De man die de paus in heel Europa naar ‘pornografie’ liet speuren

Posted in Romenieuws on 14 februari 2017 by romenieuws

Het verlengde van de Via del Banco di Santo Spirito is de Via dei Banchi Nuovi. Ook in deze straat woonden vanaf de vijftiende eeuw bankiers uit Firenze, Siena en Genua. Tot aan de Sacco di Roma (de beruchte plundering van Rome op 6 mei 1527 waarbij duizenden Duitse en Spaanse soldaten zich te buiten gingen aan beroving, verwoesting, ontering, verkrachting en moord) woonde in deze straat ook de bekende dichter en losbandige satiricus Pietro Aretino 1492-1556), ook bekend als Pietro Bacci of Pietro d’Arezzo. Deze fantastische schrijver was nauwelijks geschoold, maar had een ongewoon gevoel voor literatuur en kunst, zonder een zweem van pedanterie, en creëerde een vertelgenre dat hem geleidelijk aan rijp maakte voor een soort chantagejournalistiek, een techniek die hij speciaal gebruikte om de groten der aarde te tergen.

Pietro Aretino, een satiricus en kunstcriticus die ook weleens wordt beschouwd als de ‘vader van de journalistiek’, maar die zich evenmin schaamde om de hoge adel belachelijk te maken, was een schitterende schrijver maar raakte vooral bekend als de meest verdorven en losbandige inwoner uit het Rome van zijn tijd. Bij de hoge heren tenminste, want het volk kon zijn capriolen en teksten best smaken, ook al omdat hij, hoewel anoniem werkend, in het algemeen werd beschouwd als één van de betere pamfletschrijvers voor Pasquino (zie verder). Hoe meer Pietro Aretino werd gehaat door de adel en de paus, des te geliefder en onsterfelijker werd hij bij het publiek.

Al zijn werk heeft een vermetel persoonlijk en zinnelijk cachet en is van een vrijmoedigheid die hem typeert als ware renaissancefiguur. Zijn lof en zijn kritiek uitte hij in verzen en proza of in ‘giudizi’ (jaarlijkse voorspellingen). Hij is onder meer de auteur van het in die tijd beruchte ‘Sei giornate’. Het boek bestaat uit twee afzonderlijke delen: ‘Ragionamento della Nanna e della Antonia’ dat hij schreef in 1534 en ‘Dialogo nel quale la Nanna insegna a la Pippa’, geschreven in 1536.

Je zou het kunnen beschouwen als een soort handboek voor meisjes van plezier. Pietro Aretino schreef wat we vandaag wellicht zouden kunnen omschrijven als ‘literaire pornografie’, maar dan met een brutaal kantje eraan. Het spreekt vanzelf dat de paus dergelijke literatuur niet graag op de markt zag verschijnen, maar dat was nog niets met wat volgen zou.

In 1517 raakte Aretino bevriend met de bankier Agostino Chigi (ja, alweer hij), die het talent van Pietro Aretino erkende en de schrijver in bescherming nam. Via de contacten van de schatrijke bankier kwam Aretino terecht in de hoogste kringen in Rome, waaronder paus Leo X. Deze laatste vond het niet zo prettig dat Aretino opeens rondzwierf tussen de elite, maar moest het noodgedwongen dulden omdat hij de rijke Agostino niet durfde beledigen.

In 1524 publiceerde graveur Marcantonio Raimondi een reeks erotische gravures die hij had gemaakt naar de schilderijen die Giulio Romano voor Federico Gonzaga in Mantua had vervaardigd. Deze zogenaamde ‘I Modi’ toonden zestien verschillende posities van de geslachtsdaad. Een dergelijke publicatie was nog nooit vertoond. Paus Clemens VII was razend en zette de graveur gevangen. De paus eiste dat alle kopieën van de pornografische illustraties zouden worden opgespoord en vernietigd.

Giulio Romano, de oorspronkelijke schilder van de pornografische afbeeldingen werd niet vervolgd omdat zijn doeken in een privé-omgeving in Mantua hingen en niet bestemd waren voor verkoop. De schilder was zich zelfs lange tijd niet bewust van het bestaan van de gravures. Marcantonio Raimondi was in Mantua weliswaar de doeken komen bekijken, maar publiceerde pas daarna zijn eigen versie ervan in de vorm van gravures. Met dus een woeste paus als gevolg.

Toen kwam Pietro Aretino op de proppen. De schrijver zag geen kwaad in de publicatie van de tekeningen en vond dat Raimondi niets verkeerd had gedaan. Aretino schreef daarom als begeleiding van de zestien gravures evenveel pikante sonnetten. Erger: hij was verontwaardigd over de censuur van de paus en wilde met zijn teksten duidelijk maken dat hij niet akkoord was met de algemeen geldende restricties van het Vaticaan.

In 1527 werd ‘I Modi’ uitsluitend door toedoen van Pietro Aretino (want de graveur zat nog steeds in de gevangenis) voor de tweede keer gepubliceerd, ditmaal dus met begeleidende en vooral schunnige teksten. Het was overigens ook de eerste keer in de geschiedenis dat erotische afbeeldingen en tekst als één geheel werden samengebracht. De paus kreeg bij het zien van de publicatie bijna een hartaanval. Wat nu verscheen was immers nog veel erger. Nu zouden mensen nog meer gaan fantaseren bij het zien van de tekeningen.

De kwestie dreigde uit te groeien tot een groot West-Europees schandaal, waarbij bovendien de paus werd belachelijk gemaakt omdat die zijn onderdanen niet in de hand kon houden. De graveur Raimondi werd dankzij Aretino’s actie ontslagen uit de gevangenis omdat hij duidelijk niets te maken had met de nieuwe publicatie. De paus zette echter een enorme campagne op touw om alle kopieën van de nieuwe I Modi te achterhalen. De druk was enorm. Iedereen met ook maar enig priesterlijk gezag werd opgeroepen om uit te kijken naar I Modi. Op straf van eeuwige verdoemenis werd iedere burger opgeroepen om elke kopie meteen binnen te brengen en er vooral niet naar te kijken.

De actie van de paus duurde lang, maar is in die zin geslaagd dat geen enkele van de oorspronkelijke eerste drukken het heeft overleefd, met uitzondering van enkele fragmenten die zich vandaag in het British Museum bevinden. Er bestaan nog wel twee kopieën van de originele eerste druk. Later werd I Modi nog verschillende keren herdrukt, hertekend of gekopieerd. Niet alle versies zijn echter even geslaagd.

Om even terug te komen op Pietro Aretino, onze losbandige bewoner van de Via del Banchi di Santo Spirito: het sprak vanzelf dat hij het na een tijdje te warm kreeg en Rome moest ontvluchten. Hij kreeg echter vergiffenis en keerde terug naar Rome. Lang duurde dat niet. Een volgende keer moest hij Rome voorgoed verlaten toen hij een pittig stuk schreef over bisschop Giovanni Ghiberti. Die was zo kwaad dat hij probeerde Aretino te laten vermoorden. Pietro Aretino trok vervolgens naar Venetië waar hij de rest van zijn leven zou slijten.

Voor de beeltenis van de heilige Bartholomeus op het Laatste Oordeel in de Sixtijnse kapel gebruikte Michelangelo het portret van Aretino. Pietro Aretino is ook in onze tijd alleszins nog niet vergeten want in een boek van Sarah Dunant uit 2006 (in het Nederlands vertaald als ‘In het gezelschap van de courtisane) speelt hij een hoofdrol.

Pietro Aretino is zeker ook verantwoordelijk voor heel wat van de beste ‘pasquinades’. Die naam ontstond dankzij Pasquino, de naam die door het Romeinse volk gegeven werd aan het brokstuk van een beeldengroep (Menelaus met het lijk van Patroclus) dat in 1501 nabij de vroegere werkplaats van een om zijn scherpe tong bekende ambachtsman met dezelfde naam gevonden werd. Het oude beeld werd opgesteld bij het Palazzo Braschi en staat daar nog altijd.

Men begon er al gauw hatelijke briefjes tegen bepaalde personen of misstanden aan te plakken, die de naam pasquillo of pasquinata kregen (vandaar het Nederlandse ‘paskwil’ en ‘pasquinade’). Pasquino vormde tot 1870 het centrum van publieke kwaadsprekerij in Rome. Vele auteurs van naam, waaronder ook Pietro Aretino, werden in hun tijd aanzien als de makers van de allerbeste en scherpste ‘pasquinate’. De publicaties waren dan wel anoniem, maar vooral de scherpe en meedogenloze schrijfstijl van Aretino sprong er telkens weer uit en was alleen maar terug te voeren naar deze levende nachtmerrie voor de paus.

Befaamd bleven Aretino’s dialoogboeken (Ragionamenti, 1534-1536). Sei giornate werd in de loop der eeuwen nu en dan heruitgegeven, zelfs nog in 1975). Ook de in zijn tijd behoorlijk succesvolle tragedie Orazia (1546), vijf deels zeer geslaagde komedies in proza (La cortigiana, Il marescalco, La Talanta, L’ipocrito, Il filosofo, alle tussen 1525 en 1544) kenden veel bijval, net als een reeks belangrijke brieven, deels met afpersing als doel (eerste volledige uitgave in 1609), met een cynische opdracht aan Ercole d’Este, waarin Aretino zichzelf omschrijft als een ‘krachtens goddelijke genade vrij man’ …!

De Via del Banco di Santo Spirito

Posted in Romenieuws on 12 februari 2017 by romenieuws

De Via del Banco di Santo Spirito, die wandelaars van de Corso Vittorio Emanuele II naar de Ponte Sant’Angelo en de Engelenburcht voert, heette vroeger de ‘Canale di Ponte’ omdat de straat bij de vele overstromingen van de Tiber destijds regelmatig letterlijk in een kanaal veranderde. Op de Arco dei Banchi naast huis nr. 47 in deze straat, zie je op de linkerzijde van deze boog een heel oude inscriptie in gotische letters die aangeeft hoe hoog het water in Rome steeg in het jaar 1276. Een plezante voorbijganger kraste honderden jaren geleden zijn naam eveneens in het marmer, helemaal bovenaan de steen, we lezen: ‘1640 Giovan Lupo’.

Deze boog was ooit de toegangspoort tot het eerste bankkantoor van de uit Siena afkomstige Agostino Chigi (1465-1520). Chigi, afkomstig uit een prinselijk geslacht uit Siena behoorde tot de allerhoogste kringen, was de rijkste handelsbankier in Europa en had ruim honderd kantoren van Caïro tot Londen. Dat was in die tijd een ongelooflijke prestatie. Men noemde hem ‘de grote koopman van de christenheid’ omdat hij hier jarenlang de pauselijke tiara als onderpand hield voor een lening van 40.000 goudstukken aan Julius II (1503-1513).

Deze lening werd weliswaar nooit terugbetaald, want de gefrustreerde paus liet de tiara uiteindelijk terughalen door zijn soldaten. Als compensatie stond Julius II della Rovere de bankier toe om het della Rovere-familiewapen, een gouden boom op blauwe achtergrond, in zijn eigen wapenschild, zes gestileerde gouden bergjes met daarboven de ster van Bethlehem op een rood veld, op te nemen. Het is het schild dat bijvoorbeeld nog steeds te zien is op de colonnade van het Sint Pietersplein, waarvan de opdrachtgever paus Alexander VII, in Siena werd geboren als Fabio Chigi. De bewuste tiara bestaat niet meer want het kostbare stuk werd eeuwen later gesmolten om de herstelbetalingen aan Napoleon te betalen.

Agostino Chigi kan worden omschreven als de grootste mecenas van de hoge renaissance. Zijn grafkapel, de Chigi-kapel in de Santa Maria del Popolo op het gelijknamige plein in Rome, werd omstreeks 1512 ontworpen door Rafaël en in 1516 voltooid. De kapel wordt bekroond door een koepel. Ondanks enkele latere toevoegingen, waaronder twee beeldengroepen door Bernini, is het interieur een schitterend voorbeeld van de architectuur van de hoge renaissance.

De toenmalige concentratie aan financiële instellingen in de Via del Banco di Santo Spirito ontstond in (de aanloop naar) het Heilig Jaar 1400. De opkomst van pelgrims was zo groot dat er in Rome een voedseltekort was en er ziektes uitbraken. De paus decreteerde daarom dat de pelgrims slechts vijf dagen in de stad moesten blijven om hun verhoopte aflaat te verdienen.

Cosimo de’ Medici, de bankier van de paus, kwam vervolgens op een briljant idee. Hij liet herdenkingspenningen slaan en bood ze te koop aan op ‘banchi’ die hij langs deze straat liet zetten waarlangs de pelgrims richting Vaticaan trokken. Het succes was enorm en door de gigantische hoeveelheid geld die er werd omgezet, raakt de hele wijk al gauw bekend als het financiële centrum van de stad. Het was dus geen toeval dat ook Agostino Chigi enkele decennia later precies hier zijn kantoor opende.

Aan de overkant van de Via del Banco di Santo Spirito (eigenlijk aan de Vicolo del Curato) zie je op een bepaald moment de mooie gevel van de Chiesa dei Santi Celso e Giuliano. De kerk dateert officieel uit de negende eeuw en werd herbouwd in de zestiende eeuw. Nog niet zolang geleden werd ontdekt dat de oorspronkelijke kerk nog veel ouder is en in 432 werd ingewijd door paus Celestinus I. Dat betekent dat we vandaag de derde versie van dit kerkgebouw zien.

Ze heeft de uitstraling van een kleine basiliek, het interieur is mooi en elegant. Boven het altaar hangt een indrukwekkende ‘Christus in glorie’ van de toen nog jonge Pompeo Batoni (1708-1787). Batoni (ook wel geschreven als Battoni) was een verfijnde voorloper van het neo-classicisme, maar hij bleef bekend als de beste portrettist van vooral de zogenaamde ‘Grand-Tour’-bezoekers.

Enkele van zijn werken zijn zeer bekend, zoals het portret van generaal Gordon uit 1766. De generaal werd geportretteerd op de Palatijn, met het Colosseum op de achtergrond. Hij is volledig uitgedost in kleurige Highland-kledij, compleet met Schotse kilt. Een uniek en enigszins hilarisch tijdsbeeld. Het doek is nu te zien in Fyvie Castle in Schotland. Pompeo Batoni schilderde drie pausen en zowat alle vorsten van zijn tijd. In de derde kapel rechts bevindt zich een fraai houten kruisbeeld.

Ook de beroemde kunstenaar Michelangelo (1475-1564) woonde vanaf 1544 tot 1546 in de Via del Banco di Santo Spirito. Hij woonde in palazzo Gaddi op nr. 42, dat vandaag de ambassade van Argentinië onderdak geeft. Een tijdlang werd het gebouw ook palazzo Nicolini en palazzo Amici genoemd, naar de eigenaars die er toen woonden.

De Italiaanse dichter en humanist Annibale Caro heeft hier eveneens verbleven. Hij was afkomstig uit de buurt van Ancona en trad als leraar in dienst bij de familie Gaddi, die toen nog in Firenze verbleef. Luigi Taddeo Gaddi, alweer een bankier uit Firenze) kocht het gebouw in 1518 dat vanaf toen zijn naam kreeg. Annibale Caro ligt begraven in de San Lorenzo in Damaso. De binnenplaats van palazzo Gaddi is zeer mooi. Bankier Chigi liet de versieringen uit de vroege zestiende eeuw aanbrengen.

Op nr. 1 van de Via dei Banchi Nuovi bouwde Carlo Maderno in 1601 voor zichzelf een huis. Ook Benvenuto Cellini (1500-1571) woonde in deze straat, hij was een maniëristisch beeldhouwer maar tevens een onovertroffen goudsmid, beeldhouwer, medaillemaker, bronsgieter en schrijver. Paus Paulus III Farnese kwam hier vaak zijn atelier bezoeken. In zijn memoires geeft Cellini een levendige beschrijving van deze buurt. Reeds in 1514 ging hij in de leer bij de goudsmid Antonio di Sandro, beter bekend onder zijn schuilnaam Marcone. In dienst van paus Clemens VII vervaardigde Cellini medailles en stempels voor deze kerkvorst, later werd hij onder diens opvolger Paulus III stempelsnijder bij de munt.

Na muntmeester geweest te zijn van Alexander de’ Medici, vertrok Cellini in 1540 naar het hof van Frans I van Frankrijk, voor wie hij het beroemd geworden gedreven gouden zoutvat vervaardigde (1539-1543, Kunsthistorisches Museum Wenen). Er ontstond grote opschudding toen dit wereldberoemde zoutvat in 2003 werd gestolen uit het museum. Het werd teruggevonden in 2006. In 1545 keerde Cellini terug naar Italië en trad hij in dienst van Cosimo I de’ Medici. Tot zijn belangrijkste werken uit die periode behoren de enorme Buste van Cosimo I (1544-1547, Bargello, Florence), een groot crucifix (1562, Escoriaal, Madrid) en de vermaarde Perseus (1553, Loggia dei Lanzi, Florence). Cellini’s maniëristische beeldhouwwerken zijn zeer gedetailleerd uitgevoerd.

Het was overigens in een zijstraat tussen de Via dei Coronari en de Tiber dat hij zijn vriendin Pantasilea, een topcourtisane, betrapte met zijn vriend Luigi, een dichter. Cellini trok zijn degen en bij het gevecht verwondde hij beide. Bij een volgend incident in de Via Giulia viel er een dode en werd Cellini ter dood veroordeeld. Maar de kunstenaar had veel geluk. Omdat de dag nadien een nieuwe paus verkozen werd, gold er een algemene amnestie en kon Cellini vrijuit gaan.

In de Italiaanse letteren neemt Cellini een bijzondere plaats in wegens zijn klassiek geworden Vita di Benvenuto Cellini (begonnen in Firenze, 1558; handschrift in de Biblioteca Laurenziana, Firenze, 1ste editie 1728), de eerste belangrijke autobiografie in Italië. Het relaas is niet altijd betrouwbaar, maar geeft niettemin een boeiend tijdsbeeld. Hector Berlioz baseerde er zijn opera Benvenuto Cellini (1838) op.

Het gebouw dat de hoek vormt tussen de Via dei Banchi Nuovi en de Corso Vittorio Emanuele, net voorbij het plein, is het palazzo del Banco di San Spirito. Het gebouw werd ontworpen door Antonio da Sangallo de Jongere. De bank werd in 1605 opgericht door paus Paulus V (Borghese). Om geld binnen te halen voor zijn bank stelde hij de bezittingen van het nog steeds bestaande ziekenhuis Santo Spirito in Sassia als borg. Vandaag maakt de Banco di Santo Spirito deel uit van de Banco di Roma.

Hier vlakbij, in de Via dei Banchi Nuovi, woonde in de zestiende eeuw een fantastische en losbandige figuur die paus Clemens VII bijna een hartaanval bezorgde en die meer dan eens op de vlucht moest slaan na alweer een machtshebber tot wanhoop te hebben gedreven, of nadat een razende kardinaal hem wilde vermoorden na een publicatie van een satirisch pamflet.

Over deze satiricus en kunstcriticus, die ook weleens wordt beschouwd als de ‘vader van de journalistiek’, maar die zich evenmin schaamde om de hoge adel te chanteren met een pittige publicatie, lees je meer in een volgende bijdrage. Hij slaagde er op een bepaald moment zelfs in om de paus in heel Europa naar porno te laten speuren.

De taal van de liefde, van Ovidius tot Madonna en Shakira

Posted in Romenieuws on 10 februari 2017 by romenieuws

In 2017 is het precies 2000 jaar geleden dat de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso stierf. Ovidius is dé dichter van de liefde in het oude Rome. Hij debuteerde met een bundel liefdesgedichten en in zijn beroemde Metamorfosen speelt eros een centrale rol. Ovidius tartte Augustus en diens strenge gezinspolitiek door een frivool, zogenaamd leerdicht over de (vrije) liefde te schrijven: de Kunst van de liefde. Misschien had zijn latere verbanning daarmee te maken.

We zijn 2000 jaar verder en Patrick De Rynck probeert een gewaagde oefening uit. Hij kijkt naar de taal van de liefde zoals we die van Romeinse dichters kennen en maakt een grote sprong voorwaarts: hoe zit het vandaag met de concepten, woorden en beelden die we voor ‘de liefde’ gebruiken in onze love songs? Herkennen we in dat populaire genre de taal van Romeinen als Ovidius, Catullus en anderen? Of zijn de talen van de liefde onherkenbaar veranderd? Zou Ovidius begrijpen hoe Dylan, Madonna en Beyoncé over liefde zingen? Dankzij de liefde komen we dus uit op de vraag: hoe anders of hoe herkenbaar zijn de Romeinen, hun cultuur en hun emoties voor ons? Net als bijvoorbeeld humor is liefde een gedroomde ingang om dat te gaan ontdekken.

Patrick De Rynck is de auteur, vertaler en samensteller van een groot aantal boeken waarin de oudheid en beeldende kunst de hoofdrol spelen. Momenteel werkt hij aan een ambitieus werk waarin hij nagaat hoe het in onze tijd en in heel diverse facetten van ons leven staat met de dialoog die we sinds 2000 jaar met de oudheid voeren.

  • De taal van de liefde, van Ovidius tot Madonna en Shakira
  • Donderdag 16 februari om 20 uur
  • Auditorium Gallo-Romeins Museum,
    Kielenstraat 15, 3700 Tongeren (België)
  • Toegang: 5 euro

De verdwenen nasoni in Rome zijn niet echt weg

Posted in Romenieuws on 10 februari 2017 by romenieuws

Romebezoekers kennen ze allemaal: de befaamde nasoni of neuzen, de cilindervormige waterverschaffers die je op haast elke straathoek en op elk plein aantreft. We schreven er al verschillende keren over. Nasoni worden zo genoemd omwille van de typische gebogen ijzeren tuit, die een beetje lijkt op een grote neus.

Dankzij deze fonteintjes is er in de hele stad steeds een overvloed aan heerlijk, fris en drinkbaar water beschikbaar en hoef je eigenlijk nooit water te kopen. De jongste maanden blijkt dat op heel wat plaatsen, ook drukbezochte, zoals de Campo de’ Fiori, verschillende nasoni uit het straatbeeld verdwenen zijn. Er werd daarover in de gemeenteraad van Rome een vraag gesteld.

Moeten we ons zorgen maken? Neen, er is niets aan de hand. De gietijzeren drinkwaterfonteintjes krijgen gewoon een flinke onderhoudsbeurt en die kan een hele tijd aanslepen. Het kan dus inderdaad gebeuren dat zo’n fonteintje enkele maanden uit het straatbeeld verdwijnt. De dienst Openbare Werken van de stad Rome verzekert ongeruste inwoners en toeristen dat alle nasoni na reiniging en eventueel herstel zullen worden teruggeplaatst.

De nasoni zijn zodanig populair dat er verschillende stadsplannetjes (waaronder een officieel van de watermaatschappij Acea), boekjes en zelfs diverse apps bestaan om de dichtstbijzijnde fonteintjes te lokaliseren. Niet dat je lang moet zoeken. Zeker in het historisch centrum vind je op vrijwel elk plein en in elke straat wel een drinkwaterfonteintje.

Die leveren elk ongeveer 5 m³ drinkwater per dag, dat is 1.825 m³ per jaar. Het water wordt gerecupereerd en nadien gebruikt in de tuinbouw, door wasserijen en voor andere doeleinden waarvoor het – niet langer drinkbare – water nuttig kan zijn. De fonteintjes zijn ondergronds verbonden door een waterleidingnetwerk van zowat 130 kilometer.

Eén van de oudste fonteintjes, zoniet hét oudste, dateert uit 1872 en bevindt zich op Piazza della Rotonda, vlak voor het Pantheon. De meeste zijn gemaakt van gietijzer, al bestaan er ook nog modellen uit travertijn. Zeldzame exemplaren uit de beginjaren zijn de fonteintjes met drie tuiten, zoals er bijvoorbeeld in de Via della Cordonata en de Via delle Tre Canelle nog staan. Dergelijke nasoni zijn er dus vrijwel niet meer. Je mag het ons altijd signaleren indien je ergens in Rome nog zo’n exemplaar weet staan. Ook foto’s zijn zeker welkom.

De Via della Cuccagna

Posted in Romenieuws on 8 februari 2017 by romenieuws

Over hoeden gesproken: in de smalle Via della Cuccagna, een straatje dat vanaf Piazza Navona en na het oversteken van de Corso Vittorio Emanuele, dagelijks duizenden wandelaars langs palazzo Braschi en de Chiesa di San Pantaleo naar Campo de’ Fiori leidt (of andersom) vindt men sinds 1857 ook de kleine maar wereldberoemde hoedenwinkel van Troncarelli. In een laatste bijdrage over deze buurt ( (zie onze recente berichten) hebben we het over de straat van Luilekkerland.

De Chiesa di San Pantaleo wordt begrensd door de Via della Cuccagna en de Vicolo della Cuccagna, namen die verwijzen naar de ‘albero della cuccagna’, de legendarische boom van het befaamde kokanje of luilekkerland, maar in vroegere eeuwen de naam van een hoge, gladgemaakte paal waar men moest inklimmen om de lekkernijen die bovenaan waren opgehangen te bemachtigen.

In Rome en wellicht ook elders, waren deze lekkernijen of ‘kokinje’ oorspronkelijk balletjes gesmolten geraffineerde suiker, later ook gezouten. Het waren deze balletjes die hun naam aan het oude volkse kermisspel cocagna gaven, waarbij men op een hoge, op vier gladde, met zeep of vet ingesmeerde palen rustende stelling, lekkernijen gereed hield voor wie het lukte deze te bereiken.

Kokanje is de tegenwoordig minder gebruikelijke naam voor Luilekkerland. Kokanje was ook de naam die de Nederlandse predikant en dichter Petrus Augustus De Genestet (1829-1861) in zijn Sint-Nikolaasavond (1849) gebruikte ter aanduiding van een denkbeeldig land in het algemeen. Hij noemde Luilekkerland het Land van Kokanje. De Genestets werk was in de negentiende eeuw zeer populair; het is zowel ernstig en geestig, ironisch als weemoedig.

De naam ‘kokanje’ is een vrijblijvende vertaling van het Franse ‘Pays de cocagne’, dat al sinds de twaalfde eeuw in dezelfde betekenis voorkomt en letterlijk ‘koekenland’ betekent, van cocagnes, een soort kegelvormige koeken. In Italië werd vanaf dezelfde periode dezelfde betekenis gehecht aan het woord cuccagna.

Luilekkerland is de naam van een fictief land, waar de gebraden duiven iemand in de mond vliegen, de reeds gebraden speenvarkens met mes en vork in de rug rondlopen, klaar om gegeten te worden, en dat men slechts kon betreden door zich doorheen een berg met rijstpap te eten. De voorstelling van dit fabelland is als een parodie te beschouwen van de mythen van het verloren paradijs en de gouden eeuw.

Reeds bij de Griekse komedieschrijvers uit de vijfde eeuw v. Chr. vindt men komische beschrijvingen van de gouden eeuw van Kronos, waarin men allerlei elementen aantreft die later, in de vele middeleeuwse beschrijvingen van Luilekkerland, opnieuw zouden opduiken.

De klucht van de Duitse meesterzanger Hans Sachs, Das Schlaraffenlandt (1530), werd als Van ’t Luye lecker landt (1546) in proza vertaald en is later in deze vertaling in de bundel Veelderhande geneuchlicke dichten (1600) opgenomen. Ook in latere tijden is dit onderwerp herhaaldelijk in liederen beschreven en op volksprenten uitgebeeld. Het is ook opgenomen onder de sprookjes van Grimm (nr. 158) en in het oeuvre van Bruegel.

Behalve de naam verwijst vandaag niets in de Via della Cuccagna nog naar deze verhalen. Je kan er wel terecht in een paar horecazaken, maar naast hoedenmaker Troncarelli, een vestiging van de lederwarenzaak La Sella, een souvenirwinkel en een paar straatverkopers, is er in deze drukke voetgangersstraat weinig te beleven. De straat kreeg in de loop der eeuwen enkel een functie als snelle verbinding tussen twee populaire pleinen en behield die tot vandaag.

De Chiesa di San Pantaleo

Posted in Romenieuws on 7 februari 2017 by romenieuws

Vlak naast palazzo Braschi, waarin vandaag het Museo di Storica Roma is ondergebracht en waar nog tot 7 mei een tentoonstelling rond Artemesia Gentileschi te bezoeken is (zie onze twee vorige nieuwsbrieven) bevindt zich op Piazza San Pantaleo de Chiesa di San Pantaleo. Hoewel ze op de erg drukke wandelroute van en naar Piazza Navona / Campo de’ Fiori ligt, wordt deze kerk nauwelijks bezocht door toeristen. De naam verwijst naar de arts Pantaleo die op bevel van zijn patiënt keizer Maximianus (286-305) werd doodgemarteld.

De kerk werd gesticht vóór 1100 maar tijdens de zeventiende eeuw herbouwd toen ze werd overgenomen door de orde van de Piaristen. De gevel uit 1806 werd toegevoegd door de Franse architect en stedenbouwkundige Giuseppe Valadier, die in Rome een nieuwe periode van classicisme introduceerde en daarbij de nodige afstand wist te nemen van zijn tijdgenoten uit het einde van de achttiende eeuw, toen de meeste architecten en ontwerpers weliswaar verdienstelijk werk afleverden, maar vooral louter schoolse volgers waren van een stijl die niet uit de boeken loskwam. Valadier ontwierp in Rome onder meer Piazza del Popolo.

De San Pantaleo heeft een behoorlijk mooi marmeren interieur en het plafond werd enigszins geïnspireerd door dat van de indrukwekkende Sant’ Ignazio. In de eerste kapel rechts bevindt zich een merkwaardige achttiende-eeuwse voorstelling van ‘Christus aan het kruis met Maria Magdalena’, gemaakt door een onbekende meester.

Onder het hoogaltaar bevinden zich in een porfieren tombe de resten van de stichter van de orde, de Spanjaard José de Calasanz (in Italië San Giuseppe Calasanzio), die leefde van 1557 tot 1648. De latere Spaanse heilige arriveerde in 1592 als priester in Rome en richtte richtte in 1597 de eerste kosteloze lagere school op die gratis was voor alle kinderen en zich vooral richtte tot de verwaarloosde jeugd. ‘Chi non ha spirito per insegnare ai poveri, non ha la vocazione del nostro Istituto’ schreef de stichter in 1630.

De school werd ‘scuole di pietà e lettere’ genoemd wat in de loop der tijden evolueerde tot ‘scuole di pie’ en later tot ‘scolopi’, wat tot vandaag de volkse naam voor de congregatie werd, de officiële naam is ‘ordo clericorum regularium scholarum pauperum’. In de angelsaksische landen leidde ‘scuole di pie’ tot de orde van de ‘Piarists’ of ‘Piaristen’.

Tevens stichtte hij een genootschap van priesters voor het onderwijs, de Ordo piarum scholarum, gewoonlijk Piaristen of Scolopi genaamd. Hij ondervond tal van moeilijkheden in zijn eigen orde orde en van het Vaticaan. In 1767 werd Calasanzio heilig verklaard (zijn feestdag is 27 augustus) en in 1948 werd hij door Pius XII aangewezen als ‘celeste patrone di tutte le scuole populari cristiano’. De orde telt vandaag ongeveer 1.400 religieuzen en beheert scholen en kloosters in 34 landen verdeeld over vier continenten.

In het hier vlakbij gelegen klooster (nr. 1 van het zijstraatje naar de kleine Piazza dei Massimi), kan je mits even aan te bellen de kamers bezoeken waar de heilige vroeger heeft geleefd. De paters zijn voor het merendeel Spanjaarden of Latijns-Amerikanen. In de kamers bevindt zich onder meer nog de driehoekige hoed van de stichter, maar vooral het romantische geheel van de omgeving is best aantrekkelijk.

Lezingen voor kinderen in Gallo-Romeins Museum

Posted in Romenieuws on 5 februari 2017 by romenieuws

Binnnekort gaat in het Gallo-Romeins Museum van Tongeren de lezingenreeks ‘Spraakmakkers’ weer van start. De doelgroep zijn kinderen tussen 8 en 12 jaar oud. Enthousiaste sprekers brengen de jongelui in de ban van het verre verleden. Er is veel ruimte voor vragen en ook leergierige ouders zijn welkom. Drie zondagvoormiddagen vertelt een archeoloog over een boeiend thema uit de Romeinse cultuurwereld: gepassioneerd, to-the-point en toegankelijk. Alle lezingen hebben een link met de lopende tentoonstelling Timeless Beauty. S.P.Q.R. organiseert op 1 mei voor twee groepen van telkens 20 tot 25 deelnemers een begeleid bezoek met gids aan deze tentoonstelling.

Dit jaar zijn in ‘Spraakmakkers’ de volgende sprekers te gast: Toon Sykora (Egyptoloog), Annemarieke Willemsen (conservator van het Rijksmuseum van Oudheden), en Dorothee Olthof (archeologe). Toon Sykora weet alles over de schoonheid van Cleopatra. Annemarieke Willemsen vertelt over hoe Romeinse kinderen vroeger speelden. Dorothee Olthof geeft Romeinse schoonheidsgeheimen prijs. De lezingen vinden plaats respectievelijk op 19 februari, 2 april en 23 april 2017 en starten stipt om 11 uur. Uiteraard zijn ook ouders meer dan welkom. Reserveren is niet nodig. De toegang is gratis.

Zondag 19 februari 2017
Als Cleopatra zo mooi
door Toon Sykora

Cleopatra … zegt die naam jou wat? Inderdaad: ze was koningin van Egypte toen de Romeinen haar land veroverden. Maar ze stond ook wereldwijd bekend om haar schoonheid. Hoe zag ze er dan uit? Waarom vonden de Egyptenaren haar zo knap? Hadden de Romeinen dezelfde smaak? En andere vrouwen uit die tijd: hoe was hun look? Waarom lieten ze zo graag portretten maken? Boeiende vragen waarop Egyptoloog Toon Sykora verrassende antwoorden geeft. Een verhaal over schoonheid dat begint bij … het grafportret van een Romeinse vrouw in Egypte.

Zondag 2 april 2017
Kinderspeelgoed bij de Romeinen
door Annemarieke Willemsen

De geschiedenisboeken vertellen bitter weinig over Romeinse kinderen. Dringend tijd om daar iets aan te doen. Benieuwd hoe jouw Romeinse leeftijdsgenoten leefden en speelden? Dr. Annemarieke Willemsen flitst je terug naar hun kindertijd. Met dank aan vlijtige archeologen die heel wat Romeinse speeltjes opgroeven: van tinnen soldaatjes, beweegbare poppen, houten tollen en gekleurde ballen tot paarden op wielen. Zin om mee te spelen?

Zondag 23 april 2017
Schoonheid op z’n Romeins: tips en trucjes
Door Dorothee Olthof

Parfum, poeders en zalfjes. Een wit gezicht, rode wangen, zwart omrande ogen, blauwe of groene oogschaduw. De Romeinse schoonheidsspecialisten zouden ook vandaag nog vlot aan de slag kunnen. Wil jij graag weten hoe de Romeinse schonen zich opmaakten? En wat ze in hun make-updoos propten? Archeoloog Dorothee Olthof geeft alle Romeinse schoonheidsgeheimpjes prijs. Een hippe lezing waarbij je je ogen, oren én neus de kost geeft.