Een corpus van een godin

Avonturen met opschriften – VI

Enkele maanden geleden begonnen we met de nieuwe rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België (foto hieronder). Dit is de zesde bijdrage in deze reeks. Vandaag verlaten we Rome even en nemen we een kijkje in Gallia Belgica.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel VI. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen .

Voor één keer laten wij de stad in haar gouden licht, vol oud puin soezend onder de zon in de geur van pijnbomen, ons dierbaar Rome, liggen. Vandaag leidt ons pad ons noodgedwongen naar onherbergzame streken, vol donkere ondoordringbare wouden en moerassen, waar de zee tweemaal per dag tot ontzaglijke hoogten stijgt en diep het land binnendringt, waar nevelslierten de dingen hun vorm ontnemen en ze herleiden tot vage schaduwen, schimmen slechts van hun wezen, waar het regent, stormt en hagelt, sneeuwt ook van tijd tot tijd en waar de eeuwig waaiende wind altijd grijze wolken stuwt over de schaarse inwoners, woest en wild. Kortom, wij gaan naar de Nederlanden, naar Gallia Belgica.

Daar, in de grenszone tussen Germania Inferior en Belgica Secunda, bevond zich eens een veengebied waardoor de Schelde en de Maas zich naar zee begaven. De Maas mondde uit in een diepe inham, het Helinium; de Schelde liep recht naar zee. Eeuwen later zou op het strand van de zuidoever van dezelfde (Ooster)schelde die sindsdien wel wat breder geworden was, schrijver dezes ijverig zijn zandkastelen bouwen, vol ingewikkelde kanalen die het water moesten afleiden (maar de zee won toch altijd), toen hij met zijn ouders en zijn broers elke zomer drie weken in het vakantiehuisje in Kamperland verbleef.

In die tijd (en schrijver dezes herinnert zich dat nog) kwam diezelfde Oosterschelde plotseling in het nieuws door een wonderbare visvangst. In 1970 vond een visser uit Tholen brokstukken van een Romeins altaar in zijn net. Het bleek te gaan om delen van een altaar voor de godin Nehalennia die tot dan toe alleen bekend was uit een andere vondst in Zeeland.

In 1647 was bij duinafslag bij Domburg van onder de duin een reeks altaren voor deze godin te voorschijn gekomen. Ze waren in de kerk in Domburg geplaatst voor het publiek, maar bij de brand van deze kerk in 1848 ernstig beschadigd. Nu dook deze godin ineens weer uit zee op, net als ooit die andere godin, Venus, verschenen was uit het schuim van de zee.

Bij systematische visoperaties haalde men in het begin van de jaren 1970 tal van brokstukken uit de Oosterschelde op. Er bleek iets ten noorden van Colijnsplaat op het eiland Noord-Beveland, aan de oever van de toenmalige (Ooster)schelde, een tempel van Nehalennia te hebben gestaan. Buiten Domburg en Colijnsplaat was deze godin niet bekend. Geen enkele klassieke auteur vermeldt haar. Maar de vondsten waren wonderbaarlijk.

Voor zover wij weten stamt geen enkele klassieke Latijnse auteur uit het territorium van de huidige Benelux. Wij moeten het doen met middeleeuwse klassiekers zoals de Vita van de H. Albert van Leuven (leest overigens als een detective) of de grote klassieker De imitatione Christi toegeschreven aan Thomas a Kempis, met humanisten zoals Erasmus, Janus Secundus, Justus Lipsius en latere figuren zoals Michael Pratensis, maar uit de Oudheid rest ons niets.

Buiten opschriften en een enkel contract dat in een Friese terp bewaard is gebleven. Van alle Romeinse opschriften die in onze contreien zijn gevonden, vormen die voor Nehalennia het bijzonderste – en het belangrijkste – corpus, een corpus voor een godin (dus iets anders dan u als lezer waarschijnlijk dacht bij het lezen van deze titel!). Ze vormen dus de voornaamste klassieke tekstenverzameling uit onze gewesten.

Nehalennia was een inheemse godin die (onder meer?) aanroepen werd voor een voorspoedige overtocht vanuit onze gewesten naar Brittannia. In hoeverre zij na de Brexit opnieuw nuttig kan zijn, laat ik wijselijk in het midden. Er zijn twee heiligdommen van haar bekend, allebei op een geschikte plaats om de altijd risicovolle oversteek te wagen.

Na de veilige terugkeer liet menigeen ter inlossing van gedane gelofte een zogenaamd wijaltaar opstellen. Vaak staat daar een afbeelding van de godin op, vaak ook een opschrift. Uit de Oosterschelde bij Colijnsplaat kwamen ca. 330 altaren (waarvan ca. 110 volledige) boven water daterend uit het eind van de tweede en de eerste helft van de derde eeuw.

De Epigraphische Datenbank Clauss / Slaby (EDCS; http://db.edcs.eu/epigr/epi.php?s_sprache=de) telt 162 opschriften voor Colijnsplaat. Dat betekent een goudmijn voor de oud-historici: zelden – zeker niet in Noord-Gallië – werd er zo’n omvangrijke verzameling opschriften rond één thema en van één vindplaats aangetroffen.

In het noordwesten van het Imperium is dit ensemble wellicht enkel te vergelijken met de brieven op de wastafeltjes uit Vinolanda tegen de Muur van Hadrianus aan in de enige streek van het imperium die nog mistiger en troostelozer was dan Gallia Belgica.

Nehalennia wordt meestal zittend afgebeeld, met een karakteristiek schoudermanteltje. Meestal heeft ze een mand met vruchten in haar hand, terwijl ze geflankeerd wordt door een hond. Ze is duidelijk een vruchtbaarheids- of voorspoedgodin. Welke volksstam haar in het pantheon had staan, weten we niet: de Menapii misschien of de Marsaci?

De verering die haar te beurt viel, was in ieder geval zuiver Romeins. Do ut des, ‘ik geef met de bedoeling dat jij mij zult geven’: in deze context: ik beloof een altaar als jij me een veilige thuisreis bezorgt. En blijkbaar werkte het. Nehalennia’s tempel werd omringd door wijaltaren.

De opschriften zelf zijn vrij stereotiep. Ze beginnen meestal met DEAE NEHALENNIAE ‘voor de godin Nehalennia’, waarna de naam van de dedicant volgt, afsluitend met de geijkte formule V S L M Votum Soluit Libens Merito ‘heeft zijn gelofte ingelost, met graagte en met reden’.

Het leuke zit nu net in de naam van de dedicanten. Behalve de naam noteerde men vaak ook de herkomst en de beroepsactiviteit. Daardoor ontstaat een populatie, daardoor ook leeft een heel commercieel netwerk voor onze ogen. Een paar voorbeelden. De eerste tekst komt nog uit Domburg (CIL, XIII, nr. 8783 = EDCS-11100873):

DEAE
NEHALENNIAE
DACINVS LIFFIONIS
FILVS V S L M

‘Voor de godin Nehalennia heeft Dacinus, zoon van Liffio, zijn gelofte ingelost, met graagte en met reden.’

Van Dacinus weten we verder niet heel veel meer dan dat zijn vader Liffio heette. Het gaat daarbij om een inheemse naam, al is Dacinus wel wat gelatiniseerd, o.m. door de uitgang. Eveneens is duidelijk dat Dacinus geen Romeins burger was, want anders had hij ongetwijfeld de tria nomina wel genoteerd.

In andere gevallen komen we meer te weten. Zo bijvoorbeeld de klassieker onder de Nehalennia-altaren, de tekst die als eerste op 14 april 1970 boven water kwam (L’Année épigraphique, 1973, nr. 362 = EDCS-09401487):

DEAE
NEHALENIAE
M EXGINGIVS
AGRICOLA
CIVES TREVER
NEGOTIATOR
SALARIVS
C C A A V S L M

Deae / Nehaleniae / M(arcus) Exgingius / Agricola / cives Trever / negotiator / salarius / C(oloniae) C(laudiae) A(rae) A(grippinensium) V(otum) S(oluit) L(ibens) M(erito)

‘Voor de godin Nehalennia heeft Marcus Exgingius Agricola, burger van de Treveri, zouthandelaar in Keulen, zijn gelofte ingelost, met graagte en met reden.’

Buiten dat CIVES normaal gespeld wordt als CIVIS (maar deze afwijking komt wel vaker voor op de Nehalenniastenen en we moeten in deze verre contreien niet op alle slakken zout leggen) is deze Marcus Exgingius Agricola een modelburger.

Alles wat we zouden willen weten (goed, bijna alles) heeft hij vermeld. Hij blijkt afkomstig te zijn uit het land van de Treveri (dus de omgeving van Trier), was Romeins burger met zijn tria nomina en was als zouthandelaar actief in Keulen.

Overigens gaat het hier vermoedelijk eerder niet om een transport naar Brittannia, maar om iemand die aan de Menapische kust zout kwam halen en dat naar het Rijnland transporteerde.

Zijn bizarre nomen gentilicium doet vermoeden dat het gaat om (een afstammeling? van) een man van inheemse afkomst die het burgerrecht gekregen heeft. Exgingius is in ieder geval alles behalve Latijn. Marcus en Agricola zijn daarentegen keurige Romeins-Latijnse namen.

Nog eentje (L’Année épigraphique, 1973, nr. 372 = EDCS-09401497):

DEAE NEHALENNIAE
VEGISONIUS MAR
TINVS CIVES
SECVANVS NAVTA
V S L M

Als u weet dat Vegisonius Martinus burger (weer CIVES) van de Sequani was en schipper of reder (nauta), dan kunt u de rest onderhand zelf wel aanvullen. Deze Vegisonius kwam uit het huidige Noordoost-Frankrijk (Franche-Comté).

De meeste dedicanten komen uit dichterbij gelegen streken, vooral uit het Rijnland (Keulen en Trier). Professioneel treffen we veelvuldig reders en/of schippers aan naast handelaren in zout of vissaus (alec) (L’Année épigraphique, 1973, nr. 365 = EDCS-09401490):

DE
NEHALENNIAE L SECVNDIVS
SIMILIS ET T CARINIVS
GRATVS NEGOTIATORES
ALLECARI V S L M

DE(ae) bevindt zich hoger op de steen, maar niet in het eigenlijke schriftveld. Lucius Secundius Similis en Titus Carinius Gratus identificeren zich hier als negotiatores allecari ‘handelaars in vissaus’.

De allec was een variant van de garum. Deze pittige saus gebaseerd op gefermenteerde vis(ingewanden) werd ook hier in de kuststreek zelf vervaardigd. Het zou dus hier kunnen gaan om handelaars die een streekproduct naar het Rijnland en elders vervoerden, maar het hoeft in dit geval niet per se om handelaars op Brittannia te gaan.

Eén (licht beschadigd) opschrift zou volgens de gangbare interpretatie de naam van de Romeinse nederzetting onthullen (L’Année épigraphique, 1973, nr. 380 = EDCS-23400626):

DEAE NEHA[
NIAE
GIMIO GA[
NVENT CONS
V S L M

Dit wordt dan gelezen als Deae Neha[len]/niae / Gimio Ga/nuent(ae) cons(istens) / V S L M.

Ganuentae consistens betekent dan ‘verblijvend in Ganuenta’. Zo bestaat er een opschrift uit Vechten bij Utrecht aan de Rijn waar Tungri vermelden dat ze Fectione consistunt ‘in Fectio verblijven’. Overigens zijn juist de Tungri in de Nehalennia-opschriften opvallend afwezig zonder dat daar snel een verklaring voor gegeven kan worden.

De rest van deze opschriften laat ik aan uw eigen devotie over. U vindt Nehalenniastenen in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, het Zeeuws Museum in Middelburg en het Gemeentelijk Archeologisch Museum in Aardenburg, waar de Vegisonius-steen staat.

In principe is het lezen van deze stenen voor een deel vrij eenvoudig: begin en eind zijn gegarandeerd, al begint een enkel opschrift met de afkorting IN H D D = in h(onorem) d(omus) d(iuinae) ‘ter ere van het goddelijk huis’. Spannend wordt het pas om de naam te ontcijferen, alsmede de toegevoegde gegevens.

U vindt een goed overzicht van het onderwerp in Nehalennia. Documenten in steen van P. Stuart (Goes, 2013).

Het enige andere opschrift dat in vakantieprovincie Zeeland gevonden is, komt uit het castellum in Aardenburg (Rodanum) dat tussen ca. 175 en 275 in gebruik was en dat nauwe verwantschap vertoont met dat van Oudenburg.

Hier werd een stuk steen gevonden met de tekst (EDCS-74200338): ]MO[ / ]RMA[ / […]. Het bloedstollend relaas van schrijver dezes die een hypothetische lezing van dit opschrift voorstelt waarbij het gaat om een bouwopschrift op naam van keizer Commodus (180-192) uit het jaar 185 kunt (in PDF-formaat) via de hiernavolgende link. Alleen voor wie echt gezond van hart is:

Een Romeins opschrift in Aardenburg

Ja, schrijver dezes. Het is lang geleden dat hij zandkastelen bouwde op de oever van de Oosterschelde op het strand van Kamperland… En toch. Die altaren van Nehalennia die enkele kilometers oostelijk uit zee werden opgevist: hij weet het nog. Sterker zelfs: die Nehalennia-altaren zijn waarschijnlijk één van de dingen geweest die schrijver dezes naar de Oudheid en de Romeinen hebben gestuurd. Samen met het Suske-en-Wiske-album Het geheim van de gladiatoren dat hij ook daar in Kamperland voor het eerst las. Deze bijdrage is een ereschuld…

Kom, het moet er één keer van komen (niet in CIL of in EDCS):

DEAE
NEHALENNIAE
MICHAEL PRATEN
SIS TAXANDER
LIBRORVM CVSTOS
POETA
V S L M

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.