De indrukwekkende Porta Maggiore

16 april 2019

Enkele dagen geleden kon je het verhaal lezen over de graftombe van Eurysaces en de tentoonstelling die aan deze bakker uit de oudheid werd gewijd in de Centrale Montemartini. Het befaamde graf van Marcus Vergilius Eurysaces bevindt zich vlak naast de Porta Maggiore en is nog steeds uitstekend zichtbaar. Tenzij men vlakbij in de buurt logeert, durven toeristen de Porta Maggiore en de onmiddellijke omgeving weleens over te slaan. Dat is niet helemaal terecht, want in deze buurt is toch wel wat te zien.

De belangrijkste archeologische site in de omgeving bevindt zich echter ondergronds. De Basilica Sotterranea di Porta Maggiore werd na een lange restauratieperiode in oktober vorig jaar opengesteld. Een gedeelte van de site kan in principe onder begeleiding worden bezocht. Maar de site kampt echter met grote technische moeilijkheden en er zijn bijkomende restauraties nodig. De restauratiewerken die nu (alweer) aan de gang zijn herstellen ook het stucwerk van het middenschip. Die ingreep maakt de toegang tot de ondergrondse basiliek gevaarlijk, daarom zijn de bezoeken tot nader order alweer opgeschort. Op deze boekingssite kan je in de gaten houden wanneer de ondergrondse kerk opnieuw toegankelijk is.

Eén van de grootste problemen in de ondergrondse ruimte is het fel insijpelende regenwater. Bij de uitbouw en openstelling van de basiliek is ook Rete Ferroviaria Italiana (RFI) betrokken, een dochterbedrijf van Ferrovie dello Stato (FS). RFI is de eigenaar van het Italiaanse spoorwegnet en is verantwoordelijk voor onderhoud en de beveiliging van de sporen. RFI is betrokken partij omdat de basiliek zich ondergronds tot ruim 10 m onder de vlakbij gelegen spoorweg uitstrekt.

Op en rond Piazza di Porta Maggiore werden resten teruggevonden van de Thermen van Helena en een waterreservoir. Beiden maakten deel uit van het Sessorium, een keizerlijk paleiscomplex dat werd gebouwd in het begin van de derde eeuw. Gedurende een gedeelte van de derde en de vierde eeuw woonden de Romeinse keizers in dit complex. De bouw begon onder keizer Septimius Severus en werd voltooid door Heliogabalus. De nieuwe keizerlijke residentie werd gebouwd omdat de keizers in die periode vonden dat deze plaats beter geschikt was om te wonen dan in de oude paleizen op de Palatijn. Ook Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, heeft hier gewoond.

Het complex bestond naast een paleis uit tuinen, een amfitheater, een circus, thermen en een basilica voor het afhandelen van staatszaken. Tussen 271 en 280 werd de Aureliaanse Muur rond Rome gebouwd. Deze werd dwars over het terrein van het Sessorium getrokken en om bouwmateriaal te sparen werd de buitenmuur van het amfitheater gedeeltelijk opgenomen in de stadsmuur. Het circus werd door de muur doorsneden en werd afgebroken. Er is niet zoveel van het keizerlijke gebouw overgebleven.

De Porta Maggiore is een stadspoort in de antieke Aureliaanse Muur in Rome. De oorspronkelijke Romeinse naam was Porta Praenestina omdat ze in de tegengestelde richting naar Praeneste leidde, het huidige Palestrina. De poort heeft ook bekend gestaan als Porta Labicana en Porta Naevia. De poort dankt zijn huidige naam aan de verderop gelegen en zeer bekende basiliek Santa Maria Maggiore. De Porta Maggiore kreeg zijn naam in de middeleeuwen om de vele pelgrims die Rome bezochten via deze poort de kortste weg naar de basiliek te wijzen.

Onder de poort ligt nog een gedeelte van een oude Romeinse weg waarop duidelijk te zien is dat door het drukke verkeer in de oudheid karrensporen in het plaveisel zijn uitgesleten. In het midden van de nogal chaotisch ogende Piazza di Porta Maggiore staat de indrukwekkende gelijknamige poort. Ondanks de vaak hectische omgeving is deze schitterende stadspoort één van de meest indrukwekkende in zijn soort. Het is vaak ook het eerste belangrijke monument in Rome dat bezoekers te zien krijgen wanneer ze met de Leonardo Express vanuit de luchthaven in Fiuminico de stad per trein binnenrijden.

De Porta Maggiore is een onderschatte constructie en mag gerust worden gerekend tot één van de meest majestueuze bouwwerken van het oude Rome. De poort oogt gigantisch en heeft iets waarvan men onder de indruk komt, vooral als je vanaf enige afstand de constructie bekijkt. De kracht en de schoonheid van het monument ligt in het contrast tussen de grote, grove blokken en de gepolijste attiek. De Porta Maggiore bestaat uit twee travertijnen bogen met pylonen aan de zijkanten, met ramen met timpanen en Korinthische zuilen.

Het gebruik van grote blokken travertijn, die zelfs voor de pilaren grof werden gehouwen, de zogenaamde ‘onafgemaakte’ techniek, is een karakteristieke modetrend uit de tijd van keizer Claudius (41-54). Het wegdek onder de poort is zoals verteld nog origineel. Vóór Aurelianus hier de nieuwe stadsmuur aanlegde, bevond zich op deze plaats een in 52 na Chr. door Claudius aangelegd knooppunt van aquaducten. Deze plek bevindt zich 43 m boven de zeespiegel en is opmerkelijk genoeg het hoogste punt van Rome en dus de ideale plaats om aquaducten te laten samenkomen. Dat waren de Anio Vetus (de oudste), de Aqua Marcia, de Aqua Tepula, de Aqua Julia en de Aqua Claudia.

Twee eeuwen later werd in 270 het knooppunt van Claudius gebruikt bij de aanleg van de nieuwe stadsmuur. Men gebruikte de bogen van de Aqua Claudia en de Anio Novus, van beide zijn de kanalen nog zichtbaar, om een poort te maken in de muur van Aurelianus, net op de plaats waar de weg komende uit het centrum zich splitste in de nog bestaande Via Prenestina (in de richting van het huidige Palestrina) en de Via Labicana richting Cassino, nu gekend als de Via Casilina, de eerste baan rechts.

Op het bovendeel van de Porta Maggiore, waar de waterleidingen van het aquaduct liepen, zijn inscripties aangebracht die herinneren aan Claudius en aan restauraties die werden uitgevoerd door de keizers Vespasianus in 71 na Chr. en Titus in 81 na Chr. Toen Honorius (395-423) de versterkingsmuren liet restaureren, werd aan de buitenkant een bastion toegevoegd.

De Aqua Claudia is één van de opmerkelijkste aquaducten van Rome. De bouwwerken werden in 38 na Chr. gestart door keizer Caligula en door Claudius in 52 (of in 47, niet alle bronnen zijn het hierover eens) voltooid. Dit aquaduct overbrugde een afstand van ruim 68 km tussen de bergen van Subiaco en Rome. Keizer Nero (54-68) bouwde vanaf de Porta Maggiore een aftakking, de Aqua Nero. Bij sloopwerken tijdens de negentiende eeuw, werd naast de Porta Maggiore de ons inmiddels bekende graftombe van Marcus Vergilius Eurysaces blootgelegd.

Dit grafmonument dat vandaag officieel wordt aangeduid met de naam ‘Sepolcro di Marco Vergilio Eurysace’ dateert uit 30 v. Chr., is bijna een eeuw ouder dan de aquaducten en drie eeuwen ouder dan de stadsmuur van Aurelianus waartegen het aanleunt.

S.P.Q.R. zet het nieuwe werkjaar in met een stevig feestje

14 april 2019

Op 21 april wordt zowel in Rome als door onze vereniging S.P.Q.R. feest gevierd. 21 april is immers de officiële feestdag van Rome, de dag waarop de legendarische stichting van de stad wordt herdacht. De Eeuwige Stad viert dit jaar haar 2772ste officiële verjaardag! Zo lang bestaat onze vereniging nog niet, maar voor S.P.Q.R. betekent 21 april wel het einde van alweer een werkjaar (en uiteraard!) het begin van een nieuw jaar vol Rome- en Italiëplezier! Alle clubleden en mensen waarmee we dit jaar op een of andere manier samenwerkten hebben inmiddels hun uitnodiging voor onze jaarlijkse feestreceptie op die datum al ontvangen. Op 21 april reiken we ook de vijftiende Romulusprijs uit.

lidkaart4

21 april betekent ook dat de vernieuwing voor het jaarlijkse lidmaatschap eraan komt. Een heleboel mensen hebben hun nieuwe lidmaatschap (dat loopt tot 21 april 2020 ) reeds spontaan in orde gebracht of werden vrij recent (sinds 1 december) lid. Indien jij bij die groep hoort, is wat volgt niet voor jou bestemd. Als je naam op deze link in het groen staat is je lidmaatschap reeds in orde en hoef je niets te doen. Staat je naam vermeld in een rode kleur zal je lidmaatschap eindigen op 21 april 2019. Ben je helemaal niet vermeld, ben je momenteel geen lid.

lidkaart2

De lidmaatschapskaart van S.P.Q.R. heeft ook dit jaar het formaat en uitzicht van een klassieke bankkaart en is vervaardigd uit hetzelfde materiaal. Het kaartje is persoonlijk en pas geldig nadat je naam is ingevuld op de beschrijfbare witte strook. Het is ook dit jaar weer een uniek hebbeding waarop heel wat mensen jaloers zullen zijn en waarmee je aan al je vrienden en vriendinnen kan tonen een ware Romeliefhebber (m/v) te zijn!  Ter illlustratie zie je hier een paar voorbeelden van oudere kaartjes.

lidkaart1

Als lid van S.P.Q.R. ontvang je ook vrijwel dagelijks onze geïllustreerde nieuwsbrief. Vorig jaar gingen er ongeveer 260 nieuwsbrieven de deur uit en werden via deze site Romenieuws.be zo’n 320 berichten verspreid. In totaal werden ruim zeventig activiteiten georganiseerd, waaronder een zestigtal begeleide wandelingen, gidstochten en uitstappen in Rome. Met dank aan Hugo, Eric en Angelina.

Bij de activiteiten in België hoorden vooral boeiende lezingen zoals ‘Vervalsingen in de kunst en de link tussen Italië en het Lam Gods’ (Cor Engelen), een lezing met boekvoorstelling van ‘Proeftuin Italië’ (Pepijn Corduwener), ‘Park Life: Het verwachte en onverwachte beeld van het Parco Appia Antica’ (Louis van Soest), een lezing over ‘De oorlog en het Vaticaan’ (Johan Ickx), een lezing met boekvoorstelling van ‘De Schaduw van Caesar’ (Jelle Dehaen) en een lezing met boekvoorstelling van ‘Ovidius – Het verhaal van een dichter’ (Michiel Verweij).

Dan was er nog onze jaarlijkse Italiaanse lunch en maakten we een daguitstap naar Le Bois du Cazier (Mariemont) waar 262 mensen onder wie vele Italiaanse migranten het leven verloren tijdens de mijnramp van 8 augustus 1956. Aansluitend was er een bezoek met gids aan de tentoonstelling ‘In de tijd van Galenus – Een Griekse arts in het Romeinse rijk’ en vorige maand organiseerden we ons eerste concert ‘Een pianoreis door Italië -Alle muzikale wegen leiden naar Rome en Italië’, uitgevoerd door Nathan Vanden Bulcke en dat werd bijgewoond door 150 muziekliefhebbers.

De ledenbijdrage blijft ook ditmaal, na zeventien jaar, nog steeds behouden op slechts 25 euro. Je kan dit bedrag gewoon overschrijven op rekening nr. IBAN BE 91 6528 4463 6676 van S.P.Q.R. in B-3000 Leuven (België). Om internationale Europese betalingen te verrichten heb je waarschijnlijk ook deze BIC-code nodig: HBKABE22.

Wie nog geen deel uitmaakt van S.P.Q.R. maar zich als nieuw clublid wil aansluiten, kan eveneens gebruik maken van bovenvermeld rekeningnummer. Nieuwe leden verzoeken we vriendelijk om dit formuliertje in te vullen.

image002

Zoals je merkt probeerden we het voorbije werkjaar heel wat leuke en gevarieerde activiteiten te organiseren en, gezien jullie enthousiaste deelnames, reacties en vele vragen over allerlei zaken in Rome, hebben we hopelijk voldoende krediet om samen met jullie allen voort te doen. We hopen jullie het volgende werkjaar nog talrijker en minstens even enthousiast te mogen ontmoeten in onze Rome- en Italiëgroep. Dit jaar hebben we overigens de kaap van de 400 leden overschreden en we groeien nog steeds. Daar zijn we erg blij om!

Al onze clubleden worden alvast volgende zondag 21 april verwelkomd, voor alweer een grandioze en feestelijke receptie met veel lekkere hapjes en wijnen en waarop tevens de vijftiende Romulusprijs zal worden uitgereikt. Een greep uit het lekkers: belegde Italiaanse boterhammetjes; gemarineerde zalm, olijven, toast, limoen en witte kaviaar; traag  gegaarde ossenhaas-carpaccio met rucolapesto; een aspergesoepje met scampibrochette; dagverse burrata, parmaham, parmigiano en cannelloni di carne met een kruidig tomatensausje. Als drankjes proeven we ditmaal wijnen van Appia Vini uit Hasselt: een spumante van La Fortezza, een witte Frascati Superiore (Casale Marchese) en een rode Negroamaro Vini della Chiusa van Petrelli.

Tentoonstelling over de graftombe van Marcus Vergilius Eurysaces in Centrale Montemartini stopgezet

13 april 2019

De tentoonstelling Il rilievo funerario di Marco Virgilio Eurisace in Centrale Montemartini die werd opgebouwd rond het funeraire reliëf van de Romeinse bakker Marcus Vergilius Eurysaces (Marco Virgilio Eurisace) en zijn vrouw Atistia werd voortijdig stopgezet. Een reden werd niet gegeven. Oorspronkelijk zou de tentoonstelling tot 30 juni te bezoeken zijn. Het relïef heeft jarenlang in de Romeinse archeologische opslagplaatsen gelegen, maar werd een tijdje geleden volledig gerestaureerd en vormde nu het centrale onderwerp van een tentoonstelling in Sala Colonna van het Museo Centrale Montemartini. 

De beeldengroep dateert uit het midden van de eerste eeuw v. Chr. en biedt ons vandaag vooral een ongelooflijke herinnering aan de late Republikeinse kledij (met een gedrapeerde toga voor de bakker en de mantel over de tuniek van zijn vrouw) evenals de kapsels uit die tijd. De laatste rustplaats van Eurysaces bevindt zich aan de Porta Maggiore en bleef, alles bij elkaar genomen, tot vandaag nog behoorlijk goed bewaard. Dankzij de restauratie is nu ook het hoofd van Atistia aan haar stenen lichaam bevestigd. Het originele hoofd werd in 1934 gestolen en is nooit teruggevonden.

Er werd nu een gipsen replica gemaakt aan de hand van zeer oude foto’s die werden gemaakt toen het reliëf omstreeks 1838 werd blootgelegd, ongeveer op de plek waar in 1855 het station RomaFrascati zou worden opgetrokken. Het is eerder toevallig dat die beelden bestaan, want in de prille dagen van de fotografie was het lang niet vanzelfsprekend om iedere archeologische vondst te documenteren en te fotograferen.

De tentoonstelling in Centrale Montemartini vertelde de geschiedenis van het graf en de bakkersfamilie. Ze geeft tevens uitleg over de architectonische context waarin de tombe oorspronkelijk werd geplaatst. De graftombe van Eurysaces bevond zich destijds in het gebied Spem Veterem, de omgeving die we vandaag kennen als Porta Maggiore. De resten ervan zijn nog steeds zichtbaar.

In 1838 werd de Porta Maggiore in Rome in opdracht van paus Gregorius XVI weer zo goed mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld. Bij het afbreken van fortificaties uit de vijfde eeuw werd op deze plek de Tombe van Eurysaces herontdekt. Het graf bleek nog in redelijk goede staat te zijn, aan de westelijke zijde (richting poort) ontbreekt enkel de dakbedekking. Marcus Vergilius Eurysaces was een rijke bakker, die omstreeks 30 v. Chr. overleed.

Eurysaces was in de oudheid ook de levende getuige van een Romeins succesverhaal. Hij werd geboren als slaaf, maar was na zijn vrijlating een bakkerij begonnen. Dat was niet zo uitzonderlijk: vele slaven spaarden hun karige slavenloon op, kochten zich vrij of werden vrijgemaakt en begonnen vervolgens een eigen bedrijfje. Eurysaces leverde zijn brood vermoedelijk aan het Romeinse leger of bakte rechtstreeks in opdracht van de Senaat die het weer uitdeelde aan het volk. Wellicht leverde hij ook brood aan de keizerlijke familie. Het ging in ieder geval om grote hoeveelheden brood. Op het einde van de republiek was Eurysaces dan ook de trotse eigenaar van een zeer grote industriële bakkerij die hem schatrijk maakte.

Nog vóór hij stierf liet Eurysaces als herinnering aan zijn leven en werk een reusachtige en schitterende graftombe bouwen, waarop hij als herinnering aan zijn leven en beroep de werkzaamheden in zijn bakkerij liet afbeelden. Dat moet een enorm kostbare onderneming geweest zijn, maar de man kon het zich ongetwijfeld veroorloven. Dit grafmonument dat vandaag officieel wordt aangeduid met de naam ‘Sepolcro di Marco Vergilio Eurysace’, dateert uit 30 v. Chr., is bijna een eeuw ouder dan de aquaducten en drie eeuwen ouder dan de stadsmuur van Aurelianus waartegen het aanleunt.

Oorspronkelijk was het dus een graf buiten de stadsmuren, langs een belangrijke invalsweg. Volgens Romeins gebruik waren begrafenissen binnen de stadsmuren verboden. Langs de wegen die de stad uitliepen, verrezen monumenten voor de gegoede en rijke Romeinen. Een bekend voorbeeld waar je dat ook vandaag nog perfect kan zien is de Via Appia Antica, die vol staat met dit soort monumentale graven.

De Tombe van Eurysaces is waarschijnlijk één van de merkwaardigste grafmonumenten uit de oudheid en een bezoek zeker waard. Het graf heeft de vorm van een antieke bakoven. De voet van de tombe wordt gevormd door tufstenen blokken. Hierop steunt de tombe, die uit een betonnen kern bestaat, bekleed met travertijn. In het onderste deel zijn dubbele cilinders aangebracht waartussen rechthoekige pilaren staan. Zij lijken een klein podium te ondersteunen, waarop drie rijen met holle cirkels zijn aangebracht, geflankeerd door pilasters waarop een hoofdgestel staat.

De fries is versierd met de afbeeldingen van de bakkerijwerkzaamheden, waarop onder andere het kneden van het deeg, het vormen van de broden en het bakken te zien zijn. De verticale cilinders op het monument verwijzen naar de deegtonnen of mogelijk ook naar de cilinders waarin een bakker bepaalde hoeveelheden graan kon afmeten. Op de horizontale fascia erboven staat de volgende inscriptie: ‘Est hoc monimentum Marcei Vergilei Eurysacis pistoris, redemptoris, apparet …’ of ‘Dit is de tombe van Marcus Vergilius Eurysaces, bakker, aannemer, hij diende …). De naam van de persoon die op het einde van deze zin op de inscriptie heeft gestaan is helaas verloren gegaan.

Op een fries bovenaan het monument zijn op bas-reliëfs verschillende fasen van het bakproces te zien zoals dat tijdens de Romeinse Republiek gebeurde. Let op de ezel die de molen aandrijft. Zelfs de urne met daarin de as van zijn vrouw Atistia heeft de vorm van een kneedbak al zien sommigen er eerder een soort brooddoos of broodmand in. De originele urne is teruggevonden en wordt vandaag tentoongesteld in de Museo Nazionale Romano. De cella moet tamelijk klein geweest zijn, met een oostelijke ingang die niet bewaard is gebleven.

Aan deze zijde bevond zich ook het levensgrote indrukwekkende marmeren reliëf van het paar. Het is dit grafreliëf waarond de recente tentoonstelling werd opgebouwd in de Centrale Montemartini. De oostelijke zijde van de tombe was niet recht, maar twee zijmuren kwamen hier in een punt samen, zodat het geheel de vorm van een pijlpunt had. De totale hoogte van het bouwwerk was ongeveer 10 m. De tombe stond op een opvallende plaats, namelijk de tweesprong van de Via Praenestina en de Via Labicana.

In 38 n. Chr. bouwde keizer Caligula hier de Aqua Claudia en Aqua Anio Novus. De arcaden boven de twee wegen werden rijkelijk versierd en vormden een monumentale toegang tot de stad, waar de Tombe van Eurysaces vlak vóór stond. Keizer Aurelianus liet tussen 271 en 275 een nieuwe muur rond Rome bouwen. Door tijd- en geldgebrek werden vele bestaande gebouwen en constructies in de muur opgenomen, zodat deze niet helemaal nieuw gebouwd moest worden. Dat is de reden waarom de monumentale doorgang van de Aqua Claudia werd omgebouwd tot de Porta Praenestina. Vooral deze laatste was eenvoudig om te bouwen tot stadspoort. De arcaden werden dichtgemaakt, maar het aquaduct bleef wel gewoon functioneren.

Omstreeks 400 werd deze stadspoort door keizer Honorius versterkt, waarbij de graftombe van Eurysaces gebruikt werd als fundament voor een verdedigingstoren. Zo werd voor de Porta Maggiore een tweede dubbele poort met aan beide zijden grote vierkante torens gebouwd. Hierdoor ontstond een klein fort met een binnenplaats. Zo verdween de graftombe feitelijk uit het zicht, hoewel deze van binnenin de toren toch nog gedeeltelijk zichtbaar moet zijn geweest. Dat weten we omdat er documentatie uit de zestiende eeuw bestaat die melding maakt van de inscripties op het graf.

Het kleine fort werd door de Romeinse familie Colonna in de middeleeuwen nog verder uitgebreid. Nog later verdween de tombe geleidelijk aan uit het geheugen van de bevolking. Het zou nog tot de opgravingen in 1838 duren vooraleer het bakkersgraf weer werd herontdekt.

Het jaarlijkse Gelato Festival strijkt weer neer in Rome

12 april 2019

Wie minder zin heeft in pizza smullen kan  het komende weekend ineens voor een ijsje gaan. Op zaterdag 13 en zondag 14 april strijkt het Gelato Festival opnieuw neer in Rome. Dit is een onderdeel van een wereldwijde competitie waar de beste ambachtelijke ijsmakers ter wereld het tegen elkaar opnemen. Het Romeinse evenement valt samen met de Next Generation-wedstrijd waar de beste jonge ijsjesmaker zal worden geselecteerd. De winnaar (jonger dan 30 jaar) zal in 2021 deelnemen aan de wereldfinale van de Gelato Festival World Masters ijs maken. Het initiatief strekt zich uit over tientallen landen wereldwijd. De voornaamste bedoeling van het festival is de promotie van vers en kwalitatief ijs, vervaardigd op een ambachtelijke manier.

In het Romeinse onderdeel nemen dit jaar zestien ambachtelijke ijsmakers het tegen elkaar op. De kraampjes staan opgesteld in de Via delle Magnolie in het park Villa Borghese, vlakbij de Pincio. Het publiek is welkom en een ticket (een polsbandje) laat je toe om de soms ongelooflijke originele en creatief gemaakte ijsjes te proeven. Het publiek mag ook stemmen voor een favoriete smaak. In de marge van het festival zijn er workshops en lezingen. Na Rome strijkt het Gelato Festival nog neer in Turijn (27 en 28 april) en Milaan (4 en 5 mei).

De ijsmakers maken tijdens het festival een zorgvuldige selectie van smaken, combineren hun vakmanschap met de traditie van hun (over)grootouders en presenteren door het gebruik van de allerbeste ingrediënten in Rome een fantastische keuze aan ijsjes. Voor hen is het festival een schitterende kans om (nog beter) bekend te raken en hun producten te laten proeven aan een zeer groot publiek en de media.

Het Gelato Festival werd in 2010 opgericht door de Toscaanse ondernemer Gabriele Poli, die in Firenze een evenement organiseerde dat gewijd was aan ambachtelijke gelato, geïnspireerd door de link tussen die stad en ijs en de creatie van het eerste ijsjesrecept door Bernardo Buontalenti in 1559. Na het succes van de eerste edities, besloten Poli en zijn medewerkers om de horizon van het festival te verbreden door uit te breiden naar andere Italiaanse steden. Daarna volgden de grote Europese steden en in 2017 stak het Gelato Festival de Atlantische Oceaan over voor de eerste editie in de Verenigde Staten, en vervolgens reisde het in 2018 en 2019 naar Japan.

Vandaag strijden talrijke landen voor een plaatsje op het vierjaarlijkse wereldkampioenschap, de Gelato Festival World Masters, waar honderden competities op vijf continenten aan voorafgaan. Alle deelnemers, waar dan ook, worden beoordeeld door een vakjury. In totaal worden gedurende de vierjaarlijkse periode dat elke competitie loopt, wereldwijd ongeveer vijfduizend ambachtelijke ijsmakers bij het initiatief betrokken.

Met in haast iedere straat een ijsjeszaak, hoeft het niet te verwonderen dat Romeinen enorme hoeveelheden ijs verorberen. Een ijsje eet je in Italië, en bij uitbreiding in een stad zoals Rome, gewoon iedere dag, het liefst uit het vuistje, of anders in een hoorntje of een bekertje. IJs eten in Rome doe je 365 dagen per jaar. Nergens anders in Italië worden zo’n grote hoeveelheden ijs verorberd dan in Rome. Vrijwel iedere Romein eet er dagelijks wel eentje en de miljoenen toeristen kunnen er al evenmin aan weerstaan.

Het Gelato Festival zorgt volgens de organisatoren voor een stijging van 15 procent in het algemene ijsjesverbruik en zou in de sector goed zijn voor een extra jaarlijkse omzet van 50 miljoen euro. Italianen produceren jaarlijks ongeveer 600 miljoen liter gelato. Dat is een vijfde van al het roomijs in de hele Europese Unie. De Italiaanse ijsberg is goed voor een kleine 7 miljard bolletjes roomijs. De verkoop gebeurt grotendeels via de zowat 20.000 ijsjeszaken in Italië. Dat aantal neemt nog elk jaar toe. Hoewel de meeste ijssalons kleine tot zeer kleine familiebedrijfjes zijn, is de hele bedrijfstak goed voor een omzet van liefst 1,5 miljard euro.

De gemiddelde Italiaan eet meer dan honderd bolletjes ijs per jaar, maar talrijke Italianen eten er veel meer. Met meer dan 60 miljoen Italianen blijft er dus niet zoveel Italiaans ijs over om te exporteren. Italië staat op de Europese exportranglijst inzake roomijs dan ook pas op nummer vijf. De moraal van het verhaal: eet je ijsjes best in Italië!

Gelato Festival praktisch

Vlaamse Archeologiedagen op 14, 15 en 16 juni 2019

11 april 2019

Alle Vlaamse provincies, de Vereniging van de Vlaamse Provincies en het Forum voor Vlaamse Archeologie slaan voor het eerst de handen in elkaar voor de tweede editie van de Archeologiedagen op 14, 15 en 16 juni 2019. Vorig jaar lokten de Archeologiedagen ongeveer zesduizend deelnemers die tijdens 68 activiteiten van archeologie proefden.

Vele archeologen, musea, lokale verenigingen en liefhebbers werkten een aantrekkelijk programma uit, waarvan jong en oud kon genieten. Op het programma stonden archeologische fietstochten, kinderworkshops, een gezamenlijke veldprospectie, maar ook archeologische proeverijen, een demonstratie ijzer smeden en een klasbezoek aan een archeologische site. Deze ‘opendeurdag van de archeologie’ kent ondertussen ook al tegenhangers in heel wat andere landen.

Door hun krachten te bundelen voor deze tweede editie, zetten alle Vlaamse provincies, de Vereniging van de Vlaamse Provincies en het Forum voor Vlaamse Archeologie het thema archeologie nog meer op de kaart te zetten en creëren ze een breed draagvlak voor archeologisch onderzoek in al zijn facetten. Deze samenwerking resulteert onder meer in de overkoepelende nieuwe website www.archeologiedagen.be en een Vlaamse campagne, die de uitstraling en herkenbaarheid verhoogt.

Organisatoren die een archeologische activiteit willen uitwerken, krijgen inhoudelijke en promotionele ondersteuning. De coördinator van de Archeologiedagen staat hen met raad en daad bij. Op de nieuwe website vinden zij inspiratie, promomateriaal, een stappenplan voor de invoer in de UiTdatabank en de evaluatie van 2018. Vanaf mei kunnen deelnemers in het diverse aanbod aan activiteiten duiken en hun keuze maken tussen fietstochten, bezoeken aan sites, markten, rondleidingen en workshops. In het programma is er speciale aandacht voor kinderen en families.

Rome wordt La Città della Pizza

11 april 2019

Op 12, 13 en 14 april vindt in Rome de derde editie plaats van La Città della Pizza, een festival waar de Italiaanse lekkernij een hoofdrol speelt, maar waarbij het begrip ‘pizza’ nieuwe culinaire dimensies krijgt. Bijna zestig topchefs uit heel Italië strijden in Rome om de titel van beste pizzabakker. Het publiek is welkom op dit evenement. De toegang is gratis, maar voor de hapjes en drankjes die je wil proeven moet je natuurlijk wel iets betalen.

La Città della Pizza is op een paar jaar tijd uitgegroeid tot een bijzonder populair evenement, in zoverre zelfs dat de voormalige basis aan de Via Guido Reni 7 wordt verlaten en de organisatoren moeten uitwijken naar een grotere locatie. Dat wordt de 11.000 m² grote Ragusa Off, een voormalig depot van de Romeinse vervoersmaatschappij ATAC dat tijdelijk werd omgevormd tot evenementencentrum.

ATAC, het Romeinse openbaar vervoerbedrijf kampt met een miljardenschuld en is systematisch bezig om iets nuttig te doen met zijn vele ongebruikte ruimtes. Zo werden drie busdepots in Rome die al lange tijd leeg stonden eind vorig jaar omgevormd tot evenementenruimte. Het gaat om de depots aan Piazza Bainsizza (Prati), Piazza Ragusa (Tuscolana) en de Via Alessandro Severo (Ostiense-San Paolo).

ATAC least de drie gebouwen aan Ninetynine Urban Value, het bedrijf achter het succesvolle Guido Reni District, een soortgelijke evenementenlocatie in de wijk Flaminio en het Palazzo degli Esami in Trastevere, waar de voorbije twee jaar al enkele tentoonstellingen werden georganiseerd. ATAC verhuurt de depots op een hernieuwbare basis van telkens acht maanden. De totale huur voor acht maanden bedraagt 60.000 euro. ATAC ontvangt ook 25 procent van de omzet en de ticketverkoop (als die er is). In 2021 worden de gebouwen op de markt gebracht.

De locaties zijn bedoeld om culturele festivals, grootschalige evenementen en markten te organiseren en kregen nieuwe namen voor de duur van hun culturele carrière. Het 5.000 m² grote depot aan Piazza Bainsizza werd PratiBus District, het 11.000 m² grote magazijn met twee verdiepingen in Tuscolana kreeg de naam Ragusa Off en het depot van 7.000 m² aan de Via Alessandro Severo is momenteel bekend als San Paolo Garage.

Dit jaar trekt La Città della Pizza dus naar grootste locatie van de drie, de Ragusa Off, aan de Via Tuscolana 179. De deelnemende chefs (ook hun aantal is met een veertigtal gestegen) presenteren er samen meer dan 120 verschillende soorten pizza. Bezoekers kunnen kiezen uit traditionele tot avant-garde pizzastijlen, maar ook proeven van een heleboel ambachtelijke bieren en biologische wijn. Er zijn ook pizza-workshops voor wie het zelf eens wil proberen of nieuwe bakkunstjes wil leren.

Het evenement is op vrijdag toegankelijk van 18 uur tot middernacht, op zaterdag van 11 uur tot middernacht en op zondag van 11 uur tot 23 uur.

Città della Pizza
12, 13 en 14 april 2019
Via Tuscolana 179, Rome
www.lacittadellapizza.it

Het verhaal van 100 vrouwen in Rome

9 april 2019

In het Palazzo dei Conservatori in de Capitolijnse Musea in Rome is de bijzondere fototentoonstelling Roma. Il racconto di Cento Donne begonnen. De expo toont honderd foto’s van honderd Romeinse vrouwen die elk hun eigen unieke verhaal brengen. Het gaat om de meest uiteenlopende karakters die allemaal één link hebben: Rome. Dit is echter niet zomaar een reeks portretten. De honderd vrouwen leven samen honderd levens in de Eeuwige Stad, elk op hun manier. Het is vooral de fantastische en tijdloze verscheidenheid in het dagelijkse leven en het beroep van de verschillende dames die dit tot een ongelooflijk boeiende expo maken. De kleine selectie foto’s die je hierna ziet komen uit de tentoonstelling en zullen snel duidelijk maken waarom deze expo zo speciaal is. Leuk extraatje: de toegang is gratis; niet aarzelen dus.

donne

De tentoonstelling Roma. Il racconto di Cento Donne is te bezoeken tot 12 mei en is het resultaat van een fotografisch project waaraan Jacopo Brogioni in samenwerking met CultRise voor het Istituto dell’Enciclopedia Italiana liefst achttien maanden heeft gewerkt. De praktische uitwerking en scenografie gebeurde door Studio Fuksas. Het resultaat van dat langdurige werk mag er zijn, want de foto’s zijn zonder meer fantastisch. En de stad Rome is er op één of andere manier altijd bij.

De makers omschrijven het project als “een reis, vrij van oordelen en vooroordelen die verhalen onthult van een enorme diversiteit en ontelbare tegenstrijdigheden”. Al die verhalen spelen zich elke dag af, ergens in Rome. Vaak in het openbaar, maar zelden opgemerkt. Soms verborgen voor het publiek, slechts zichtbaar voor enkelen. Nu en dan prominent voor je neus, maar je hebt er nooit eerder naar gekeken. De foto’s tonen de stad zoals die aan de vrouwen verschijnt in hun dagelijkse leven. Dat gebeurt op de meest uiteenlopende manieren. Spreken van verscheidenheid is in dit geval een understatement.

Zoals verteld is dit echter veel meer dan zomaar een fototentoonstelling. De beelden van Brogioni worden vergezeld door teksten van Raffaele Timperi die alle vrouwen persoonlijk interviewde en die de voorbije maanden een kijkje in hun dagelijkse leefwereld mocht nemen. De teksten helpen de bezoeker om door de ogen van deze honderd vrouwen Rome op een buitengewone manier te ontdekken.

Onder de vrouwen bevinden zich onder meer kunstenaars en ontwerpers, vluchtelingen en militantes, scherpschutters en nonnen, actrices en straatagenten, studentes en zigeuners, museumdirectrices en laborantes, gevechtspiloten en soldaten, prinsessen en kapsters, singer-songwriters, architecten en politici. Dat de burgemeester van Rome (foto hieronder) een vrouw is, was voor de initiatiefnemers een leuke meevaller. Virginia Raggi opende vorige week persoonlijk de tentoonstelling.

Hun standpunten en hun ervaringen worden verteld door de verhalen die Raffaele Timperi noteerde, maar het zijn uiteraard de foto’s van Jacopo Brogioni die de aandacht trekken. Telkens tonen ze een vaak unieke glimp van een fantastische stad die dagelijks wordt bewoond en doorkruist. De beelden gunnen ons een blik op beroemde plekken in Rome maar worden evengoed gegrepen uit het gewone leven in de buitenwijken van Rome of zelfs in een kamp van Roma-zigeuners. Niet meteen wat men zou verwachten van een fototentoonstelling over Rome, maar het zijn nu eenmaal de vrouwen die centraal staan in hun persoonlijke en unieke stukje Rome.

Uit de door hen gekozen plekken komen hun gezichten en hun woorden naar voren, maar wordt vooral ook een veelzijdig en extreem levend portret van Rome zichtbaar. Voor sommige vrouwelijke getuigen heeft hun relatie met Rome wortels in in het verleden. Zij hebben zicht op de veranderingen die de stad de voorbije decennia heeft ondergaan. Ze begrijpen de geschiedenis van Rome en weten hoe die in de loop der eeuwen is geëvolueerd. Ze vinden de veranderingen die hun stad ondergaat niet altijd even prettig, maar beseffen dat niets het voortschrijden van de stad kan tegenhouden.

Anderen hebben dan weer een gans nieuwe en frisse kijk op de stad, zoals de Amerikaanse architectuurstudente, die zich vol verbazing en ongeveinsde bewondering volop overgeeft aan Rome. Een dergelijke stad had ze zich nooit bij elkaar kunnen dromen. Zij staat in schril contrast met de psycho-analyticus Manuela die in Rome de bekende gebreken ziet en eerder fatalistisch en cynisch reageert op hoe de stad leeft en beweegt. Toch kan ze het niet nalaten om de stad te aanbidden.

Maria Arangio is geboren in Sicilië en werkt vandaag als trambestuurster voor ATAC in Rome. Telkens wanneer ze begint te werken ervaart ze een magisch moment. We lezen even mee. “Dat magisch moment, het gebeurt elke dag opnieuw. Ik kan er niets aan doen, het overkomt me gewoon. Dat is wat de stad met je doet. Het valt ook nauwelijks te beschrijven. Je zou het je kunnen voorstellen als een auto die langzaam begint te bewegen in de vroege ochtend wanneer het eerste licht doorbreekt en de architecturale schatten, de geometrische figuren en de monumentale wonderen in de stad op een fantastische manier stilaan tevoorschijn komen. Na een tijdje verdwijnt de magie; de stad vult zich en geleidelijk aan begint de dag voor iedereen. Maar het ontwaken van Rome gebeurt bij elke dageraad opnieuw.”

Maria ervaart het als een intiem en persoonlijk moment. Het is haar verhaal, maar net als dit van de 99 andere vrouwen die in herkomst, leeftijd, beroep en ervaring allemaal totaal van elkaar verschillen, is het een niet-alledaagse en allesbehalve stereotype Romeinse vertelling. Heerlijk.

De catalogus voor deze tentoonstelling is samengesteld door Treccani (Atlante) die met dit initiatief opnieuw aanwezig wilde zijn in het culturele leven van Rome. Dat is geen toeval, want het Istituto dell’Enciclopedia Italiana werd in 1925 opgericht door Giovanni Treccani.

Roma. Il Racconto di Cento Donne, Roma
Tot 12 mei 2019
Musei Capitolini
(Palazzo dei Conservatori, Sale piano terra)

Piazza del Campidoglio 1, Rome
Dagelijks open van 9.30 tot 19.30 uur
Gratis toegang

Tumulus degli Orazi e Curiazi dreigt te verschuiven na gedeeltelijke instorting

9 april 2019

Eén van de zogenaamde Tumuli degli Orazi e Curiazi aan de Via Appia Antica is gedeeltelijk ingestort en dreigt te verschuiven. De omgeving rond de tumuli is beveiligd en afgesloten. Er wordt geprobeerd om met inderhaast aangebrachte houten schutpalen de aardverschuiving te stoppen. De met gras bedekte heuvels zijn twee zeer oude tumuli die zich langs de Via Appia Antica bevinden. In één ervan, een heuveltje met de resten van een ronde toren op de top, zou volgens de overlevering één van de legendarische Curiatii begraven liggen. Het vermoeden bestaat dat deze tumuli echter veel later zijn opgericht, wellicht door keizer Augustus als herinnering aan het legendarische gevecht.

Om het even te situeren: de plek die nu wordt aangeduid als de Tumuli degli Orazi e Curiazi bevindt zich op ruim 3 km van de tombe van Caecilia Metella (eveneens aan de Via Appia Antica) en ongeveer 4,5 km aan de catacombe van San Sebastiano.
Volgens Dionysius van Halicamassus vond het befaamde duel tussen de Horatii en de Curiatii plaats op vijf mijl van Rome, de vroegere grens tussen Rome en Alba Longa. Dat komt overeen met de plek waar de tumuli zich bevinden.

De legendarische strijd zou zijn uitgevochten onder de regering van Tullus Hostilius (673-642 v. Chr.). Het verhaal wordt verteld door Titus Livius in zijn Ab Urbe Condita en die steeds graag het Romeinse verleden idealiseerde. Volgens hem vochten de Horatii, een Romeinse drieling, tegen de Curiatii, een drieling uit Alba Longa.

De gevierde journalist en auteur Curzio Malaparte (1898-1957), die als verbindingsofficier tijdens Wereldoorlog II het oprukkende Amerikaanse leger langs de Via Appia volgde omschrijft het in ‘La Pelle’, de huid (1949) nogal lyrisch als volgt.

En alle GI’s van de colonne sprongen uit hun vehikel, klauterden op de twee grasrijke piramiden, die onder de reusachtige kruinen van de pijnbomen en de lenige cipressen de romantische kleur van een doek van Poussin of Böcklin vertonen. Vanaf de hoogte van de grafheuvel leek Rome, nu de brand van het avondrood was gedoofd, donker en tegelijkertijd innemend in het doorschijnende groen van de avond. Een reusachtige groene wolk hing dreigend boven de koepels, de torens, de zuilen, de daken met marmeren beelden. (…)

Je zag van de top de weiden en de tuinen van de Via Appia en de Via Ardeatina, de bosschage van de nimf Egeria, de rietbossen rond het kerkje waar de Barberini’s rusten, de rode bogen van de aquaducten en daarginds, voorbij de Capo di Bove, in de richting van de Porta San Sebastiano, de grote gekanteelde toren van het graf van Cecilia Metella.’

Deze omgeving en vooral het uitzicht van de Via Appia Antica is ronduit schitterend. Het is moeilijk te geloven dat we ons hier nog altijd vlakbij Rome bevinden. Pijnbomen of parasoldennen omlijsten de weg, waarvan de grazige bermen in het voorjaar vol bloemen staan. Hier en daar zijn delen van het antieke plaveisel blootgelegd; de donkere, glad gesleten stenen glanzen in de zon en de oude weg loopt recht als een streep ver weg, naar de Albaanse heuvels om uiteindelijk Brindisi te bereiken.

Aan de linkerkant van de weg ligt even verderop de bouwval van een buitengewone tombe, die de vorm heeft van een reusachtige paddenstoel. De kern is zo sterk dat ze eeuwenlange plunderingen heeft kunnen weerstaan, terwijl de stenen eromheen zijn weggehaald. Daardoor is de vreemde vorm ontstaan.

De Santo Stefano degli Abissini: een bijzondere kerk in Vaticaanstad

7 april 2019

Als je links van de Sint-Pietersbasiliek voorbij het Teutoonse Kerkhof (het Campo Santo dei Teutonici e dei Fiamminghi zoals de officiële naam luidt) en het Domus Sanctae Marthae gaat, voorbij Piazza Santa Maria, zie je ter hoogte van de Rechtbank Tribunale di Stato della Città del Vaticano, aan de voet van de Vaticaanse heuvel, de kerk Santo Stefano degli Abissini. Deze kerk ligt midden in Vaticaanstad, pal achter de basiliek en vertelt een interessant verhaal. De kerk is niet vrij toegankelijk voor het publiek, als toerist kom je niet verder dan het Teutoons kerkhof, maar dit deel van Vaticaanstad, gebouwd op de resten van het Circus van Caligula en Nero, heeft een boeiende geschiedenis.

Rond de oude Sint-Pieter ontstonden al zeer vroeg, vanaf de vijfde eeuw, nationale scholae, bestaande uit een kerk met bijhorend klooster en ziekenboeg, ten behoeve van de vele buitenlandse pelgrims die het graf van Petrus in Rome bezochten. De Santo Stefano degli Abissini is één van de oudste instellingen: ze werd gesticht in de zesde eeuw.

De Schola Frisonum (van de Friezen) en de Schola Saxonum (op de plaats van de huidige Santo Spirito in Sassia) zijn bekende voorbeelden van zo’n scholae, maar dichter bij de basiliek van Constantijn bevonden zich nog een aantal kloosters en kerkjes. Velen moesten echter wijken voor de bouw van de nieuwe Sint-Pietersbasiliek en kennen we enkel van afbeeldingen, beschrijvingen en opgravingen.

Op de plaats waar zich nu het Teutoons Kerkhof bevindt, lag de Schola Francorum met de kerken San Salvatore in Terrione (die nog steeds bestaat) en San Zenone (op de plaats van het Sant’Uffizio). Vlak daarbij, op de plaats van de huidige Sacristie van de Sint-Pieter, lag de Santo Stefano Minore of degli Ungari. Op de plaats van het koor van de basiliek de Santi Giovanni e Paolo en de San Martino en daar tussenin de Santa Petronilla en de Santa Maria della Febbre (beiden in een Romeins mausoleum).

Vanaf de twaalfde eeuw raken de scholae in verval. Sommige gebouwen bleven bewaard, zo bestaan de kerken van San Lorenzo in Piscibus, San Pellegrino en Sant’Egidio nog steeds, zij het sterk verbouwd. De aaneengesloten rij gebouwen tussen de Rechtbank Tribunale di Stato della Città del Vaticano en de Santo Stefano degli Abissini zijn verdwenen, evenals het klooster van de kerk.

Ook de Santa Petronilla en de Santa Maria della Febbre moesten plaats maken voor de nieuwe Sint-Pietersbasiliek. Deze laatste kerk heeft een interessant verhaal. Zoals we duidelijk kunnen zien op oude tekeningen en gravures stonden er twee ronde gebouwen aan de zuidkant van de oude Constantijnse basiliek, twee Romeinse mausolea uit de keizertijd die gebruikt werden als kerk: het grotere als de Santa Maria della Febbre en het kleinere als Kapel van Santa Petronilla.

De Santa Maria della Febbre dankt haar naam aan een afbeelding (icoon) van Maria die werd ingeroepen als bescherming tegen malariakoortsen, een kwaal die gedurende vele eeuwen voorkwam in dit moerassige gebied. De kerk had daarvoor een andere naam, ze werd eerst de Rotonda di Sant’Andrea genoemd naar een relikwie van het hoofd van de apostel Andreas dat uit de handen van de Turken werd gered en via de haven van Ancona in Rome terechtkwam waar het door kardinaal Bessarione overhandigd werd aan Paus Pius II.

De Santa Maria della Febbre stond het dichtst bij de obelisk, toen nog op zijn oorspronkelijke plaats, en deed vanaf 1575 dienst als tijdelijke sacristie tijdens de bouw van de nieuwe Sint-Pieter. De Pietà van Michelangelo vond hier zelfs een tijdje onderdak voor ze definitief naar de basiliek verhuisde.

In juli 1776 begon de bouw van de huidige sacristie van de Sint-Pieter met het afbreken van alle gebouwen rond de Rotonda di Santa Maria della Febbre en met het slopen van de Santo Stefano Minore. De eerste steen van de huidige sacristie werd gelegd op 22 september 1176 waarbij het bovengrondse gedeelte van de Rotonda definitief verdween. Twee jaar later, op 10 juni 1778 werd de nieuwe sacristie ingehuldigd. Ook de Kapel van Santa Petronilla moest wijken voor de bouw van de nieuwe basiliek, ze werd afgebroken in de zestiende eeuw tijdens de bouw van de zuidelijke arm.

Terug naar de Santo Stefano degli Abissini. Deze kerk werd gebouwd in de vijfde eeuw onder paus Leo de Grote. In de biografie van deze paus wordt er naar verwezen als ‘monasterium S. Stephani qui appellatur cata Galla patricia’, of ‘oratorium S. Stephani a sancto Petro quae appellatur Maiorem’ (in tegenstelling tot de Minore, die minder rijkelijk was).

In de middeleeuwen krijgen het klooster en de kerk de naam ‘S. Stephani retro basilicam S. Petri’ of Santo Stefano degli Indiani. Deze laatste naam heeft de kerk te danken aan paus Alexander III die in 1159 een opvanghuis bouwde voor de Abessijnse monniken die toen als ‘Indianen’ werden aangeduid. Vervolgens gaf Paus Sixtus IV Francesco della Rovere in 1479 de kerk aan de Koptische monniken en werd ze de Santo Stefano d’Egitto, Santo Stefano dei Mori of nog de Santo Stefano degli Indiani genoemd. Pas daarna kreeg ze haar huidige naam.

Rechts in het middenschip van de kerk zijn een aantal marmeren platen te zien met opschriften in het Ethiopisch en het Arabisch. Eén van de opschriften is een grafschrift voor monnik Tasfa Sion die ervoor heeft gezorgd dat het Nieuwe Testament in het Ethiopisch werd vertaald en die zijn thuisland heeft proberen kerstenen. De kerk werd verschillende keren verbouwd. Het portaal van de kerk dat we nu zien, is nog dat van het vroegmiddeleeuwse gebouw en dateert uit het midden van de twaalfde eeuw, net als het cyborium.

De kerk bestond oorspronkelijk uit één schip, maar in 1706 onder paus Clemens XI Giovanni Francesco Albani restaureert de Romeinse architect Antonio Valeri de kerk, waarbij hij een sacristie toevoegt, de altaren reconstrueert, de voorgevel herbouwt en het schip minder breed maakt. In 1731 wijst Clemens XII de kerk toe aan de monniken van de Heilige Antonius Abt, Abessijnen, Ethiopiërs, Kopten en Egyptenaren, op voorwaarde dat ze het feest van de Heilige Stefanus Protomartelaar op 26 december en het feest van paus Silverius op 20 juni in ere houden.

In 1931 wordt de kerk drastisch gerestaureerd door Gustavo Giovannoni, architect bij de Kerkfabriek van de Sint-Pieter. Hij behoudt de zeventiende-eeuwse façade en de middenbeuk, waar links en rechts een reeks antieke zuilen bewaard zijn gebleven. Onder de apsis van de kerk liggen de resten van een halfronde ommegang, die werd gebruikt om de circulatie van de pelgrims te bevorderen, en andere archeologische overblijfselen. Helaas was de crypte van de kerk niet toegankelijk op de dag van ons bezoek. Tegenwoordig wordt de kerk soms gebruikt om huwelijken in te zegenen tussen werknemers van het Vaticaan. De kerk hangt af van de kerkfabriek van de Sint-Pietersbasiliek.

Dit artikel is een bijdrage
van clublid ANN DE LATTER

Het Ethiopisch college en de Santo Stefano degli Abissini staan op het programma van één van de verschillende tuinwandelingen in het Vaticaan, zoals de Giardini Vaticani senza barriere. Het plannetje van die wandeling kan je hier bekijken.

Overigens telt het piepkleine Vaticaanstad tien kerken en vijf kapellen op zijn grondgebied. Een snelle opsomming:  San Pietro, uiteraard welbekend; de Sant’Anna dei Palafrenieri, de parochiekerk van Vaticaanstad;  de Santa Maria della Pietà in Camposanto, de kerk  van het Collegio Teutonico; de Santi Martino e Sebastiano degli Svizzeri, de kerk van de Zwitserse Wacht;  de San Pellegrino, de kerk van de Vaticaanse Gendarmeria; de Sant’Eusebio; de Santo Stefano degli Abissini. hiervoor besproken; de Santa Maria della Regina della famiglia in Governatorato, verbonden aan het paleis van het Governatorato; de San Pietro in Borgo, verbonden aan het Sant’Uffizio, maar gebruikt als parochiekerk in Rome en de Sant’Egidio al Borgo.

Bij de voornaamste kapellen horen uiteraard de Sixtijnse Kapel (die op zichzelf reeds groter is dan een gemiddeld kerkgebouw); de Cappella Paolina; de Capella Niccolina; de Cappella Redemptoris Mater; de Cappella dei Ss. Pietro e Paolo. Dit zijn allemaal kapellen van het Palazzo Apostolico. Daarnaast is er ook nog de Cappella della Flagellazione op het Cimitero Teutonico; de kapel in de Grotto di Lourdes, gelegen in de Vaticaanse Tuinen. De privé-kapellen, ondermeer die van de paus, laten we even buiten beschouwing.

Driedaags bloesemfeest in de botanische tuin van Rome

5 april 2019

De lente is een heerlijke tijd in Rome. Niet alleen krijgen we dan te maken met aangename temperaturen, maar overal komen ook het eerste groen aan de bomen, de vele bloemen in de parken en de talrijke bloesems weer tot leven. Bijzonder mooi zijn de bloesems van de Japanse kerselaars en behalve in de tuin van het Japanse Cultureel Instituut (Istituto Giapponese di Cultura) aan de Via Antonio Gramsci 74 is vooral de Passeggiata del Giappone aan het Parco Centrale del Lago (vlakbij de Via Cristoforo Colombo) in de EUR-wijk een populaire plaats om in deze periode te wandelen, te picknicken en foto’s te nemen.

Om de aandacht te vestigen op de bloemenpracht organiseert de La Sapienza-universiteit in samenwerking met het voormelde Istituto Giapponese di Cultura een driedaags bloesemfeest in de botanische tuin van Rome aan Largo Cristina di Svezia 24. De Orto Botanico bevindt zich enigszins verstopt aan de achterzijde van Palazzo Corsini, aan de voet van de Gianicolo-heuvel. De speciale dagen in de Orto Botanico dell’Università di Roma vinden plaats op vrijdag 12, zaterdag 13 en zondag 14 april, telkens van 10 uur tot 17 uur.

Reserveren is niet nodig. Je kan ervoor kiezen om de tuin alleen te ontdekken maar je kan ook een rondleiding meemaken. Die vertrekt telkens aan het begin van elk uur en wordt begeleid door biologen en experts van de universiteit. Zij wijzen de bezoekers op sommige eigenaardige en bijzondere planten, bomen en bloemen en laten je kennismaken met bijzondere plekken in de grote tuin, zoals het bamboe-bos. Natuurlijk ontbreken ook in deze tuin de kersenbloesems niet. Voor de kleintjes zijn er die dagen gratis educatieve activiteiten en origami-workshops (op 13 april van 15 tot 18 uur en op 14 april van 10 tot 13 uur). Ook hiervoor hoef je niet te reserveren.

Op 14 april (om 15 uur en om 18 uur) kunnen nieuwsgierigen deelnemen aan een echte Japanse theeceremonie en de charme van deze eeuwenoude traditie ontdekken. Iedereen heeft wel een vaag idee over wat gewoonlijk ‘de Japanse theeceremonie’ wordt genoemd, maar weinigen beseffen dat achter deze benaming een spirituele praktijk schuilgaat die een grote fascinatie uitoefent op degenen die er echt kennis mee hebben gemaakt. De theeceremonie wordt georganiseerd door de Romeinse vestiging van Urasenke.

Tuin- en bloemenliefhebbers kunnen op 13 april om 16.30 uur ook deelnemen aan enkele conferenties, waaronder ‘De geheimen van Japanse kersenbomen: soorten, gekweekte variëteiten en bloeidynamiek’, ‘Hanami tussen plantkunde en kunst’ en ‘Denken aan een Japanse tuin … van het denkbeeldige tot de realiteit’. De Orto Botanico dell’Università di Roma is de oudste botanische tuin van Italië en heeft een oppervlakte van 12 ha. Hij werd in 1883 aangelegd toen de tuinen van Palazzo Corsini aan de universiteit van Rome werden geschonken.

Je vindt er vetplanten, varens, moerasplanten, geneeskrachtige kruiden, waterlelies, een bos met bamboe, naaldbomen, sequoias en palmbomen en een prachtige verzameling orchideeën met 7.000 variëteiten uit de hele wereld. Dit alles bevindt zich in een omgeving die wordt opgevrolijkt met waterpartijtjes, fonteintjes, vijvertjes en kleine watervalletjes.

Als je in Rome eens echt (bijna) alleen wil zijn, geeft de Orto Botanico je een goede kans om daar in te slagen. In een verborgen hoekje van Trastevere, de Romeinse wijk aan de overzijde van de Tiber (tenminste voor hen die in de historische stad verblijven) bevindt zich een fantastische groene plek om even tot rust te komen. Er komen nauwelijks toeristen en dat maakt de botanische tuin in Rome tot een vrij unieke plek.

Tot 1833 was het eigenlijk de tuin van het Palazzo Corsini, waar zich nu een fraaie verzameling kunst uit de zestiende en de zeventiende eeuw bevindt, waaronder werk van Rubens, Van Dijck en Caravaggio. Christina van Zweden woonde in dit gebouw en stierf er in 1689. Behalve het feit dat je in de botanische tuin een fraaie verzameling planten en bomen kan bekijken heb je vanuit het hoogste gedeelte van de tuin ook een mooi uitzicht over Rome.

Met het verzamelen van de grote collectie planten en bomen die je vandaag kan bewonderen, werd reeds in de dertiende eeuw begonnen. Paus Nicolaas III (1277-1280) liet medicinale planten kweken en de vrucht van die arbeid vormde meteen de basis van de huidige tuin. In de Orto Botanico bevinden zich een paar fonteinen, waaronder de Fontana dei Tritoni, in 1750 aangelegd door architect Ferdinando Fuga en de Fontana degli Zampilli.

Wie rust zoekt komt in de Orto Botanico dus zeker aan zijn of haar trekken, maar uiteraard zullen vooral plantenliefhebbers hier hun hartje ophalen. Behalve het reeds voormelde moois, tref je hier onder andere ook nog een rozentuin, een aromatische tuin en een mediterrane tuin aan, samen met een mooie collectie van zo’n 300 medicinale planten en verschillende serres en tropische kassen voor de meer exotische soorten en cactussen. Tevens vind je er fraaie mediterrane eiken en coniferen en één van de oudste bomen van Rome: een plataan met de respectabele leeftijd van ruim vier eeuwen. In de Japanse tuin zijn vijvertjes en een klaterend beekje met watervalletjes aangelegd.

Orto Botanico Rome
Largo Cristina di Svezia
Toegang: 8 euro
Kinderen van 6 tot 11 jaar: 4 euro
Tel. 06 499 171 16
info-ortobotanico@uniroma1.it
www.ortobotanicoroma.it