Nacht van de Musea in Rome

14 mei 2019

Op zaterdag 18 mei openen een aantal belangrijke Romeinse musea tot 2 uur in de ochtend (laatste toegang om 1 uur) en kan je ze (tenzij anders aangegeven) bezoeken aan de symbolische toegangsprijs van 1 euro.

nottemusea2019

Het is de elfde editie van de Notte dei Musei in de huidige formule. Tegelijk met het museum kan je ook (eventuele) tijdelijke tentoonstellingen bezoeken of genieten van muziek, theater, dans, enz. Vooral rond de grote musea werden een heleboel culturele manifestaties uitgebouwd.

Tot de deelnemende musea behoren de Musei Capitolini, de Centrale Montemartini, het Museo dell’Ara Pacis, het Museo di Roma Palazzo Braschi, het Museo di Roma in Trastevere, de Mercati di Traiano, de Museo dei Fori Imperiali en de Musei di Villa Torlonia.

www.museiincomuneroma.it

www.comune.roma.it

Informatie: tel. +39 06 0608 (elke dag van 9 tot 19 uur)

Populisme in de spiegel van de oudheid

14 mei 2019

Om de beeldtaal van het populisme te herkennen is er bijna geen betere plek dan het piazza Augusto Imperatore in Rome. Op zaterdag 18 mei, vlak voor de Europese verkiezingen, kijkt Rome PRO voor dit actuele thema in de spiegel van de geschiedenis. De huidige populistische tendensen beginnen niet bij Salvini of Grillo, maar zijn helder te herkennen in de bouwwerken van keizer Augustus (Ara Pacis en het Mausoleum) en dictator Mussolini.

Na een Nederlandstalige rondleiding rond de Ara Pacis Augustae en piazza Augusto Imperatore door gids Sandrina Bokhorst, volgt onder leiding van moderator Raphael Hunsucker een gesprek over de oudheid, populisme en Europa. Dit vindt plaats in de nabijgelegen boekhandel Feltrinelli RED. Voor wie geïnteresseerd is in de historische wortels van hedendaagse fenomenen, of voor wie nog nooit echt de Ara Pacis en het omliggende plein goed heeft bekeken, is dit event een unieke en inspirerende kans.

Praktisch

Zaterdag 18 mei 2019
Aanvang rondleiding: 15.30 uur
Discussie: aanvang 17.30 uur
Kostprijs: rondleiding 12,50 euro per persoon +  12,50 euro (toegang Ara Pacis)
Discussiebijeenkomst: consumpties op eigen kosten
Locatie/afspraak: 
Rondleiding: 10 minuten vóór aanvang bij de trappen voor de Ara Pacis, Piazza Augusto Imperatore
Discussiebijeenkomst: Feltrinelli RED, Via Tomacelli 23.
Aanmelden bij sandrina@persoonlijkrome.nl of telefonisch: +39 3281 739 067
Betaling na betaalverzoek
Bij aanmelding graag aangeven of je ook bij de discussie aanwezig zal zijn.

Gratis toegang tot het Colosseum en Forum Romanum

8 mei 2019

Zoals eerder gemeld heeft de directie van het Parco Archeologico del Colosseo heeft een overeenkomst met de Italiaanse regering om het Colosseum, het Forum Romanum en de Palatijn in 2019 op bepaalde dagen gratis open te stellen. Het gaat om een pakket dat in totaal twintig dagen omvat. De Settimana dei Musei die plaatsvonden van 5 tot 10 maart maakt daar deel van uit, maar daarnaast zijn er dus nog een aantal dagen waarbij staatsmusea en archeologische vindplaatsen kunnen worden opengesteld.

De eerste gewone vrije dag in het Parco del Colosseo is op donderdag 9 mei. Die wordt gevolgd door nog eens zeven gratis openingen in 2019. Dat zijn woensdag 5 juni, zaterdag 29 juni, maandag 23 september, vrijdag 4 oktober, maandag 4 november, vrijdag 22 november en woensdag 18 december. Meer informatie over deze gratis dagen vind je hier.

Opgelet: de sites die opgenomen zijn in het SUPER-ticket-programma (waarbij een aantal unieke plekken op het Forum Romanum en de Palatijn te bezoeken zijn) zullen tijdens deze vrije dagen voor het publiek gesloten zijn. Het gaat om het Museo Palatino, de Criptoportico Neroniano, de huizen van Augustus en Livia, de Aula Isiaca met de Loggia Mattei, de Tempel van Romulus, de Santa Maria Antiqua met het l’Oratorio dei Quaranta Martiri, de Rampa di Domiziano en de recent opengestelde Domus Transitoria. Eind dit jaar wordt ook de Domus Tiberiana met de clivo della Vittoria (clivus Victoriae) toegevoegd aan dit lijstje.

De musea blijven gratis voor jongeren tot 18 jaar, terwijl jongeren tussen 18 en 25 jaar het nieuwe gereduceerde tarief van 2 euro betalen voor toegang tot musea en archeologische vindplaatsen.

Download hier het promotiefilmpje voor het Parco archeologico del Colosseo (MP4-formaat)

LEES OOK DEZE OUDERE ARTIKELS:

Grote tentoonstelling over keizer Claudius begonnen in Rome

7 mei 2019

In het Ara Pacis Museum is de grote tentoonstelling Claudio Imperatore. Messalina, Agrippina e le ombre di una dinastia begonnen. Het gaat om een belangrijke expo waar artefacten en vondsten van buitengewoon historisch en archeologisch belang worden getoond. De tentoonstelling is nog te bezoeken tot 27 oktober 2019 en is opgebouwd rond het leven en de heerschappij van Claudius, één van de meest controversiële Romeinse keizers ooit en dit vanaf zijn geboorte in Lyon in 10 v. Chr. tot zijn dood in Rome in 54.

claudius1

De tentoonstelling belicht de persoonlijkheid van Claudius, het politieke en administratieve werk van de keizer, zijnn link met keizer Augustus, met zijn voorganger Caligula en met zijn populaire broer Germanicus. Ook Claudius’ tragische relatie met liefst vier vrouwen, waaronder Valeria Messalina en Julia Agrippina minor die zich afspeelde op de achtergrond van het Romeinse keizerlijke hof en de controversiële gebeurtenissen rond de Julisch-Claudische dynastie komen aan bod.

Het verhaal van de tentoonstelling krijgt mee vorm door een originele set-up samengesteld uit beelden en geluidsfragmenten. Daarnaast zijn er natuurlijk ook een heleboel fraaie archeologische voorwerpen te bewonderen waarvan er heel wat werden ontleend aan buitenlandse musea. Er zijn verschillende unieke vondsten te zien, waaronder de Tabula Claudiana met de beroemde toespraak die Claudius in 48 in de Senaat hield. Ze gaat over de toetreding van Galliërs uit Gallia Comata tot de Senaat, waarvoor Claudius een vurig pleidooi houdt.

Claudius presenteert zich als een belezen maar enigszins pedante kamergeleerde die zich soms in de details verliest. Het bronzen stuk werd in 1528 in een wijngaard bij Croix Rousse, een wijk van Lyon, ontdekt. Het is één van de topstukken uit het Gallo-Romeins museum van Fourvière in Lyon en dat nu tijdelijk terugkeert naar Rome.

Er is ook een kostbare cameo met een portret van Claudius te zien die werd uitgeleend door het Kunsthistorisches Museum in Wenen en een klein maar suggestief verguld bronzen beeld van Agrippina minor uit Alba Fucens. De expo toont tevens een aantal artefacten die speciaal voor de gelegenheid werden gerestaureerd. Een fraaie afbeelding van Germanicus werd recent opgeknapt met geld van de Fondazione Sorgente Group en wordt nu voor de eerste keer aan het publiek getoond.

De eerste keizer die geboren werd buiten het Italiaanse territorium, in Lugdunum, het hedendaagse Lyon, op 1 augustus in 10 v. Chr. was een onwaarschijnlijke kandidaat om ooit de baas te worden van het Romeinse Rijk. Keizer Augustus twijfelde aan zijn politieke motieven en zou de voorkeur gegeven hebben aan zijn broer Germanicus die echter voortijdig stierf onder verdachte omstandigheden.

Als opvolger hadden het volk en het leger toen Caligula gekozen, die de zoon was van Germanicus, tevens de erfgenaam van zijn vaders roem. Maar de moord op Caligula, notabene in zijn eigen paleis, plaatste Claudius tegen wil en dank in het centrum van de volgende politieke crisis. Na een lange politiek-economische onderhandeling werd Claudius op vijftigjarige leeftijd toch keizer.

Ook de relaties van Claudius met zijn vier vrouwen worden gekenmerkt door complotten en tragische gebeurtenissen. Zijn derde vrouw, Messalina, staat nog steeds bekend om haar vele ondeugden, echt of verondersteld, hoewel zij de moeder was van Britannicus, de eerste mannelijke erfgenaam van de Julisch-Claudische dynastie en die normaal keizer zou geworden zijn.

Het vierde en laatste huwelijk van Claudius, ditmaal met zijn nicht Julia Agrippina minor, zal hem fataal worden. Agrippina, de dochter van Germanicus en een zus van Caligula, wordt beschouwd als de architecte van zijn dood, misschien als gevolg van vergiftiging. Zekerheid hierover bestaat er niet. Na de dood van Claudius volgde alleszins zijn vergoddelijking en de bouw van een tempel die aan hem was gewijd op de Coelius (Celio). Hij werd opgevolgd door Nero, de zoon van Agrippina.

De tentoonstelling in het Ara Pacis Museum, ondersteund door het geactualiseerde werk van historici en archeologen, toont een beeld van Claudius dat enigszins anders is dan de doorgaans donkere en weinig vleiende versies die werden overgeleverd. Wat we zien is een keizer die in staat is om voor zijn mensen te zorgen, nuttige economische hervormingen lanceerde, grote openbare werken in gang zette en met zijn wetgeving bijdroeg aan de administratieve ontwikkeling van het rijk.

Claudio Imperatore
Messalina, Agrippina e le ombre di una dinastia
Museo dell’Ara Pacis
Tot 27 oktober 2019
www.arapacis.it
http://ticket.museiincomuneroma.it/museo-dellara-pacis/

claudius2

CLAUDIUS I – ACHTERGROND

Claudius I (geboren als Tberius Claudius Drusus Nero Germanicus – Lyon 10 v. Chr. – Sinuessa 54 na Chr.) was keizer van Rome van 41 tot 54. Hij was een zoon van Antonia mnor en Augustus’ stiefzoon Drusus, een neef van keizer Tiberius en de jongere broer van Germanicus.

Wegens zijn zonderlinge geest, die tot trotsering van traditie en conventie neigde, werd hij in zijn jeugd van alle staatszaken uitgesloten: de keizerlijke familie vreesde door dit ‘enfant terrible’ gecompromitteerd te worden. Zo groeide hij eerst met stokslagen, later te midden van de spot van het hof op.

Omdat Claudius als kind nogal ziekelijk was en enkele lichamelijke afwijkingen had (knikken van hoofd en knieën, stotteren en kwijlen), werd hij algemeen als min of meer stomp- of zwakzinnig beschouwd. Dat was ten onrechte. Jawel: Claudius was een anti-conventionalistische zonderling, maar paarde dit aan grote gaven.

Dat hij zich tijdens de vijftigjarige quarantaine die aan zijn keizerschap voorafging, niet alléén aan drank, dobbelspel en plebejische vrienden te buiten ging, maar zich ook aan ernstige studie wijdde (vooral aan de geschiedenis, zo hij schreef onder andere een werk over Etrurië, dat helaas niet bewaard is gebleven), mag als een bewijs van grote karakterkracht worden beschouwd.

Na Caligula’s dood werd Claudius door de lijfwacht tot keizer uitgeroepen. De zonderlinge boekenwurm ontpopte zich als een voortreffelijke regent. Zijn voornaamste hervorming was een radicale centralisatie van het rijksbestuur in handen van de keizer. Voor dit doel werden keizerlijke departementen gesticht. Aan het hoofd ervan werden keizerlijke vrijgelatenen geplaatst.

De verzwakking van de kracht van de Senaat, de versterking van de positie van de provincies (door een consequent doorgevoerde burgerrechtspolitiek) en een systematische bestrijding van misbruiken op ieder gebied, waren de voornaamste doeleinden van deze centralisatie van het rijksbestuur, dat onder Claudius’ regering zonder voorbehoud voortreffelijk mag worden genoemd.

De verdienste ervan komt in de eerste plaats toe aan Claudius zelf en niet aan zijn ministers-vrijgelatenen: de originele oorkondes uit Claudius’ regeringstijd waarvan een aantal nog bestaan, bewijzen dat de keizer de gewoonte had om zich persoonlijk in de kleinste bijzonderheden van het rijksbestuur te verdiepen. Ze ademen bovendien volkomen de zonderlinge geest van Claudius zelf, zonder een spoor van de geest van zijn vrijgelatenen.

Was het rijksbestuur het sterke punt van Claudius’ regering, zijn slechte verhouding tot de Romeinse aristocratie was er de schaduwzijde van. De Senaat en de ridderstand voelden zich (terecht) achteruitgezet en werkten hem tegen met stil verzet en samenzweringen.

De angstcomplexen van Claudius die door de omstandigheden waaronder hij was opgegroeid van huis uit reeds aanwezig waren, werden daardoor in hoge mate versterkt. Deze angstcomplexen werden door zijn vrouwen en vrijgelatenen weleens misbruikt om hun persoonlijke wraakzucht te bevredigen, doordat zij hem (door angstaanjaging) tot gerechtelijke moorden dreven op hun persoonlijke vijanden onder de Romeinse aristocratie. Dit is als de grote misstand van Claudius’ regering te beschouwen.

In zijn familiale leven was Claudius ongelukkig. Zijn derde vrouw (39-48) Messalina, die een losbandig bestaan leidde en zelfs tijdens Claudius’ leven openlijk een nieuw huwelijk sloot, werd terechtgesteld. Daarna huwde hij in 49 zijn nicht Agrippina minor of de Jongere, de dochter van Germanicus, die hem in 50 overhaalde haar zoon uit een vroeger huwelijk, Lucius Domitius Nero, te adopteren en deze, in plaats van zijn eigen zoon Britannicus, voor de opvolging te bestemmen.

Toen Agrippina vreesde dat Claudius dit besluit (Britannicus toonde als knaap reeds een krachtig karakter) zou herroepen, liet zij hem (waarschijnlijk) vergiftigen. In de literatuur is deze keizer vooral bekend geworden door de roman I Claudius en het vervolg Claudius the God van Robert Graves, die zich vooral op Tacitus en Suetonius baseert.

Domus Transitoria open voor publiek

29 april 2019

Op de Palatijnse heuvel in Rome is de Domus Transitoria, het eerste grote paleis dat keizer Nero (54-68 na Chr.) aan het begin van zijn regeerperiode bouwde, na een restauratie die tien jaar duurde opnieuw geopend voor het publiek. Het gedeelte dat nu voor het eerst in zeventig jaar weer kan bezocht worden is ongeveer 800 m² groot. Het ‘doorgangshuis’ (letterlijk) of Domus Transitoria verbond de keizerlijke verblijven op de Palatijn met de Tuinen van Maecenas en andere keizerlijke bezittingen op de Esquilijn. Na de grote brand van Rome in 64 werd het paleis verlaten en begon Nero aan de bouw van het Domus Aurea, dat nog veel groter en luxueuzer was. Op de ondergrondse muren zijn nog altijd sporen van die brand te zien.

Je kan de Domus Transitoria slechts bezoeken met een begeleider en in groepjes van maximum twaalf personen. Daarvoor moet je ook in het bezit zijn van het juiste Superticket waarmee je tijdens een bezoek aan het Forum Romanum en de Palatijn toegang krijgt tot een aantal extra attracties.

Daarbij horen het Museo Palatino, de Criptoportico Neroniano, de huizen van Augustus en Livia, de Aula Isiaca met de Loggia Mattei, de Tempel van Romulus, de Santa Maria Antiqua met het l’Oratorio dei Quaranta Martiri, de Rampa di Domiziano en nu dus ook de Domus Transitoria. Eind dit jaar wordt ook de Domus Tiberiana met de clivo della Vittoria (clivus Victoriae) toegankelijk voor het publiek.

Het Domus Transitoria kreeg een nieuwe speciale verlichting en bezoekers kunnen genieten van 3D-projecties waarmee de kamers van het paleis uit de oudheid virtueel opnieuw tevoorschijn worden getoverd. Het publiek kan zo het architecturale genie van keizer Nero bewonderen en zien hoe er in die tijd geëxperimenteerd werd met marmer en geschilderde decoraties.

De historicus Suetonius vertelt over de grote aandacht die Nero aan zijn privépaleis besteedde. Zelfs toen Nero nog leefde kwam er al kritiek op de overdreven luxe van Domus Transitoria. Tijdgenoten vonden het interieur met ingelegd marmer, fresco’s op de muren en plafonds en decoraties met goud en kostbare edelstenen toen al te veel van het goede. En toen moest het Gouden Huis (Domus Aurea) nog gebouwd worden…!

Na de brand in 64 na Chr. kende de bouwlust van keizer Nero inderdaad helemaal geen grenzen meer en begon hij aan de Domus Aurea. Uit de in as gelegde Domus Transitoria werd overigens heel wat bouwmateriaal voor het het nieuwe Gouden Huis gerecupereerd.

Het openstellen van de Domus Transitoria maakt deel uit van een nieuw beleid om bezoekers opnieuw toe te laten op paden, sites en in gebouwen (vooral op het Forum Romanum en de Palatijn) die lange tijd ontoegankelijk waren. Het jongste project maakt ook deel uit van een Neronische bezoekersroute in het centrale archeologische gebied dat zich uitstrekt van de Colle Oppio tot de Palatijn. De cryptoporticus van Nero die de verbinding maakte met de nabijgelegen Domus Tiberiana, maakte ook deel uit van het paleiscomplex.

Sommige kamers van het eerste paleis van Nero op de Palatijn zijn nog steeds herkenbaar. Eén van de meest opvallende ruimtes bevatte oorspronkelijk een nymphaeum met waterpartijen, opgebouwd tussen architecturale vormen die enigszins doen denken aan een theater en met vooraan een triclinium omgeven door kolommen van porfier en polychrome marmeren pilaren. De ruimte diende als rust- en recreatiekamer voor de keizer, maar werd tijdens latere verbouwingen in twee gedeeld door een muur.

Tijdens de eerste opgravingen in 1721 werd aanzienlijke schade aangericht. In twee andere kamers bevinden zich resten van de kostbare decoratie die destijds de muren sierde, gaande van fresco’s, stucwerk en marmeren vloeren. Een gedeelte van de vondsten die hier gebeurden worden bewaard in het nabijgelegen Palatijns museum. Als gevolg van een samenwerkingsovereenkomst tussen het Nationaal Archeologisch Museum van Napels werden een aantal artefacten voor het eerst in 300 jaar teruggebracht naar de Palatijnse heuvel en er tentoongesteld.

Bekijk of download hier een Domus Transitoria-filmpje

Scala Santa na 300 jaar weer toegankelijk voor het publiek

29 april 2019

Na 300 jaar is de Scala Santa aan Piazza San Giovanni in Laterano in Rome, de heilige trap die vele jaren met houten planken was bedekt, weer zichtbaar en toegankelijk voor het publiek. Tot zondag 9 juni, het hoogfeest van Pinksteren, mogen pelgrims de marmeren treden van de trap op hun knieën beklimmen. Op 30 juni wordt de trap opnieuw bedekt met hout. De fresco’s langs de trap werden eveneens gerestaureerd. De 28 witte marmeren treden zouden volgens de overlevering deel uitmaken van het pretorium van Pontius Pilatus in Jeruzalem, waar Jezus werd berecht voordat hij tot de kruisiging werd veroordeeld. Jezus zou die trap beklommen hebben om bij Pilatus te komen. Volgens middeleeuwse legenden zou de trap omstreeks 326 door Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, van Jeruzalem naar Rome zijn gebracht.

Toen de planken werden weggehaald, werden er onder het hout duizenden briefjes, papiertjes, verzoeken om genade en zelfs foto’s teruggevonden. Die waren daar door de eeuwen heen door gelovigen achtergelaten. Paolo Violini, die de leiding van de restauratie had, zegt dat zijn team het heel belangrijk vond om dit jaar de bedevaarders opnieuw de kans te geven om de marmeren treden op hun knieën te beklimmen. Pelgrims die dat doen krijgen volgens de christelijke traditie een volledige aflaat. De voorbije 300 jaar waren de treden met houten planken bedekt. De originele treden zijn slechts toegankelijk tot 9 juni. Daarna worden ze opnieuw toegedekt. Wie de originele marmeren treden wil zien moet dus niet te lang wachten.

De Romeinse Scala Santa (of Scala Sancta) wordt voor het eerst vermeld in een passage uit de Liber Pontificalis, ten tijde van paus Sergius II (844-847). In 1589, tijdens het pontificaat van Sixtus V, werd de Heilige Trap verplaatst naar het Paleis van Lateranen. Dat gebouw bood destijds ook plaats aan het Sancta Sanctorum. Daar was tot het begin van de veertiende eeuw de privékapel van de bisschop van Rome gevestigd.

Paus Sixtus V liet vervolgens een speciaal heiligdom bouwen, dat vandaag de dag bekend staat als het Heiligdom van de Heilige Trap. In 1853 werd daar op verzoek van paus Pius XI een klooster naast gebouwd. Dit klooster werd toevertrouwd aan de Congregatie der Passionisten die het klooster nog altijd beheren. De achtentwintig treden waaruit de trap bestaat, werden destijds één voor één aangebracht. Dit gebeurde van boven naar beneden, om te voorkomen dat de treden beschadigd zouden raken door de bouwlieden. De trap leidt naar het Sancta Sanctorum. Dat was in de middeleeuwen de persoonlijke bidkapel van de pausen. Verschillende rooms-katholieke heilige relieken worden daar ook bewaard.

De trappen, vlakbij de basiliek van Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano), werden 400 jaar geleden voor het eerst door paus Sixtus V voor het publiek open gesteld. In 1723 liet paus Innocentius III de Scala Santa met notenhouten planken bedekken om de treden te beschermen. De trap lokt jaarlijks meer dan twee miljoen bezoekers. Vorig jaar werden de trappen volledig afgesloten om de fresco’s op de wanden langs de trap naar de private pauselijke Heilige Laurentiuskapel te kunnen restaureren. Violini bevestigt dat de treden op sommige plaatsen vrijwel volledig zijn uitgesleten door de eeuwenlange klimtochten van de pelgrims.

Op de Heilige Trap in Rome zijn vier bloedvlekken van Jezus te zien. Drie van de bloedspetters zijn bedekt met een kruisje. Twee van die kruisjes zijn van brons, het andere van rood porfier. De vierde bloedvlek wordt beschermd door een metalen rooster, omdat er door de vele gelovigen die er hun hand oplegden een gat in het hout was ontstaan. Het exemplaar dat we in Rome aantreffen is niet de enige Heilige Trap. Ook in Jeruzalem staat er eentje, die volgens de overlevering eveneens gebruikt zou zijn door Jezus om bij Pilatus te komen. Het exemplaar in Rome is echter zonder twijfel de bekendste van de twee en wordt algemeen en ook door het Vaticaan beschouwd als de echte. Het verhaal van de heilige trap blijft uiteraard wat het is: een verhaal. En wel eentje waarvan het onmogelijk nog te achterhalen is wat er van waar is.

Pelgrims die de trap bestijgen, treffen aan weerszijden vele meters fresco’s aan. Daarop staan verhalen afgebeeld uit het Oude en Nieuwe Testament. Paus Sixtus V had die daar in 1589 laten aanbrengen als catechese voor de pelgrims. Een beetje zoals de video’s met uitleg die we tegenwoordig in musea vinden. Het gebouw van de Scala Santa bevat twee resten van het verdwenen paleis van Lateranen, namelijk de heilige trap en de vroegere huiskapel van de pausen, het Sancta Sanctorum. Een bezoek aan deze pauselijke kapel is eigenlijk een absolute must.

Het Lateraan, een paleis op de Monte Celio was oorspronkelijk in handen van het Romeinse adellijke geslacht van de Lateranen maar werd door een keizerlijke schenking tijdens Constantijn de Grote eigendom van de Kerk. Gedurende het grootste deel van de middeleeuwen was het de residentie van de pausen. 161 pausen hebben er gewoond. Toen de pausen aan het begin van de veertiende eeuw het Lateraan verlieten om zich in Avignon te vestigen verloor het patriarchaat haar reden van bestaan. Het paleis werd niet meer gebruikt en werd al gauw het doelwit van vandalisme en plundering.

Een grote brand in 1308 vernielde het complex dat niet hersteld werd. In 1361 brandde ook het overblijvende deel grotendeels uit. Toen Gregorius XI in 1377 eindelijk uit Avignon terugkeerde, ging hij om politieke en praktische redenen in het Vaticaan wonen. Niemand bekommerde zich nog om de ruïne van Lateranen.

Toen Felice Peretti di Montalto verkozen werd als paus Sixtus V (1585-1590) was de stad nog slechts een schim van het grootse antieke Rome. In het kader van een omvangrijk programma van stadsvernieuwing gaf de nieuwe paus architect Domenico Fontana de opdracht een nieuw paleis te bouwen. De nog overeind staande delen van het oude paleis werden daarbij afgebroken, een onherstelbaar verlies voor de kerkgeschiedenis.

Slechts drie delen van het oude patriarchaat bleven behouden en werden vervat in een gebouw dat later bekend zou raken als de Scala Sancta. Eén van de apsissen van de eetzaal, met name van het triclinium uit de achtste eeuw, waar Karel de Grote gedineerd had na zijn kroning, bleef bewaard. Ook de privékapel van de pausen bleef behouden, evenals de grote trap van het paleis. Van deze drie behouden delen bleef enkel de kapel op de oorspronkelijke plaats. De trap werd in 1589 verplaatst zodat hij voortaan naar de pauselijke huiskapel leidde en de apsis van de eetzaal werd verplaatst naar een zijmuur van het gebouw dat rond de pauselijke kapel werd gebouwd.

Zo kwam de apsis uit de achtste eeuw in open lucht te staan, terwijl ze vroeger behoorde tot het triclinium. Deze drie delen, de apsis, trap en kapel, werden gespaard om hun grote politieke en religieuze betekenis. De apsis als een verwijzing naar Karel de Grote; de kapel omdat de pausen daar gedurende eeuwen de belangrijkste riten van het Christendom hadden uitgevoerd en de belangrijkste relieken bevatte, waardoor de kapel het Sancta Sanctorum werd genoemd. De trap werd behouden wegens de overtuiging dat hij afkomstig was uit Jeruzalem en deel had uitgemaakt van het paleis van Pontius Pilatus.

Volgens eeuwenoude getuigenissen zou dit de trap zijn die leidde naar het bordes waar Jezus na de geseling door Pilatus aan het volk getoond werd. De trap zou omstreeks 326 door Helena, de moeder van keizer Constantijn, van Jeruzalem naar Rome zijn overgebracht. In 324 bezocht Helena inderdaad de heilige plaatsen in Palestina, waar zij de basilica’s op de Olijfberg te Jeruzalem en de Geboortekerk te Betlehem liet bouwen. De Kerk besliste tijdens de zestiende eeuw dat dit effectief de originele trap was waarop Jezus had gelopen en deze beslissing werd nooit herroepen.

Het verplaatsen van de 28 treden tellende trap uit het oude Lateranen-paleis naar de toegang tot de pauselijke kapel gebeurde in één nacht. Omdat de trap enkel op de knieën mocht beklommen worden, liet Domenico Fontana de trap omkeren. De oorspronkelijk onderste trede werd als eerste afgebroken en bovenaan gelegd, de tweede trede werd de voorlaatste bovenaan, enz. Het was voor de paus ondenkbaar dat de arbeiders de trap met hun voeten zouden ontheiligen.

Het tegenwoordige paleis diende van 1854 tot 1963 als museum voor antieke en vroeg-christelijke kunst. Bij het Lateraanpaleis werd reeds onder Constantijn een basiliek gebouwd, gewijd aan de goddelijke Verlosser en (later) aan Johannes de Doper (Sint-Jan van Lateranen). Als bisschopskerk van de paus kreeg zij de titel ‘Moeder en hoofd van alle kerken van de stad en de gehele wereld’. Ook deze kerk is verscheidene malen afgebrand en werd telkens herbouwd. Met de bouw van het achthoekige baptisterium werd eveneens onder keizer Constantijn begonnen.

Staande voor het gebouw van de Scala Santa zie je het opschrift dat werd aangebracht door Sixtus V: ‘non est in toto sanctior orbe locus’ (er is geen heiliger plaats in de hele wereld). De vijf grote bogen die de toegang tot het gelijkvloers van de Scala Santa vormen, leiden elk naar een trap, de middelste is de heilige trap. De marmeren trap werd eeuwenlang beschermd door een bekleding van notenhout waarin met kristal bedekte openingen uitgespaard zijn om de plaatsen te markeren waarop het bloed van Jezus gedruppeld zou hebben. Het gaat om de tweede, de elfde en de achtentwintigste trede. Een plakkaatje maakt duidelijk dat de trap enkel op de knieën mag worden beklommen. Men gelooft echter dat deze traditie niet verder teruggaat dan de zevende of de achtste eeuw.

Pelgrims die zich binnen de muren van het Lateranenpaleis door de paus wilden laten zegenen, moesten toen deze trap beklimmen om zich naar de zegeningszaal te begeven. Wellicht ontstond de gewoonte uit eerbied en als hoogtepunt van hun bedevaart dit op de knieën te doen, wat men vandaag ook nog in andere bedevaartsoorden ziet. De 28 trappen zijn in de loop der eeuwen door vele miljoenen gelovigen maar ook door pausen en latere heiligen op hun knieën beklommen. Luther zou ooit, uit onvrede met de roomse relikwieënverering, de trap gewoon betreden hebben. Het Engelstalige bordje meldt dat dit de trap van Pontius Pilatus is, in andere talen wordt enkel vermeld dat de trap door Helena naar Rome werd gebracht. Bovenaan de trap, naar links, bevindt zich de toegang tot de gesloten kapel van de heilige Sylvester waar de broers Paul en Matthias Bril eveneens mooie landschapslunetten schilderden.

Deze kapel kan in principe tussen 8.30 u. en 12 u. en van 15.30 u. tot 18 u. worden bezocht, maar je moet daarvoor toestemming vragen aan de nonnetjes in het winkeltjes tegenover de Capella San Silvestro. Er wordt toegangsgeld gevraagd. De muren van deze Sylvesterkapel behoren tot de oorspronkelijke, middeleeuwse structuur van het oude paleis van Lateranen, net als de muren van het Sancta Sanctorum. Tegenover de middentrap zie je een raam met tralies. Daarachter bevindt zich het Sancta Sanctorum.

In het triclinium, een eetzaal van 26 m op 12,5 m van het verdwenen Lateraans paleis waarvan we deze bescheiden resten zien, had paus Leo III (796-816) de gewoonte om hier op Pasen met de kardinalen te dineren. Soms werden er belangrijke gasten uitgenodigd. De eerste hooggeplaatste gast was Karel de Grote, later werden er door de opeenvolgende pausen o.a. de pas gekroonde keizers ontvangen. De zaal had drie apsissen, in één ervan was een mozaïek (798) aangebracht waar de goddelijke tweedeling van geestelijke en wereldlijke macht werd voorgesteld met de portretten van paus Leo III (795-816) en Karel de Grote.

Toen paus Sixtus V in 1589 het oude, deels vernielde Lateranencomplex liet afbreken bleef dit bewuste, maar helaas ernstig beschadigde mozaïek behouden. In 1743 werd het verplaatst naar een speciaal daartoe aangebracht omhulsel in de rechter zijmuur van de Scala Santa. Bij die verplaatsing brak het mozaïek zodat we vandaag enkel nog een zwaar hersteld mozaïek zien dat zelfs niet volledig met het origineel overeenstemt. We onderscheiden drie delen. Vooreerst het deel rechts op de triomfboog, het stelt Petrus (met nimbus) voor die de stola overhandigt aan paus Leo III (met vierkante nimbus) als hoofd van de geestelijke macht aan wie hij zijn Kerk toevertrouwt.

Een tevreden glimlachende Karel de Grote, aangeduid als Carolo Rex, ontvangt van Petrus als opperste wereldlijke gezagsdrager (eveneens met vierkante nimbus) het ‘vexillum’, de standaard van het Romeinse Rijk. Na Constantijn die we links zien, is Karel de Grote zo de tweede stichter van het Heilig Romeinse Rijk, het Sacrum Imperium dat Constantijn stichtte.

Het onderschrift luidt ‘Beate Petre donas vita Leon pp. E victoria Carvlo regi donas’, heilige Petrus, gij schenkt het leven aan paus Leo en de overwinning schenkt gij aan koning Karel. Let op de punten als aanduiding voor de woordscheiding, op de niet-klassieke spelling (b voor v) en het foutieve Latijnse taalgebruik. Dit deel van het mozaïek stemt getrouw overeen met het origineel. Op het deel links op de triomfboog geeft Christus het ‘labarum’ aan keizer Constantijn en het pallium aan de apostel Petrus.

Het labarum was bij de Romeinen het belangrijkste vaandel van het leger, gemaakt in een kostbare purperen stof aan een stang met dwarsstang waarboven later het Christus-monogram werd geplaatst. Dit deel van het mozaïek werd in 1625 volledig hermaakt zonder exact te weten hoe het origineel eruit zag. Het zou kunnen dat het Sylvester was die afgebeeld werd en niet Petrus, maar het kan ook een totaal andere groep geweest zijn.

Als derde deel toont het middenmozaïek de zending der apostelen. Ook dit deel stemt goed overeen met het origineel uit de achtste eeuw. We zien Christus samen met elf discipelen, klaar om te dopen en de Kerk te verspreiden. Het geopende boek toont ‘Pax Vobis’. De tekst onderaan luidt ‘docete omnes gentes…’, onderwijst en doopt allen in naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Ik zal altijd bij u zijn tot het einde der tijden.

Deze scène is een allusie op de politiek gevolgd door de Romeinse Kerk in Europa, een politiek van geloofsverspreiding en van de versterking van haar eigen positie waarvoor ze op de hulp van Karel de Grote rekende. Zelfs indien bepaalde details van het mozaïek in vraag kunnen worden gesteld, geeft het een eerste teken van de Karolingische renaissance die tot 960 zal duren.

Onder het Triclinium-mozaïek geeft een meestal gesloten deur toegang tot het ‘oratorio del Santissimo Sacramento’. Binnen bevinden zich links bovenaan zes landschapslunetten, geschilderd door Paul en Matthijs Bril. Het verhaal gaat dat in deze fresco’s zelfportretten verwerkt zijn.

In Rome bestaan er nog andere heilige trappen die echter niets te maken hebben met Jeruzalem of de heilige Helena. De eerste bevindt zich in het klooster van de Zusters van de Heilige Drievuldigheid ‘San Giuseppe a Capo le Case’ aan de via Francesco Crispi, een zijstraat van de Via Sistina, niet ver van de Spaanse Trappen.De tweede trap is terug te vinden in de Santi Michele e Magno, de kerk van de Friezen vlakbij het Sint-Pietersplein.

Om gunsten te verkrijgen werden overigens ook de trappen van de Santa Maria in Aracoeli en de Santa Maria Maggiore op de knieën beklommen. Dit herinnert ons aan Julius Caesar die bij gelegenheid op zijn knieën de trappen beklom van de tempel van Jupiter op het Capitool. Op 78-jarige leeftijd beklom paus Pius IX eveneens op zijn knieën de trappen van de Scala Santa aan de vooravond van de inval der Italiaanse troepen in 1870. Maar zijn gebed heeft toen niet geholpen.

Vijftiende Romulusprijs S.P.Q.R. is voor Hugo De Keersmaecker

28 april 2019

Vele mensen houden van de stad Rome en die zijn bij onze Romevereniging uiteraard helemaal op hun plaats. S.P.Q.R. heeft dit jaar de kaap van 400 leden gerond, maar weinigen gaan zover in hun passie voor Rome dan Hugo De Keersmaecker uit Ternat, de winnaar van onze Romulusprijs van dit jaar, voor wie een Romebezoek niet alleen het liefdevol beleven van een hobby is, maar daarnaast ook anderen laat meegenieten van al het fijne dat Rome te bieden heeft.

rom19Danny Pijls overhandigt de Romulusprijs 2019 aan Hugo De Keersmaecker (r.).

De vijftiende Romulusprijs werd uitgereikt tijdens onze traditionele receptie, die jaarlijks plaatsvindt op 21 april, de feestdag van de stad Rome en tevens het einde en het begin van ons werkjaar afbakent. De uitreiker van dienst was Danny Pijls. Voor S.P.Q.R. verzorgt Hugo nu al enkele jaren geheel belangeloos gedurende een aantal (zeer intense!) dagen gidsbeurten. Dat doen wel meer mensen en Rome heeft ook niet echt een gebrek aan gidsen.

Maar uit de vele reacties die we de jongste jaren via onze clubleden binnenkregen (en die het geluk hadden in Rome een wandeltocht mee te maken), weten we dat een gidsbeurt met onze winnaar niet zomaar een vrijblijvende tocht is. Hier gaat het niet om commercieel gewin door snel wat uit het hoofd geleerde lesjes en weetjes af te rammelen en dan te beginnen aan een volgende groep. Neen, als onze winnaar doorheen Rome wandelt gebeurt dat op een gepassioneerde manier, met veel verhalen, een gedegen kennis en uiteraard ook met veel liefde voor de stad.

Tot onze aangename verrassing heeft hij in die zin zelfs als inspirerend voorbeeld gefungeerd. Eerder dit jaar is immers nog een clublid opgestaan, een dame ditmaal, die de voorbije maanden op haar beurt een aantal gidsbeurten in Rome heeft verzorgd.

We wachten vol spanning op anderen die zich op deze (of een andere) manier willen inzetten voor onze vereniging en om de geheimen van de stad Rome nog beter te ontsluiten. In het snel naderbij komende feestjaar waarin S.P.Q.R. twintig jaar bestaat, zou het een leuk gegeven zijn als we met ons allen niet alleen in Belgio maar ook in Rome eens een fijn cultureel feestje gaan bouwen. Dan zijn mensen zoals onze Romuluswinnaar Hugo De Keersmaecker perfecte ambassadeurs waarvan we er nooit genoeg kunnen hebben.

Een meesterwerk van Carlo Maratta

25 april 2019

We bevinden ons voor de derde en laatste dag in de San Carlo al Corso, de dagelijkse naam voor de Basilica di Santi Ambrogio e Carlo waarover je eerder al een paar bijdragen kon lezen. In de basiliek zie je boven het hoogaltaar ‘De apotheose van de H. Ambrosius en de H. Carolus’ (1685-1690) een meesterwerk van Carlo Maratta. De heiligen worden afgebeeld met hun symbool, voor Ambrosius de pastorale staf en voor Carolus zijn motto ‘Humilitas’.

Carlo Maratta (1625-1713) was de belangrijkste schilder in het Rome van de late barok. Hij was een leerling van Andrea Sacchi (1559-1661) van wie we ons de vele fresco’s in de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) herinneren. Na de dood van Sacchi opent Maratta zich voor de barok en voor de invloed van da Cortona (1596-1669), de grote opponent van Sacchi. Later koesterde hij een terugkeer naar de kalme, edele stijl van Rafaël en de Carracci’s, in tegenstelling tot het meer dramatische werk van Pietro da Cortona.

Maratta schilderde in de stijl die men weleens ‘gusto grande’ noemde, een theoretische, academische stijl afgeleid van het werk van Rafaël. Daarbij werkte men volgens vaste concepten zoals: het onderwerp moet op een verhoog staan, achtergronden met landschappen mogen slechts minimaal aanwezig zijn, individuën mogen geen eigen bijzonderheden of karakteristieken hebben enz.

Maratta was een zeer goede frescoschilder en in zijn tijd de beste portretschilder in Rome. Na de dood van Bernini in 1680, werd Maratta de onomstreden leider van de Romeinse kunst, men noemde hem de ‘Romeinse Apelles’. In Italië was zijn succes enorm, hij diende zeven pausen, zijn mythologische en religieuze werken inspireerden jonge schilders in heel Europa.

Maar de Grand Tour-reizigers hielden niet van de verheven classicistische decoratiestijl van Maratta die naadloos aansloot bij de doctrinaire en emotionele vereisten van de katholieke Kerk. Na de dood van deze invloedrijke ‘virtuoso’ zakte zijn reputatie snel, ook al omdat zijn leerlingen onder zijn naam nog een heleboel minderwaardige werken afleverden. Hij verdween in de vergetelheid en pas in de twintigste eeuw werd zijn werk weer enigszins naar waarde geschat. Dit geldt ook vandaag nog: voor zover we weten werd in geen enkel hedendaags museum ooit een retrospectieve gewijd aan Maratta.

In Rome vinden we veel werk van Carlo Maratta, onder meer in het Palazzo Venezia, de San Marco, de Santa Maria sopra Minerva, de Gesu, de Santa Maria del Popolo, de Santa Maria in Vallicella, de Sant’ Andrea al Quirinale, in Palazzo Colonna en op nog heel wat andere plaatsen. Ook zijn ‘Doopsel van Christus’ in de Santa Maria degli Angeli waar Maratta begraven werd in een door hemzelf ontworpen tombe (foto hieronder) is een fraai stuk. Een fantastische maar vandaag helaas miskende en zelfs enigszins vergeten kunstenaar.

Ook het hoogaltaar in de San Carlo al Corso verdient enige aandacht, dat heeft alles te maken met Franz Liszt (1811-1886). Muziekliefhebbers kennen wellicht het verhaal. Na een langdurige relatie met gravin d’Agoult, met wie hij drie kinderen had, ontmoette Liszt in 1847 de gehuwde Russische prinses Carolyne Sayn-Wittgenstein die hij omschreef als ‘een buitengewoon en compleet prachtexemplaar van ziel, geest en verstand’.

Het was meteen de grote liefde, al moest het koppel zeventien jaar wachten op de pauselijke toelating om te huwen. In 1860 was de prinses naar Rome gekomen om haar zaak te bepleiten, haar scheiding was immers volgens het kerkelijk recht mogelijk daar zij als minderjarige en tegen haar eigen wil getrouwd was. De paus had er wel oren naar. In oktober 1861 komt ook Liszt naar Rome. Hij betrekt twee kamers aan de Via Sistina, Carolyne verblijft in een appartement aan de nabijgelegen Via del Babuino. Maar enkele dagen vóór het voltrekken van het huwelijk dat in de San Carlo al Corso voor dit altaar moest plaatsvinden, besliste de paus er anders over.

Liszt trekt zich terug in het klooster van Santa Maria del Rosario (nu een ‘slotklooster’ voor nonnen) op de flank van de Monte Mario voorbij de Ponte Milvio. Daar bewaart men nog, gewikkeld in inpakpapier met een touw errond, het kleine klavier dat Liszt er gebruikte voor zijn composities. Paus Pius IX kwam er Liszt zelfs bezoeken op 11 juli 1863. Toen in 1865 de verbreking van het prinselijk huwelijk definitief voor onmogelijk werd verklaard nam Liszt de lagere wijdingen aan. Voortaan noemde hij zich l’abbé Liszt, en ook ‘de zigeuner-franciskaan’.

Tegen de pilaar links van het hoogaltaar, net voor het hekken van de rondgang, bevindt zich een klein, wit vijftiende-eeuws tabernakel voor de heilige olie. Het komt uit de vroegere kerk, de oude Sant’ Ambrogio. De kooromgang (let op het tongewelf) is voor Rome uitzonderlijk, en is wellicht een verwijzing naar de gotische kathedraal van Milaan. In de kapel rechts halfweg de kooromgang, dus voorbij het hekken, wordt het hart van Carlo Borromeo bewaard. Het werd door de aartsbisschop van Milaan op 29 januari 1612 aan de Romeinse gemeenschap geschonken op de dag dat de eerste steen werd gelegd van de huidige basiliek.

Borromeus is één van Rome’s meest populaire heiligen, hij was de neef van Pius IV die hem promoveerde tot kardinaal. Hij deed echter afstand van deze functie om zich te wijden aan de armen van zijn stad. Ambrosius (339-397) was één van de bekwaamste voorvechters van het christendom, die zelfs Theodosius durfde te trotseren (hij weigerde hem de toegang tot zijn kerk wegens de bloedige onderdrukking van een opstand). Als 35-jarige magistraat ontving Ambrosius in één week tijd, het doopsel, de lagere wijdingen en de bisschopswijding.

Hij is naast kerkvader ook de grondlegger van het antifonale psalmgezang. Dank zij zijn muzikale en poëtische vaardigheden slaagde hij erin het zingen van hymnen in Gallië en het toenmalige westen te introduceren, daarbij was Ambrosius zowel componist als tekstschrijver. Augustinus (354-430) die door Ambrosius werd gedoopt, hij was dan 32, getuigt van de grote ontroering die deze hymnen bij hem wekten.

Toen Augustinus de bisschop van Milaan voor het eerst ontmoette, stelde hij tot zijn grote verwondering vast dat ‘als hij een tekst las, gleden zijn ogen over de bladzijden, overwoog hij van binnen de betekenis, maar zijn stem en tong waren in rust’, terwijl Augustinus als ‘provinciaaltje’ enkel hardop kon lezen. Ambrosius sterft twee jaar na Theodosius de Grote, het West-Romeinse keizerrijk had dan nog minder dan een eeuw te gaan.

Destijds kwam de paus met veel vertoon op 4 november naar de San Carlo al Corso ter gelegenheid van het feest van de heilige Carolus Borromeus. In Rome zijn drie kerken naar Carolus vernoemd: de San Carlo al Corso, de San Carlo alle Quattro Fontane en de San Carlo ai Catinari.

De kapel van de Viking

22 april 2019

Het ruime barokinterieur van de Basilica di Santi Ambrogio e Carlo (in Rome beter bekend als de San Carlo al Corso) maakt indruk door zijn grandeur. Het is een belevenis deze kerk bij volle verlichting te betreden op de tonen van het ‘Panis Angelicus’, zoals we ooit eens op een oudejaarsavond meemaakten. Maar we moeten kritisch blijven: het overvloedige ‘marmer’ dat we rondom ons zien is vaak slechts een geschilderde nabootsing en artistiek heeft de kerk minder te bieden dan men zou aanvankelijk zou denken. Toch is het de moeite waard om hier even binnen te gaan, al was het maar om de kapel van de Viking even te zien.

De derde kapel links is deze van de Noorse gemeenschap in Rome, ze is gewijd aan de ‘heilige’ koning Olaf (Olav) II wiens feest op 29 juli valt. De christelijke vorst Olaf Haraldsson (995-1030), ook bekend als ‘de dappere’, was een wrede man, heerszuchtig, ‘met ogen hard als die van een serpent’. Een decennium lang brutaliseerde hij zijn rivalen en onderdanen en pleegde ontelbare gruwelen, alles officieel in naam van God.

In 1028 waren de Noorse edelen zijn tirannie beu, ze verdreven koning Olaf en erkenden de Deense koning Knoet II (995-1035). Twee jaar later keerde Olaf de Dappere uit zijn verre ballingsoord Novgorod (gesticht door de Noormannen) naar Noorwegen terug om zich te wreken. Het was een fatale stap: Olaf werd tijdens de zomer van 1030 verslagen in de beroemde slag bij Stiklestad ten noorden van Tröndheim.

Tijdens de gevechten werd Olaf eerst kreupel geslagen door een houw met een bijl, vervolgens doorboord met een speer en tenslotte gedood toen zijn nek tot op de ruggengraat werd opengehakt. Dat klinkt niet prettig. Maar niet getreurd: voor het verlies van zijn aardse troon werd Olaf schitterend schadeloos gesteld met een troon in de hemel. Die verheffing mocht dan wel ogenschijnlijk iets ongerijmds hebben, maar Olaf’s heiligheid werd bewezen door een reeks wonderen.

Want terwijl de walm van de slachtpartij bij Stiklestad nog in de lucht hing, werd na een jaar het intacte lichaam van de vroegere koning uit een zandbank opgegraven. Zijn bloed had de dodelijke wonden geheeld, zijn nagels en haren groeiden gewoon verder. Het lichaam werd overgebracht naar Tröndheim, waar plots in een verbazend tempo zieken en gewonden genezen werden.

In de hele Vikingwereld, van Novgorod tot Dublin werd de eens zo wrede krijgsheer voortaan geëerd als de ‘heilige koning’ en werd hij begraven in de Nidarokathedraal in Tröndheim. De broer van Olaf heroverde later de Noorse troon, en de zoon van Olaf is de fameuze Magnus die in 1039 de Denen uit Noorwegen zou verjagen. Een leuke familie.

Rechts, net voorbij vorige kapel, vinden we een doorgang die we even ingaan. Daar bevindt zich links de toegang tot een binnentuin, met aan één zijde een kloostergang die naar de Via del Corso leidt. Iets verder in de doorgang, zien we links een dubbele deur die leidt naar het meestal gesloten oratorium of de Ambrosiuskapel, die op de plaats staat van het allereerste kerkje, de San Niccolà del Tufo.

In dit oratorium worden elke zondag om 17 uur de vespers gezongen. Bezoekers zijn toegelaten op voorwaarde dat ze de ceremonie niet storen. Het is een unieke gelegenheid voor een bezoek aan dit oratorium. Al wat je hier ziet is modern en dateert uit de jaren ’30 van de vorige eeuw, behalve de merkwaardige ‘Kruisafname’ uit 1583 boven het hoogaltaar.

Dat is een werk van de Vlaming Jacob Cornelisz Cobaert (Edingen 1535 – Rome 1615). Merk op dat Christus van het kruis gelicht wordt door een engel, dit is uniek in de iconografie. De sibillen links en rechts werden uitgevoerd door Tommaso della Porta (1520-1567), voor zover we weten is dit zijn enige werk in Rome.

Cobaert vestigde zich vanaf 1552 in Rome en werd er Coppe of Giacomo Fiammingo genoemd. Eerst werkte hij als assistent van Guglielmo della Porta (1500-1577) die we vooral kennen van zijn meesterwerk, het grafmonument van paus Paulus III Farnese, links in het koor van de Sint-Pietersbasiliek.

Van het werk van Cobaert is in Rome niet veel in publieke ruimtes te vinden. Wel bevindt zich in de Santi Trinità dei Pellegrini een beeldengroep waarvan de Mattheüs van zijn hand is en in de San Luigi dei Franchesi vinden we ook enkele beelden van deze kunstenaar uit onze gewesten. In Palazzo Venezia bevindt zich een ivoren figuur (32 cm) met ‘de Maagd en de dode Christus ondersteund door Nicodemus’. Ook dit werk is uitgevoerd door Cobaert. De analogie met het altaarstuk dat we hier in het oratorium zien is duidelijk, ook hier zijn de figuren langer gemaakt, zelfs op het irrreële af, wat getuigt van een maniërisme dat we ook bij Guglielmo della Porta terugvinden in bijvoorbeeld het graf van Paulus III.

Tijdgenoten beweren dat Cobaert uitzonderlijk mooie, kleine beelden maakte in was, brons en ivoor, maar hij was ook bedreven in het bewerken van marmer. Cobaert woonde achter de Sint-Pietersbasiliek waar hij volgens de literatuur een ’liederlijk’ leven leidde. Hij stierf in Rome en werd begraven op het Campo Santo dei Teutonici e dei Fiamminghi.

We keren terug naar de linker zijbeuk van de San Carlo al Corso en gaan tot het weelderige linker transept uit 1929, een geschenk van de gelovigen aan paus Pius XI (1922-1939) die in deze kerk als jonge priester in 1879 zijn eerste mis opdroeg. Naast het transept bevindt zich de deur die leidt naar de Cappella del Cuoro (in principe steeds gesloten, maar ze wordt op verzoek geopend, eigenlijk niet te missen). Tegen de muur hangt naast de ingangsdeur, een dramatische ‘Kruisiging’ van een onvoorstelbare moderniteit. Het is een beklijvend werk van Jacques Courtois (1621-1676), beter gekend als Borgognone.

Deze Courtois werd, net als zijn jongere broer, geboren in Saint-Hyppolyte in Franche-Comté. Let vooral op de linker onderhoek van de omlijsting van het schilderij, daar bevindt zich een metalen schuifje dat toelaat het schilderij van de muur weg te draaien. Dat had een goede reden. In de muur achter het schilderij bevindt zich immers een geheime kluis waarin men destijds bij onheil het reliek van het hart van Carlo Borromeo verstopte. Dit reliek bevindt zich vandaag in de kooromgang.

De Cappella del Cuoro geeft toegang tot de mooie sacristie, met aan de overkant een kamertje met een marmeren wastafel. Uit beide kranen vloeit water van de Aqua Marcia, volgens de parochiepriester steeds fris en helder en het beste water van Rome.

De Basilica di Santi Ambrogio e Carlo

18 april 2019

De Basilica di Santi Ambrogio e Carlo is een rijk versierde barokke basiliek aan de Via del Corso 437 in Rome, waar zich de hoofdingang bevindt. De kerk is bij de meeste mensen beter bekend als de San Carlo al Corso. Het is een indrukwekkend gebouw gewijd aan de Milanese heiligen Ambrosius (334-397) en Carolus Borromeus (1538-1584).

Het is de ‘nationale’ kerk van de Lombarden. In 1471 werd de San Niccolò del Tufo, die zich op deze plaats bevond, door paus Sixtus IV della Rovere (1471-1484) aan de Lombardische gemeenschap in Rome geschonken. Die verbouwde het vrij kleine gebouw en wijdde de vernieuwde kerk aan Ambrosius, de heilige bisschop van Milaan.

Nadat ruim een eeuw later besloten werd dit kerkgebouw ook toe te wijden aan Carolus Borromeus, de toen pas heilig verklaarde aartsbisschop van Milaan, werd in 1612 gestart met de bouw van een nieuwe grootse kerk. Op 29 januari van dat jaar werd de eerste steen gelegd.

De kerk is ontworpen en werd gebouwd door Onorio Longhi en zijn zoon Martino, zelf Lombarden. Voor het ontwerp werd inspiratie gehaald uit de Dom van Milaan, De werken duurden tot het einde van de zeventiende eeuw. De gevel uit 1684 is het werk van architect Gianbattista (Giovanni Battista) Menicucci (overleden in 1690) en voltooid door Mario da Canepina. Voor zover we kunnen nagaan is dit het enige werk van Menicucci in Rome. Het is al bij al een niet geheel geslaagde poging om een gevel met slechts één zuilenorde te ontwerpen.

Het belangrijkste architectonische element van deze kerk is de in 1668 door Pietro da Cortona (1596-1669) gebouwde koepel die als de mooiste van Rome wordt beschouwd, uiteraard na deze van de Sint Pietersbasiliek uit 1590. De koepel is prominent in het Romeinse stadslandschap aanwezig en domineert de hele omgeving. De tamboer bekoort door de afwisseling van raamopeningen over de volle hoogte, zonder bovenliggende frontons, en door de pilasters die een rondlopende lijst dragen.

De openingen daarboven, die bij da Cortona’s ontwerp van de Santi Luca e Martina schelpvormig gebogen waren, verschijnen hier als kleine, ovale ramen, die door een kordonlijst met fronton worden omkranst. Een kordon(lijst) of kordonband is een uitspringende horizontale lijst in de gevel van een gebouw. De band geeft aan waar de verdiepingen zijn gescheiden (al dan niet door schaduwwerking) en loopt soms rondom het hele gebouw.

Met de koepel van de San Carlo al Corso creëerde Pietro da Cortona duidelijk een variant op het door Michelangelo voor de Sint-Pietersbasiliek ontworpen en niet geheel gerealiseerde prototype. Tijdens de kerstdagen staat in de San Carlo een zeer mooie kerststal, met originele Napolitaanse beelden uit de zeventiende en de achttiende eeuw.

Het interieur van de kerk werd volledig gerenoveerd in 2001. Nadien bleken nog steeds scheuren in de muren te zitten waardoor experts op een bepaald moment zelfs waarschuwden voor instortingsgevaar. Na verschillende ingrepen is de kerk inmiddels weer stabiel verklaard.

In 1929 kreeg de Santi Ambrogio e Carlo de status van ‘basilica minor’. Sinds 1967 is de basiliek in gebruik als titelkerk. Sinds het overlijden van de laatste titelhoudende kardinaal Dionigi Tettamanzi in 2017 is de titel echter vacant.

In een volgende bijdrage brengen we een bezoek aan deze basiliek.