pas echt wereldschokkend zijn geweest als het case veneziane zouden zijn geweest, maar blijkbaar gelden zelfs in Rome niet alle huizen Romeins…

Ook toen betweter Constantijn beter meende te doen door de residentie naar een tochtig windgat aan de Bosporus te verplaatsen (wat ik hem nooit vergeven heb), bleef de senaat in Rome een eerbiedwaardig lichaam. En bleven er belangrijke magistraten voor het stedelijk bestuur.

De senaat was in feite weer geworden wat hij helemaal in het begin van de geschiedenis was geweest, nl. een voorloper van de gemeenteraad. En dan is er ook een burgemeester nodig. Praefectus Urbi heet zo iemand, ‘degene die aan het hoofd van de stad is geplaatst’ oftewel – in gewoon Nederlands – de stadsprefect. En dat was toch iemand van gewicht, iemand om rekening mee te houden. Zelfs aan het keizerlijk hof.

Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. De gebouwen in de stad hadden nog steeds onderhoud nodig, ze stortten nog steeds in en brandden periodiek af. En iemand moest ze herstellen. Ook de grote belangrijke openbare monumenten. En als de keizer dat niet meer doet, dan doet – u raadt het al – de stadsprefect dat, samen met zijn senatoriale collega’s.

Wie tegenwoordig over het Forum Romanum wandelt, wandelt eigenlijk door een historisch misbaksel. Samengeraapte ruïnes, reconstructies naar der archeologen wisselend inzicht, allerlei bouwfasen liefst zoveel mogelijk zichtbaar over elkaar heen gelegd en daardoor onzichtbaar en onherkenbaar geworden, 1000 jaar geschiedenis op elkaar gestapeld.

Een gewoon mens wordt er wanhopig van, zelfs de archeologen raken er zelden uit wijs. Elke steen op deze site is met bloed bevlekt: als het niet uit de oudheid stamt, dan komt het van de archeologen die elkaar soms nog harder bestrijden dan de soldatenkeizers en de pretoriaanse garde. (De archeologen worden hierin enkel overtroffen door de classici…) Wat we nu zien, is een onhistorische reconstructie, alle goede bedoelingen ten spijt.

We spreken over de Basilica Iulia die C. Iulius Caesar liet bouwen. Dat klopt, behalve dat het nauwelijks waar is. Niet alleen stierf Caesar al voor het gebouw af was, zodat de voltooiing op naam van Augustus staat, maar het ding brandde dan nog eens af en nog eens en werd weer herbouwd enzovoort.

Wat we nu zien heeft niet meer zoveel met C. Iulius Caesar te maken, ook al is het enige dat de meeste gidsen vertellen net dat Caesar de bouwheer was. Wie echt goed gaat kijken, ziet opgemetselde zuilbases op een groot plaveisel dat enkele treden boven het plein verheven is. In de lange Forumzijde heeft men één boog gedeeltelijk gereconstrueerd. En net vóór die reconstructie, jawel, daar staat een steen. Met opschrift.

En hier duiken de muizen dus op. Want de tekst op deze steen luidt (CIL, VI, nr. 3864a = 31883):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS V.C.
PRAEF VRB
STATVAM FATALI
NECESSITATE CON
LABSAM CELEBERRI
MO VRBIS LOCO ADIB
ITA DILIGENTIA REPARAVIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) / praef(ectus) urb(i) / statuam fatali / necessitate con-/-labsam celeberri-/-mo urbis loco adib-/-ita diligentia reparavit.

‘De hoogedele heer Gabinius Vettius Probianus, prefect van de stad, heeft (dit) standbeeld dat door een fatale noodzaak gevallen was, op een druk bezochte plaats van de stad met de nodige ijver hersteld.’

gabinius(2)

Als u nu even naar links kijkt, ziet u een tweede steen. Met opschrift (CIL, VI, nr. 3864b = 31884):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS VC PRAE
VRBI
STATVAM FATALI NECES
SITATE CONLABSAM
CELEBERRIMO VRBIS
LOCO ADIBITA DILIGEN
TIA REPARAVIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) prae(fectus) / urbi / statuam fatali neces-/-sitate conlabsam / celeberrimo urbis / loco adibita diligen-/-tia reparavit.

Ik laat de vertaling achterwege, ik herhaal mezelf toch al veel te veel. De tekst komt u wellicht bekend voor. Nu bestaan alle goede dingen in drieën, zegt het spreekwoord, dus we gaan naar de korte zijde van de Basilica Iulia, tegenover de zijkant van de tempel van Saturnus.

Daar staat nog een stuk van de baksteenbouw van de oude basilica recht, omdat die in de middeleeuwen in andere gebouwen getrokken was. En daar staat weer een steen, met opschrift, zij het dat u behoorlijk wat volharding aan den dag moet leggen om in de bovenste regels dezelfde naam te herkennen (CIL, VI, nr. 31886):

GABINIVS VETTIVS
PROBIANVS V C PRAEF VRB
STATVAM QVAE BASILICAE
IVLIAE A SE NOVITER
REPARATAE ORNAMENTO
ESSET ADIECIT

Gabinius Vettius / Probianus V(ir) C(larissimus) praef(ectus) urb(i) / statuam quae basilicae / Iuliae a se noviter / reparatae ornamento / esset adiecit.

‘De hoogedele heer Gabinius Vettius Probianus, prefect van de stad, heeft dit beeld toegevoegd zodat het een sieraad is van de Basilica Iulia die hij onlangs heeft hersteld.’

gabinius(5)

Men hoeft geen rector van de Latijnse school van Oirschot te zijn om te zien dat deze drie teksten betrekking hebben op dezelfde persoon en op dezelfde onderneming. De opschriften zijn – in vergelijking met de vroegere inscripties uit de eerste en de tweede eeuw – niet mooi en dat is nog bescheiden uitgedrukt.

Eerlijk gezegd heeft men het moreel gezag van een rector van de Latijnse school van Oirschot nodig om deze inscripties eenvoudigweg te bestempelen als kladwerk, voddenwerk, rommel, absoluut onvoldoende. De tekst is niet meer gecentreerd, de letters zijn onregelmatig, de vlakverdeling is hopeloos, kortom horribile dictu, maar het lijkt nergens op.

Men zou zijn Latijn erbij verliezen. Dat was ook inderdaad bezig: de spelling conlabsam zal menig oprecht classicus de wenkbrauwen doen fronsen, want WIJ weten dat het met een p moet.

Dat is sowieso een euvel van veel opschriften uit de Keizertijd: die dingen wemelen gewoon van de fouten, die lieden kenden gewoon geen Latijn. Dat wisselt maar af tussen e en i, tussen o en u, dat kent geen naamvallen meer, dat spelt maar raak, dat schrijft v voor b en omgekeerd, gruwelijk dus.

Gelukkig weten wij classici en oud-historici wel beter en wij slaan dan snel aan het corrigeren. Dan krijg je in een wetenschappelijke editie monstruositeiten als conlap{b}sam wat wil zeggen dat er conlabsam staat, maar dat wij moeten conlapsam lezen. Alsof we dat niet konden raden…

Goed, dit bewijst in feite alleen dat de uitgever de grammatica van Geerebaert heeft gestudeerd (of een nobel equivalent, er zijn er talrijke) en dat hij een degelijk woordenboek tot zijn beschikking heeft. Want eigenlijk weet iedereen (tenminste die Latijn kent…) dat conlabsam ‘normaal’ gespeld wordt als conlapsam.

Is voornoemde rector van de Latijnse school van Oirschot nu aan het raaskallen? Nee, dat doe hij nooit. Het punt is dat we de tekst van een opschrift moeten weergeven zoals het er staat. Net in die vorm verschaft het ook informatie, zoals in dit geval dat bepaalde klassieke normen inzake lay-out en (vermoedelijke) spelling aan het afzwakken zijn en hun waarde verliezen.

En bij uitbreiding zijn de van het klassieke Latijn van Cicero en Caesar afwijkende grammaticale vormen in opschriften uit de Keizertijd uitingen van de levende taal die zich ontwikkelde naar de Romaanse talen. En die kennen geen naamvallen meer en die doen maar wat raak met e en i en o en u en v en b, althans in hun historische ontwikkeling. Bovendien hebben die teksten juist in hun onbeholpenheid (althans in onze ogen…) ook iets ontroerends.

Terug naar Vettius. Wie was die goede man en wat weten we over hem? We hebben geluk, want een zoektocht in een database als die van de Epigraphische Datenbank Clauss levert maar liefst tien (10) opschriften op en er is ook nog een vermelding in de Codex Theodosianus, de grote verzameling Romeins recht die aan die van Justinianus voorafgaat. Gabinius Vettius Probianus was praefectus Urbi in 377.

Dat is laat. De vermelding in de Codex Theodosianus is in feite een keizerlijk rescript áán Vettius Probianus, zodat het minder onthult over zijn eigen activiteit. Maar gelukkig zijn er nog die tien opschriften. Die zullen toch wel meer over de goede man onthullen. Of niet soms?

Helaas… Alle tien opschriften zijn van hetzelfde type als de drie die we nu al hebben gezien en al is herhaling de moeder van de studie en het onderwijs en de wetenschap, ik zal u de andere zeven besparen. U leest dit uiteindelijk voor uw plezier.

gabinius(3)

Kortom, we weten dat Gabinius Vettius Probianus in 377 stadsprefect was en dat hij een restauratie in de Basilica Iulia heeft ondernomen. Bij deze restauratie heeft hij in ieder geval (of: vooral?) een aantal beelden zijn onverdeelde aandacht gegeven.

Wat er verder precies aan de hand was (aardbeving?, vandalisme?, hoe kan een beeld eigenlijk zo maar omvallen?), ontgaat ons, maar één ding staat wel vast: Vettius Probianus vond het van belang dat de Basilica Iulia er als vanouds uitzag en beelden speelden in deze periode nog altijd een belangrijke rol in Rome.

Rome was uiteindelijk niet alleen de stad van fonteinen en kerken die ze nu is, of van opschriften, maar in de oudheid was het zeker ook een stad van een immense hoeveelheid beelden. En voor Vettius Probianus vormden deze nog een wezenlijk onderdeel van het stadsbeeld en dus ook van zijn restauratie.

Vettius Probianus is niet het enige vooraanstaande lid van deze laat-antieke patricische familie. Aan de andere kant van de tempel van Saturnus en van de Clivus Capitolinus bevindt zich de porticus Deum Consentium, toegewijd aan de Di consentes, de reeks van twaalf belangrijkste goden.

Wat er nu staat is een restauratie uit 1834 van wat in alle reisgidsen omschreven wordt als ‘de laatste uiting van het heidendom op het Forum Romanum’. Rond 367 werd deze porticus vernieuwd door een .]ettius Praetextatus. Het fragmentair bewaarde (en nogal aangevuld) opschrift luidt (CIL, VI, nr. 102):

[…]ONSENTIVM SACROSANCTA SIMVLACRA CVM OMNI LO[…]NE CVLTV IN […]ETTIVS PRAETEXTATVS V.C. PRA[…]RBI […] CVRANTE LONGEIO […]ONSVL[…]

[Deorum C]onsentium sacrosancta simulacra cum omni lo[ci totius adornatio]ne cultu in [formam antiquam restituto V]ettius Praetextatus V(ir) C(larissimus) pra[efectus u]rbi [reposuit] curante Longeio [… viro clarissimo c]onsul[ari]

‘De hoogedele heer Vettius Praetextatus, prefect van de stad, heeft de heilige beelden van de Di consentes met de volledige decoratie van de gehele locatie na het herstel van de cultus in zijn oude vorm hersteld onder zorg van [de hoogedele] Longeius … van consulaire rang.’

Na het voorgaande is het voor de hand liggend dat deze Praetextatus ook een Vettius is geweest. En inderdaad, Vettius Agorius Praetextatus (ca. 320-384) was praefectus urbi in 367-368.

En daarmee zijn de vooraanstaande Vettii nog niet uitgeput. In een aantal handschriften van Horatius vinden we nl. een soort redactionele colofon aan het eind van de Epoden (een jeugdwerk van de dichter). Deze colofon luidt:

Legi et ut potui emendaui conferente mihi magistro Felice oratore urbis Romae

‘Ik heb dit gelezen en in de mate van mijn mogelijkheden gecorrigeerd met hulp van meester Felix, redenaar van de stad Rome.’

Dit is dan ondertekend door Vettius Agorius Basilius Mavortius die consul was in 527. Het gaat om een minderheid van de ruim 800 (!) handschriften van de dichter van de Oden en Satiren, maar daar zitten wel belangrijke tekstgetuigen bij. Ook in het Brusselse handschrift 9776-78 (elfde eeuw) is het te vinden (f. 68v).

Bis repetita placent ‘Wat tweemaal herhaald wordt biedt meer plezier’. Vettius Probianus was niet de enige die in de vierde eeuw aan het restaureren sloeg. Net 25 jaar eerder was een collega actief, Fabius Titianus, bij herhaling consul en praefectus Urbi. De laatste functie vervulde hij van 339 tot 341 en van 350 tot 351.

gabiniusforo(4)

Om Titianus’ sporen te vinden steken we het Forum over en gaan we naar de Basilica ‘Aemilia’, waar we na de fraaie Augusteïsche opschriften voor C. Iulius en de fragmentarische steen die met IMP begint iets verder van het pad een steen zien met een lijst en een zeer ruw oppervlak.

Het is duidelijk een steen die opnieuw is gebruikt en waar de oorspronkelijke tekst is weggebeiteld. Pas met enig speuren en turen is te zien dat er een nieuwe tekst werd aangebracht, in tamelijk ruwe letters, alsof de steenkapper of persoon die het opschrift liet maken, nauwelijks kon lezen en schrijven (CIL, VI, nr. 1653a = 37107):

FABIVS TITIANVS
VC CONSVL
PRAEF VRBI
CVRAVIT

Fabius Titianus / V(ir) C(larissimus) consul / praef(ectus) urbi / curavit

‘De hoogedele heer Fabius Titianus, consul, prefect van de stad, heeft (hiervoor) gezorgd.’

Ook hier geldt weer dat er een hele reeks opschriften met dit keer precies dezelfde tekst bestaat, die allemaal betrekking hebben op bouwkundige ingrepen vermoedelijk op het Forum Romanum (anders is moeilijk te verklaren dat de stenen hier zijn gevonden), mogelijk in verband met de Basilica ‘Aemilia’.

Het probleem is uiteraard, zoals u wellicht al gemerkt hebt, dat Fabius Titianus wel zegt dát hij iets gezorgd heeft, maar niet wát. Volgens de regel dat het object of lijdend voorwerp van een opschrift vaak het monument is waarop de tekst is aangebracht (zie hiervoor ook de vorige bijdragen in deze reeks…), zou het moeten gaan om iets uit de vondstcontext, maar dat helpt ons niet heel veel verder.

Ten eerste is er met de stenen op het Forum in latere eeuwen nogal eens gezeuld, zodat geregeld opschriften van hun eigenlijke context zijn losgeraakt. (Zo heeft men ook bij de Basilica ‘Aemilia’ een steen met opschrift van onze goede vriend Gabinius Vettius Probianus gevonden…).

Maar, gesteld dat dit opschrift inderdaad uit de Basilica ‘Aemilia’ komt, wat betekent het dan? Gaat het om het geheel van de basilica? Of enkel om een paar beelden, aangezien de tekst op een steen is gekapt die als sokkel van een beeld kan/zal hebben gediend? Of om een volledig decoratieprogramma of de restauratie daarvan?

Alle drie zijn mogelijk. Het belangrijkste bij dit soort teksten op het moment van schrijven en opstellen is om de tijdgenoten de naam van de verantwoordelijke magistraat goed voor ogen te plaatsen. Niet om classici en archeologen van eeuwen later te plezieren. Dat is iets wat wij (classici en archeologen, bedoel ik) nog wel eens willen vergeten…

gabinius(1)

In dit geval ging het Fabius Titianus er vooral om dat zijn naam gekoppeld werd aan een bepaalde realisatie en de bezoeker van de Basilica ‘Aemilia’ was voldoende intelligent om uit de context op te maken wat er precies bedoeld werd. Alleen wij blijven op onze honger zitten, maar dat is nauwelijks aan Fabius Titianus te verwijten…

Werd Gabinius Vettius Probianus in de Codex Theodosianus vermeld, ook Fabius Titianus kennen we uit een andere bron, nl. de zgn. Chronograaf van 354. Dit is een laat-antieke kalender annex lijsten van consuls e.d., die oorspronkelijk (u raadt het nooit) in het jaar 354 werd opgesteld en die tot ons is gekomen in verschillende kopieën uit de Karolingische periode en de Renaissance.

Bovendien was het oorspronkelijke handschrift verlucht en diverse handschriften bevatten kopieën van deze decoratie. Eén van de exemplaren waarvan de getrouwheid bijzonder wordt geprezen, is ms. 7524-55 van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Dit is een miscellanea-handschrift uit de zestiende eeuw, afkomstig uit het fonds van de Bollandisten (een groep Antwerpse jezuïeten die zich in de zeventiende eeuw tot doel stelde alle heiligenlevens samen te brengen en uit te geven en die dat op een verrassend moderne wetenschappelijke wijze deden; het project is nog steeds niet voltooid en daarmee het langst lopende wetenschappelijke project ter wereld…), waarin de Chronograaf te vinden is op f. 190-213.

De eigenlijke chronograaf werd uit het oorspronkelijke handschrift gelicht en wordt apart bewaard als ms. 7543-49. Fabius Titianus wordt hier vermeld als consul in 337 (f. 191r, 192r en 194v) en als praefectus urbi voor de jaren 339, 340 (als suffectus nadat de eigenlijk benoemde stadsprefect naar de keizer was vertrokken)), 350 en 351 op f. 194v.

Het oorspronkelijke handschrift zou gekalligrafeerd zijn door Furius Dionysius Philocalos die we ook kennen als degene die verantwoordelijk was voor de letter van de opschriften die paus Damasus (pontificaat 366-384) op de graven van een aantal martelaren liet aanbrengen. U vindt (delen van) deze opschriften bijv. in de S. Agnese fuori le Mura of S. Sebastiano fuori le Mura of in de catacomben van San Callisto.

Daarmee eindigt deze bijdrage wel heel serieus, wetenschappelijk nauwkeurig, ja filologisch. Ach ja, als de kat van huis is, dansen de muizen en dat geldt ook voor een rector van de Latijnse school van Oirschot…