Vernieuwing lidmaatschap S.P.Q.R. 2017-2018 is begonnen

Posted in Romenieuws on 19 april 2017 by romenieuws

Op 21 april, wordt er zowel in Rome als bij ons, S.P.Q.R., feest gevierd. 21 april is immers de officiële feestdag van Rome, de dag waarop de legendarische stichting van de stad wordt herdacht. De eeuwige stad viert dit jaar haar 2770ste verjaardag!

Zo lang bestaan wij nog niet, maar voor S.P.Q.R. betekent 21 april wel het einde van alweer een werkjaar (en uiteraard!) het begin van een nieuw jaar vol Rome- en Italiëplezier! De uitnodiging voor onze jaarlijkse feestreceptie op die datum, waarbij we ook de dertiende Romulusprijs uitreiken, hebben alle leden inmiddels al ontvangen.

21 april betekent ook dat de vernieuwing voor het jaarlijkse lidmaatschap volop aan de gang is. Een heleboel mensen hebben hun nieuwe lidmaatschap (dat loopt tot 21 april 2018) reeds spontaan in orde gebracht of werden vrij recent (sinds 1 december) lid. Indien jij bij die groep hoort, is dit bericht niet voor jou bestemd. Als je naam in het groen staat is je lidmaatschap reeds in orde en hoef je niets te doen. Staat je naam vermeld in een rode kleur, zal je lidmaatschap vervallen op 21 april 2017. Ben je helemaal niet vermeld, ben je momenteel geen lid en breng je dit best snel in orde!

De ledenkaart heeft ook dit jaar het formaat en uitzicht van een klassieke bankkaart en is vervaardigd uit hetzelfde materiaal. Het kaartje is persoonlijk en pas geldig nadat je naam is ingevuld op de beschrijfbare witte strook. Het is ook dit jaar weer een hebbeding waarop heel wat mensen jaloers zullen zijn. Leden ontvangen een vrijwel dagelijkse geillustreerde nieuwsbrief over Rome en kunnen gratis of met korting deelnemen aan allerlei activiteiten.

De ledenbijdrageblijft ook na vijftien jaar nog steeds behouden op 25 euro. Je kan dit bedrag gewoon overschrijven op rekening nr. IBAN BE 91 6528 4463 6676 van S.P.Q.R. in B-3000 Leuven (België). Om internationale Europese betalingen te verrichten heb je waarschijnlijk ook deze BIC – code nodig: HBKABE22.

Wie nog geen deel uitmaakt van S.P.Q.R. maar zich als nieuw clublid wil aansluiten, kan eveneens gebruik maken van bovenvermeld rekeningnummer. Nieuwe leden verzoeken we dit formuliertje in te vullen of sturen een berichtje met hun gegevens naar info@spqr.be.

Wij probeerden het voorbije werkjaar heel wat leuke en gevarieerde activiteiten te organiseren en, gezien jullie enthousiasme, deelname aan activiteiten, reacties en allerlei vragen, hebben we hopelijk voldoende krediet om voort te doen. We hopen jullie het volgende werkjaar nog talrijker en minstens even enthousiast te mogen ontmoeten in onze nog steeds groeiende Rome- en Italiëgroep. Alvast tot vrijdag 21 april, voor alweer een grandioze receptie, met tevens de uitreiking van onze dertiende Romulusprijs.

www.spqr.be

Piramide van Cestius genomineerd voor Europese Erfgoedprijs

Posted in Romenieuws on 19 april 2017 by romenieuws

De gerestaureerde Piramide van Cestius aan Piazzale Ostiense in Rome is genomineerd voor de European Heritage Awards. Die prijs wordt uitgereikt door de Europese Unie en is het grootste eerbetoon dat je in Europa inzake cultureel erfgoed kan krijgen. Iedereen kan tot 3 mei ook een online stem uitbrengen op drie van de in totaal 29 geselecteerde projecten uit 18 landen. Het project met de meeste stemmen zal de Publieksprijs ontvangen tijdens de uitreiking van de European Heritage Awards op 15 mei in Turku (Finland). Kiezers hebben de kans om een reis voor twee personen naar Finland winnen en als speciale gast de prijsuitreiking mee te maken.

De prijsuitreikingsceremonie wordt bijgewoond door beroepsmensen uit de erfgoedsector maar ook door vrijwilligers en supporters uit heel Europa en hooggeplaatste vertegenwoordigers van Europese instellingen, het gastland en andere lidstaten. De door de jury uitgekozen projecten zijn voortreffelijke voorbeelden van creativiteit, innovatie, duurzame ontwikkeling en maatschappelijke deelname in de erfgoedsector in heel Europa.

De restauratie van de iconische piramide van Cestius uit de eerste eeuw voor Christus was dringend nodig omwille van de aftakeling van het monument. De jury stelt dat het restauratieproject de beste aspecten van onze geglobaliseerde wereld weerspiegelt: een Egyptische geïnspireerd monument in Rome dat opgeknapt werd dankzij de financiële steun van de Japanse ondernemer Yuzo Yagi.

Het imposante monument aan de Porta San Paolo (Piazzale Ostiense) is sinds vorig jaar helemaal gereinigd en glanst weer mooi helderwit alsof het pas werd gebouwd. Er wordt echter gevreesd dat dit niet lang zal duren. De talrijke auto’s en bussen die dagelijks langs het monument razen veroorzaken enorm veel vervuiling waardoor het witte carraramarmer weer snel dreigt zwarter te worden. Het is een probleem waarmee vrijwel alle monumenten in Rome in meer of mindere mate te kampen hebben.

De restauratie van de piramide gebeurde met privékapitaal. De Japanse ondernemer Yuzo Yagi stopte een miljoen euro in het project en vroeg daarvoor zelfs niets in ruil. Er werd wel een gedenkplaatje met zijn naam naast de piramide geplaatst. Yuzo Yagi, de bedrijfsleider van Yagi Tsusho Limited, een onderneming uit Osaka die actief is in de mode-industrie, raakte gefascineerd door de Romeinse oudheid en wilde dolgraag iets bijdragen aan het in stand houden van het monumentale Rome.

Als project koos hij uiteindelijk voor de piramide die werd gebouwd in 13 na Chr. als graftombe van Gaius Cestius Epulo(nius), een man die grote faam genoot, ondermeer als organisator van de keizerlijke banketten. Yuzo Yagi bezocht de piramide en raakte zodanig onder de indruk van het monument en het onderzoeksproject dat samen met de restauratie werd gestart dat hij uiteindelijk besliste om de volledige restauratie te bekostigen.

Het is niet de eerste keer dat een Japans bedrijf in Rome een restauratie financiert. Paus Johannes-Paulus II sloot destijds een soortgelijke overeenkomst met het Japanse Nippon Television. De televisiezender betaalde in de jaren ’80 de restauratie van de Sixtijnse kapel in ruil voor de exclusieve beeld- en reproductierechten van Michelangelo’s meesterlijke fresco’s, die ze vervolgens gedurende enkele jaren mochten commercialiseren.

Op het oppervlak van de piramide werd een speciale substantie aangebracht die micro-organismen op biologische wijze afweert. Aan de binnenzijde werden stalen elementen gemonteerd om de marmeren blokken en de betonstructuur te verstevigen. Tegelijk met het restauratieproject begonnen gespecialiseerde archeologen ook aan een nieuw intern onderzoek van de piramide.

De Piramide van Cestius, in totaal 37 m hoog met een basis van 30 m, is een indrukwekkend en goed bewaard monument uit de oudheid. Het gebouw is opgetrokken uit beton en volledig bekleed met blokken carraramarmer. Binnenin bevindt zich een rechthoekige grafkamer van 5,90 x 4,10 m, bedekt met tongewelven en beschilderd met vrouwelijke figuren en decoratieve fresco’s waarop scènes van banketten te zien zijn. Ongetwijfeld is dit een eerbetoon aan de lekkerbek en levensgenieter Cestius.

Deze kamer is enkel bereikbaar via een kleine maar indrukwekkende met bakstenen beklede tunnel, waarvan de ingang zich achter een deurtje aan de westkant van de piramide bevindt. Die tunnel werd voor het eerst sinds de oudheid terug uitgegraven tijdens een restauratie die gebeurde tussen 1656 en 1663 en die werd gefinancierd door paus Alexander VII. Als telg van de steenrijke Chigi-familie had die paus buitengewoon veel belangstelling voor architectuur en monumenten. Een inscriptie aan de westelijke zijde herinnert aan die gebeurtenis.

Bij die gelegenheid werden ook nog enkele vondsten gedaan, waaronder zuilen, voetstukken van zuilen en beelden en fragmenten van bronzen beeldjes die vermoedelijk Cestius moesten voorstellen. De grafkamer zelf bleek echter al veel eerder geplunderd te zijn. De tunnel en grafkamer werden vroeger enkel bij speciale gelegenheden uitzonderlijk opengesteld voor het publiek maar tegenwoordig kan je een bezoek plannen en zelfs online boeken.

De piramide werd destijds in nog geen jaar tijd gebouwd en dat moest ook wel, want als het monument niet binnen die periode zou klaar geweest zijn, hadden de nakomelingen van Cestius kunnen fluiten naar hun erfenis. Cestius stierf in het jaar 12 vóór Chr. en was tijdens zijn leven praetor en volkstribuun. Hij moest er onder meer voor zorgen dat bij een grote overwinning voldoende offers voor de goden werden klaargemaakt. Gaius Cestius was enorm gefascineerd door de Egyptische cultuur en vooral door de piramiden die hij persoonlijk had gezien tijdens een werkopdracht in Egypte.

Op de oost- en westzijde van de piramide staat een grote inscriptie die, vrij vertaald, luidt: ‘Gaius Cestius Epulo, zoon van Lucius, van de stam Poblilia Praetor, Volkstribuun, een van de zeven aangestelden voor de heilige banketten’. Een kleinere inscriptie op de oostzijde vermeldt dat de piramide in 330 dagen is gebouwd: ‘in overeenstemming met het testament is dit werk in 330 dagen voltooid, uitgevoerd door zijn erfgenamen L. Pontus Mela, zoon van Publius van de stam Claudia en zijn vrijgemaakte slaaf Pothus’.

De piramide is later opgenomen in de Aureliaanse muur, meteen ook de reden waarom het monument in latere tijden ontsnapte aan afbraak. Naar verluidt was de top van de piramide vroeger verguld. De Romeinen hebben lange tijd gedacht dat de piramide het graf van Remus was, de minder fortuinlijke broer van Romulus. Ook Petrarca schrijft in de veertiende eeuw het monument nog aan Remus toe.

In de buurt van de Engelenburcht stond destijds nog een andere piramide en die werd dan weer (eveneens verkeerdelijk) toegeschreven aan Romulus. Die piramide werd omstreeks 1500 afgebroken en maakte plaats voor de Borgo Nuovo. Voorts zijn piramides in Rome erg schaars, er bevinden zich nog een paar kleinere exemplaren in grafkapellen in de S. Maria del Popolo en de S. Maria in Traspontina.

In 1970 werd de piramide van Cestius voor de eerste keer zeer grondig gereinigd. Terwijl het monument vele eeuwen moeiteloos overleefde, dreigt de toenemende luchtvervuiling van tegenwoordig het gebouw defnitief in de vernieling te helpen. Het drukke autoverkeer dat ook vandaag nog haast permanent voorbij de piramide raast, maakt het er niet beter op en sindsdien volgden meerdere kortere opknapbeurten, waarbij de piramide telkens werd schoongemaakt en van ingroeiend onkruid werd ontdaan.

De voorlaatste keer gebeurde dat in 2002. De kosten werden toen gedragen door de openbare vervoersmaatschappij Atac, met haar honderden autobussen zelf natuurlijk niet geheel onschuldig aan de uitstoot van heel wat uitlaatgassen. Was het niet dat Atac zelf met grote financiële problemen kampt, zou de geschikte kandidaat voor de onvermijdelijke volgende restauratie van de piramide nu al bekend zijn.

Stem hier voor de European Heritage Awards

Piramide praktisch

De Via del Pellegrino

Posted in Romenieuws on 17 april 2017 by romenieuws

Eén van onze (vele) favoriete straatjes in Rome is de Via del Pellegrino, die begint op de hoek met Campo de’ Fiori en de enorme Cancelleria. Zoals de naam al duidelijk maakt werd de Via del Pellegrino eeuwenlang door de pelgrims gevolgd op hun weg naar het graf van Petrus. De huidige straat is het enige stuk van de middeleeuwse Via Pellegrinorum dat bewaard bleef.

De term ‘pellegrinus’ werd tot de twaalfde eeuw voorbehouden voor hen die naar Santiago de Compostella trokken, een Romereiziger werd ‘romano’ genoemd, een bedevaart naar Rome was een ‘romeria’, zij die naar Jeruzalem trokken noemde men ‘palmieri’.

Het motto van de pelgrim was ‘nulla mihi patria nisi Christus nec nome aliud quam Christiamus’, of ‘ik heb geen ander vaderland dan Christus en geen andere naam dan christen’ een uitspraak die wordt toegeschreven aan de vijfde-eeuwse heilige martelaar-bisschop met de toepasselijke naam Pellegrinus.

De route die we vandaag kennen als de Via del Pellegrino bestond reeds in het oude Rome maar tijdens de middeleeuwen was daarvan nog slechts een stinkend steegje overgebleven. Paus Alexander VI vernieuwde in 1497 de weg zoals vermeld op de plaat links op de hoek van de Via del Pellegrino met de Campo dei’ Fiori (eerste verdieping tussen de vensters) en zou in de eeuwen daarna uitgroeien tot één van de belangrijkste straten van de stad.

Let bijvoorbeeld op de breedte: met haar 5 m is de Via del Pellegrino een stuk breder dan haar twee decennia oudere tegenhanger, de Via dei Coronari, eveneens een pelgrimsroute en die slechts 4,7 m breed is. De meeste straten in Rome hadden in die tijd een breedte tussen 2,3 en 2,8 m. De Via del Pellegrino kan dus zeker worden beschouwd als een belangrijke weg.

Van de smalle Romeinse straatjes zijn er vandaag nog ruim voldoende voorbeelden, denken we aan de Vicolo della Cucagna (2,8 m) vlakbij Piazza Navona en aan de Vicolo Savelli (2,3 m) tussen de moderne Corso Vittorio Emanuele en de Via del Governo Vecchio. Heel wat straatjes in Rome zijn zelfs nog smaller, zoals bv. de Vicolo di San Trifone (1,38 m) tussen de Via dei Coronari en de Via della Maschera d’ Oro.

Let op de hoek van palazzo della Cancelleria, net vóór je de Via del Pellegrino inwandelt even op het mooie balkon. Momenteel wordt de gevel van de Cancelleria gerenoveerd, dus is het mogelijk dat je hier tijdelijk alleen maar een zeildoek ziet.

Wat verderop in de Via del Pellegrino zie je op nr. 19 een (doorgaans behoorlijk smerige) doorgang die je onder de Arco degli Acetari (azijnbereiders) naar een binnenplaats brengt, waar aan de buitenzijde van de huizen trappen naar de eerste verdieping leiden (zie de twee foto’s hierboven). Een dergelijk uitzicht is in Rome zeldzaam geworden. Dit is een vrij bekoorlijk plekje dat terug te vinden is in heel wat reisgidsen en ook wel op zichtkaarten wordt afgebeeld.

Sommige reisgidsen doen zelfs bijzonder euforisch over deze plaats die recent toch wat opgefrist werd. Zo lees je in Lonely Planet: ‘wander through the archway into a magical medieval courtyard, flanked by sorbet-hued façades, flower-filled balconies and ivy-clad (met klimop begroeide) staircases spilling onto the cobbled square. It’s like watching a play as residents pop in and out of doors and call to each other, window to window.’

Zowat vijftig meter verderop zie je links (na nr. 53) in de Via del Pellegrino opnieuw een doorgang, de Arco di Santa Margherita. Op de hoek met de volgende straat bevindt zich linksboven een mooie door adelaars gedragen barokke aedicula uit 1716 met een zeer fijn gesculpteerde Madonna met Kind in stucco.  Eronder bevindt zich een buste van Filippo Neri. Dit is misschien wel de mooiste van de ongeveer zevenhonderd huismadonna’s of madonnelle die het centrum van Rome rijk is.

Op straathoeken, in steegjes, op pleinen, overal in Rome zijn deze madonnelle te vinden. Of het nu gaat om een schilderij, een fresco of een basreliëf van terracotta, in één of meer kleuren, allemaal lijken ze te waken over de voorbijgangers. Vaak staat er een klein lantaarntje voor, in het verleden het enige licht na het invallen van de duisternis. Rome kreeg pas heel laat een echte straatverlichting.

Destijds waren deze Mariabeeldjes in de adventsperiode tijdens de maand december voorwerp van een bijzondere cultus. Talrijke boeren uit de Abruzzen en de Romeinse campagna kwamen dan gehuld in schaapshuiden naar de stad om in ruil voor een paar muntstukken voor de altaartjes op hun doedelzak of een ander blaasinstrument te spelen.

Men noemde hen de ‘pifferari’, pifferaio betekent fluitspeler. De pifferari waren eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met het Romeinse volksleven. De componisten Hector Berlioz en Leopold Weninger haalden inspiratie uit deze muziek. De traditie is vandaag volledig verdwenen. Er bestaan wel nog talrijke pentekeningen, aquarellen en schilderijen waarop de pifferari tijdens hun muzikale verering zijn afgebeeld.

Op nr. 58 van de Via del Pellegrino woonde Vannozza dei Cattanei (1442-1518) tijdens haar lange affaire met kardinaal Roderic Llançol i Borja, de latere Borgia-paus Alexander VI. In die tijd werd beweerd dat paus de straat in 1497 renoveerde omdat zijn minnares er een huis had. Vannozza had het huis reeds op 12 juli 1469 voor 500 dukaten gekocht, waarvan er 310 afkomstig waren van de bruidschat van haar eerste huwelijk.

In dit huis is haar enige wettige kind geboren vóór ze in 1470 haar relatie met Rodrigo Borgia begon. Na de dood van paus Alexander VI in 1503 nam Vanozza de naam Borgia aan. Ze bewaarde steeds de nodige discretie en eindigde haar leven, zoals haar dochter Lucrezia, “op stichtelijke wijze” zoals dat in die tijd werd omschreven.

Sabina, vrouw van Hadrianus

Posted in Romenieuws on 14 april 2017 by romenieuws

Keizer Hadrianus, oud en ziek, weigert zijn vrouw Sabina nog te ontvangen. Op zijn landgoed in Tibur verrijst een tempel voor de jong gestorven Antinous, de liefde van zijn leven. Nu haar kinderloze huwelijk een dieptepunt heeft bereikt, besluit de keizerin haar eigen koers te gaan varen. Wanneer ze verneemt dat het leven van haar beschermeling Fuscus, de beoogde opvolger van Hadrianus, wordt bedreigd, gaat ze in het geheim naar Rome om hem te waarschuwen.

Onderweg kijkt Sabina terug op haar leven: de vele reizen door het Rijk, de kennismaking met het ontluikende christendom, politieke intriges, haar liefdesleven en ten slotte het ontdekken van de ware toedracht van de dramatische gebeurtenissen tijdens die ene reis langs de Nijl.

Auteur Nynke Smits (Leeuwarden, °1957) kijkt in haar boek naar de schittering en schaduw van de Pax Romana door de ogen van Sabina. Zij was de stabiele factor in het leven van de rusteloze Romeinse keizer Hadrianus.

Nynke Smits heeft na haar studie Klassieke Talen in Leiden enkele jaren les gegeven aan Drew University in Madison, New Jersey (Verenigde Staten). Na haar terugkeer in Nederland doceerde zij Latijn en Grieks aan verschillende scholen. Sinds 1998 werkt ze aan het Stedelijk Gymnasium in Leiden.

Het boek bevat tevens een interessante verklarende lijst van namen en begrippen, een lijst van ‘historische feiten en aannames’ en een ‘lijst van personages’. Uiteraard worden ook de geraadpleegde bronnen vermeld.

Het gebruikte lettertype is behoorlijk klein, maar dat geeft je op de pakweg 265 pagina’s vooral veel meer leesplezier. Dit is een goed geschreven boek dat je mee voert naar het leven in de Romeinse oudheid.

Sabina, vrouw van Hadrianus
Auteur: Nynke Smits
Eerste druk: maart 2016
ISBN 10 9059972392
ISBN 13 9789059972391
290 pagina’s, inclusief verklarende lijsten
Uitgever: Primavera Pers
Prijs: 19,50 euro

Zoektocht in het Meer van Nemi naar het derde schip van keizer Caligula

Posted in Romenieuws on 13 april 2017 by romenieuws

Archeologen zijn momenteel in het diepste deel van het Meer van Nemi op zoek naar het legendarische derde schip van keizer Caligula. Voor de speurtocht wordt de kustwacht van Fiumicino ingezet, evenals duikers van de Romeinse politie, vrijwilligers van de civiele bescherming en nog een aantal andere diensten. Voor de actie worden twee high-tech apparaten gebruikt, een zogenaamde ‘side scan sonar’ en een ‘sub bottom profiler’. De eerste zal worden gebruikt om de bodem te bekijken, met het tweede apparaat kan men ook zien wat zich tot meer dan 30 m onder de bodem bevindt. Als het schip van Caligula is verzonken in de modderige bodem kan het dus alsnog worden ontdekt.

Waar gaat het om? Aan de oevers van het Lago di Nemi, in het hart van de Castelli Romani, wordt momenteel koortsachtig gezocht naar het derde schip van keizer Caligula. Twee schepen van Caligula werden al eerder geborgen, maar al heel vaak hebben wetenschappers en archeologen gespeculeerd over het legendarische derde schip van Caligula, dat zich wellicht nog steeds in het meest diepe gedeelte van het meer bevindt. Caligula gebruikte de enorme schepen als een soort drijvende paleizen om er ongestoord te kunnen feesten.

Reeds in de Romeinse oudheid werd hier een ontwateringstunnel gegraven om het peil van het kratermeer te doen dalen en water voor de landbouw in de omgeving te verkrijgen. Deze tunnel, met een lengte van ruim 1.653 m en een verval van 12,63 m, is een technisch meesterwerk. Het bouwwerk werd aanvankelijk met houten, later met marmeren bezinkbakken uitgerust om verstoppingen te voorkomen. Het Meer van Nemi is 30 tot 35 m diep.

De eerste twee schepen werden na eeuwenlange en talrijke pogingen teruggevonden in de jaren ’30 van de vorige eeuw en kregen een plaats in een museum dat speciaal voor deze gelegenheid werd opgericht naast het meer en dat vandaag nog steeds bestaat. Het museum is voor liefhebbers van de Romeinse scheepvaartgeschiedenis een bezoek meer dan waard. De originele schepen werden echter vernietigd door een mysterieuze brand in 1944.

Vermoedelijk werd de museumhal in brand gestoken door Duitse soldaten die beseften dat ze de oorlog aan het verliezen waren. Archeologen vermoeden echter al lang dat er nog een derde schip bestond en dat dit mogelijk al werd ontdekt of zelfs werd bovengehaald door het fascistische regime van Mussolini. Toen het ernaar uitzag dat de fascisten de oorlog zouden verliezen, zou dit derde schip van Caligula met alle schatten en geheimen aan boord opnieuw afgezonken zijn in het diepste gedeelte van het meer. Andere verhalen zeggen dat het schip nooit werd bovengehaald, maar dat de Duitsers wel op het punt stonden om dit te doen. Legende of werkelijkheid? Niemand die het weet. Maar vandaag is de technologie voldoende ver gevorderd om voor eens en altijd duidelijk te maken of het derde schip van Caligula in het Meer van Nemi werkelijk bestaat.

Onder meer architect Giuliano Di Benedetti uit de nabijgelegen gemeente Genzano, die alle pogingen om de schepen van Caligula te bergen heeft bestudeerd, is er rotsvast van overtuigd dat het derde schip bestaat. Volgens hem verwijzen gegevens afkomstig uit de administratie en getuigenissen van lokale vissers al vele jaren steeds opnieuw naar een bepaalde zone in het meer waar hun netten verward raken. Sommige vissers halen daar ook weleens een archeologisch artefact aan boord. Ook buurtbewoners stellen dat op de oevers van dat gedeelte van het meer nu en dan nog steeds materialen uit de Romeinse oudheid aanspoelen.

De eerste pogingen tot recuperatie van de twee Romeinse schepen werden reeds in 1446 gedaan in opdracht van kardinaal Colonna, tevens verantwoordelijk voor het gebied rond Nemi. De grootste moeilijkheid in die tijd was natuurlijk de schepen bergen. Geoefende zwemmers onderzochten het schip dat het dichtst bij de oever lag en maakten een schatting van de afstand en de diepte. De kardinaal liet een drijvend platform bouwen en met stevige touwen die met haken aan het schip bevestigd waren, probeerde men het vaartuig naar de wal te trekken. Dat mislukte grandioos. Het enige resultaat was dat een stuk van de boot loskwam en men enkel wat wrakhout bovenhaalde. Erger was dat daardoor ernstige schade werd toegebracht aan de structuur van het schip dat tot die tijd behoorlijk bewaard was gebleven.

Kardinaal Colonna zou zich de rest van zijn carrière niet meer wagen aan het bergen van de schepen en het duurde bijna honderd jaar vooraleer Francesco De Marchi op 15 juli 1535 een tweede poging ondernam. Die gebeurtenis werd uitvoerig gedocumenteerd in een verhandeling over militaire bouw en architectuur die De Marchi later publiceerde. Francesco De Marchi moet een dappere en ondernemende man geweest zijn en besliste om persoonlijk naar de wrakken te duiken met een soort klok, uitgevonden door William van Lotharingen. De Marchi begon ook met de positie van de schepen nauwkeurig in kaart te brengen. Het schip dat het dichtst bij de oever lag bleek 64 m lang en ongeveer 20 m breed. Het hout, beschermd door de modderlagen, bleek na al die tijd nog vrij goed bewaard gebleven.

De observaties van het schip lukten uitstekend, maar het uit de diepte omhoog halen bleek een ander paar mouwen. Verschillende keren werd geprobeerd het eerste schip volledig te omringen met riemen en touwen en het zo in zijn geheel naar de oppervlakte te brengen. De Marchi moest na verloop van tijd zijn pogingen eveneens opgeven.

Eeuwen later, in 1827, wilde ridder Annesio Fusconi het nog eens proberen. Hij besliste om opnieuw een duikklok te gebruiken, al had de wetenschap ook toen niet echt stil gestaan want er was inmiddels een duikersklok beschikbaar die maar liefst acht mensen tegelijk kon bevatten. Fusconi bouwde een vrij breed drijvend platform dat stevig genoeg was om de klok te ondersteunen. Het platform kon bovendien in het water worden verankerd met vier lieren.

Op 10 september 1827 werd voor de eerste keer naar het eerste schip gedoken maar op de bodem werden de duikers geconfronteerd met heel wat moeilijkheden. Het wrak bleek inmiddels in stukken gebroken te zijn, wellicht een gevolg van de bergingspogingen in de eeuwen voordien. Dagenlang werd geprobeerd een aantal stukken naar de oppervlakte te krijgen, maar zowel de touwen als de bevestigingspunten braken keer op keer af. Bergingsoperatie nummer drie werd stopgezet.

De Romeinse schepen van Nemi bleven echter fascineren en op 3 oktober 1895 werd voor de vierde keer geprobeerd ze boven water te halen. Dat gebeurde ditmaal in opdracht van de machtige en schatrijke familie Orsini die voor het project zelfs staatssteun kreeg. Een ervaren duiker onderzocht het eerste wrak. Het eerste schip lag ongeveer 50 meter buiten de kust, op een diepte van 10 tot 12 m. Ongeveer 200 m verderop, op een diepte van 15 tot 20 m, bevond zich het tweede schip.

Het werd al gauw duidelijk dat men er nooit in zou slagen de schepen volledig boven water te krijgen en de bergingspoging bleef dan ook beperkt tot schatduiken. De duikers keerden telkens terug met talrijke vondsten, zoals een versierd scheepsroer, rompversieringen, bronzen en loden pijpen, vergulde koperen platen, fragmenten van mozaïeken, cilindrische rollagers, scharnieren en talrijke andere voorwerpen en versieringen. Het was duidelijk dat het schip uit de oudheid bijzonder fraai en rijkelijk was uitgerust.

Het licht werd dan ook al gauw op groen gezet om ook het tweede schip te onderzoeken. Op 18 november van hetzelfde jaar werden ook hieruit de eerste vondsten bovengehaald. Het grootste deel van alles wat uit en rond het wrak werd bovengehaald werd gekocht door de overheid en verdween in de magazijnen van het Museo Nazionale Romano.

Om te vermijden dat de schepen in de toekomst door particulieren zouden worden geplunderd, beslisten het Ministerie van Onderwijs en de marine in 1926 samen te werken om toch nog een ultieme poging te ondernemen de schepen voorgoed boven te halen. Dat gebeurde onder impuls van de nieuwe regeringsleider Mussolini, die inmiddels gefascineerd was geraakt door het Romeinse verleden.

Er werd een commissie samengesteld onder voorzitterschap van senator Corrado Ricci. De opdracht werd toevertrouwd aan luitenant-kolonel Victor Malfatti. Die stelde een spectaculair plan voor, namelijk het waterniveau van het meer verlagen zodat de schepen beter bereikbaar zouden zijn. Dat leek toen een utopisch idee, maar Malfatti was een visionair en kon zijn opdrachtgevers overtuigen om het te proberen.

Op 9 april 1927 maakte Benito Mussolini de beslissing bekend dat de twee gezonken grote schepen effectief zouden geborgen worden. Op 28 maart 1929 was het zover en kwam het hoogste gedeelte van het eerste keizerlijke schip na bijna 2000 jaar terug boven water. Het tweede schip van Caligula volgde vrij snel daarna. Mussolini wilde beide vaartuigen restaureren en ze dan samen met alle vondsten in en rond het meer laten bewonderen door het publiek. De dictator zag in de grote en nog behoorlijk goed bewaarde schepen uit de Romeinse oudheid een prachtig bewijs voor het grootse verleden van Italië en liet een nieuw museum bouwen, speciaal om de schepen tentoon te stellen. Dat museum werd ingehuldigd in januari 1936.

Maar in de nacht van 31 mei en 1 juni van 1944 gebeurde een vreemde ramp. Een grote uitslaande brand aan de oevers van het meer van Nemi vaagde zowat het hele gebouw weg. Alles werd vernietigd, ook de schepen die met zoveel moeite uit het water waren gehaald. Alleen de artefacten die eerder waren overgebracht naar het Museo Nazionale Romano bleven nog over. Daaronder ook de vondsten uit het inmiddels ontdekte heiligdom van Diana. De oorzaak van de brand werd nooit achterhaald, al blijft zoals verteld het vermoeden bestaan dat Duitse soldaten bij hun aftocht wilden vermijden dat iemand anders in de toekomst zou pronken met de schitterende schepen.

De twee schepen werden later wel opnieuw gereproduceerd, zij het op schaal 1/5. Deze modellen zijn vandaag nog te bekijken in een vleugel van het museum. Het museum is eigenlijk een dubbele betonnen hangar van zowat 80 m lang, oorspronkelijk gebouwd op maat van de exacte grootte van beide schepen. Het museum was het eerste in zijn soort dat op maat van een specifieke vondst was ontworpen en beschikte over grote ramen en een dakterras vanwaar je zowel het meer als, vanaf een verhoogde positie, de beide schepen kon bewonderen.

Na de brand van 1944 bleef het museum lange tijd gesloten. Het is sinds enkele jaren echter volledig gerenoveerd en opnieuw in alle schoonheid opengesteld. Het is vandaag onder meer de thuisbasis van een stuk van de originele Via Sacra, de voormelde schaalmodellen van de schepen, talrijke tekeningen die tijdens de renovatie en het herstel van de schepen door ingenieurs van de marine werden gemaakt, heel wat artefacten en enkele geïllustreerde panelen en materiaal dat ontsnapt is aan de brand. Hier bevinden zich ook de overblijfselen van de tempel van Diana. Voor Romeliefhebbers is een bezoek aan dit unieke museum een must.

De zone rond het Meer van Nemi, op amper 30 km van hartje Rome, heeft een grote landschappelijke waarde en is geliefd bij natuurkundigen en biologen. Het traditionele agrarische gebruik hielp de omgeving ongeschonden doorheen de voorbije eeuwen. De natuur en menselijke activiteiten bleven hier harmonieus naast elkaar bestaan. Maar ook op historisch en archeologisch vlak is het gebied bijzonder waardevol. Het gebied rond het meer van Nemi kan dan ook als een heel gevarieerd openluchtmuseum worden beschouwd.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de hele site is voorgesteld om opgenomen te worden in de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het comité dat de voordracht deed was samengesteld uit alle belanghebbenden: de steden Nemi, Genzano, het Regionale park van de Castelli Romani, de organisatie Legambiente, de nationale vereniging van archeologen, het WWF of Wereldnatuurfonds, de stichting Naves Nemorenses, de stichting Euronatur, een consortium van bedrijven die actief zijn in de regio en de diensten voor oudheidkundig bodemonderzoek van de regio Lazio.

Museo delle Navi Romane
Via del Tempio di Diana 13, 00040 Nemi.
www.museonaviromane.it

De crypte van de basilica dei Santi XII Apostoli

Posted in Romenieuws on 11 april 2017 by romenieuws

De voorbije dagen verbleven we enkele keren in en rond de basilica dei Santi XII Apostoli. Vandaag lees je het laatste deel in deze minireeks. Vóór het hoogaltaar kan je afdalen naar de crypte van de basiliek. Omstreeks 1880 decoreerde men deze ruimte in oud-Romeinse stijl met hier en daar een altaartje dat een groepje botten toont. Dit zijn dus in tegenstelling tot wat velen denken, geen overblijfselen uit de oudheid. Vooraan tegenover de trappen bevinden zich de (onzekere) resten van de apostelen Philippus en Jacobus de Mindere. Ze werden hier op 1 mei 1879 herplaatst, kort nadat in een muur in de kerk de antieke porfieren urne met hun relieken teruggevonden werd.

We lezen ‘hic conditor sunt corposa SS apostolor. Philippi et Jacobi min.’ De vermelding van Jacobus de Mindere als apostel is merkwaardig, want deze Jacobus was de zoon van ene Maria die bij de vrouwen hoorde die bij de kruisdood van Christus aanwezig waren en daarna ontdekten dat het graf leeg was. Volgens Mattheus waren er twee apostelen met de naam Jacobus, vooreerst Jacobus de Meerdere, de zoon van Zebedeüs en Salome (Mattheus 4:21). De tweede is Jacobus, zoon van Alfeüs (Mattheus 10:3).

Volgens vele exegeten is deze laatste te vereenzelvigen met Jacobus de Mindere die het latere hoofd is van de christengemeenschap in Jeruzalem. Volgens de huidige opvattingen zou de Jacobus de Mindere echter op zichzelf staan en niet behoord hebben tot de oorspronkelijke twaalf apostelen. Philippus was wel apostel (Mattheus 10:3), volgens Johannes was hij de derde die zich bij Jezus aansloot, na Andreas en diens broer Simon Petrus, maar werd hij als eerste door Jezus rechtstreeks daartoe uitgenodigd met de woorden ‘Volg Mij’ (Johannes 1:45).

Links, naast de kapel met de relieken van de apostelen, staat een grafteken of cenotaaf die misschien uitgevoerd werd door Andrea Bregno. Ze was bedoeld voor de in 1477 gestorven Raffaele della Rovere, de broer van paus Sixtus IV en vader van Julius II. In het achterste deel van de crypte, achter de trappen, vinden we de brede ovalen marmeren deksteen van de ‘silo’ waarin zich duizenden stuks gebeenten bevinden uit de catacomben van Priscilla.

Toen deze catacomben door oorlogsgeweld geen veilige rustplaats meer boden, werden letterlijk complete karrevrachten botten in de kelders van enkele kerken gestort. Als gevolg van die actie bevindt zich vandaag in deze basiliek nog steeds één van de grootste opslagplaatsen van beenderen in Rome. Achter de opslagplaats voor de beenderen, opgelijnd met het graf der apostelen, vindt men een altaar gewijd aan de ‘Madonna van de 33’, die door paus Johannes XXIII in 1994 tot patrones van Uruguay werd aangewezen. De Madonna ontleent haar naam aan drieëndertig patriotten die in 1825 de aanzet gaven tot de bevrijding van Uruguay.

Italië verbiedt alle taxiservices van Uber

Posted in Romenieuws on 9 april 2017 by romenieuws

Italië verbant het door taxichauffeurs gecontesteerde Uber uit Italië. De taxiservice zorgt volgens een rechter in Rome voor oneerlijke concurrentie. Uber wordt verplicht binnen de week al haar Italiaanse apps te blokkeren en alle reclameactiviteiten op te schorten. Als het vonnis ook in hoger beroep stand houdt, is Italië vanaf 17 april het eerste Europese land waar alle services van Uber volledig verboden zullen zijn. Andere Europese rechters besloten in eerdere rechtszaken tot hoogstens een gedeeltelijke beteugeling van het Uber gebruik. De Italiaanse vestiging van Uber zegt verbaasd en geschokt te zijn door het Romeinse vonnis en zal de komende dagen in beroep gaan. Dat wordt de vijfde keer dat Uber voor een Italiaanse rechter verschijnt. De vier voorgaande rechtszaken heeft Uber allemaal verloren.

De Belgische krant De Morgen verklaart waarom Uber het zo moeilijk heeft in Italië. Uber is voor de Italiaanse wet geen taxibedrijf en wordt daardoor met minder regels en vergunningen geconfronteerd dan reguliere taxichauffeurs. Auto’s van Uber mogen bijvoorbeeld non-stop blijven rondrijden, terwijl gewone taxi’s na vrijwel ieder ritje weer achteraan moeten aansluiten op een taxistandplaats. Ook kunnen Uber-chauffeurs zoveel vragen voor hun diensten als zij willen, terwijl chauffeurs van taxibedrijven gebonden zijn aan een wettelijk maximumtarief. Het grootste pijnpunt voor de Italiaanse taxichauffeurs is echter hun duurbetaalde vergunning. Zij betalen tot wel 200.000 euro om hun witte taxi’s in het verkeer te mogen brengen, een bedrag dat zij vaak pas na jaren werk hebben terugverdiend.