Archive for the ‘Romenieuws’ Category

Area Sacra di Largo Argentina wordt toegankelijk voor publiek

18 maart 2019

De vier tempelruïnes uit de Republikeinse tijd die lager dan het straatniveau te zien zijn op een opengelegd gedeelte van de Largo di Torre Argentina in hartje Rome (de zogenaamde Area Sacra) worden geherwaardeerd. De jongste jaren werden op deze plek behoorlijk intensieve archeologische studies uitgevoerd. Het is de bedoeling dat deze belangrijke archeologische site eindelijk kan bezocht worden en dat je er niet langer vanop afstand hoeft naar te kijken.

Het juwelenhuis Bulgari stelt 500.000 euro ter beschikking om het geheel toegankelijk voor het publiek te maken. Dat is bijzonder goed nieuws voor zowel de stad Rome als de Italiaanse Staat, die beiden een enorme schuldenberg torsen. Voor deze “daad van liefde voor de stad” heeft burgemeester Virginia Raggi dan ook meteen een dankwoord naar de gulle sponsor gestuurd.

argentina

De kostprijs om de site te ontsluiten voor het publiek is nog niet precies berekend, maar met een half miljoen euro wordt heel zeker een belangrijke stap in de goede richting gezet. Bovendien zorgt de komst van privégeld altijd voor de garantie dat de werkzaamheden snel en op tijd worden uitgevoerd. Zowel de Italiaanse overheid als de stad Rome durven op dat vlak nogal eens in gebreke blijven.

Het nieuwe project omvat vooral de bouw en plaatsing van loopbruggen in de Area Sacra zodat het publiek de site veilig kan bezoeken. Er komt ook een klein museum waarin de artefacten die op deze site werden ontdekt zullen getoond worden en waar ook een 3D-filmpje zal te zien zijn waarin wordt gereconstrueerd hoe de tempels en de omgeving er vroeger uitzagen.

De werkzaamheden zullen de katten die op de rand van de archeologische site leven (de Colonia Felina di Torre Argentina) in principe niet teveel hinderen, al is het aantal dieren in deze kattenopvangplaats de jongste jaren wel fors afgenomen. De jongste jaren werden in Rome tot in het parlement vragen gesteld over het feit hoe het kan dat er op deze belangrijke archeologische site vele jaren ongestoord illegale bouwwerken konden gebeuren en wie daarvoor politiek verantwoordelijk is.

Er werd dan direct verwezen naar de opvangplek voor katten die zich in 1995 aan de rand van de site (zijde Via Florida) had gevestigd en daar tot vandaag nog altijd aanwezig is. Bovenop de historische travertijnen vloer werden halfweg de jaren negentig van de vorige eeuw muurtjes gemetst, tegels geplaatst en bodems verstevigd met moderne bouwmaterialen zoals witte keramiektegels. Hier worden zieke en jonge katten opgevangen en gevoederd. De illegale bouwsels werden jarenlang oogluikend toegestaan door het stadsbestuur. Na verschillende protesten reageerde de Dienst Erfgoed dat ze de katten zeker niet wilden viseren, maar dat de illegale bouwsels die in de loop der jaren aan de site werden toegevoegd, absoluut niet thuishoren op een archeologische site.

Het resultaat van de langdurige discussie was een typîsch Romeins compromis. Het aantal katten werd drastisch verminderd van ongeveer 250 tot een vijftigtal (al is niet helemaal duidelijk hoe die telling wordt bijgehouden) en de meest opvallende constructies in het kattenasiel werden verwijderd. De rest van de illegale bouwsels bleef gewoon staan. Nu de archeologische site weer in de actualiteit komt, is het mogelijk dat de kattenpopulatie en hun vrijwillige verzorgers opnieuw zullen geviseerd worden.

Het archeologische gebied in het hartje van Rome ontstond in 1929, toen Benito Mussolini grote infrastructurele werken liet uitvoeren. De middeleeuwse gebouwen op het plein werden afgebroken om plaats te maken voor het (ook toen al) steeds toenemende verkeer. Naast heel wat fraaie vondsten, bracht het archeologisch onderzoek toen ook een heilig plein uit de tijd van de Romeinse Republiek tevoorschijn, waarna de ruïnes van vier tempels en een klein gedeelte van het aansluitende theater van Pompeius werden blootgelegd.

Pompeius Magnus liet tussen 61 en 55 v. Chr in de porticus van zijn theater een vergaderruimte voor de Senaat bouwen. De resten daarvan zijn opgegraven en bevinden zich achter de ronde tempel waarvan zes van de oorspronkelijk achttien zuilen tot vandaag nog overeind staan. Het complete theater situeerde tussen de achterbouw van de huidige kerk Sant’ Andrea della Valle en de Largo di Torre Argentina.

Het is in dit tijdelijke senaatsgebouw in het Theater van Pompeius dat Julius Caesar op 15 maart in 44 v. Chr. werd vermoord. De ruimte werd in die periode gebruikt om te vergaderen omdat het senaatsgebouw op het Forum Romanum in 52 v. Chr. door een brand was vernield. Aan de Curia Julia, waarvoor de bouwopdracht na een brand door Julius Caesar werd gegeven, zou nog tot 29 v. Chr. worden gewerkt. De exacte plaats van de moord op Caesar bevindt zich naar verluidt onder de straat, al bestaat daarover heel wat discussie.

Zeven jaar geleden meldden Spaanse archeologen dat ze op deze archeologische site aan de Largo di Torre Argentina de precieze plek hebben gevonden waar Julius Caesar in 44 v. Chr. werd vermoord. De onderzoekers ontdekten in de vroegere vergaderruimte een betonnen plaat van drie meter breed en twee meter hoog, die helemaal niet bij de structuur van het oorspronkelijke gebouw paste. Het gebouw dateert uit 55 v. Chr., maar de plaat zou er pas geplaatst zijn in 20 v. Chr.

Volgens de onderzoekers plaatste Caesars adoptiefzoon en opvolger Augustus die om de plek van de moord te verzegelen. De vondst van de plaat bewijst volgens de Spaanse onderzoekers wat over de moord bekend is, namelijk dat Caesar de vergadering voorzat waarin hij werd vermoord. De plaat werd namelijk helemaal voorin de zaal gevonden, op de plek waar de voorzitter zou (kunnen) hebben gezeten. Uit oude teksten was ook al duidelijk geworden dat Augustus bij de moordplek een gedenkteken had laten plaatsen. Kunnen we dit geloven? Zekerheid geeft deze denkpiste alleszins niet. Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen is dat Julius Caesar inderdaad heel dichtbij deze plek om het leven is gebracht. Alleen al daarom is deze Area Sacra een historisch erg belangrijke site.

De Vulgari Eloquentia – De klank der verandering

17 maart 2019

Het koor De Bekooring brengt op uitnodiging van Dante Leuven op 30 maart van 16 tot 17 uur Italiaanse liederen uit de middeleeuwen en de vroege renaissance, afgewisseld met poëziefragementen uit de twaalfde tot de zestiende eeuw. Plaats van afspraak is de Heilige Drievuldigheidskapel, Baron August de Becker Remyplein 51 in 3010 Kessel-Lo (Leuven). De voorstelling is een eerbetoon aan Dante Alighieri, de vader van het Italiaans en aan zijn liefde voor de taal.

De Vulgari Eoquentia – Il suono del cambiamento is een unieke gelegenheid om de grote Italiaanse dichters en componisten te herontdekken. Hun tijdloze liederen ontroeren ook vandaag nog de onbevangen luisteraar. In de zaal is een boekje beschikbaar met de teksten van de gedichten en de liederen. Tickets kosten 8 euro (leden Dante Alighieri) en 15 euro voor niet-leden. Reservaties kunnen gebeuren via info@danteleuven.be. Voor zover nog plaatsen beschikbaar kunnen ook de avond zelf nog tickets worden gekocht aan dezelfde prijs.

Brutus, de nobele samenzweerder

16 maart 2019

Op 15 maart in 44 v. Chr. werd Julius Caesar vermoord. Traditioneel werd gisteren op het Forum Romanum door een aantal Romeinen een bloemenhulde gehouden. Ook de voet van het standbeeld van Caesar, aan de Via dei Fori Imperiali, werd weer bedolven onder bloemen, wensen en lauwerkransen. Het is opmerkelijk dat iemand na meer dan twintig eeuwen nog altijd op een dergelijke manier wordt herdacht. Maar het gaat dan ook om het slachtoffer van wat vermoedelijk de beroemdste moord uit de geschiedenis is. Na talrijke boeken over Julius Caesar, is er zopas ook een biografie verschenen over Brutus, die als dader onvermijdelijk ook de bekendste moordenaar uit de geschiedenis werd.

Kathryn Tempest schetst in de biografie Brutus – de nobele samenzweerder een portret van Brutus, een bijzondere Romeinse senator. Hij was filosoof, staatsman, vredestichter en legeraanvoerder. Maar Marcus Junius Brutus is bij de meeste mensen vooral of zelfs alleen maar bekend als de moordenaar van Caesar. Brutus was controversieel en ondoorgrondelijk, ook voor zijn tijdgenoten.

Zijn rol in de moord op Julius Caesar, de minnaar van zijn moeder, was opmerkelijk. Tempest stelt in deze biografie een interessante vraag: was het fout van Brutus om zijn vriend en beschermheer te vermoorden of had hij gelijk zijn vaderlandsliefde en idealen boven zijn persoonlijke voorkeuren te stellen? Kathryn Tempest dook in het bronnenmateriaal en brengt met deze briljante biografie de imposante man tot leven.

Auteur en historica Kathryn Tempest studeerde en promoveerde aan de Universiteit van Londen in de klassieke talen. Ze is docent Romeinse geschiedenis en Latijnse literatuur aan de Universiteit van Roehampton. Tempest is gespecialiseerd in retorica, de Romeinse Republiek en Cicero. Ze schreef inmiddels drie boeken. Brutus verscheen bij Yale University Press en is inmiddels verkocht aan zes landen. Het boek is nu ook in het Nederlands verkrijgbaar.

Kathryn Tempest en illustrator Brett Underhill geven je een korte maar duidelijke uitleg over de samenzwering tegen Julius Caesar door Brutus en andere senatoren in hun animatiefilmje dat je kan bekijken door hier te klikken.

Brutus – De nobele samenzweerder
Auteur: Kathryn Tempest
352 blz.
Afmetingen: 23,1 x 15,2 x 3,5 cm
Eerste druk: 12 maart 2019
Uitgeverij Omniboek
EAN: 9789401915069
Prijs: 30 euro

Reconstructie van de moord op Julius Caesar

15 maart 2019

Het Romeinse re-enactmentgezelschap Gruppo Storico Romano brengt vandaag 15 maart een historische reconstructie van de dramatische gebeurtenissen in Rome op de Ides van maart in 44 v. Chr. hebben voorgedaan, met als gevolg de moord op Julius Caesar.

De opvoering heeft plaats om 14 uur in de archeologische site op het Largo di Torre Argentina, ongeveer op de plek waar de moord op Caesar destijds gebeurde. Na de opvoering volgt een begrafenisstoet naar de Tempel van Divus Iulius op het Forum Romanum.

Belgische kardinaal Godfried Danneels (85) overleden

14 maart 2019

De Belgische kardinaal Godfried Danneels is vanochtend op 85-jarige leeftijd in Mechelen overleden. Danneels was van 1980 tot 2010 de aartsbisschop van Mechelen-Brussel. De West-Vlaming werd een paar keer getipt als mogelijke paus. Op 4 juni 2008, de dag waarop hij 75 werd, diende kardinaal Danneels zoals het kerkelijke recht het voorschrijft, bij paus Benedictus XVI zijn ontslag in als aartsbisschop van Mechelen-Brussel. Het werd aanvaard in 2010, waarna hij opgevolgd werd door André Léonard. Na zijn emeritaat in 2010 trok Danneels zich terug uit het publieke leven. Wegens gezondheidsproblemen verscheen hij nog maar zelden in het openbaar.

Godfried Danneels werd geboren in het West-Vlaamse Kanegem (een deelgemeente van Tielt). Hij maakte een blitzcarrière als priester na een opleiding Wijsbegeerte en Theologie aan de KU Leuven. Daarna werd hij vrij snel bisschop van Antwerpen en in 1979 aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Paus Johannes Paulus II creëerde Danneels in 1983 tot kardinaal, het hoogste katholieke ambt na de paus. Zijn uitvaart vindt plaats op vrijdag 22 maart in de Sint-Romboutskathedraal van Mechelen. De dienst zal worden geleid door kardinaal Jozef De Kesel, samen met onder meer de pauselijke nuntiï, de Belgische bisschoppen en de priesters en diakens van het aartsbisdom.

Giorgio de Chirico en Isabella Far waren de latere buren van John Keats

13 maart 2019

Welgeteld 126 jaar na de dood van John Keats zou aan Piazza di Spagna 31 (rechts van het huidige Keats-Shelley Memorial House) een andere illustere bewoner opduiken. Hier bevindt zich vandaag het Casa di Giorgio e Isa de Chirico. De kunstenaar Giorgio de Chirico (1888-1978) woonde in dit huis vanaf 1947 tot aan zijn dood. De Chirico heeft een grote invloed uitgeoefend op het werk van de Belgische surrealistische kunstenaar René Magritte en was een inspiratiebron voor Paul Delvaux en heel wat anderen. Het museum (een bezoek moet je vooraf reserveren) omvat de bovenste drie verdiepingen van dit kleine zeventiende-eeuwse palazzo, gebouwd voor de Frans-Italiaanse schilderende broers Jacques (1621-1676) en Guillaume (1628-1678) Courtois.

Werken van beide schilders zien we regelmatig terug in Rome. Jacques (Giacomo) was gespecialiseerd in strijdtonelen in de stijl van zijn tijdgenoot Salvator Rosa (1615-1673), hij werd il Borgognone genoemd naar het graafschap Bourgondië met hoofdstad Besançon en dat toen tot het Duitse rijk behoorde. Guillaume, die men kende als Guglielmo Cortese (maar die eveneens vaak signeerde als Borgognone) en daardoor vaak werd en wordt verward met zijn broer, was een volgeling van da Cortona en maakte

Hun broer, de kapucijn Antonio en hun zuster Anna, schilderden ook. Het familiewapen van de Courtois bevindt zich nog steeds boven de ingangsdeur van het Casa di Giorgio e Isa de Chirico. Daarop staat de mooie woordenspeling ‘ben che di spada armato, sono cortese ’ of ‘alhoewel, met een zwaard ben ik toch hoffelijk’ waarbij je ‘cortese’ als ‘courtois’ moet lezen. Na de broers Courtois woonden in dit huis nog verschillende andere kunstenaars tot Giorgio de Chirico (1888-1978) er zich vestigde. Een beeld van zijn hand (hij was schilder en beeldhouwer) staat in de ingangshal.

Leuk om zien is op de vierde verdieping de piepkleine slaapkamer van de kunstenaar met slechts één boekenplank en de daarmee in contrast staande luxueuze slaapkamer van zijn Russische vrouw en muze Isabella Far, die een prachtig uitzicht heeft op de Chiesa della Trinità dei Monti. Haar volledige naam was Isabella Pakszwer Far. De kunstenaar had haar leren kennen in 1930 en zou zijn tweede vrouw nooit meer verlaten.

De in 1888 uit Italiaanse ouders in Griekenland geboren Giorgio de Chirico introduceerde in 1915 de ‘pittura metafisico’ waarbij hij de mens in de eeuw van de mechanisatie zag als een product uit een meccanodoos van plaatijzer, met moeren en bouten in elkaar gezet. Ook schilderde hij stadsgezichten, spookachtig en verlaten, in een beklemmende sfeer. In de salon die uitgeeft op de Piazza di Spagna, hangen de zelfportretten van de kunstenaar, waarop hij verschillende kostuums draagt, maar altijd met dezelfde gelaatsuitdrukking. In de hoek staat zijn leunstoel van waaruit hij naar televisie keek, maar met het geluid onderbroken. Let in de eetkamer op de kroonluchter uit Murano.

In een later door de schilder bijgebouwde kamer zie je behalve de neo-metafysische werken ook het bekende ‘Hector en Andromache’, maar het belangrijkste stuk is ‘Orphea’, waarvan het lichaam zich progressief vermenselijkt. Op de voeten van een standbeeld staan de benen van een mannequin en een menselijke torso. Zoals zo vaak is de rechterhand, die symbool staat voor de schepping, deze van de meester zelf. Op de bovenverdieping bevindt zich de voormelde eenvoudige slaapkamer van de Chirico, bijna een kloostercel, evenals het atelier met de laatste schilderijen waaraan hij werkte in de periode van zijn dood. Op de eerste schildersezel zie je vaag de contouren van de badende Isabella Far.

Giorgio de Chirico studeerde aan de academie in München, waar hij sterk beïnvloed werd door het fantastisch-romantische werk van Arnold Böcklin en door de filosofie van de Duitser Friedrich Nietzsche. In 1910 ontstonden in Firenze ‘Het raadsel van het orakel’ en ‘Het raadsel van een herfstavond’, gefantaseerde stadsgezichten, opvallend door een beklemmende verlatenheid. Ze openbaarden een zeer persoonlijke visie op de werkelijkheid, door de Chirico zelf later ‘pittura metafisica’ genoemd.

In die periode ontwikkelde hij een opvallende interesse voor pleinen en symmetrische gebouwen uit de renaissance vanwege hun klassieke vormen. Symmetrische stadsgezichten zouden later een behoorlijk groot thema worden in zijn werk. Tussen 1911 en 1915 woonde de Chirico in Parijs en schilderde raadselachtige straten, pleinen, standbeelden, mythologische thema’s en ledenpoppen met ongeprofileerde gezichten; deze werken oefenden onmiskenbaar invloed uit op de surrealisten.

In 1917 richtte hij met Carlo Carrà de ‘scuola metafisica’ op, maar reeds in 1919 begon hij meer romantische motieven te schilderen en hoewel hij nog deelnam aan de eerste surrealistische tentoonstelling in Parijs in 1924, had hij zich in feite al van de metafysische schilderkunst afgewend. Hij zette zich af tegen de heersende avant-garde door op academische wijze te gaan schilderen. Tevens verzette hij zich fel tegen iedere waardering van zijn vroegere werk. Zijn latere werk werd echter lange tijd ongeïnspireerd gevonden. Pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw werden pogingen tot herwaardering gedaan.

Behalve op schilders zoals Magritte heeft de vroege De Chirico veel invloed uitgeoefend op talrijke andere beeldende kunstenaars, noemen we slechts Paul Delvaux, Salvador Dali, Carel Willink, Yves Tanguy en Max Ernst. Giorgio de Chirico stierf op 20 november 1978 in Rome. Aanvankelijk werd hij begraven op het kerkhof Campo Verano in Rome, maar sinds 1992 bevindt zijn graftombe zich in de naar hem genoemde kapel in de San Francesco a Ripa in Trastevere.

Minder bekend is dat Giorgio de Chirico ook schreef. Hij publiceerde de roman Hebdomeros (Parijs 1929, herdrukt in 1964), een mengeling van autobiografische elementen, visioenen en dromen en waarvan in 1973 ook een Nederlandse vertaling verscheen bij Meulenhoff, Amsterdam. Dit werk ademt dezelfde sfeer als de schilderijen uit zijn metafysische periode. Je treft het boek soms nog aan in een tweedehandse boekenwinkel. Ook schreef hij Autobiografia 1918-1925 (gepubliceerd in 1944) en Memorie della mia vita (uitgegeven in 1945, dat in 1965 in het Frans werd vertaald).

In het Museum voor Schone Kunsten van Bergen (BAM) in België kan je nog tot 2 juni 2019 een tentoonstelling bezoeken die de drie Belgische surrealisten René Magritte, Paul Delvaux en Jane Graverol samenbrengt met Giorgio de Chirico van wie ook een aantal schilderijen te bekijken zijn.

Casa-Museo Giorgio de Chirico
Piazza di Spagna 31, Rome
Praktische informatie museumbezoek

De laatste rustplaats van Keats en Severn

12 maart 2019

Het Cimitero Acattolico per gli Stranieri, ook wel bekend als het Cimitero degli Inglesi (Kerkhof van de Engelsen), of kortweg het Cimitero dei protestanti, is een kerkhof in de wijk Testaccio, vlak achter de Piramide van Cestius en dichtbij de Porta San Paolo en Piazzale Ostiense. Onder oude cipressen liggen hier vele Noord-Europeanen die nooit meer de weg over de Alpen hebben teruggevonden. De begraafplaats is vooral bekend als de laatste rustplaats van John Keats en Joseph Severn, maar bevat zeer veel fraaie tombes en monumenten. Deze al bij al stemmige dodenakker heeft op vele mensen een bijzondere aantrekkingskracht.

Het kerkhof is minder oud dan velen vermoeden, hoewel hier al sinds 1738 met pauselijke toestemming nu en dan niet-katholieke burgers van enig aanzien werden begraven. Het eigenlijke kerkhof is pas ontstaan in het begin van de negentiende eeuw toen paus Pius VII (1800-1823) een stuk grond ter beschikking stelde aan Wilhelm von Humboldt om daar zijn twee zonen, die in 1803 en 1807 waren gestorven, te kunnen begraven. Von Humboldt was de Pruisische gezant bij de Heilige Stoel.

De vastgoedwaarde van de grond was voor het Vaticaan op dat moment vrijwel nihil, de grond in kwestie was nutteloos. Het was een weide voor geiten en schapen. Indien deze grond vandaag beschikbaar zou worden gesteld als bouwgrond is de plek miljoenen waard. De paus vond het openen van een begraafplaats voor niet-katholieken noodzakelijk door het toenemende aantal toeristen en bezoekers in Rome. Het was in die tijd verboden om niet-katholieken te begraven in gewijde grond en daarom werden die meestal ’s nachts ter aarde besteld op allerlei willekeurige plaatsen buiten de stad.

De paus wilde een einde maken aan die praktijken en vond het een goed idee om een speciale en centrale begraafplaats in te richten voor alle niet-katholieken die in Rome overleden. Ook de Joden hadden reeds in 1645 op de Aventijn, vlakbij het Circus Maximus, een eigen begraafplaats ingericht. Op die plek bevindt zich vandaag de stedelijke rozentuin, de Roseto Comunale (Via di Valle Murcia 6).

In 1934 vaardigde de stad Rome een decreet uit dat de Joodse gemeenschap verbood op deze plek nog langer te begraven.Het gebied werd toen omgevormd tot een openbare groene ruimte. De oude Joodse begraafplaats werd overgebracht naar een afzonderlijk deel van het grote Romeinse kerkhof Campo Verano. De ruimte aan de Aventijnse heuvel bleef er een beetje verlaten bijliggen tot de Joodse gemeenschap in 1950 een akkoord bereikte met de initiatiefnemers van Roseto Communale, om op hun voormalige begraafplaats een rozentuin in te richten.

Vóór de ingang van de tuin werd een ster geplaatst om de bezoekers ook vandaag nog te herinneren aan de sacrale historiek van het gebied. Als dank voor het gebruik van de grond werden de diverse wandelpaden in de Rozentuin aangelegd in de vorm van een reusachtige menora, de typische zevenarmige joodse kandelaar, het oude symbool voor het Hebreeuwse volk en één van de oudste symbolen voor het jodendom in het algemeen.

Maar even terug naar het protestantse kerkhof. Er is een aangenaam evenwicht tussen verwildering en zorg, de bloemen en de planten vormen als het ware een deken tussen de graven. Voor zover mogelijk op een dodenakker is het in warmere maanden vooral ’s morgens ‘aangenaam’ wandelen, wanneer al het groen net gesproeid werd.

Omstreeks 1900 schreef de Engels-Amerikaanse auteur Henry James (1843-1916): ‘The most beautiful thing in Italy, almost, seemed to me … the exquisite summer luxuriance of that spot… below the great grey wall, the cypresses and the time silvered Pyramid. It is tremendously, inexhaustibly touching, its effect never fails to overwhelm.’

Met zijn bomen en bloemen roept het Cimitero Acattolico inderdaad wel wat de sfeer op van een Engels plattelandskerkhof. Ondanks de naam en hoewel de plek was bedoeld voor buitenlanders, werden hier onder de cipressen en dennen ook leden van de oosters-orthodoxe kerk en niet-katholieke Italianen begraven. Meer dan vierduizend mensen vonden hier sinds het einde van de achttiende eeuw een laatste rustplaats. Velen rusten in imposante en rijk versierde tombes, andere graven zijn dan weer zeer eenvoudig. Tot halfweg de negentiende eeuw mochten de doden hier enkel ‘s nachts ter aarde worden besteld.

Rondwandelend op het kerkhof tref je tussen twee hoge bomen een steen aan met een bronzen medaillon dat het graf aanduidt van August, de zoon van de Duitse wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). August overleed in Rome in 1830 op veertigjarige leeftijd. De man werd geboren uit de toen onwettige relatie van Goethe met Christiaene Vulpius die later zijn vrouw werd.

Goethe junior was zwaar verslaafd aan alcohol, en zijn vrouw Ottilie had de reputatie het geld over de balk te gooien. Op de grafsteen wordt de naam van August overigens niet vermeld, maar staat er enkel ‘Goethe filius Patri Antevertens obiit annor XL’, naar verluidt een idee van de vader. Johann Wolfgang von Goethe had zelf deze plaats reeds in 1786 bezocht en schreef toen dat hij hier zou willen begraven worden ‘o, moge de god Hermes mij hier op een dag nabij de piramide van Cestius, naar het diepe Hades voeren…’.

Wandelend over een pad tot je de achterzijde van de Piramide van Cestius bereikt (waarvan de ware hoogte van hieruit gezien veel duidelijker is) volg je het wegje tot in de verste uithoek. Tussen twee hoge lariksen vinden we het graf van de jong gestorven John Keats.

Zijn trouwe vriend Joseph Severn die naast hem begraven ligt, noteerde zijn laatste woorden: ‘Did you ever see anyone die – no – well then I pity you poor Severn – what trouble and danger you have got into for me – now you must be firm for it will not last long I shall soon be laid in the quiet grave – thank God for the quiet grave – O! I can feel the cold earth upon me – the daisies growing over me – Oh for this quiet – it will be my first’.

Het graf van John Keats (1795-1821) vermeldt opmerkelijk genoeg zijn naam niet, maar er staat wel de volgende tekst: ‘This grave contains all that was mortal of a young English poet, who on his death bed in the bitterness of his heart at the malicious power of his enemies desired these words to be engraven on his tombstone – here lies one whose name was writ in water – February 24 1821’.

Of: dit graf bevat alles wat sterfelijk was aan een jonge Engelse dichter, die op zijn sterfbed, in de bitterheid van zijn hart, in de kwaadaardige macht van zijn vijanden, de volgende woorden op zijn grafsteen wenste: Hier ligt iemand wiens naam geschreven stond in water).

Deze befaamde zin die John Keats volgens zijn eigen wens op zijn graf wilde moet vagelijk gebaseerd geweest zijn op ‘Hendrik VIII’ van Shakespeare, want daar lezen we: ‘Het slechte van de mensen leeft in koper voort, hun deugden schrijven we in water’. Let ook hier op de foutieve sterfdatum: 24 februari in plaats van 23 februari.

De schrijver en dichter Oscar Wilde (1854-1900) ergerde zich aan de eenvoud van Keats’ onverzorgde en gedeeltelijk met onkruid vervuilde graf in een stad waar pausen en heiligen meestal in goed onderhouden praalgraven rustten. Hij schreef: ‘O triestigste dichter die de wereld zag, in water was jouw naam geschreven als gezang, maar onze tranen houden jouw gedachtenis in leven en zullen ze als koningskruid doen bloeien’.

De Nederlandse schrijver en dichter Felix Rutten (1882-1971), ook wel de Limburgse Romein genoemd, schreef over het graf van John Keats:

Slaap onder uw zo dierbare violen
De zachte slaap van wie onsterflijk zijn.
Wat sterflijk van u was houdt rosmarijn
En bloeiende camelia verscholen.

Iets verder staat op een herdenkingsplaat (bevestigd aan de muur) een antwoord op de graftekst van Keats: ‘Keats! If thy cherished name be ‘writ in water’, each drop has fallen from some mourner’s cheek”.

Naast Keats ligt zoals verteld zijn trouwe vriend en schilder Joseph Severn, en hier lezen we: ‘To the memory of Joseph Severn, devoted friend and death-bed compagnion of John Keats whom he lived to see numbered among the immortal poets of England’. Tussen de beide graven werd Arthur Severn begraven, de zoon van Joseph.

Wat verderop, in de kromming van de eerste toren van de stadmuur werd Percy Byssche Shelley (1792-1822) begraven, hij stierf zoals eerder verteld eveneens erg jong. Hij schreef in ‘tempo non suspecto’ bij een bezoek aan dit kerkhof ‘it might make one in love with death to think that one should be buried in so sweet a place’. Niet vermoedend hoe snel hij zelf ook zou sterven en hier eveneens zou begraven worden, schreef de in zijn tijd reeds gewaardeerde Shelley een lijkdicht op Keats.

Op 8 juli 1822 kwam Shelley tijdens een storm op de Golf van Spezia met zijn zeilboot in moeilijkheden en verdronk. Toen het lichaam elf dagen later aanspoelde kreeg het eerst een voorlopig graf. Midden augustus verbrandden zijn vrienden in het bijzijn van lord Byron (1788-1824) op een houtstapel aan het strand het overschot van de verdronken dichter. Zijn vooraf verwijderde hart ging naar Engeland, enkel de as die overbleef van de brandstapel werd hier op het kerkhof begraven.

Op de steen op het graf van Shelley liet Byron ‘cor cordium’, hart van alle harten, graveren. De volledige tekst luidt ‘Percy Bysshe Shelley, cor cordium, natus IV august 1792, obiit 8 juli 1822, nothing of him that doth fade, but doth suffer a sea-change. Onto something rich and strange’.

De tekst verwijst naar het lied van Ariel in de ‘Tempest’ van William Shakespeare ‘Nothing of him that cloth fade / But doth suffer a sea-change / Into something rich and strange’. Ook Shelley’s zoontje William werd hier begraven. Naast Shelley rust zijn makker Edward Trelawny, een fantast die overigens ook het schip liet ontwerpen waarmee Shelley later in de golven verdween.

Enkele andere bekende personen die op dit kerkhof begraven werden zijn de Amerikaanse dichter Gregory Corso, de Italiaanse schrijver Carlo Emilio Gadda, de Italiaanse schrijver, filosoof en communist Antonio Gramsci, de Russische schilder Aleksandr Ivanov, de Russische dichter Vjatsjeslav Ivanov, de Tsjechische sopraan Mathilde Weissmann, de Friese beeldhouwer Pier Pander en de Russische schilder Karl Brjoellov.

Bij het verlaten van het kerkhof denken we aan de versregel van Carducci ‘l’ora presente è in vano, non fa che percuotere e fugge, sol nel passato è il bello, sol ne la morte è il vero’. De Nederlandse schrijfster Rosita Steenbeek vertaalde het ooit zo: ‘het nu ontsnapt voortdurend, slechts in het verleden is schoonheid te vinden en waarheid alleen in de dood’.

www.cemeteryrome.it

De fantastische vriendschap tussen Keats en Severn

10 maart 2019

We bevinden ons al enkele dagen in de wereld van Keats en Shelley, een Brits dichtersduo dat in Rome niet alleen een eigen museum kreeg (gevestigd in een huis waarin je tegenwoordig ook kan logeren) maar die ook vandaag nog voortleven dankzij hun prachtige dichtwerk. In het boekje Les Chambres des Saints à Rome van Edmond Joly (1861-1932) dat een jaar na de dood van de schrijver werd uitgegeven en de kamers in Rome beschrijft waar heiligen hebben geleefd en/of gestorven zijn, staat het huis van John Keats aan Piazza di Spagna 26 niet vermeld. Dat is maar normaal: Keats was uiteraard geen heilige, maar een dichter.

Maar in andere tijden zou zijn goede vriend Joseph Severn echter zeker wel een plaatsje in dit boek verdiend hebben. Wat Severn en Keats samen meemaakten, van de aankomst van deze laatste in Rome, zijn stervensproces tot aan zijn dood is het verhaal van een fantastische vriendschap. Beiden liggen nu naast elkaar op het cimitero acattolico, het niet-katholieke of protestantse kerkhof in Rome, aan de voet van de piramide van Cestius. Daarover lees je meer in een volgende bijdrage.

In het nog altijd heerlijk vlot leesbare boekje Wandelingen door Rome dat Godfried Bomans in 1956 publiceerde, beschrijft de auteur op meesterlijke wijze de laatste levensdagen van John Keats en de moeite die Joseph Severn zich getroostte om zijn vriend zoveel mogelijk moeilijke momenten te besparen. Het lijkt wel alsof Bomans er zelf bij was. Het is een verhaal dat moet blijven verteld worden en dat we graag even delen, ook al omdat de meeste boeken van Godfried Bomans doorgaans nog wel te vinden zijn op de tweedehandse boekenmarkt, maar exemplaren van zijn Wandelingen door Rome steeds schaarser worden. Bomans, die in de periode 1953-1954 in Rome verbleef, publiceerde zijn verhalen eerst in Elseviers weekblad, maar een paar jaar later verschenen ze ook in boekvorm.

Hij wist het uiteraard niet, maar toen John Keats op 17 september 1820 in het schip Maria Crowther uit Londen wegvoer, was hij reeds ten dode opgeschreven. Niet, zoals zijn grafschrift ons wil doen geloven, door de ‘malicious power of his enemies’, want men sterft niet aan een paar ongunstige recensies, maar omdat de tuberculose hem reeds volledig had ondermijnd. Shelley, die in Pisa verbleef en hiervan hoorde, raadde Keats aan om de winter in Italië door te brengen, waar het klimaat aanzienlijk zachter is dan in het regenachtige en mistige Engeland.

‘Deze ziekte is bijzonder gesteld op mensen, die zulke goede verzen schrijven als jij en een Engelse winter zal haar in die voorliefde te hulp komen. Pak dus de eerste boot en kom bij mij in Italië’, schreef Shelley. John Keats accepteerde de uitnodiging en scheepte meteen in. Maar op 11 november werd Shelley ongerust over het wegblijven van Keats en schrijft hij een brief aan Marianne Hunt: ‘Waar is Keats nu? Ik verwacht hem hier elk moment en wil alle zorg aan hem besteden. Ik beschouw zijn leven als onschatbaar en zijn genezing gaat mij zeer ter harte. Ik ben van plan de dokter te zijn zowel van zijn lichaam als van zijn geest. Het eerste zal ik de Italiaanse warmte schenken, het tweede de kennis van Grieks en Spaans’.

Wat Shelley niet kon weten is dat John Keats, na een afschuwelijke overtocht met de Maria Crowther, reeds op 21 oktober in Napels was aangekomen en daar, om van de zware reis te bekomen tien dagen in quarantaine had gelegen. Op dat moment schommelde hij in een langzame koets richting Rome. Naast hem zat zijn vriend Joseph Severn, een eerder middelmatige schilder en een weinig opvallende persoonlijkheid. Mensen zoals Joseph Severn leven met duizenden in elke stad en zij zijn, zo niet het zout, dan toch het deeg der mensheid. Om de verborgen krachten van een dergelijke ‘naamloze’ aan het licht te brengen is een bijzondere gebeurtenis nodig. Ze zijn zelf niet bijzonder creatief, maar onder de dwang van bepaalde omstandigheden komen hun mogelijkheden tot volle ontplooiing.

De Engelse taal heeft daarvoor een onvertaalbare uitdrukking: ‘He rose to the occasion’. Die ‘occasion’ was de dood van zijn vriend. Severn, wiens lastig te onthouden achternaam bijna symbolisch is voor de vlakheid van zijn bestaan, katapulteerde zichzelf door deze gebeurtenis ongewild zover uit de anonimiteit dat hij voor altijd zal herinnerd worden.

Hoe was Joseph Severn nu betrokken geraakt bij John Keats? Toen deze laatste naar Italië zou vertrekken, was zijn gezondheidstoestand al zo slecht dat iemand hem moest vergezellen. Het was echter niet duidelijk wie dat zou moeten zijn. Lamb, Brown, Haslam en Leigh Hunt: ze waren allemaal bezet. Bovendien was een dergelijke onderneming in die dagen ook geen kleinigheid. Alleen al voor de reis van Londen naar Pisa kon men, gaande over Napels, twee maanden uittrekken en dan moest er onderweg niet teveel getreuzeld worden. Wie wilde dit doen? En vooral: wie kon?

Dit wilde en kon alleen de man, die gewoonlijk niet nodig was, op wie nooit gewacht werd en die zonder spijt gemist kon worden. Severn raapte snel wat ponden bijeen, pakte zijn koffertje en sprong aan boord. En daarmee sprong hij meteen ook de geschiedenis in. Had hij hiervan een vermoeden? Neen, zeker niet, en daarvan bestaat ook een schriftelijk bewijs. ‘Most certainly he will recover’, schrijft Severn vanuit Napels aan zijn zuster over Keats toen deze laatste in de hotelkamer ernaast in zijn quarantaine-bed lag. Op zijn beurt schrijft Keats vanuit zijn ziekbed: ‘I can bear to die’.

Joseph Severn ziet echter al gauw zijn vergissing in en reeds een dag later schrijft hij Haslam: ‘Keats heeft mij zojuist alles verteld en ligt nu uitgeput te slapen. Hij praatte uren aan een stuk en gooide er al zijn wanhoop uit. Ik deed mijn best om hem wat op te beuren en heb tenminste dit bereikt, dat hij eindelijk is ingeslapen’. De passage is typerend voor de afstand die er eigenlijk tussen de twee jonge mensen bestond. Keats had, in zijn correspondentie tijdens de overtocht, zijn beste vrienden al lang over zijn toestand ingelicht. Het is pas in Napels, in een vreemd buitenlands hotel, als Keats zich eenzaam en verlaten voelt en er niemand meer is aan wie hij zijn angst kwijt kan, dat hij zijn vage begeleider naast zich echt opmerkt.

Pas door deze bekentenis is Severn als vriend bevestigd en begint hij zich bewust te worden van zijn mogelijkheden. Vanaf deze dag zal ook John Keats, die zelf aan ‘fine doing’ boven ‘fine writing’ de voorkeur gaf, beseft hebben welke kostbare reisgenoot hem meegegeven was op het laatste barre stuk dat hij nog van het leven had af te leggen.

Begin november komen beide vrienden eindelijk in Rome aan en stappen meteen de mooiste kamers binnen die in de stad te vinden zijn. Hoe ze die gevonden hebben is niet duidelijk maar het is een magnifieke plek, al vindt de verwende Severn het een ‘barbarous place’. Het kamertje van Keats is het kleinst. Het heeft niettemin twee ramen: het ene kijkt regelrecht in de ‘barcaccia’, de marmeren boot van Pietro Bernini, het andere ziet uit op de machtige Spaanse Trappen. Het vertrek van Severn is wat groter, maar heeft slechts één raam, waardoor hij de Piazza di Spagna onder zich ziet liggen. In dit uitbundige barokke decor heeft zich het stille drama afgespeeld, dat wij door Severns brieven perfect op de voet kunnen volgen.

Het eerste bedrijf daarvan zet rustig in. Keats is zelfs in staat de honderd treden van de Scalinata di Spagna op te klimmen, om daar, met de Trinità dei Monti en de obelisk in de rug, de Via dei Condotti in te kijken. Ja, hij maakt ook kleine wandelingen in de aangrenzende tuin van de Villa Borghese en ziet vanaf de Pincio over de huizenzee van Rome, met de parelende bellen van zijn koepels en het grijze schuim der Albaanse bergen op de achtergrond.

Maar dan, op 10 december, wordt dit uitstel afgesneden. Keats staat niet meer op. Zijn rol is uitgespeeld, die van zijn vriend begint. Dan komt het verhaal van Godfried Bomans pas echt op dreef. Joseph Severn, de artistieke dilettant, de man, die door zijn critici veel milder dan Keats beoordeeld was omdat hij geen gevaar opleverde, de eeuwige ‘belofte’, de altijd ‘in knop’ staande persoonlijkheid, vouwt plotseling zijn bladeren open en begint te bloeien. Zijn bloei duurt precies zo lang, als de bloem van de dichter nodig had om te verdorren: ruim twee maanden, en niet meer. Maar dit is voldoende. Een mens hoeft zich maar korte tijd volledig te realiseren om zijn bestaan te rechtvaardigen.

Ik kan nooit die twee kamertjes binnengaan, zonder hem in de geest bezig te zien. Daar, in die hoek, stond de huurpiano, waarop hij de lievelingsmelodieën van zijn vriend speelde, met één hand, ‘for the left side I gave up’; en daar, bij het raam, trachtte hij thee te zetten, de ellendige thee, die een 26-jarige jongeman van goeden huize gewoonlijk tot stand brengt.

En daar, in de kamer van Keats, is de haard, de enige haard waarover zij beschikten en die de eigenaardigheid bezat van alle haarden, door beschaafde jongelieden aangemaakt, van zijn rook niet de schoorsteen, maar de kamer in te blazen. ‘What enrages me most is making the fire. I blow – blow – for an hour – the smoke comes fuming out – my kettle falls over the burning sticks – no stove – Keats calling to be with him – the fire catching my hands – and the door bell ringing… oh my God!’

En daar, in die hoek, stond het bed waarin Keats, met een flauwe glimlach misschien, lag te kijken naar de hopeloze pogingen van zijn vriend er een geregeld huishouden van te maken. ‘I light the fire, make his breakfast and sometimes am obliged to cook – make his bed and sweep the room…’.

Was er geen bekwamer hand om dit te doen? Severn zelf geeft hierop antwoord in een van zijn brieven: ‘I can have these things done, but never at the time they ought and must be done’. De betekenis hiervan wordt nog duidelijker uit een andere passage: ‘If I could leave Keats every day for just a short time, I would soon raise money by my painting; but he will not let me out of his sight’.

Hieruit blijkt dat, afgezien van geldgebrek, al deze dingen door Severn tersluiks moesten gedaan worden, in de weinige ogenblikken dat Keats sliep of hem in een flauwte even uit het oog verloor. De taak van Severn was naast hem te zitten, aanwezig te zijn, want Keats had… angst. Zonder steun van een religie vreesde hij het ontzettende dat komen ging en had hij behoefte aan de nabijheid van een menselijk wezen, die hem geen ogenblik mocht verlaten. Zo had hij zelf, als jongen van veertien jaar, bij zijn stervende moeder gezeten.

‘There is a story of him as a very young child standing outside her door with a drawn sword, when he had heard that she was sick and must be left in quiet. And in her last illness this knightly protection was still there, though no longer in an bloodthirsty form: he sat up whole nights with her in a great chair, would suffer nobody to give her medicine, or even cook her food, but himself, and read novels to her in the intervals of case…’

Hij eiste die ‘ridderlijke bescherming’ nu van zijn vriend en hij kreeg haar, ten volle en zonder bedenken, net zoals hij haar zelf gegeven had. ’17 december, 4 uur ’s morgens: geen ogenblik ben ik van hem weg – ik zit aan de rand van zijn bed en lees hem de hele dag voor – ook ’s nachts wijk ik niet van mijn plaats, want dan komen de vreselijke angsten waaruit ik hem moet opbeuren. Hij is even in slaap gevallen, de eerste keer sinds acht dagen, van louter uitputting. Ik hoop dat hij niet wakker zal worden voor ik dit geschreven heb, want je moet weten, mijn beste Brown, dat zijn toestand steeds erger wordt … En toch mag ik hem niet laten zien, hoe bedenkelijk het met hem staat’.

Keats was niet wat men een ‘gemakkelijke zieke’ noemt. Hij vergde van zijn vriend, wat hij van zichzelf gevergd had, toen hij zijn moeder en later zijn broer tot het bittere einde had opgepast: volstrekte overgave aan die ene taak, met uitsluiting van elke andere bezigheid, hoe gering ook. ‘Negen nachten ben ik nu op geweest en ook overdag heb ik geen minuut zijn bed verlaten. Gisteren vond hij het goed, dat ik hem even naar mijn kamer droeg om hem schoon goed aan te doen en zijn bed wat op te schudden. Ik praatte zelfs even over mijn schilderwerk en dit is alles, wat ik aan goed nieuws te melden heb…’.

Zelfs brieven, die uit Engeland kwamen, mochten niet opengemaakt worden, het was of Keats al zijn energie wilde concentreren op het ene, dat nu te gebeuren stond, of hij de gehele kosmos wilde doen inkrimpen tot het ledikant, waarin hij lag en de vriend, die ernaast zat. Die vriend was het enige, dat hij toeliet in de steeds nauwere cirkel, die zich om hem sloot.

’s Nachts kan hij wel een uur lang met gesloten ogen liggen, en opeens slaat hij ze wijd open, in een plotselinge twijfel en schrik (in a sudden doubt and horror ); maar als hij dan mijn schaduw naast zich ziet zitten, vallen ze gerustgesteld weer toe. Telkens als hij me ziet, sluit hij zijn ogen, kijkt dan weer even en doet ze weer toe, net zo lang tot hij in slaap valt. Nu ik weet wat mijn aanwezigheid voor hem betekent, blijf ik hier als vastgespijkerd zitten en verroer me niet…’

Severn smaakte de voldoening, dat zijn constante, onwrikbare aanwezigheid, zijn rotsvaste op-wacht-staan langzamerhand zijn vriend tot berusting en bedaren bracht. ’14 februari 1821. Er is niets in zijn toestand veranderd dan alleen dit, dat er een grote kalmte en vrede over hem gekomen is. Vannacht praatte hij uren aan één stuk, maar niet als vroeger: opstandig en verbitterd, maar kalm en vol overgave, tot hij rustig in slaap viel’.

Het is ook in deze nacht, dat Keats hem vroeg op zijn graf de regel te willen beitelen: ‘Here lies one whose name was writ in water’. Severn, die een sterk, eenvoudig geloof bezat in een leven hierna, heeft die opdracht nochtans uitgevoerd, zoals een soldaat een bevel gehoorzaamt, maar wist van dr. Clark een boek te bemachtigen, in 1650 geschreven door Jeremy Taylor (1613–1667), getiteld: Holy Living and Dying with Prayers.

In zijn ‘Recollections’ schrijft hij:  ‘Hier las ik mijn arme Keats dagelijks uit voor, elke ochtend en elke avond, en het gaf hem een grote rust. En telkens als hij het sindsdien moeilijk had, vroeg ik hem of ik aan zijn bed mocht knielen en zachtjes bidden. Meestal stond hij dit toe en altijd kwam er dan een diepe vrede over hem’. Van die eindeloze nachtwaken is in de sterfkamer van Keats nog een ontroerend document te vinden. Het is een tekening, of liever een gewassen sepia, die onder een glasplaat ligt, Keats slapend voorstellend. Severn maakte hem in de nacht van 28 januari, om zichzelf ‘wakker te houden’, zoals de twee bevend geschreven regels aan de onderkant getuigen: ’28 jan. – 3 o’clock after midnight drawn to keep me awake – a deadly sweat was on him all this night’.

De in Praag geboren lyrische dichter Rainer Maria Rilke, die deze plek begin 1914 bezocht, schreef er een gedicht over: ‘Zu der Zeichnung, John Keats im Tode darstellend’. De titel ervan bewijst dat hij in de mening verkeerde de gestorven Keats voor zich te zien. Dit is een vergissing. Keats sluimert, het hoofd half naar zijn vriend gewend, als om ook in zijn slaap nog zeker te zijn dat hij er was.

Naarmate het einde nadert, wordt Keats kalmer, Severn geagiteerder. Het is of langzaam aan de rollen worden omgewisseld en het Keats is, die de leiding neemt. Als hij een tijd naar het voorlezen van de ander geluisterd, heeft, zegt hij opeens: ‘Severn, I can see under your quiet look immense twisting and contending – you don’t know what you are reading – you are enduring for me more than I will have you’.

Een andere keer vraagt hij: ‘Heb je ooit in je leven iemand zien doodgaan? Niet? Dan heb ik met je te doen. Maar geloof me, het valt mee, ik zal rustig sterven. Wees flink, als het gebeurt, ik zal niet lastig zijn…’. Keats hield woord, in de nacht van 23 februari. In de sterfkamer ligt nog de brief die Severn de volgende dag aan Brown wilde schrijven, maar nimmer voltooide. De letters zijn nauwelijks te lezen, zo zwak is het schrift van de uitgeputte wachter.

Dit staat er: ‘He is gone. He died with the most perfect ease. He seemed to go to sleep. On the 23rd, Friday, at half past four, the approach of death came on. ‘Severn – I – lift me up, for I am dying. I shall die easy. Don’t be frightened. Thank God it has come.’ I lifted him up in my arms and the phlegm seemed boiling in his throat. This increased till eleven at night, when he gradually sank into death, so quiet, that I still thought he slept. I will…’

Twee dagen later droeg een kleine stoet de toen nog onbekende dichter naar het protestantse kerkhof, even buiten de Aurelische muur. Severn moest ondersteund worden en zonk, toen het voorbij was, bewusteloos ineen. Zijn grote taak was volbracht. Hij leefde nog ruim 58 jaar en werd in 1881 naast zijn vriend begraven. De twee grafstenen staan dicht bijeen, zwijgende getuigen van een vriendschap, die de zwaarste proef doorstond.

Op de rechter beitelde een Italiaanse steenhouwer de officiële titels die Joseph Severn zich in zijn lange leven eerlijk verworven had: Brits consul in Rome en ridder in de Kroon van Italië. Maar bovenaan, vlak onder zijn naam, staat de titel, waardoor zijn gedachtenis zal blijven leven: ‘Devoted friend and death-bed companion of John Keats’.

Dat is zijn glorie. Ridder in de Kroon van Italië kunnen wij allen worden, zodra we twaalf jaar consul in Rome zijn. Maar om ridder te worden in de zeldzame orde der kameraadschap moet men drie maanden naast het bed van een vriend zitten en niet wijken, tot het voorbij is. Tot zover Godfried Bomans.

John Keats en Percy Shelley

7 maart 2019

Zoals je de voorbije dagen kon lezen is het huis waarin de Engelse dichter John Keats stierf tegenwoordig een museum en in een gedeelte van het pand kan je tegenwoordig zelfs logeren. John Keats (1795-1821) wordt beschouwd als één van de grootste Engelse dichters. Hij stierf op 25-jarige leeftijd, vier jaar na de publicatie van zijn eerste dichtbundel Poems by John Keats uit 1817. Zijn melodieuze sonnetten en odes en de mysterieuze ballade La belle dame sans merci (1820) vonden al tijdens zijn leven veel weerklank. Ook Percy Bysshe Shelley (1792-1822) wordt samen met Keats beschouwd als één van de belangrijkste Britse dichters. En net als Keats stierf ook Shelley op jonge leeftijd in Italië, vlak voor zijn dertigste verjaardag.

keatsshelley

John Keats was al vroeg wees geworden en ging na een opleiding aan de Clarke’s School in Enfield, die zijn literaire gaven ontdekte, in de leer bij een apotheker in Edmonton en trok vier jaar later naar Londen voor een praktische doktersopleiding. In 1816 legde hij met goed gevolg het licentiaatsexamen af, maar zijn hart lag toen al bij de literatuur, in het bijzonder de Engelse klassieken en Homerus, die hij, omdat hij geen Grieks kende, las in de vertaling van George Chapman.

Het bekende sonnet On first looking into Chapman’s Homer werd in december 1816 opgenomen in The Examiner, waarvan Leigh Hunt redacteur was. Deze introduceerde hem bij onder andere Hazlitt en Shelley, met wiens hulp hij in 1817 Poems by John Keats publiceerde, dat echter een financieel debacle werd. Ook het lange, mythologische gedicht Endymion (1818), de geschiedenis van de jonge herder die door de maan bemind wordt, werd slecht ontvangen. Keats’ volgende verhalend gedicht, Isabella, or the pot of basil (1818, uitgegeven in 1820), is sterker van vorm en staat dichter bij de werkelijkheid.

Daarna zette Keats zich aan het grootste project dat hij in zijn korte leven zou ondernemen: de compositie van Hyperion (1818-1819), dat uit twee boeken bestaat en het fragment van een derde. Door allerlei oorzaken schijnt hij zijn belangstelling voor zijn concept verloren te hebben; het rijmloze vers en de strengheid van een Milton, wiens voorbeeld hij ten dele voor ogen had gehad, lagen hem niet. ‘I wish to give myself up to other sensations,’ schreef hij aan zijn vriend Reynolds.

Uit die drang ontstonden The eve of St. Agnes (1819), enkele sonnetten en ten slotte zijn grootse oden: Ode to a nightingale, Ode on a Grecian urn, de Ode on melancholy en de kortere Ode to autumn, die door velen als zijn beste beschouwd wordt. In 1820 ontstond de prachtige, mysterieuze ballade La belle dame sans merci, de gesublimeerde expressie van zijn ongelukkige liefde voor Fanny Brawne en één der belangrijkste literaire werken van de romantiek.

Intussen had zich bij John Keats tuberculose geopenbaard en in de laatste maanden van 1819 verslechterde zijn gezondheidstoestand zienderogen. Een voorgevoel van zijn nabije dood klinkt in het aangrijpende fragment The living hand. Belangwekkend voor Keats’ opvattingen over dichters en dichtkunst zijn de brieven aan zijn broers en een aantal vrienden. ‘De poëzie moet zo natuurlijk komen als de bladeren aan een boom’, schreef hij aan zijn vriend John Taylor (1818), een ideaal dat hij zelf in vele fraaie verzen verwezenlijkt heeft.

Percy Bysshe Shelley (1792-1822) werd beïnvloed door de achttiende-eeuwse Verlichting. Hij verkondigde liberale gedachten en kwam in opstand tegen de beperkingen van de Engelse politiek en godsdienst. Shelley schreef gepassioneerde, impulsieve gedichten vol lyriek en romantiek. Hij wordt samen met Keats beschouwd als één van de belangrijkste Engelse dichters. Hij kwam om door verdrinking bij een bootongeluk tussen Livorno en La Spezia in 1822, vlak vóór zijn dertigste verjaardag.

Shelley was de zoon van een gefortuneerde landedelman en ging in 1810 studeren in Oxford. Hij werd echter van de universiteit verwijderd wegens het schrijven van het pamflet The necessity of atheism (1811). In hetzelfde jaar trouwde hij met Harriet Westbrook, maar verliet haar drie jaar later voor Mary Wollstonecraft; zij trouwden na Harriets zelfmoord in 1816. Het paar vestigde zich in Italië, waar Shelleys belangrijkste werken ontstonden en waar hij zijn vriendschap met Byron hernieuwde.

Shelleys eerste lange gedichten, Queen Mab (1813) en Alastor, or the spirit of solitude (1816), doordrenkt van platonische en utopistische ideeën, zijn nog onevenwichtig van expressie en structuur. In 1817 verscheen Laon and Cythna, in 1818 in gewijzigde vorm gepubliceerd onder de titel The revolt of islam, een minder geslaagd werk dan het lyrische drama Prometheus unbound (geschreven in 1818-1819 en verschenen in 1820), waarin de onbaatzuchtige liefde als de enige bevrijdingsmogelijkheid voor de mensheid wordt gezien.

The Cenci (1819), een drama in verzen met melodramatisch karakter, werd na zijn dood enkele malen met succes uitgevoerd. In Epipsychidion (1821), opgedragen aan de jeugdige Emilia Viviani, verdedigde hij de vrije liefde. Adonais (1821), in bijzonder muzikale strofen geschreven, is een elegie voor John Keats, Hellas (1822) is dan weer een pleidooi voor de door de dichter zo hoog geschatte vrijheid. A defense of poetry (1821), geschreven in antwoord op Four ages of poetry van Thomas Love Peacock, waarin Shelley zijn geloof in de goddelijke zending van de dichter uiteenzet, heeft aanzienlijke invloed uitgeoefend op het latere denken over het wezen van de poëzie. Van zijn kortere lyrische gedichten, waarop zijn roem hoofdzakelijk berust, zijn de bekendste The cloud, Ode to the west wind en Ode to a skylark.

Shelleys tot de verbeelding sprekende leven en vroege dood hebben wellicht aanleiding gegeven tot een overromantische kijk op de dichter als jongeling, wiens gevoelige aard door de wereld niet begrepen is; de latere kritiek ziet hem eerder als een weinig ontziende, radicale idealist met een oprechte passie voor waarheid, vrijheid en liefde, een in vele opzichten nog onvolgroeide jongeman die een aantal sublieme verzen heeft nagelaten.

De negentiende-eeuwse romanschrijfster Mary Shelley (1797-1851), geboren als Mary Wollstonecraft, werd de vrouw van de dichter Percy Bysshe Shelley en werd vooral bekend door haar filosofische griezelverhaal Frankenstein (1818). In het boek brengt de wetenschapper Victor Frankenstein een verzameling levenloze lichaamsdelen tot leven. Door de geboorte van zijn creatie beseft Frankenstein uiteindelijk de gruwelijkheid van zijn daad.

www.keats-shelley-house.org

Een bezoek aan het Keats-Shelley Memorial House

6 maart 2019

Recent las je hoe je kan overnachten in een Romeins museum, meer bepaald het Keats-Shelley House of (in het Italiaans) het Museo Keats-Shelley. Het huis bevindt zich aan de voet van de Spaanse Trappen. Het is een museum dat ontstond als eerbetoon aan de Britse dichters John Keats en Percy Bysshe Shelley. John Keats bewoonde drie kamers in dit huis, samen met zijn vriend Joseph Severn. Het is in dit pand dat John Keats (1795-1821) in de avond van 23 februari 1821 overleed.

Keats werd onsterfelijk door zijn uitspraak ‘a thing of beauty is a joy for ever’ en schreef in zijn korte leven talrijke sonnetten, epische verzen en odes. Keats kwam hier wonen in november 1820 omdat men hem verzekerde dat hij met zijn tuberculose de winter in Engeland niet zou overleven. Maar ook het mildere klimaat van Rome kon hem niet meer redden.

’To that high capital, where kingly Death keeps his pale court in beauty and decay, he came’ schreef Shelley later. Maar drie maanden later stierf Keats, hij was pas 25. Zijn vriend en kunstschilder Joseph Severn heeft hem al die tijd bijgestaan, hij beschilderde zelfs het plafond met de bloemen waar Keats vanuit zijn ziekbed naar tuurde. Over de rol die Severn speelde bij de dood van Keats, kom je de komende dagen meer te weten.

Op vraag van Keats, die zijn einde voelde naderen, ging Severn alvast ook een plaatsje kiezen voor zijn graf op het Cimitero Acattolico per gli Stranieri al Testaccio, ook wel bekend als het Cimitero degli Inglesi, of kortweg het Cimitero dei protestanti. Het gaat om het protestantse kerkhof in de wijk Testaccio aan de Via Caio Cestio, achter de Piramide van Cestius en vlakbij de Porta San Paolo en Piazzale Ostiense. Daarover lees je meer in een volgende bijdrage.

Severn kwam terug met de boodschap dat de witte en blauwe viooltjes, de madeliefjes en anemonen vrij tussen de graven bloeiden. Keats verklaarde daarom ‘that he could already feel the flowers growing over him’ . Na zijn dood werd alle huisraad dat zich in zijn woning bevond op bevel van de Romeinse autoriteiten verbrand. Wat nu nog in het kleine museum herinnert aan de stervensuren van Keats, is het blauwe plafond met de madeliefjes, gebaseerd op die toen op het kerkhof bloeiden, een decor dat alle veranderingen overleefd heeft.

De trouwe Severn ging na de dood van zijn vriend in de Via dei Condotti wonen. Tussen 1861 en 1872 was hij de Britse consul in Rome, de stad waarvan hij nooit meer afscheid zou kunnen nemen en waar hij na zijn pensionering ook bleef wonen. Hij stierf in 1879 op 85-jarige leeftijd en werd eveneens begraven op het Cimetero Acattolico. Zijn graf bevindt zich vlak naast dat van zijn goede vriend John Keats die hij 58 jaar had overleefd.

Het huis aan Piazza di Spagna dateert van 1724-1725 en is gebouwd naar een ontwerp van Francesco de Sanctis, dit als onderdeel van de bouw van de Spaanse Trappen. In 1906 werd het sterfhuis van Keats door de Keats-Shelley Memorial Association, een Brits-Amerikaanse vereniging gekocht. De kamer waarin hij stierf is klein, maar ze kijkt uit op de zonnige vlakken van de Spaanse Trappen.

Er worden onder meer de gipsafdrukken van het gezicht van Keats getoond, evenals van een voet en een hand van de dichter. De afdrukken werden genomen op de dag na zijn dood, op 24 februari 1821. Het dodenmasker van John Keats toont een milde, kalme glimlach, ondanks de lijdensweg van de verschrikkelijke laatste maanden die hij doormaakte. De dood van Keats inspireerde Shelley (1792-1822), die zestien maanden later verdronk in de golf van La Spezia, tot zijn ‘Mourn not for Adonais’. 

In het museum toont men ook de aromatische harsen waarmee de stoffelijke resten van Percy Shelley werden gecremeerd op het strand van Viareggio in 1822. Ook vind je hier een haarlok en een carnavalmasker dat zijn collega-dichter lord Byron heeft gedragen tijdens het carnaval in Venetië (Byron schreef: ‘o Italië, o Italië, gij bezit de fatale gave van de schoonheid’).

Het Keats-Shelley House bevat tevens één van de beste referentie-bibliotheken van romantische literatuur ter wereld, evenals een unieke collectie manuscripten, schilderijen, beeldhouwwerken en memorabilia. Het gaat onder meer om brieven en documenten van Keats zelf maar ook van andere Britse romantici en schrijvers zoals Lord Byron, Mary Shelley, Robert Browning, William Wordsworth en Oscar Wilde, evenals schilderijen van Joseph Severn.

De bibliotheek omvat meer dan 8.000 boeken, waaronder veel zeldzame eerste drukken van voormelde schrijvers, evenals werken uit de persoonlijke collecties van Keats en Shelley. Het kleine museum annex bibliotheek speelt ook een belangrijke rol in het culturele leven van Rome. Regelmatig worden hier lezingen, tentoonstellingen poëzie-recitals en andere evenementen georganiseerd.

Aan het einde van de negentiende eeuw woonde ook de Zweedse psychiater en schrijver Axel Munthe een aantal jaren in dit pand en hield er ook praktijk. Na een initiatief van de Amerikaanse diplomaat-schrijver Robert Underwood Johnson werd het huis in 1909 door koning Victor Emanuel III van Italië officieel geopend als het ‘Keats-Shelley Memorial House’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de periode 1943-1944, werden de topstukken van het museum en de meest bijzondere boeken en documenten uit de bibliotheek ondergebracht in de abdij van Monte Cassino, om te voorkomen dat ze in handen van de Duitsers zouden vallen.

www.keats-shelley-house.org

www.keats-shelley.co.uk