De privétrein van de paus

Posted in Romenieuws on 11 juni 2017 by romenieuws

We schreven al eerder over de frisse wind die sinds enige tijd doorheen de Centrale Montemartini waait (zie onder meer onze bijdrage De pop van Crepereia Tryphaena). In dit fraaie maar minder bekende museum aan de Via Ostiense 106 zijn tot tenminste 31 december 2020 enkele rijtuigen te bewonderen die omstreeks 1858 deel uitmaakten van de privétrein van paus Pius IX. Een nieuwe renovatiefase van de voormalige elektriciteitscentrale maakte de opening van een nieuwe zaal mogelijk. In deze Sala del Treno komen nu als permanente tentoonstelling de pauselijke wagons te staan die zich eerder in het Museo di Roma Palazzo Braschi bevonden.

Giovanni Maria Mastai-Ferretti, alias Pius IX (1846-1878), was de paus die een fundamentele rol zou spelen in de ontwikkeling van het (latere) Italiaanse spoorwegnet. Al vanaf het begin van zijn pontificaat begon hij met de aanleg van een aantal spoorlijnen waardoor de belangrijkste centra van de Pauselijke Staat met elkaar verbonden werden.

Dat deed de paus uiteraard ook uit eigenbelang: reizen per trein was in die tijd niet alleen een echte luxe, maar vooral ook sneller en veiliger. Dat de tijden ook toen al snel konden veranderen, bewijst het feit dat paus Gregorius XVI in 1840 de komst van de spoorwegen nog omschreef als “volkomen tegennatuurlijk” en treinen veroordeelde als “het verdorven werk van Satan”.

De Pauselijke of Kerkelijke Staat bestond uit een aantal gebieden die zich onder directe soevereine heerschappij van het pausdom bevonden. Op zijn hoogtepunt besloeg deze staat het grootste deel van de moderne Italiaanse regio’s Romagna, Marche, Umbrië en Lazio. In de vroege negentiende eeuw hoorden de pauselijke staten van Centraal-Italië tot de meest achtergebleven gebieden van het land. Het waren middeleeuwse miniatuurstadjes, die behoorlijk ver stonden van de manier van leven elders in Europa.

Paus Gregorius XVI (1831-1846) realiseerde zich dat door de komst van de trein mensen zich alsmaar meer zouden gaan verplaatsen, van hun woning naar een verre werkplek of van de ene stad naar een andere. Daardoor zouden ze volgens de paus het contact verliezen met hun eigen plek in de wereld. Zonder het toeziende oog van ouders, partners of kinderen (en niet te vergeten de plaatselijke dorpspastoor of parochieherder) zouden mannen en vrouwen wellicht dubbele levens beginnen leiden.

De mensen zouden volgens Gregorius XVI het besef van hun eigen identiteit verliezen en niet langer weten wie ze echt waren of waar ze zouden moeten zijn. Treinen om snelle verplaatsingen van de ene naar de andere realiteit te maken waren dus tegennatuurlijk, net zoals woekerrente, godslastering en homoseksualiteit tegennatuurlijk waren in Dantes Inferno. Een trein was gewoon een verleiding om iets anders te worden dan God met zijn schepselen voorhad.

De opvolger van Gregorius XVI, paus Pius IX, was in meer dan één opzicht een opmerkelijk man. Hij was paus van 1846 tot 1878 en geldt daarmee na Petrus (35 jaar) als de langstzittende paus in de geschiedenis. Onder Pius IX kwam een einde aan de wereldlijke macht van de paus, waarbij de rooms katholieke kerk het bestuur over de gehele Kerkelijke Staat, inclusief de stad Rome, kwijtraakte aan het in 1861 ontstane koninkrijk Italië.

In 1854 kondigde Pius IX het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria af. Als hoofd van de Kerk riep Pius het Vaticaans Concilie (1869-1870) bijeen, waarop de onfeilbaarheid van de paus als dogma werd goedgekeurd. Tijdens zijn lange pontificaat werden 206 nieuwe bisdommen of vicariaten opgericht. Vanaf 1870 beschouwde Pius zich als de gevangene van het Vaticaan en zou hij elke samenwerking met de Italiaanse staat afwijzen.

De eerste officiële spoorlijn was Rome – Frascati (lijn Pio – Latina); de inhuldiging gebeurde op 7 juli 1856. De route van ongeveer 19 km kon worden afgelegd in een half uur. In 1859 opende de lijn Rome – Civitavecchia (PioCentrale), met een lengte van 73 km en in 1862 volgde de lijn Rome – Velletri – Ceprano. De eerste treinreis maakte Pius IX op 3 juli 1859.

De locomotief met de luxueuze rijtuigen vertrok vanaf het station Porta Maggiore, toen het eindpunt van de pauselijke spoorwegen, de trein bereikte het station van Cecchina (Albano Laziale). Na 1870 werden de pauselijke rijtuigen ondergebracht vlakbij station Termini, waar ze jarenlang bleven staan en ontdaan werden van de belangrijkste versieringen en ornamenten.

In 1911 kreeg het publiek nog eens een wagon te zien in Castel Sant’Angelo, dit ter gelegenheid van een tentoonstelling rond de viering van de vijftigste verjaardag van het Koninkrijk Italië. Daarna bleven ze in de opslag tot ze in 1930 een plaatsje kregen in een nu verdwenen museum aan de Via dei Cerchi, vlakbij de voormalige Pantanella-pastafabriek.

Op 2 augustus 1951 werden de pauselijke treinwagons overgebracht naar Palazzo Braschi, wat behoorlijk spectaculaire beelden opleverde in de straten van Rome. De wagons werden vervoerd met een speciale kar van tien meter lang en acht wielen die 3.000 ton konden dragen. Dat transport is uitvoering gedocumenteerd, de foto’s bevinden zich in de archieven van Palazzo Braschi.

Om de rijtuigen in het gebouw te kunnen krijgen, was het nodig om in de muur van het gebouw, aan de zijde van Piazza Navona, een grote opening te maken. De opening werd nadien weer dichtgemaakt en bleef gesloten tot juni 2008. Bij die gelegenheid werden de rijtuigen er langs dezelfde weg weer uitgehaald en overgebracht naar een niet publiek toegankelijk gedeelte van de Centrale Montemartini, dit in afwachting van de renovatie van de gebouwen die nu, ruim acht jaar later, eindelijk voltooid is.

De muuropening naar Palazzo Braschi aan Piazza Navona is er vandaag nog altijd en fungeert tegenwoordig als doorgang naar het binnenpleintje. In een gebouw op het binnenplein bevinden zich de ticketbalie en de boekwinkel van het museum.

Het eerste pauselijke rijtuig beschikt over een soort balkon van waarop de pauselijke zegen kon worden gegeven. Daarnaast is er de vergulde en met fluweel ingerichte troonzaal met aangrenzend een kleinere kamer waar de paus in alle rust kon verblijven. Het interieur wordt gedomineerd door de pauselijke kleuren wit en geel. Hier en daar vind je het pauselijke embleem.

De derde wagon fungeerde als kapel. Het was een gewijde ruimte waar de paus een eucharistieviering kon houden tijdens één van zijn reizen. De rijtuigen werden gebouwd in Parijs door de firma’s Delettrez en de Compagnie Générale de Matériels Chemis de Fer.

Die toestand van koude oorlog tussen de Heilige Stoel en de Italiaanse staat zou blijven duren tot 1929, toen de Italiaanse staat van Il Duce Mussolini en het Vaticaan, het bekende Verdrag van Lateranen sloten. Daarbij kreeg de paus zijn wereldlijke gezag terug, maar dan wel beperkt tot een heel klein stukje grondgebied, namelijk de 44 hectare van Vaticaanstad in Rome.

Het Verdrag regelde een heleboel praktische zaken en de aansluiting van Vaticaanstad op het Italiaanse spoorwegnet was daar één van. De Italiaanse staat verbond zich ertoe een aansluiting op het Vaticaanse spoorwegnet te voorzien en een station te bouwen binnen de muren van Vaticaanstad.

De bouw van de Vaticaanse spoorlijn begon op 3 april 1929, in maart 1932 volgden de eerste testritten. De officiële inhuldiging gebeurde op 2 oktober 1934. De aftakking van het Romeinse station San Pietro (een gewoon spoorwegstation vlakbij het Vaticaan, maar niet te verwarren met het pauselijke station) naar het station van Vaticaanstad is welgeteld 862 meter lang, waarvan zich amper 100 meter spoorlijn binnen de muren van Vaticaanstad bevinden.

Het spoor loopt letterlijk door de muur: er is een doorgang gemaakt in de Leonische muur rond Vaticaanstad. De tunnel is 95 meter lang. Een dubbele metalen poort van 35 ton sluit de toegang af. Die poort wordt enkel weggerold wanneer een trein binnen of buiten moet rijden, wat tegenwoordig eigenlijk vrij zelden gebeurt. Er worden af en toe op onregelmatige tijdstippen nog weleens goederenwagons gelost.

De laatste keer dat de paus per trein vertrok, was in 1979, toen hij een bezoek bracht aan enkele duizenden spoormannen in een rangeerstation in het noordoosten van de stad, vlakbij station Nuovo Salario. Zoals verteld waren niet alle pausen even gelukkig met de komst van de spoorwegen in Italië en de rest van de wereld.

Het Vaticaan heeft overigens nooit een eigen trein gehad, ze huren er eentje wanneer nodig van de Italiaanse spoorwegen. Bij diverse gelegenheden in het verleden kreeg de paus al wel eens een luxueuze treinwagon als geschenk. Die wagons bevinden zich in de Vaticaanse archiefruimtes.

Het stationsplein in Vaticaanstad is 370 meter lang. Hier vlakbij bevindt zich ook de pauselijke helihaven. Vandaag hebben helikopters de pauselijke treinen volledig vervangen. Het Vaticaanse stationsgebouw werd in 1929 ontworpen door ingenieur Giuseppe Momo, de vaste architect van paus Pius XI, en ingehuldigd in 1933.

Het is ongeveer 60 bij 21 meter groot en 17 meter hoog. Het is eigenlijk een enorme wachtzaal in marmer, abnormaal groot voor dit wel bijzonder beperkte spoorwegnet. Tijdens Wereldoorlog II sloeg een Britse vliegtuigbom vlak voor het gebouw in maar richtte nauwelijks schade aan. Het gebouw is weelderig ingericht en rijkelijk bekleed met marmer en ander kostbaar gesteente. De ontwerper moest er immers rekening mee houden dat hier regelmatig belangrijke gasten zouden arriveren, waarop zoveel mogelijk indruk moest worden gemaakt. De buitenzijde van het station is bekleed met travertijn, met uitzondering van de beide zijvleugels.

De bovenverdieping fungeert tegenwoordig als commercieel centrum van het Vaticaan. Er is ondermeer een winkel in ondergebracht waar diplomaten, kardinalen en belangrijke bezoekers belastingvrij allerlei luxegoederen kunnen kopen. Ook het Ufficio Filatelico e Numismatico, dat zich bezighoudt met de munten- en postzegelverkoop voor verzamelaars bevindt zich hier.

De nieuwe tentoonstellingsruimte in de Centrale Montemartini is uitgerust met drie multimedia werkstations en een videoinstallatie. De expo wordt vervolledigd met foto’s die de geschiedenis van de pauselijke trein illustreren en documenten die een gedetailleerde beschrijving van het interieur geven.

www.centralemontemartini.org

De goudschat van Lienden en het einde van het Romeinse gezag in Nederland

Posted in Romenieuws on 9 juni 2017 by romenieuws

Archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) presenteerden in Museum Het Valkhof in Nijmegen een unieke goudschat uit het derde kwart van de vijfde eeuw. De schat zal omstreeks 460 na Chr. zijn begraven, niet lang vóór de definitieve val van het West-Romeinse rijk in 476. De goudschat is vanaf nu in het museum te zien.

Amateurs met een detector vonden het goud in een boomgaard in de Betuwe en seinden professionele archeologen in, die voor de opgraving zorgden. Bijzonder is dat de vinders en de grondeigenaar de goudschat in langdurig bruikleen afstaan aan Museum Het Valkhof, zodat iedereen deze bijzondere vondst kan bekijken. Archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans van de Vrije Universiteit Amsterdam en Jos Bazelmans, hoofd archeologie van de RCE, belichtten de betekenis van deze goudschat als een sleutelstuk voor onze kennis van de eindfase van het Romeinse gezag in Nederland en de overgang naar de Vroege Middeleeuwen.

De Vrije Universiteit heeft vanaf de zomer van 2016 een meldpunt geopend voor archeologische vondsten gedaan door privé-personen die zoeken met een metaaldetector, genaamd PAN, wat staat voor Portable Antiquities of the Netherlands. Al in de eerste maand kwam er een melding van een opmerkelijke vondst van 23 gouden Romeinse munten die in 2016 waren aangetroffen in een boomgaard in het Gelderse Lienden, gemeente Buren. Men kwam ook in contact met twee andere zoekers die al in 2012 op precies dezelfde plek acht gouden munten hadden gevonden, toen de akker machinaal werd voorbewerkt om als boomgaard te worden ingeplant.

De zoektocht werd voortgezet in de archieven. Het bleek namelijk dat in 1905 en in de jaren 1840 van de negentiende eeuw op hetzelfde perceel al een partij goudstukken is ontdekt die vrijwel zeker tot dezelfde schatvondst behoort. In 1846 meldt dominee Kist dat hij bij een bezoek aan Lienden een aantal gouden munten te zien kreeg welke op het perceel ‘Den Eng’ waren verzameld, destijds eigendom van de lokale grondheer Baron van Brakell. Kist noemt drie munten van Valentinianus, drie van Constantijn tn twee van Honorius.

Enkele jaren eerder had een Leidse archeoloog al een gouden munt van keizer Majorianus onder ogen gekregen. De locatie wordt niet genoemd, maar wel staat vermeld dat de munt in het bezit was van Baron van Brakell, eigenaar van hetzelfde perceel op ‘Den Eng’ waar in de negentiende eeuw en recentelijk de andere munten zijn ontdekt.

De munten zijn alle zogenoemde solidi, de Romeinse gouden standaardmunt uit de late vierde en vijfde eeuw. In totaal zijn nu 42 stuks bekend. Dit is echter een minimum aantal omdat de schatvondst zeker incompleet is. Onbekend blijft hoeveel munten in de jaren 1840 (en mogelijk al eerder?) gevonden zijn. De toen ontdekte munten zijn helaas niet meer te traceren.

Deze verzameling van tenminste 41 solidi uit Lienden bestrijkt een lange tijdsperiode tussen 375 en 457. 29 munten zijn geslagen in de late vierde of vroege vijfde eeuw: vijf van Valentinianus II; tien van Honorius; dertien van Constantijn III en één van Jovinus. Van enkele munten is niet exact bekend door welke keizer ze zijn geslagen. Verder zijn er munten uit het midden van de vijfde eeuw: één munt van Johannes, acht stukken op naam van Valentinianus III en tenslotte de jongste munt of sluitmunt van Majorianus. De munten van de schat zijn dus gespreid over een lange periode geslagen door verschillende keizers. Een dergelijke gemengde samenstelling blijkt kenmerkend voor alle Laat-Romeinse solidusschatten.

De Liendense schat is om twee redenen zeer bijzonder te noemen: Het is de grootste thans bekende solidusschat uit Nederland en het  blijkt de allerlaatste Romeinse muntschat die we uit Nederland en aangrenzende regio’s kennen. De sluitmunt is van keizer Majorianus, die regeerde van 457 tot 461. Dit betekent dat de schat rond 460 of kort daarna zal zijn begraven. Het West-Romeinse rijk eindigde in 476 toen de laatste keizer werd afgezet.

Naar aanleiding van de meldingen hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een kleine opgraving uitgevoerd, waarbij op de vondstplek van de munten een zone van ongeveer 75 m² werd onderzocht. Men wilde eerst weten of er nog meer munten of eventueel sieraden in de bodem aanwezig waren. Een tweede vraag was of de vondsten in een pot, buidel of andere container hadden gezeten. Tevens is het voor archeologen belangrijk om de aard van de vindplaats te kennen: was de schat begraven bij een huis in een nederzetting, bij een heiligdom, of wellicht bij een begraving meegegeven aan een persoon? Dit laatste was een serieuze optie, aangezien de vinder van 2016 ook onverbrand menselijk botmateriaal aantrof op de vondstplek van de munten.

Wat zijn nu de resultaten van deze opgraving? Er werden helaas geen nieuwe munten meer gevonden. Ook werden geen scherven ontdekt van aarden of metalen vaatwerk, hetgeen wellicht betekent dat de schat destijds in een buidel van leder of textiel is verborgen. Er zijn wel andere resultaten te melden. Dat betreft vooral de vondst van onverbrande botresten van drie menselijke individuen. In één geval kon nog worden vastgesteld dat de persoon met opgetrokken onderarmen iets op de zij was neergelegd.

Daarnaast was er een crematiegraf in de vorm van verbrande botten in een urn van aardewerk. Een verrassing volgde, toen de resultaten uit het laboratorium binnenkwamen; uit de radiokoolstofdateringen bleek dat de onverbrande botten dateren uit het begin van de Midden Bronstijd, ca. 1800 v. Chr. Dat is veel vroeger dan gedacht en betekent ook dat er dus zeker geen relatie is tussen de muntschat en de skeletresten. Het crematiegraf is jonger: waarschijnlijk uit de IJzertijd. Uit de Romeinse tijd en met name de Vroege Middeleeuwen is tenslotte wat los vondstmateriaal geborgen, niet gekoppeld aan sporen uit die periode. Dat suggereert dat het terrein in die tijd de periferie van een nederzetting vormde.

De Midden Bronstijd staat bekend als een periode waarin ook in het rivierengebied grafheuvels werden opgericht. Met de opgraving heeft men niet onomstotelijk kunnen vaststellen dat hier een grafheuvel lag, maar de aanwezigheid van een heuvel kan wel verklaren waarom iemand hier in de vijfde eeuw, ruim twee millennia later, een muntschat begraaft. Een dergelijke schat is doorgaans bedoeld om later nog eens terug te halen, en daarvoor moet de begraver in het landschap een herkenbaar punt uitkiezen. Een oude grafheuvel in de buurt van een nederzetting is dan een ideale plek om een schat te begraven, met de intentie die later weer op te halen. Dat laatste is echter nooit gebeurd, tenminste niet door de oorspronkelijke eigenaar.

De conclusie is dat de muntschat vermoedelijk is begraven in een oude, toen nog zichtbare grafheuvel uit de Midden Bronstijd. De directe aanleiding daartoe blijft onzeker. Het meest voor de hand liggend is een begraving uit veiligheidsoverwegingen in een crisissituatie, waarbij de keuze voor een oude grafheuvel als verstopplek mede kan zijn ingegeven door religieuze overwegingen. In ieder geval beschikken de onderzoekers dankzij de opgraving in Lienden nu over een goed gedocumenteerde Laat-Romeinse goudschat uit Nederland.

De Liendense schat dient begrepen te worden binnen de context van de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse rijk in de vijfde eeuw, uitmondend in zijn definitieve ondergang in 476. De toenemende afhankelijkheid van Germaanse groepen, waaronder in onze streken de Franken, speelde daarbij een belangrijke rol. Gouden munten ofwel solidi vormden het betaalmiddel bij uitstek waarmee Romeinse keizers vanaf de late vierde eeuw Frankische leiders beloonden in ruil voor militaire steun. Die leiders konden dan de munten weer distribueren onder hun eigen aanhang.

Keizer Aantal
Valentinianus II 375-392 5
Honorius 395-423 10
Constantinus III 407-411 12
Jovinus 411-413 1
Johannes 423-425 1
Valentinianus III 425-455 8
Valentinianus II/III 3
Maiorianus 457-461 1
Totaal 41

De Liendense schat zal – gezien de aanwezigheid van munten van Valentinianus III en vooral de sluitmunt van Majorianus – omstreeks of kort na 460 zijn begraven. Ondanks het grote aandeel van oudere solidi uit de late vierde en het begin van de vijfde eeuw in de schat, is het waarschijnlijk dat deze in één keer is ontvangen van een Romeinse gezagsdrager.

Uit Nederland en aangrenzende gebieden kennen we thans 27 Laat-Romeinse solidusschatten. Daarin tekent zich een duidelijk patroon af. Verreweg de meeste schatten zijn in het begin van de vijfde eeuw begraven. Uit die fase kennen we een hele serie goudschatten en losse solidi, zowel ten noorden als ten zuiden van de Rijn. De spreiding van deze goudvondsten reflecteert ultieme pogingen van het Romeinse gezag om vooral de Maas- en Rijnvallei te controleren en greep te krijgen op de hier woonachtige Frankische groepen. Er is in deze fase sprake van een duidelijke schathorizon en uit de datering van de muntschatten blijkt dat een substantieel deel van dit goud ten tijde van Constantijn III is binnengekomen. Daarna kennen we een viertal solidusschatten met munten geslagen tussen 425 en 445 onder Valentinianus III. De Liendense schat is van nog wat latere datum: rond 460.

De vraag is hoe we die extreem late instroom van Romeins goud moeten begrijpen. De instroom van een partij goud omstreeks 460 hangt waarschijnlijk samen met activiteiten van de West-Romeinse keizer Majorianus en diens generaal Aegidius in Gallië. Het meest plausibele scenario is dat Aegidius militaire steun vroeg van Frankische koningen in ruil voor goudbetalingen. Aegidius was legerleider in Gallië onder Majorianus. Als antwoord op voortdurende pogingen van Germaanse groepen om hun macht in Gallië te vergroten, ondernam hij in de zomer van 457 een veldtocht tegen de Ripuarische Franken  waarbij Keulen ontruimd moest worden.

De Ripuarische Franken waren een Germaans stamverband van Frankische stammen die aan rivieren (onder andere de middenloop van de Rijn) woonden. Hun naam Ripa betekent dan ook oever in het Latijn. De Tencteren, Sugambriërs, Cherusken en Chatten worden er gewoonlijk toe gerekend. Hun gebied werd Francia Rinensis genoemd en de voornaamste residentie van hun vorsten was Keulen. Het gebied van de Ripuarische Franken, ook wel Rijnfranken geheten, besloeg het gehele Rijngebied, het gebied ten oosten van de Maas en het gebied langs de Moezel.

In 458 heroverde Aegidius in opdracht van Majorianus Lyon op de Bourgonden en verdedigde hij met succes Arles tegen de Visigoten. In augustus 461 werd Majorianus door de Germaanse generaal Ricimer ten val gebracht. Deze benoemde Libius Severus tot opvolger. Aegidius weigerde echter samen te werken met Ricimer en deed een poging met zijn leger tegen Ricimer op te trekken. Maar hij was weinig succesvol doordat de Bourgondische koning Gundioc hem de pas naar Italië afsneed.

Aegidius raakte verder in moeilijkheden toen de Visigoten in opdracht van Ricimer tegen hem optrokken. Hij werd hierdoor gedwongen zich terug te trekken naar het gebied rond Parijs, waar hij een zelfstandig Gallo-Romeinse Rijk stichtte met Soissons als zijn residentie. In 463 voorzag Aegidius zich van steun van Frankische bondgenoten onder aanvoering van Childerik. Met hulp van deze bondgenoten slaagde hij erin de Visigoten te verslaan in de slag bij Orléans, waarmee hij zijn machtsbasis in Gallië versterkte. In 464 werd Aegidius vergiftigd. Het door hem gestichte rijk bleef voortbestaan. Het werd eerst overgenomen door Paulus en daarna door zijn eigen zoon Syagrius, die het in 486 verloor aan de Franken onder Clovis.

Het is een interessante vaststelling dat de schatbegraving in Lienden (omstreeks 460) ongeveer gelijktijdig gebeurde met het aan de macht komen van de reeds genoemde Frankische kleinkoning Childerik I (ca. 436-481/482). Childerik verkreeg het leiderschap bij de dood van zijn vader omstreeks 458. Hij had zijn machtsbasis rondom de stad Doornik, waar zijn uitzonderlijk rijke graf is teruggevonden. Childeric wordt daarin gepresenteerd als een generaal in Romeinse dienst. Hij steunde Aegidius en zal daarvoor goud hebben ontvangen om zijn volgelingen te kunnen belonen. Zou de eigenaar van de schat van Lienden een volgeling van Childeric kunnen zijn geweest? In ieder geval mogen we denken aan een Frankische leider uit het Nederlandse rivierengebied die rond 460 in het Romeinse netwerk moet hebben gezeten.

Het mag duidelijk zijn dat de goudschat van Lienden een vondst is met een bijzonder verhaal. Het betreft een uniek tijdsdocument voor de laatste fase van het Romeinse gezag in Nederland dat ons een blik gunt op de politiek-militaire situatie tijdens de overgangsfase naar de Vroege Middeleeuwen. Tevens kunnen we zeggen dat het hier gaat om de laatste Romeinse goudschat uit Nederland die bij ons het einde markeert van het West-Romeinse rijk.

Het wetenschappelijk belang van de goudschat van Lienden:

• Het is de grootste Laat-Romeinse solidusschat uit Nederland.

• Het is de allerlaatste Romeinse goudschat uit Nederland.

• De schat was eigendom van een Frankische leider die waarschijnlijk behoorde tot de volgelingen van Aegidius en Childeric.

• De schat vormt een uniek tijdsdocument voor wat betreft de overgang van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen.

• Ze markeert het definitieve einde van het Romeinse gezag in Zuid-Nederland.

• De schat werd mogelijk begraven in een grafheuvel uit de Bronstijd.

Leonardo da Vinci Experience dompelt je onder in de wereld van het genie

Posted in Romenieuws on 8 juni 2017 by romenieuws

Nadat in Rome al eerder een multimedia-expericience rond de schilder Vincent Van Gogh opende, kan je nu ook kennismaken met de Leonardo da Vinci Experience, niet zozeer een multimedia-gebeuren, maar een permanente tentoonstelling die volledig gewijd is aan het genie, de kunstwerken en de uitvindingen van Leonardo. De tentoonstelling (de initiatiefnemers spreken liever van een museum) opende de deuren aan de Via della Conciliazione 19, vlakbij Vaticaanstad.

De tentoonstelling presenteert zowat alles wat bekend is van Leonardo da Vinci. De 22 schilderijen, waaronder ook Het Laatste Avondmaal op ware grootte, zijn uiteraard reproducties. Maar ze zijn wel zodanig piekfijn afgewerkt en nagebootst zodat het verschil met het originele werk nauwelijks zichtbaar is. Het is een fijne ervaring om met je neus vlak vóór een da Vinci te staan. Alleen al deze schilderijen maken een bezoek aan dit kleine museum de moeite waard.

De toestellen en uitvindingen die Leonardo realiseerde werden eveneens op ware grootte nagemaakt, waarbij de makers erover waakten dat zoveel mogelijk werd gewerkt met materialen die in de Renaissance ook bekend waren. In totaal worden een vijftigtal grote en kleinere apparaten getoond. De toestellen en uitvindingen die Leonardo da Vinci ontwierp, waren aanvankelijk in heel wat gevallen bedoeld als oorlogstuigen. De tentoonstelling toont gewone mechanische hulpmiddelen, vliegende machines, toestellen die in en op het water kunnen worden gebruikt, maar ook een serie spectaculaire vuurwapens en machines voor de verdediging op het land.

Voor kinderen, maar zeker ook voor volwassenen, is dit een mooie geschiedenisles die zorgt voor een dieper inzicht in het genie en de denkwereld van Leonardo da Vinci. Onwillekeurig vraag je jezelf af hoe de man toen reeds op de ideeën kwam voor machines die ook vandaag nog gewoon worden gebruikt. Eén van de meest interessante stukken blijft de carro armato, een heuse gepantserde bewapende tank die reeds in 1485 door Leonardo werd uitgevonden. Deze buitengewone machine was bedoeld om uitgerust te worden met mitrailleurs, bombardes, fragmentatiegranaten en multifunctionele kanonnen en geeft een aardig idee van de verdedigings- en aanvalswapens die Leonardo aanvankelijk voor Ludovico Sforza, de hertog van Milaan en vooral voor Cesare Borgia in gedachten had.

Niet alleen de Mona Lisa met haar raadselachtige glimlach en Het Laatste Avondmaal zijn iconische werken van da Vinci, maar ook de replica’s van zijn vele uitvindingen en machines, zoals een tank, kogellagers, spiegelkamers, een katapult, een toestel om op water te lopen, enz. zijn de moeite waard.

Soortgelijke replica’s werden op verschillende plaatsen al eerder getoond in Rome en een aantal van deze toestellen zijn onder meer momenteel ook te zien op de permanente tentoonstelling Le grandi macchine in Palazzo della Cancelleria, vlakbij Campo de’ Fiori. De jongste jaren duiken wel meer initiatieven rond Leonardo da Vinci op, wat veel zegt over de populariteit van de man.

De bezoekers volgen een route die verdeeld is in vijf thematische gebieden, in totaal zo’n 500 m². Hoewel het dus niet om origineel werk gaat, is het toch de eerste keer dat alle werken van Leonardo op één plek bij elkaar werden gebracht. De reproducties werden gemaakt door het gespecialiseerde bedrijf Bottega Artigiana Tifernate, dat eerder ook al werkte voor het Louvre, het British Museum en het Metropolitan Museum of Art in New York.

De machines zijn ondergebracht in vijf afdelingen. De vier elementen van de natuur – water, lucht, aarde en vuur – plus de afdeling ‘gewone mechanische toestellen’, waar vooral wordt gespeeld met het visualiseren van wat natuurkundige wetten, zoals de omschakeling van de beweging of de eindeloze schroef. Interessant is ook dat bij ieder ontwerp telkens ook de originele ontwerptekening van Leonardo wordt tentoongesteld. Zo kan je de details perfect vergelijken en krijg je nog meer respect voor het genie van de meester.

De tentoonstelling is sterk educatief gericht en werd uitgerust met enkele multimedia snufjes. Ook manuscripten, codexen, enz. zijn er te bewonderen. Ook hier is het verschil met de echte exemplaren vaak lastig te onderscheiden, behalve misschien dat ze er quasi ‘nieuw’ uitzien. Bezoekers verlaten de tentoonsteling alleszins in bewondering voor het visionaire genie van da Vinci. Het museum bereidt zich alvast voor op 2019, het jaar waarin de 500ste verjaardag van het overlijden van Leonardo da Vinci uitgebreid zal worden herdacht. Dat zal gebeuren op allerlei locaties en ongetwijfeld ook in Rome.

De ruimte die fungeert als in- en uitgang van het museum is ingericht als een winkel waar je alle mogelijke souvenirs of spullen kan aanschaffen die te maken hebben met Leonardo da Vinci. Je kan het amper zo gek bedenken of het is aanwezig. Heel wat dingen zijn uiteraard nogal kitscherig, maar de echte Leonardo-fans zullen hier hun hartje zeker kunnen ophalen.

LEONARDO DA VINCI – ACHTERGROND

Leonardo da Vinci (1452-1519) was een Italiaanse schilder, tekenaar, schilder, architect, beeldhouwer, uitvinder, filosoof, musicus, scheikundige, anatomist, schrijver, ingenieur, natuurkundige, … en als dusdanig een typisch voorbeeld van de ‘uomo universale’ van de renaissance. Leonardo was de onwettige zoon van de notaris van Vinci en een boerenmeisje. Waarschijnlijk verbleef hij vanaf 1466 in het atelier van Andrea del Verrocchio in Firenze en vanaf 1472 was hij eigen baas, hoewel hij nog enkele jaren als Verrocchio’s helper optrad en in diens huis woonde.

Omstreeks 1473 schilderde hij in een door Verrocchio ontworpen Doop van Christus (Uffizi, Firenze) de meest linkse engel en een klein stuk van het landschap. Zijn streven om een landschap weer te geven als een versluierde, summier aangeduide en toch als een organisch geheel herkenbare wereld, komt telkens in zijn schilderijen en tekeningen voor. Leonardo had een grote belangstelling voor de menselijke fysionomie, een onderwerp dat hij in allerlei nuanceringen heeft uitgebeeld, zowel in ideale, schone als in bizarre en zeer realistische typeringen.

Van 1483 tot 1499 verbleef hij in Milaan aan het hof van hertog Ludovico Sforza. Deze vertrouwde hem het ontwerp voor een ruiterstandbeeld toe, waarin zijn vader Francesco Sforza verheerlijkt moest worden en waarvan de kunstenaar een 7 m hoog monument wilde maken. Het is nooit uitgevoerd, er heeft wel enkele jaren een gipsmodel op ware grootte bestaan en er zijn tevens enkele fraaie tekeningen (zilverstift op blauw getint papier, Royal Library, Windsor Castle) bewaard gebleven.

In deze periode ontstonden schilderijen met de voor Leonardo zo kenmerkende toepassing van ‘chiaroscuro’ en ‘sfumato’, het schemerige, zachte licht en de fijne, subtiele vormgeving, die hij in de plaats stelde van de lineaire schilderwijze en de scherpe belichting van de Florentijnse schilderkunst uit het einde van de vijftiende eeuw. Deze geheel nieuwe artistieke zienswijze heeft hij ook genoteerd in zijn theoretische notities over de invloed van het licht op de kleuren en ze maken onderdeel uit van zijn uitspraken over de schilderkunst in het algemeen. Deze werden later verzameld tot een Trattato della pittura, waarvan de eerste uitgave in 1651 in Parijs verscheen.

Een aantal tekeningen (in de Accademia in Venetië, de Brera in Milaan, de Royal Library van Windsor) getuigen van de aandachtige voorbereidingen voor het Laatste Avondmaal (1495-1498, de muurschildering is te zien in de Santa Maria delle Grazie in Milaan) dat door Leonardo, in tegenstelling tot de gangbare opvattingen, vooral vanuit psychologisch standpunt vertolkt werd. Nieuw is ook, dat alle figuren gezamenlijk achter de tafel zitten, ook Judas, die vóór die tijd steeds geïsoleerd tegenover de anderen was opgesteld.

Na de bezetting van Milaan door de Franse troepen (in oktober 1499) reisde Leonardo naar Mantua, Venetië en ten slotte naar Firenze. Hier verbleef hij van 1503 tot 1506 en werd er door de stadsbestuurders belast met het ontwerpen van een wandschildering in de grote raadszaal van het Palazzo della Signoria (het huidige Palazzo Vecchio). Hiervoor ontwierp hij een historische gevechtsscène, de Slag bij Anghiari, in een oorlog tussen Firenze en Pisa.

Er zijn alleen talrijke paardenstudies (dieren in heftige beweging) en enkele andere tekeningen van bewaard gebleven. De centrale groep, ruiters in gevecht om een vaandel, bleef in een aantal kopieën bewaard. De bekendste is die van Peter Paul Rubens, een tekening in zwart krijt die zich in de collectie van het Nederlandse koningshuis bevindt. Het was alleen deze ‘strijd om het vaandel’, die Leonardo zelf ter plaatse op de wand aanbracht. Nog vóór de voltooiing van het hele tafereel verliet hij Firenze. Het fragment zou later verdwijnen onder de fresco’s van Vasari en zijn leerlingen

Van 1506 tot 1512 woonde Leonardo opnieuw in Milaan, nu in dienst van de Franse bezetters. Opnieuw hield hij zich in deze jaren bezig met de creatie van een ruiterstandbeeld, ditmaal ter ere van maarschalk Giacomo Trivulzio. Ook dit kwam nooit tot stand. Intussen verdiepte Leonardo zich in allerlei wetenschappelijke studies. Talrijke losse, ongeordende bladen met de meest uiteenlopende notities en illustraties kwamen in 1519 in het bezit van zijn erfgenaam en leerling Francesco Melzi.

Na Melzi’s dood in 1570 raakten ze verspreid, totdat de beeldhouwer Pompeo Leoni omstreeks 1600 tien delen met Leonardo’s geschriften verzamelde en samenbracht in één geweldige foliant, de Codex Atlanticus (bewaard in de Biblioteca Ambrosiana in Milaan). Maar ook elders in Europa vindt men losse bladen met aantekeningen en illustraties (o.a. in de Royal Library, Windsor Castle) en in 1965 werden twee tot dan onbekende notitieboeken ontdekt in de Biblioteca Nacional in Madrid, de Codices Madrid I en II, die vooral technische ontwerpen bevatten.

In september 1512, het jaar waarin de Fransen Milaan moesten verlaten, begaf Leonardo zich met vier leerlingen via Firenze eindelijk naar Rome. Hier was hij enkele jaren in dienst van Giuliano de’ Medici, een broer van paus Leo X. Hij kreeg in Rome echter niet zoveel te doen, maar wel ontstonden daar (in 1514) de tien magistrale tekeningen van de zondvloed (te zien in Windsor Castle). Het zijn abstracte, visionaire composities, die verband hielden met zijn onderzoekingen naar de beweging van het water.

Terzelfder tijd heroverde de Franse koning, Frans I, Milaan. In 1516 accepteerde hij de uitnodiging van de koning naar Frankrijk te komen. Hij kreeg er woonruimte in het landhuis Cloux (thans Clos-Lucé) bij Amboise (thans als museum opengesteld), samen met zijn vrienden Melzi en Salai. In april 1519 maakte hij hier zijn testament. Het Louvre in Parijs (Mona Lisa, 1503), de Uffizi in Firenze en de National Gallery in Londen bezitten allen schilderijen van Leonardo.

Leonardo da Vinci was één van de grootste en meest universele geesten die de mensheid gekend heeft. Zijn nieuwe visie op de schilderkunst wekte in grote kring bewondering en bezorgde hem een enthousiaste groep van leerlingen en navolgers, ook buiten Italië. Toch zou zijn invloed minder groot en duurzaam zijn dan die van Rafaël en Michelangelo.

Omtrent zijn activiteiten op het gebied van de beeldhouwkunst is men onzeker. Vasari vermeldt zijn inspirerende samenwerking met Giovanni Fr. Rustici in Firenze bij de vervaardiging van de bronzen groep boven de noordelijke deur van het baptisterium (Johannes de Doper tussen een leviet en een farizeeër, 1506-1511).

Men heeft dus geprobeerd Leonardo’s hand in bepaalde beeldhouwwerken te herkennen. Het gaat dan vooral om producten uit het atelier van Verrocchio, zoals o.a. het charmante groepje van de Madonna met een lachend Christuskind (omstreeks 1475, terracotta, Victoria and Albert Museum, Londen).

Als wetenschappelijk onderzoeker had Leonardo da Vinci een uiterst veelzijdige belangstelling. Hij vergaarde kennis op bijna ieder wetenschappelijk gebied en legde die vast in zijn veelal geïllustreerde notities, in linkshandig spiegelschrift. Dat hij autodidact was en geen universitaire opleiding had genoten, bracht met zich mee dat hem op natuurwetenschappelijk gebied geen vooroordelen waren opgedrongen, maar had ook tot gevolg dat hij de systematische benadering en de mathematische kunde, nodig voor een verder uitwerken van zijn ideeën en voor het overtuigen van anderen van de juistheid daarvan, miste.

Van de vele onderwerpen waar hij zich mee bezig heeft gehouden, kunnen op wiskundig gebied de kwadratuur van de cirkel en het construeren van regelmatige veelhoeken vermeld worden. Op natuurkundig terrein ging zijn belangstelling vooral uit naar de wetten van de beweging, de mechanica, naar de hydraulica, de optica en akoestische problemen. Hij kende de camera obscura, de versnelling van de zwaartekracht en vergeleek de dichtheid van vloeistoffen door vloeistofkolommen in een U-vormige buis met elkaar in evenwicht te brengen, waarmee hij op de wet van Pascal anticipeerde.

Hij maakte talrijke ontwerpen voor de meest verschillende werktuigen, o.a. watermolens, hefbomen, baggermachines, geschut, een tank en ander oorlogstuig, muziekinstrumenten, een fiets, liften en vliegmachines, waarbij hij uitging van de observatie van vogels in hun vlucht. Leonardo ontwierp kanalen, irrigatiesystemen, modellen voor kanalisatie van de Arno en andere waterbouwkundige werken. Op het gebied van de bouwkunde onderzocht hij o.m. de krachten die in muren, bogen en zuilen optreden.

Hij bestudeerde de anatomie van de mens door het verrichten van sectie op lijken, gaf een beschrijving van het hart en de hartkleppen en van de ligging van de menselijke foetus in de baarmoeder, alles voorzien van prachtige anatomische tekeningen. Op geologisch gebied bestudeerde hij de vraag of de aarde aan langdurige structuurveranderingen onderhevig is, en had hij veel aandacht voor de fossielen. Zijn onderzoekingen strekten zich ook uit over de plant- en dierkunde, waarbij vooral het paard zijn belangstelling had.

www.leonardodavincimuseo.com

Begraafplaats Via Portuense is open voor publiek bezoek

Posted in Romenieuws on 7 juni 2017 by romenieuws

Voor vele mensen is de ‘Sepolcreto nel Drugstore Gallery Portuense’ waarschijnlijk een onbekende plek, maar dat hoeft niet zo te blijven. Sinds kort kan je deze site elke zaterdag van 10.30 tot 21.30 uur bezoeken, al raadpleeg je voor de zekerheid toch best altijd even de praktische en actuele informatie (zie onderaan dit artikel). Dit stukje oude Rome aan de Via Portuense 317 wordt voorlopig immers opengehouden door vrijwilligers en archeologen die hiervoor tot nog toe niet worden betaald.

Het is nog steeds afwachten of de overheid over de brug komt met subsidies voor de exploitatie van deze kleine maar fraaie museumsite. De archeologische site werd genoemd naar de galerij (gevestigd in een voormalige supermarkt) waarin het nu opengestelde gedeelte van de oude begraafplaats te bezoeken is. In de oudheid moet zich in dit gebied een enorme necropolis hebben bevonden.

De begraafplaats werd ontdekt in 1966 tijdens het optrekken van een aantal nieuwe gebouwen maar werd pas gedeeltelijk blootgelegd in de periode 1982-1983, toen de eerste archeologische opgravingen gebeurden. De vroegere necropolis omvat een groot gedeelte van de omgeving en doorkruist de huidige Via Portuense.

In de galerij, die zoals verteld werd ingericht in de 400 m² grote ruimte van een oude supermarkt, bevinden zich naast talrijke gebruiksvoorwerpen die in de omgeving werden opgegraven, tevens de resten van vijf graven die tot deze necropolis behoorden. Ze dateren uit de tweede helft van de eerste eeuw tot de vierde eeuw na Chr. en werden gebouwd met zowel tufsteen als baksteen.

In het midden van het grootste graf bevindt zich in het midden een grote rechthoekige nis. Aan de muren is plaats voor het bijzetten van urnen. Opvallend is de goed bewaarde mozaïekvloer. Een ander graf heeft liefst drie toegangstreden, ook hier bevindt zich een rechthoekige structuur met nissen voor urnen in vier rijen. Sommige fresco’s zijn opvallend goed bewaard. De namen van de doden zijn soms nog leesbaar.

Tijdens werkzaamheden aan de rijbaan in februari 2014 werden ook resten van thermen ontdekt, evenals een gebedsruimte, enkele grafmonumenten en een gebouw dat vermoedelijk fungeerde als hulppost voor reizigers.

De kleine museumsite biedt ook onderdak aan de befaamde tombe van Muratella, een krijger uit de neolithische periode die begraven werd tussen 3700 en 2300 v. Chr. Het vrijwel intacte skelet werd samen met een pijlenkoker, een vuursteen en koperen gebruiksvoorwerpen in 2006 tijdens een archeologisch vooronderzoek ontdekt in een grot op de Muratellaheuvel in Casale Somaini, in de buurt van Via della Magliana. De resten waren ingekapseld in een kleilaag en daardoor uitstekend geconserveerd.

De Muratellakrijger is een volwassen man van ongeveer 25 jaar. Hij lag op zijn rug met de armen gebogen, de handen op zijn lies en de benen gebogen naar rechts. De ingekapselde overblijfselen worden vandaag bewaard in een speciale glazen klimaatkast.

Praktische informatie

Brand in autosloperij zorgt voor paniek in Romeinse woonwijk

Posted in Romenieuws on 1 juni 2017 by romenieuws

In Rome is in de vooravond een grote brand ontstaan in de voormalige autosloperij Petrini op de hoek van Via Mattia Battistini en Via Lucio II, een pand dat tien jaar geleden al had moeten ontruimd worden en waarvoor veel buurtbewoners al eerder hebben gewaarschuwd. Omdat kort na de brand enkele knallen te horen waren dachten sommigen aan een aanslag maar niet alles wat ontploft is een bom. De werkplaats, eigenlijk een overdekt autokerkhof, staat vol oude wagens, motoren, batterijen, gasflessen en vaten met een onbekende inhoud. Daarvan zijn er tijdens de brand verschillende ontploft, wat voor enige paniek zorgde in de buurt. Een grote cilinder met acetyleen kon tijdig door de brandweer worden veiliggesteld. Als die was ontploft, waren de gevolgen veel erger geweest. In vogelvlucht bevindt Vaticaanstad zich op ongeveer 2,6 km van het brandende gebouw.

In de brede omgeving van het pand werd wel een veiligheidsperimeter ingesteld want de rookontwikkeling is enorm en van ver zichtbaar. De bewoners van een drietal appartementsblokken, in totaal ongeveer 45 gezinnen, moesten hun woning uit voorzorg tijdelijk verlaten. Het is nog niet duidelijk of ze vannacht in hun appartement kunnen slapen, want de luchtkwaliteit moet nog worden getest op giftige stoffen. Twee brandweerteams en de civiele bescherming kwamen ter plaatse met groot materieel. Omstreeks 20 uur was de brand bedwongen. De verkeerschaos in de omliggende straten en de rest van de wijk duurde veel langer. Burgemeester Virginia Raggi kwam ter plaatse en verklaarde dat nog vóór het einde van deze maand een reglement wordt opgesteld dat ervoor moet zorgen dat de vestiging van dergelijke werkplaatsen onmogelijk maakt in woonwijken.

Gallo-Romeins Museum Tongeren verlengt expo Timeless Beauty tot 1 september

Posted in Romenieuws on 1 juni 2017 by romenieuws

Reeds meer dan 25 000 mensen ontdekten in de tentoonstelling Timeless Beauty hoe de ideale vrouw eruitzag in de Romeinse tijd. Dankzij dit succes zal het museum de expo verlengen tot 1 september 2017 en krijgen bezoekers bovendien ook de dansvoorstelling ‘Donna’ te zien in de expozalen. Volgens gedeputeerde van Toerisme, Cultuur en Erfgoed Igor Philtjens is het Gallo-Romeins Museum erin geslaagd de vele bruikleengevers te overtuigen om hun stukken twee maanden langer te ontlenen. Het is dan ook een uniek project, dat iedere maand meer bezoekers lokt. Nu krijgen nog meer mensen de kans om ervan te genieten en kan de expo ook het programma van het Tongerse stadsfestival MoMeNT versterken. Bezoekers en pers zijn unaniem lovend over de unieke dialoog tussen historisch erfgoed en hedendaagse fotografie. Het bijhorende boek Timeless Beauty is ondertussen aan een tweede druk toe.

Timeless Beauty combineert archeologische voorwerpen, teksten uit de Oudheid en hedendaagse topfotografie van Marc Lagrange. Centraal staat het schoonheidsideaal van de vrouw in de Romeinse tijd. Meer dan 25 000 mensen bezochten de expo. Het bezoekersaantal groeit elke maand, van 4.000 bezoekers in januari tot 7.000 bezoekers in april 2017. Bezoekers omschrijven de expositie als ‘origineel en sfeervol’, ‘een ware ode aan de schoonheid van de vrouw’, ‘een streling voor het oog’, ‘betoverend mooi’, ‘kritisch t.o.v. het schoonheidsideaal’, ‘beklijvend en ontroerend’.

Het Gallo-Romeins Museum heronderhandelde dan ook graag de bruikleenovereenkomsten en kon, dankzij de goede contacten die het museum in de loop der jaren opbouwde met nationale en internationale bruikleengevers, de expo verlengen van eind juni tot 1 september 2017. In Tongeren is op 26 maart het festival MoMeNT van start gegaan. Diverse kunstenaars gaan aan de slag met het thema ‘tijd’. Door de verlenging kan ook ‘Timeless Beauty’ hier naadloos op aansluiten én MoMeNT versterken.

Het Gallo-Romeins Museum voegt bovendien een nieuwe laag toe aan de tentoonstelling, met dansvoorstellingen in de exporuimtes op zondagnamiddag in juli en augustus. Choreografe Valentina Nigro van Company NOI zal scènes van de dansvoorstelling ‘Donna’ inpassen in de exposetting. Opnieuw staat de schoonheid van het vrouwelijke lichaam centraal, maar deze keer ook de onzekerheid over het uiterlijk. De danseressen dansen tussen de bezoekers, wat de beleving uiteraard nog zal vergroten.

  • De tentoonstelling Timeless Beauty is nog te zien in het Gallo-Romeins Museum tot 1 september 2017.

  • Het boek Timeless Beauty met alle foto’s en citaten uit de expo én een bijdrage van Patrick De Rynck over schoonheidsidealen is te koop in de museumshop voor 25 euro.

Gallo-Romeins Museum Tongeren

Het graf van Rafaël

Posted in Romenieuws on 31 mei 2017 by romenieuws

Tot vorige week kon je de bloemenkrans nog zien die ieder jaar  op de herdenkingsplechtigeheid voor de schilder Rafaël aan zijn sobere tombe in het Pantheon wordt neergelegd. De beroemde schilder stierf op 6 april en die datum wordt tot vandaag nog altijd herdacht. De laatste rustplaats van Rafaël bevindt zich inderdaad in dit fantastische bouwwerk uit de oudheid, waar hij onder meer gezelschap heeft van de Italiaanse koningen.

“Ille hic est Raphael, timuit quo sospite vinci, rerum magna parens et moriente mori”, staat te lezen op de sarcofaag. Hier rust Rafaël, de grote Moeder Natuur vreesde bij zijn leven door hem overtroffen te worden; en te sterven nu hij dood is. Het is een tekst van Pietro Bembo, dichter, humanist en kardinaal (1470-1547) die begraven werd in de nabijgelegen Santa Maria sopra Minerva.

Op de eenvoudige maar mooie antieke sarcofaag staat ook nog: ‘Ossa et Cineres Raph. Sanctii Urbin’, gebeente en as van Rafaël Sanzio uit Urbino. Deze sarcofaag is niet de originele kist waarin de schilder in 1520 werd begraven. Het exemplaar dat je vandaag in het Pantheon ziet werd in 1833 geschonken door paus Gregorius XVI ter gelegenheid van het openen van het graf.

Rafaël werd overigens op zijn eigen verzoek in het Pantheon begraven, hij had ondanks zijn jeugdige leeftijd en bijzonder vooruitziend zijn graf reeds besteld bij zijn vriend en leerling Lorenzo Lotti, beter bekend als Lorenzetto (1490-1541). Die vervaardigde, wellicht met de hulp van Raffaello da Montelupo, in antieke stijl de boven het graf staande ‘Madonna del Sasso’ (1520-1524) naar een tekening van Rafaël zelf.

De bronzen buste van Rafaël links van de Madonna del Sasso is een werk van Giuseppe de Fabris (1790-1860). Rechts zie je een gedenksteen met een korte epitaaf voor Maria Bibbiena, op de steen foutief met één b geschreven. We lezen ‘Mariae Antonii Bibienae sponsae eius’, zodat zij hier als de vrouw van Rafaël wordt voorgesteld.

Maria Bibbiena was de nicht van kardinaal Dovizi da Bibbiena, thesaurier en eerste minister van paus Leo X. Het meisje was verondersteld te trouwen met Rafaël. Deze laatste voelde weinig voor dit huwelijk, zijn leven was immers al rijkelijk van vrouwen gevuld en anderzijds bestond de mogelijkheid dat de paus hem weldra tot kardinaal zou verheffen, een ambt of een eretitel waarop getrouwde mannen in principe geen aanspraak konden maken.

Uiteindelijk stemde Rafaël in vanwege de enorme bruidsschat die in het vooruitzicht werd gesteld, maar de schilder stelde het huwelijk telkens uit totdat het probleem zich plots oploste toen Maria Bibbiena drie maanden vóór de voorgenomen trouwdatum overleed. Ze was nog geen achttien jaar oud. De nis rechts van de Madonna del Sasso waarin haar beeld had moeten staan is leeg gebleven.

Rafaël stierf niet zoals men vaak leest in de armen van zijn geliefde, de mooie bakkersdochter ‘fornarina’ Margaretha, zij mocht zelfs de uitvaart van haar minnaar niet bijwonen. Volgens Vasari stierf Rafaël ten gevolge van zijn amoureuze excessen, na een dolle nacht die hem hevige koorts bezorgde. De dokters aan wie hij de reden van zijn koorts niet vertelde, dienden hem aderlatingen toe in plaats van versterkende middelen.

Een zeer suggestieve beschrijving van de ultieme liefdesnacht van Rafaël vinden we in ‘Memoirs of a gnostic dwarf’ uit 1996 van David Madsen. De vroegtijdige dood van Rafaël schokte Rome zeer diep, zelfs de paus kwam wenend afscheid nemen van de in het Pantheon opgebaarde meester. In de kronieken uit die tijd lezen we dat de paus ‘naast het dode lichaam knielde, de hand van Rafaël in de zijne nam, ze kuste en met tranen bedekte’.

Men ging er steeds van uit dat de stoffelijke resten van Rafaël niet volledig in het Pantheon rustten, omdat men de Accademia di San Luca, vlakbij de Trevifontein, beweerde de schedel van Rafaël te bezitten. Die was anderhalve eeuw na het overlijden van Rafaël door de schilder Maratta (1625-17I3) aan de voorzitter van de Accademia geschonken. Het kostbare geschenk werd dankbaar aanvaard en leidde zelfs tot een officiële feestviering in de kunstacademie.

Ook Goethe heeft tijdens zijn Italiaanse reis deze zogenaamde schedel van Rafaël nog bewonderd en kon er via relaties zelfs een afgietsel van bemachtigen. Toen men in 1833 het graf opende, bleek echter dat het stoffelijk overschot van Rafaël volledig en ongeschonden was. Pech dus voor de Accademia en voor Goethe (1749-1832), die dat niet meer heeft moeten meemaken omdat hij zelf een jaar eerder was gestorven.

Onder de gedenksteen voor Bibbiena bevindt zich de grafsteen van de alom bejubelde Annibale Carracci (1560-1609), van wie men tijdens de zeventiende eeuw zei dat zijn stijl het summum van volmaaktheid was.

De uitdrukking ‘eclectisch’ werd in de kunstgeschiedenis voor het eerst gebruikt bij de omschrijving van de manier waarop hij de hoogrenaissance koppelde aan de klassieke traditie. Maar de Britse kunstcriticus John Ruskin (1819-1900) gaf hem in de negentiende eeuw een nekschot. Hij schreef over Carracci: ‘no single virtue, no colour, no drawing, no character, no history, no thought’. Pas in 1956 kreeg de meester in Bologna een verdiend eerherstel.

De schilder, tekenaar en architect Raphaël of Raffael (eigenlijk: Raffaello) Sanzio of Santi werd op 6 april 1483 geboren in Urbino, al zijn er ook bronnen die 28 maart vermelden. Samen met Michelangelo en Leonardo da Vinci is hij de belangrijkste kunstenaar van de hoge renaissance.

Hij werd in 1494 of daarna leerling van Il Perugino. Tot zijn vertrek uit Perugia volgde hij de stijl van zijn leermeester na. In 1504 ontstond de Sposalizio (de Verloving van Maria, Milaan), een compositie waarin hij de opzet van Perugino’s gelijknamige werk (nu in Caen) overnam. Het grote talent van de jonge Rafaël manifesteerde zich in deze tijd het duidelijkst in zijn tekeningen, o.a. de reeks meesterlijke studies in zilverstift, pen en krijt in het Ashmolean Museum in Oxford.

Van 1504 tot 1508 werkte Rafaël in Firenze. Onder invloed van Leonardo’s en fra Bartolomeo’s monumentale scheppingen maakte hij zich los van de zo sterke binding met de Umbrische School (Piero della Francesca, Francesco Laurana). In 1507 voltooide hij na lange voorbereidingen een Graflegging van Christus (te zien in de Galleria Borghese in Rome), een tamelijk ingewikkelde compositie die in dramatisch opzicht enigszins tekort schiet. De portretten uit deze periode bezitten reeds een voorname allure, die door de warme kleuren wordt versterkt.

Van 1508 tot zijn vroege dood in 1520 werkte Rafaël in Rome en daar ontwikkelde hij zich tot de schepper van een monumentale stijl, bij uitstek geschikt voor de decoratie van imposante ruimten. Deze evolutie voltrok zich snel, zoals is op te maken uit zijn fresco’s in de stanze, een reeks opeenvolgende vertrekken in een vleugel van het Vaticaans paleis, die paus Julius II door Rafaël liet beschilderen.

Achtereenvolgens ontstonden de ‘Stanza della Segnatura’ met o.a. de fresco’s Disputa del Sacramento (1509-1510) en De School van Athene (1510-1511); kartons voor het laatstgenoemde werk in de Biblioteca Ambrosiana in Milaan, de ‘Stanza di Eliodoro’ (1512-1514) en de ‘Stanza dell’Incendio’, bestemd voor de verheerlijking van de nieuwe paus Leo X (1514). De taferelen op de wanden zijn in grandioze composities verbeeld.

Het is duidelijk dat de antieke architectuur en beeldhouwkunst een beslissende invloed op Rafaël hebben gehad. Daarnaast werd hij blijkbaar ook geboeid door een on-Romeinse, eerder Venetiaanse behandeling van kleur en licht, zoals te zien is in de fresco’s van de beide laatste stanze; de ‘Stanza della Segnatura’ vertoont nog het lichte, koele coloriet van de Florentijns-Romeinse traditie.

Rafaël had het best naar zijn zin in Rome en hij zou de stad niet meer verlaten. Hij beschikte over een groot aantal helpers, die het hem mogelijk maakten zijn opdrachten in snel tempo uit te voeren. Behalve de stanze kwamen nog andere decoratieve ensembles tot stand.

Daaronder de triomf van Galatea (1512) en De geschiedenis van Amor en Psyche (1514) in de Villa Farnesina, de mozaïeken van Alvise di Pace, naar Rafaëls tekeningen, in de koepel van de grafkapel van Chigi in de Santa Maria del Popolo (1514, foto hieronder) en de rijke versiering van ‘loggie’ in het Vaticaan (1514). Daarnaast ontstonden een aantal schitterende schilderijen (Madonna’s, portretten).

In 1515-1516 ontwierp Rafaël voor de Sixtijnse Kapel een tiental kartons voor een reeks wandtapijten, scènes uit het leven van de apostelen voorstellend, die in Brussel in het atelier van Pieter Coecke van Aelst geweven zijn en grote invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de Europese tapijtkunst.

Zeven van deze tien kartons zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het Victoria and Albert Museum in Londen. De originele tapijten worden bewaard in de Vaticaanse musea. Kopieën bevinden zich in Mantua, Zaragoza, Berlijn en Wenen, evenals in Hampton Court en Madrid (zeventiende eeuw) en in Essen (begin achttiende eeuw, collectie Krupp von Bohlen).

Van grote betekenis is tevens Rafaëls tekenwerk (o.m. te vinden in het Ashmolean Musuem in Oxford, het British Museum in Londen, het Palais des Beaux-Arts in Lille, het Musée du Louvre in Parijs, de Albertina in Wenen, het Uffizi in Firenze, het Musée Bonnat in Bayonne en Windsor Castle in Engeland.

Rafaël was overal geliefd, zowel bij het pauselijk hof als bij de letterkundigen en humanisten. Hij werd te Rome als de belangrijkste kunstenaar beschouwd en ook als architect kreeg hij belangrijke taken opgedragen. Na de dood van Bramante (1514) werd hij door Leo X benoemd tot hoofdbouwmeester van de Sint-Pietersbasiliek.

In1518 werd hij ‘hoofdintendant van de straten van Rome’ en kreeg daarmee de verantwoordelijkheid voor het behoud van de stad, evenals voor de stadsaanleg. Zijn ontwerp voor de Sint-Pietersbasiliek werd later door Michelangelo opzij gelegd en ook zijn ontwerp voor de Villa Madama op de Monte Mario (begonnen in 1516-1517) werd door Antonio da Sangallo de Jongere gewijzigd en vergroot.

Ook de Sant’Eligio degli Orefici en de Cappella Chigi in de Santa Maria del Popolo zijn ontwerpen van zijn hand. Een laatste reeks Madonna’s en de grote compositie De transfiguratie (niet voltooid), vormen de laatste werken die de schilder heeft kunnen maken.

Hij stierf op zijn 37ste verjaardag, net als zijn geboortedag een Goede Vrijdag. In het Italiaanse muntstelsel vóór de euro werd Rafaël vereeuwigd op de briefjes van 500.000 lire. Op de achterzijde van het bankbiljet staat een tafereel uit de Sanze della Segnatura.