Nieuwe tramverbinding in centrum Rome op komst

Posted in Romenieuws on 24 februari 2018 by romenieuws

Er komt een nieuwe tramverbinding tussen Largo Corrado Ricci, vlakbij het Forum Romanum en Piazza Vittorio Emanuele II. Burgemeester Virginia Raggi wil uiterlijk in 2019 beginnen met de aanleg van de nieuwe tramlijn. De bouwtijd wordt geschat op 12 tot 16 maanden, waardoor de eerste trams reeds in de loop van 2020 zouden moeten kunnen rijden.

De tramlijn is volgens Raggi een zeer belangrijke scharnierverbinding tussen de Esquilijn, het Colosseum, Piazza Venezia en het Forum Romanum. De totale kostprijs voor de aanleg wordt geraamd op ongeveer 20 miljoen euro. Van dat bedrag heeft Rome voor de periode 2019-2020 reeds 5 miljoen euro gereserveerd, waardoor de aanbesteding van het project relatief snel kan volgen. De stad kan ook rekenen op subsidies.

De nieuwe lijn moet tijdens piekmomenten meer dan 2.600 passagiers per uur kunnen vervoeren. De dagelijkse stroom is berekend op 30.000 mensen. De volledige reistijd op de route wordt geschat op 20 minuten.

Op het nieuwe traject dat grotendeels over de Via Cavour en de Via Giovanni Lanza loopt, zal de tram, komende van Largo Corrado Ricci, stoppen aan metro B Cavour, op Piazza San Martino a Monti en eindigen aan Piazza Vittorio Emanuele II, niet ver van het spoorwegstation Termini. In een volgende fase kan wellicht de verbinding worden gemaakt met Piazza Venezia, waarbij het tramspoor langs de Via dei Fori Imperiali tot aan Piazza di San Marco kan worden doorgetrokken. Vanaf die plek kan je nu al snel met tram nr. 8 naar Trastevere.

In Rome werden in de loop der jaren vele trams vervangen door bussen. De jongste jaren gebeurt een (lichte) omgekeerde beweging. Zo werd enkele jaren geleden beslist de voormelde drukke tramlijn nr. 8, die vertrekt in Casaletto en via het spoowegstation in Trastevere en Piazza Sonnino Rome binnenrijdt, niet meer te laten halt houden op Largo di Torre Argentina (foto van de oude toestand hieronder), maar deze af te buigen naar Piazza Venezia.

Daardoor werd een belangrijk nieuw knooppunt voor het openbaar vervoer gerealiseerd. Op Piazza Venezia heb je een groot knooppunt van diverse stadsbussen en binnen enkele jaren krijgt in principe ook de nieuwe metrolijn C hier een halte. Al valt het nog steeds af te wachten of die plannen nog doorgaan en valt daar zeker nog geen datum op te plakken. De aanleg van de derde Romeinse metrolijn kampt immers met zeer veel moeilijkheden. We komen daar binnenkort nog uitgebreid op terug.

Etihad Airways neemt Rome-route over van failliet Alitalia

Posted in Romenieuws on 24 februari 2018 by romenieuws

Etihad Airways voert het aantal vluchten tussen Abu Dhabi en Rome op naar twee per dag. Dat schrijft de gespecialiseerde website Luchtvaartnieuws.nl. De luchtvaartmaatschappij springt daarmee in het gat dat ontstaat, doordat het failliete Alitalia de vluchten op die route staakt. Rome is, naast Milaan, de tweede Italiaanse bestemming van Etihad Airways. De verbinding met Abu Dhabi is vooral essentieel om vanuit Rome op een vlotte manier een aantal bestemmingen in het Midden-Oosten, Noord-Amerika, Australië en het Indiase subcontinent te kunnen bereiken. Rome wordt vanaf deze zomer aangevlogen met zowel de Airbus A330-200 als de Boeing 777-300ER.

Etihad Airways, de nationale luchtvaartmaatschappij van de Verenigde Arabische Emiraten met als basis Abu Dhabi, was enkele jaren mede-eigenaar (49%) van Alitalia. Dit jaar moet een nieuwe eigenaar voor de Italiaanse nationale luchtvaartmaatschappij worden gevonden. Passagiers die reeds een vlucht hadden geboekt op een Abu Dhabi-vlucht van Alitalia in de periode na 25 maart worden omgeboekt naar een Etihad-vlucht. Etihad Airways vliegt op bestemmingen in het Midden-Oosten, Europa, Noord-Amerika, Australië en het Indiase subcontinent.

Tentoonstelling over 80 jaar Italiaanse (film)geschiedenis in Cinecittà

Posted in Romenieuws on 23 februari 2018 by romenieuws

In de Cinecittà filmstudio’s in Rome kan je tot 7 mei een fototentoonstelling bezoeken die het verhaal toont van tachtig jaar Italiaanse geschiedenis, waarbij de rode draad natuurlijk ‘film’ is. In liefst 150 schitterende en vaak erg intense beelden, wordt een indrukwekkend Italiaans verhaal verteld. Teatro 1 in Cinecittà is omgevormd tot tijdelijke tentoonstellingsruimte. De toegang tot de expo kost 10 euro (informatie: tel. 06 722 932 69). Heerlijke nostalgie verzekerd terwijl je een tijdreis maakt doorheen de Italiaanse geschiedenis van de voorbije decennia. De komende drie jaar investeert Cinecittà 60 miljoen euro in onder meer nieuwe opnamestudio’s en een opleidingscentrum. Er is ook een nieuw museum (het MIAC) in aanbouw. Dat zou in de loop van dit jaar deuren al openen.

De foto’s van de tentoonstelling visualiseren niet enkel gebeurtenissen uit de filmwereld of uit het verleden van Cinecittà (al mocht een beeld van de eerste steenlegging van de filmstudio’s uiteraard niet ontbreken), er worden ook momentopnames getoond uit de bioscoopjournaals van weleer. De expo combineert snapshots van doodgewone onbekende mensen met die van erg bekende (film)gezichten, heel vaak in ongewone omstandigheden. Vele foto’s werden nooit eerder getoond of gepubliceerd.

De tentoonstelling is ontstaan uit de samenwerking tussen het Istituto Luce, Cinecittà en het bureau Ansa (Agenzia Nazionale Stampa Associata), het algemeen persbureau van Italië dat in 1945 in Rome werd opgericht. H et agentschap is een coöperatieve samenwerking van 36 van de meest prominente dagbladuitgevers van Italië. Dat levert beelden op van zowel Mussolini die de eerste steen van Cinecittà metselt, van de omhelzing tussen de pausen Benedictus XVI en paus Franciscus, maar evenzeer van de aanslag op Johannes-Paulus II, van Italianen in onbezorgde vakantiestemming, van een gewelddadige betoging of van de verwoestende aardbeving van 23 november 1980 in Irpinia (ongeveer 50 km ten oosten van Napels). Daarbij vielen toen minstens 2.483 doden en 7.700 gewonden; 250.000 mensen verloren hun woning.

De Cinecittà-studio’s bevinden zich op een tiental kilometers van het historische stadshart van Rome. Metrolijn A heeft een halte vrijwel voor de deur. Cinecittà is een indrukwekkend complex met onder andere pleinen en tuinen, drie restaurants, verscheidene woongebouwen voor leidinggevenden en werknemers, zestien opnamestudio’s en kleedkamers voorzien van alle comfort. Er worden nog altijd films, reclamespotjes en televisieseries opgenomen.

Cinecittà richt zich dus nog steeds op filmproductie, maar stelde een gedeelte van het bedrijfsterrein enkele jaren geleden ook open voor toeristen en filmliefhebbers. Er is onder meer een permanente tentoonstelling te bezoeken, vaak ook een tijdelijke thema-expo en mits extra betaling krijg je de kans om onder begeleiding een tijdje rond te wandelen op een gedeelte van het bedrijfsterrein, waarbij je onder meer langs de overgebleven decors van Gangs of New York (Martin Scorsese), de televisieserie The Borgia’s en de HBO-serie Rome kan wandelen.

In Cinecittà kwamen heel wat beroemde films tot stand. Federico Fellini maakte er onder andere La Dolce Vita, Otto e Mezzo en Amarcord. De decors van die films zijn daar nog altijd opgeslagen. De filmstudio’s zelf vormden ook meermaals het decor voor een film, zoals voor Bellissima van Luchino Visconti en Intervista van Fellini. In de jaren ’50 kreeg Cinecittà zelfs de bijnaam ‘Hollywood aan de Tiber’, omdat de studio’s gretig werden gebruikt door Amerikaanse filmmaatschappijen, vooral voor de zogenaamde peplumdrama’s, films over het klassieke Rome en de oudheid. Mervyn LeRoy maakte in Cinecittà zijn Quo Vadis (1951) en Wiliam Wyler realiseerde Ben Hur (1959), Joseph L. Mankiewicz nam hier de film Cleopatra op, met Elisabeth Taylor en Richard Burton. Maar ook vele andere bekende films, zoals Once Upon a Time in the West en The Godfather III, werden in Cinecittà opgenomen.

Cinecittà werd op 27 april 1937 opgericht door de Italiaanse leider Benito Mussolini. De filmstudio moest ingaan tegen de sterke opkomst van de Hollywoodfilms. Een groot distributienetwerk voor Italiaanse films en de zogenaamde Wet Alfieri, een wet die aan de Italiaanse film een aanzienlijke staatssubsidie gaf, moesten hiervoor zorgen. Bovendien werden de toenmalige Italiaanse filmsterren met behulp van tientallen tijdschriften, fors gepromoot.

Door deze maatregelen steeg de productie van Italiaanse films naar zo’n tachtig per jaar. Dat was toen gigantisch veel. Vreemd genoeg gebruikte het fascistische bewind de cinema nauwelijks voor de productie van propagandafilms. De filmindustrie werd door Mussolini vooral ingezet voor economische doeleinden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de filmstudio gebombardeerd.

Na de oorlog begon een nieuwe bloeiperiode toen in de Romeinse filmstudio verschillende grote Amerikaanse filmproducties werden opgenomen. Na een periode waarin het faillissement zeer dichtbij was, werd Cinecittà in de jaren ’80 van de vorige eeuw geprivatiseerd. Vanaf toen begon men er ook televisieprogramma’s te maken. Toen geen evidente keuze, maar het bedrijf zou er wel bovenop geraken.

Binnenkort zal trouwens opnieuw flink worden geïnvesteerd in Cinecittà. Er komt geld beschikbaar voor de bouw van nieuwe opnamestudio’s en er wordt een nieuw cultureel bedrijf gecreëerd dat zowel een museum als een creatief centrum zal omvatten. Het nieuwe bedrijf onder de vleugels van Cinecittà zal ook fungeren als creatief centrum, als incubator voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe (digitale) filmtechnieken en als opleidingscentrum annex filmschool. Dit alles wordt de komende drie jaar gerealiseerd. Het gaat om een investering van 60 miljoen euro.

Concreet zal Cinecittà kunnen rekenen op twee nieuwe theater- en opnamestudio’s die groter zijn dan het legendarische en nog altijd bestaande Teatro 5, destijds de lievelingsstudio van regisseur Federico Fellini. Ook Teatro 7, dat tijdens Wereldoorlog II grotendeels werd verwoest maar nooit werd heropgebouwd, zal herrijzen. Hier wordt een enorm waterbad ingericht, waar onderwateropnames kunnen gebeuren.

In principe opent dit jaar ook reeds het Museo Italiano dell’Audiovisivo e del Cinema (MIAC), het nieuwe Italiaanse film- en audiovisuele museum van Cinecittà zijn deuren: hier wordt een permanente tentoonstelling opgezet over de verbeeldingskracht van Italianen in de 20ste en de 21ste eeuw. E zal echter ook ruimte zijn voor tijdelijke tentoonstellingen, een bibliotheek, een videotheek, lokalen voor educatieve workshops over ambachten in de cinema, seminarie- en congresruimte en een laboratorium voor conservatie en restauratie van oude films. Het MIAC wordt momenteel uitgebouwd op de terreinen van Cinecittà en de aangrenzende gebouwen van het Istituto Luce.

De publieke bezoeken aan de filmsets krijgen eveneens een restyling. Nu kan je er nog rondwandelen in oude decors zoals dit van de HBO-serie Rome, Gangs of New York en de Borgia’s. Tijdens een bezoek met een aantal S.P.Q.R.-leden konden we deze sets enkele jaren geleden nog tot in detail bekijken. Deze en wellicht nog andere locaties worden opgefrist. Voor de liefhebbers: van 4 tot 6 mei presenteert Romevideogamelab in Cinecittà het eerste Festival dell’industria Videoludica, een filmfestival voor de game-industrie.

Cinecittasimostra.it

Cinecittastudios.it

Italiaanse prins wil familie ook bijzetten in Pantheon

Posted in Romenieuws on 23 februari 2018 by romenieuws

Eind vorig jaar werden de lichamen van koning Vittorio Emanuele III en dat van zijn echtgenote koningin Elena naar Italië overgebracht. President Sergio Mattarella had daar op voorspraak van premier Paolo Gentiloni toestemming voor gegeven. Volgens de premier ging het om een humanitair gebaar, precies zeventig jaar na het overlijden in Egyptische ballingschap van de tijdens de oorlogsjaren regerende Vittorio Emanuele III. Van bijzetting in het Pantheon kan volgens de excellenties echter geen sprake zijn. Vittorio Emanuele III had zich onmogelijk gemaakt als koning door zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in te laten met Mussolini. Als gevolg daarvan trad hij in 1946 af ten gunste van zijn zoon Umberto II. Maar amper een maand later  werd in een referendum de monarchie Italië afgeschaft.

Prins Emanuele Filiberto, de kleinzoon van de laatste Italiaanse koning Umberto II en diens vrouw Marie José (dochter van Albert I van België)  is nu bezig met een lobbycampagne bij het Vaticaan om de stoffelijke resten van zowel de koningen Vittorio Emanuele III en Umberto II en hun echtgenotes alsnog een laatste rustplaats te geven bij de andere Italiaanse vorsten in het Pantheon. Volgens Emanuele Filiberto heeft de Italiaanse premier Gentiloni niets te zeggen over wie in het Pantheon kan of mag worden bijgezet, dat is een zaak van het Vaticaan. De kans dat het ministaatje ingaat tegen de wensen van de Italiaanse Republiek wordt echter bijzonder klein geacht.

Vittorio Emanuele III had met zijn samenwerking met Mussolini de ondergang van de Italiaanse monarchie bewerkstelligd, ook al had hij Italië van de verwoesting van de totale nederlaag gered door Il Duce tijdig uit te schakelen. De goed bewapende linkse partizanen in het noorden van Italië zagen hun kans echter schoon om zich niet alleen van de koning, maar van de hele constitutionele monarchie te ontdoen. Op 9 mei 1946 trad Vittorio Emanuele III aan de vooravond van een referendum over de toekomst van de monarchie af ten gunste van zijn zoon Umberto II die wel een behoorlijke populariteit had opgebouwd.

In het niet zonder intimidatie van gewapende groepen verlopen referendum stemde het noorden in meerderheid tegen en het zuiden vóór de monarchie (in totaal ongeveer 12 miljoen stemmen vóór de republiek tegenover 10 miljoen voor de monarchie). Meer dan drie miljoen stemmen raakten zoek, terwijl anderzijds ook overledenen gestemd bleken te hebben. Bovendien waren miljoenen inwoners nog niet naar hun plaats van herkomst teruggekeerd om te kunnen stemmen en daarnaast was de status van de Italiaanse grensgebieden en daarmee ook het stemrecht van de bewoners daarvan,  onduidelijk. Vittorio Emanuele III stierf in 1947. Zijn laatste levensdagen bracht hij door in Alexandrië waar hij zich bezighield met vissen, postzegels verzamelen en wandelen in de tuin.

Zijn zoon Umberto II was van 9 mei tot 12 juni 1946 de laatste koning van Italië.  Als gevolg van de uitslag van het referendum werd hij dus al na 33 dagen afgezet (waardoor hij de naam meikoning kreeg) en moest hij de rest van zijn leven in ballingschap doorbrengen. Umberto verliet Italië voorgoed en zo kwam  een einde aan de heerschappij van de Savoyes die 899 jaar eerder met Humbert Withand was begonnen. De flirt van Umberto’s vader met het fascisme had de monarchie definitief ondermijnd. In de Italiaanse grondwet van 1947 werd bepaald dat het alle mannelijke troonopvolgers uit het Huis Savoye verboden was om Italiaans grondgebied te betreden. Vrouwelijke leden van de familie mochten Italië wel betreden, maar deden dit uit respect voor Umberto niet. Het verdwijnen van Umberto betekende ook het einde van de politieke stabiliteit in Italië.

Umberto II trad op 8 januari 1930 in het huwelijk met prinses Marie José van België, een dochter van koning Albert I. Het was een gearrangeerd huwelijk. Zij was de enige Europese katholieke koningsdochter en hij de enige katholieke koningszoon. Marie José was al op negenjarige leeftijd aan de Italiaanse Umberto beloofd. Het werd een ongelukkig huwelijk. Al meteen na haar huwelijk begon zij zich in te zetten voor allerlei goede doelen, zoals het Rode Kruis, daarbij het voorbeeld volgend van haar moeder Elisabeth, die daarmee in België zeer geliefd was geworden. In Italië, dat sowieso niet werd overmand door koningsgezinde gevoelens, had ze daar weinig succes mee. Het paar ging gescheiden in ballingschap. Umberto vestigde zich in Portugal, Marie José trok met haar kinderen naar Zwitserland. Omstreeks 1937 had Marie José een verhouding met Benito Mussolini. Dit werd ontdekt in de memoires van diens zoon, Romano Mussolini.

Een ontmoeting tussen twee hoogstaande beschavingen

Posted in Romenieuws on 21 februari 2018 by romenieuws

In de nieuwe tentoonstellingsruimte van de Centrale Montemartini (Via Ostiense 106) kan je nog tot 30 juni de expo Egizi Etruschi. Da Eugene Berman allo Scarabeo Dorato bezoeken, die opgebouwd is rond twee grote beschavingen van het Middellandse Zeegebied: de Etrusken en de Egyptenaren. De tentoonstelling was vorige zomer reeds te zien in het Complesso Monumentale di San Sisto in Montalto di Castro (Vulci) en verhuisde nu naar Rome. De catalogus van 128 bladzijden is uitgegeven door Gangemi.

De tentoonstelling bevat artefacten uit de twee oude culturen, waaronder recente Etruskische vondsten uit Vulci en Egyptische schatten uit de collectie van Eugene Berman (1899-1972), de in Rusland geboren Amerikaanse schilder, grafisch artiest, illustrator en decorontwerper die ook kunstverzamelaar was en die tijdens reizen naar Egypte heel wat artefacten kon verwerven. Toen hij in 1972 in Rome stierf had hij eerder zijn kunstcollectie al geschonken aan de Italiaanse staat.

De bezoekers van de tentoonstelling krijgen de mogelijkheid om twee belangrijke culturen en grote mediterrane beschavingen uit de oudheid tegenover elkaar te zien, te ontmoeten en te vergelijken. De kostbare objecten die worden getoond zijn afkomstig uit de periode tussen de achtste en derde eeuw v. Chr. en werden ontdekt tijdens recente opgravingscampagnes in Vulci, destijds één van de belangrijkste en rijkste steden in Zuid-Etrurië. Veel van de tentoongestelde werken zijn van uitzonderlijke waarde, vooral de belangrijke archeologische vondsten uit Vulci en de Egyptische werken uit de Berman-collectie. Andere voorwerpen werden in bruikleen gegeven door de Egyptische afdeling van het archeologisch museum van Firenze.

Met deze tentoonstelling wordt meteen de nieuwe ruimte van 250 m² ingewijd die de Centrale Montemartini vanaf nu reserveert voor tijdelijke tentoonstellingen. De ingebruikname van deze extra locatie valt samen met de twintigste verjaardag van het museum. Toen de Capitolijnse Musea vanaf 1997 verbouwd en gerenoveerd werden, bracht de museumdirectie honderden beeldhouwwerken voorlopig onder in de voormalige elektriciteitscentrale Montemartini aan de Via Ostiense. Op die manier wilde men de kunstwerken toch voor het publiek toegankelijk houden. De bedoeling was om met een gedeelte van de kunst uit de Capitolijnse Musea in de oude centrale enkele tentoonstellingen te houden, in afwachting van de voltooiing van de verbouwing.

De eerste tentoonstelling heette niet toevallig ‘Goden en machines’. Dat was heel toepasselijk, want klassieke beeldhouwwerken en industriële archeologie in de vorm van de oude elektrische turbines en werktuigen werden er naast elkaar geplaatst, met parallellen tussen twee werelden, die waarin de goden overheersten en die waarin de machines god zijn. Het gedurfde samengaan van zeer oud en recente technologie was een zodanig groot succes dat uiteindelijk werd beslist de Centrale Montemartini uit te bouwen tot een heus museum, dat een gedeelte van de collectie uit de Capitolijnse Musea in een permanente opstelling zou tonen aan het publiek.

Na de verbouwingen in de Capitolijnse Musea keerde in 2005 een deel van de kunstwerken terug naar het hoofdmuseum, de rest bleef in Montemartini. Het resultaat is een museum met een erg bijzondere sfeer en waarin erg prachtige artefacten uit de oudheid te zien zijn. De Centrale Montemartini toont onder andere de resultaten van de opgravingen uitgevoerd tussen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, waarbij het vaak om bijzonder mooie, maar grotendeels onbekende stukken gaat, gaande van de tijd van de Republiek tot de Keizertijd.

De Centrale Montemartini is genoemd naar de ingenieur die het gebouw in art nouveaustijl ontwierp. Hier opende in 1912 de allereerste elektriciteitscentrale van Italië de deuren, wat op zich al een stukje geschiedenis is. De elektriciteitscentrale bleef tot 1950 in gebruik. Begin 1990 werd begonnen met restauratiewerkzaamheden, waarbij niet enkel het gebouw, maar ook de machines, twee generatoren en een verwarmingsketel, behouden bleven.

Egizi Etruschi. Da Eugene Berman allo Scarabeo Dorato
Centrale Montemartini, Via Ostiense 106
Tot 30 juni 2018
www.centralemontemartini.org

Wat er zoal gebeurde op de Capitolijnse heuvel

Posted in Romenieuws on 20 februari 2018 by romenieuws

We hebben het de voorbije dagen gehad over het stadhuis van Rome (het Senatorenpaleis), de Capitolijnse Musea en het Tabularium (het gedeelte dat zich ondergronds bevindt), allen verzameld op wat we vandaag kennen als Piazza del Campidoglio. Het is misschien nuttig om even te situeren hoe deze plek er in de oudheid uitzag. Bezoekers moeten hier zeker even stilstaan om te bedenken dat het Romeinse verhaal hier begonnen is. Deze omgeving was het centrum van waaruit Rome een machtig en zeer uitgestrekt imperium zou uitbouwen.

De huidige Piazza del Campidoglio ligt op de plaats van het Asylum, het dal (intermontium) dat de verbinding maakte tussen de twee heuveltoppen, de Capitolinus en Arx. Deze plaats werd volgens het verhaal door Romulus gebruikt als verzamelplaats voor vluchtelingen van naburige volkeren die bereid waren zich aan te sluiten bij de Romeinen, ze kregen ‘asiel’. Rome was in de vroegste tijden een vrijplaats voor bandieten.

Het gewicht van het oude Rome verschoof met de tijd naar de vallei aan de zuidoostkant van het Asylum, tussen in het westen de Capitolinus, in het noorden de Quirinalus, de Viminalus en de Esquilinus, in het oosten de Velius en in het zuiden de Palatinus en de Germalus (de westelijke top van de Palatijn). In deze vallei zal het Forum Romanum geleidelijk worden uitgebouwd. Het centrum van de stad verschuift definitief naar de plek waar het zich vandaag nog altijd bevindt, ten noordwesten van het Asylum. Op de plaats van het Asylum ligt nu de Piazza del Campidoglio.

Op wat nu de Capitolijnse heuvel wordt genoemd en waar je vandaag het stadhuis van Rome en de Capitolijnse Musea aantreft, bevond zich in de oudheid de befaamde tempel van Jupiter. Toen deze prachtige tempel in 455 na Chr. bij de inval van de Vandalen onder leiding van Genserik werd verwoest en nadat de schatten van Rome waren geroofd, verviel de hele Capitolinus en de directe omgeving al gauw tot een soort spookstad. Het was een plek om te mijden.

Vooral de toen nog jonge Kerk wilde met dit toppunt van heidendom niets te maken hebben en liet de plek over aan wilde wijnstokken, onkruid en weiden waar enkel nog geiten graasden tussen de ruïnes. In de volksmond werd het Capitool al gauw de ‘Monte Caprino’ of de Geitenberg genoemd, een benaming waaraan de huidige Via di Monte Caprino aan de zuidkant van de heuvel nog steeds herinnert. Het heeft toen niet veel gescheeld of Rome was gewoon weggedeemsterd tot één van de vele kleine Italiaanse stadjes.

De tempel van Jupiter Optimus Maximus, waarvan we dankzij onder meer muntvondsten, behoorlijk goed weten hoe die er heeft uitgezien, werd nooit meer hersteld, al bleven de laatste zuilen nog staan tot de vijftiende eeuw. Toen werden ze definitief neergehaald om tot kalk te worden verbrand. Slechts enkele marmeren panelen uit de originele tempel overleefden de tijd en werden herbruikt in de Santa Maria della Pace, vlakbij de Piazza Navona en de Santa Maria dell’Anima.

De vijftiende-eeuwse geleerde, schrijver en humanist Poggio Bracciolini (1380-1459) heeft tijdens zijn tocht door Rome in 1447 nog vrij grote delen van de tempel overeind zien staan. Een deel van de fundamenten van de tempel van Jupiter kan je tegenwoordig nog wel zien in de Capitolijnse musea. De heuvel waar dit alles zich afspeelde, had zoals vermeld oorspronkelijk twee toppen: de lagere en zuidelijke Capitolinus met de voormelde tempel van Jupiter, en net ernaast de hogere noordelijke Arx waar zich de ‘burcht’ en later de tempel van Juno Moneta en het Auguraculum of augurium bevonden.

Tussen 1895 en 1911 werd vlak naast deze historische heuvels, het enorme monument van koning Victor Emanuel II gebouwd dat uitkijkt over de Piazza Venezia. Het witte gebouw overheerst de hele omgeving en is in Rome en elders in Italië beter bekend als het Altare della Patria (Altaar van het Vaderland) of kortweg Il Vittoriano. Daardoor heeft de Arx tussen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een dramatische defiguratie ondergaan die nooit meer kan worden hersteld, tenzij men het Vittoriano zou afbreken.

Net vóór de achterkant van het Vittoriano staat de sobere maar bijzondere Santa Maria in Aracoeli, een fraaie basiliek waar we binnenkort nog uitgebreid op zullen terugkomen. Hier bevond zich in de oudheid de tempel van Juno Moneta of Juno ad Monetam bevond. ‘Moneta’ verwijst naar de naam van de plaats waar de Romeinse munten of ‘moneta’ geslagen werden, een woord dat je nog steeds kan terugvinden in het Engelse money, het Franse monnaie, het Spaanse moneda en nog verscheidene andere talen. Volgens een recente studie van Crawford gebruikte de Romeinse munt aan het begin van de eerste eeuw v. Chr. ongeveer 50 ton zilver per jaar.

De restanten van de tempel van Juno Moneta liggen vermoedelijk onder de dertiende-eeuwse Santa Maria in Aracoeli. Gezien de ligging en de structuur van de kerk die op een heuveltop werd gebouwd, zijn hier tot dusver nauwelijks noemenswaardige archeologische opgravingen gebeurd. De tempel van Juno Moneta blijft daardoor één van de grootste archeologische mysteries van de stad.

Waarom de Romeinse staatsmunt ‘moneta’ heette, vertelt Cicero. Het woord zou afgeleid zijn van het Latijnse ‘monere’ of waarschuwen; moneta betekende ‘zij die waarschuwt’. Hiervoor bestaan twee theorieën. De eerste stelt dat het woord werd toegevoegd aan de tempel van Juno omdat er net vóór een aardbeving uit de tempel een opmerkelijk geluid klonk om de Romeinen te waarschuwen dat ze hun huizen moesten verlaten. De tweede uitleg gaat terug tot het verhaal van de snaterende ganzen. In de tempel van Juno stonden inderdaad beelden van zilveren ganzen, dit ter herinnering aan de beroemde ganzen die alarm sloegen en ‘waarschuwden’ toen de Galliërs in 390 v. Chr. de Capitolinus probeerden in te nemen.

In 390 v. Chr. (volgens sommige bronnen in 387 v. Chr.) werden de Romeinen tot hun grote verbijstering verslagen door Galliërs. De apostel Paulus noemde ze later Galaten, naar het Griekse Galatai en Latijnse Galli voor de Midden-Europese Kelten. Maar voor de Romeinen waren het gewoon een groep barbaren, mensen die een onverstaanbare taal spraken en die opeens in het centrum van Italië verschenen waren. Waar ze precies vandaan kwamen was voor de Romeinen niet zo belangrijk, wel dat ze vijandig waren en plots voor hun deur stonden.

De fatale veldslag vond plaats op 18 augustus aan de Allia, een zijrivier van de Tiber ten noorden van Rome. De nederlaag van het Romeinse leger opende de weg voor de Galliërs om Rome te plunderen. De dag van deze nederlaag bleef gedurende eeuwen op de Romeinse kalender, de fasti, gelden als een ‘diës ater’, een ongeluksdag. Na de nederlaag werd Rome dus kaalgeplukt, enkel het Capitool bleef in Romeinse handen. Dat had een goede reden: de helling bleek voor de barbaren immers een onneembare hindernis te zijn, maar een verkenner ontdekte een pad. In doodse stilte beklommen een aantal Galliërs de steile wand. Toen de eerste man boven was, sloegen waakzame ganzen, de heilige dieren van Juno, alarm.

Ene Marcus Manlius, die in 392 v. Chr. consul was geweest, stormde verbeten vooruit en stootte de eerste vijanden manhaftig met zijn schild terug de diepte in. De commandant van de slapende wachters werd achteraf op beschuldiging van landverraad van de Tarpeïsche rots geworpen, een hoge en steile rots aan de zuid-westkant van de Capitolijnse heuvel. Toch hield het beleg na het alarm der ganzen niet op. Na zeven maanden vonden de Galliërs onder leiding van Brennus (wat een Keltisch woord zou zijn dat koning betekent) het welletjes, wellicht omdat hun eigen gebieden ondertussen bedreigd werden door de Venetianen.

Ze boden de Romeinen aan om in ruil voor veel goud hun aanvallen te staken. Nog vóór deze koop gesloten was kwam Furius Camillus tussenbeide en verweet de Romeinen hun twijfelachtige en laffe houding met de uitspraak: ‘het is niet met goud dat men Rome verovert, maar met ijzer’. Daardoor ging de afkoop met goud uiteindelijk niet door en werden de Galliërs alsnog met het zwaard verslagen. Na dit succes werd de stad vlug maar nogal wanordelijk heropgebouwd, wat volgens sommigen een verklaring zou kunnen zijn voor het ingewikkelde stadsplan van het oude (en delen van) het huidige Rome.

Gedurende de daaropvolgende eeuwen werden op het Capitool elk jaar enkele waakhonden gekruisigd, dit als een postume straf voor de honden die hadden nagelaten te blaffen, terwijl Juno’s ganzen als blijvende beloning voor het gegak van hun voorouders op kussens van purper en goud het schouwspel bijwoonden en toekeken hoe de arme honden aan hun einde kwamen.

De Arx was ook de verzamelplaats van de auguren, de priesters van het Auguraculum of augurium, met als opdracht de vlucht en de kreten van de vogels te interpreteren. Omdat de Romeinen overtuigd waren dat de goden het lot van de mensen konden beïnvloeden, vonden ze het belangrijk te achterhalen wat de wil van die goden was. Daarvoor beschikten ze over het college der auguren, een aantal mannen gekozen uit de heersende klasse. Zij raadpleegden de goden alvorens belangrijke beslissingen te nemen, meestal gebeurde dit door middel van vogelwichelarij. Het is een griezelige gedachte dat belangrijke beslissingen die gevolgen hadden voor het hele Romeinse rijk, mede werden bepaald door de grillige vlucht van enkele vogels.

Het openbare leven in Rome werd inderdaad in sterke mate beheerst door de aard van bepaalde voortekens, want de goden waren niet alleen toeschouwers of luisterende goden, ze communiceerden ook, zij het uitermate duister en dubbelzinnig. Om hun wil te kennen keek men dus naar de vlucht van de vogels in het zwerk, waarbij gelet werd op de soort, de vliegrichting en de hoogte, de wijze van vliegen en eventueel ook het gekrijs, het gezang of het gefluit van de dieren.

Het ambt van augur was van grote betekenis in het politieke leven, want er kon geen belangrijke officiële handeling worden verricht zonder raadpleging van de ‘auspiciën’, letterlijk de voortekens, en de daaropvolgende officiële verklaring dat deze gunstig waren. Een reeds begonnen vergadering kon verdaagd worden of een verkiezing kon ongeldig worden verklaard, als de auguren beslisten dat zich bij het schouwen van de vogels een ongunstig teken had voorgedaan. Misbruik van dit machtige ambt lag dan ook voor de hand, maar de Romeinen probeerden dit tegen te gaan door de wettelijke vereiste van een unanieme uitspraak door de vijftien auguren.

Ook de Grieken waren vogelwichelaars, men herinnert zich hoe de ziener Calchas of Kalchas tijdens de Trojaanse oorlog adviseerde Iphigenia, de dochter van Agamemnon te offeren om de toorn van Artemis te verzoenen. Het officiële vogelschouwen behoort echter tot de Etruskische nalatenschap aan Rome. Het doel van de wichelarij was niet zozeer het voorspellen van de toekomst maar het achterhalen of een voorgesteld besluit de goedkeuring van de goden kon dragen. Het was voor de Romeinen erg belangrijk om dat zeker te weten. De manier waarop kippen hun voer oppikten kon bijvoorbeeld beslissen over het al dan niet aangaan van een gewapende strijd.

Vrijwel alle Romeinen, ook van de allerhoogste rang, namen deze poppenkast volstrekt serieus. Zo werden alle tempels systematisch en verplicht ingewijd door de auguren. Het woord ‘inauguratie’ dat we vandaag nog altijd gebruiken vindt daarin zijn oorsprong. Bij Plinius de Jongere lezen we hoe gevleid hij was bij zijn benoeming tot augur op voorspraak van Trajanus, overigens een benoeming voor het leven (insigne est quod non adimitur viventi). Maar wellicht had Plinius wel in de gaten dat deze belangrijke functie eigenlijk niets voorstelde.

Hij zinspeelt immers nauwelijks op de heiligheid van de macht die met het verlenen van deze waardigheid gepaard gaat (sacerdotium plane sacrum), hij heeft het evenmin over het met niets te vergelijken voorrecht dat voortaan het zijne is, namelijk het interpreteren der tekenen van de goddelijke wil en het instrueren van de magistraten en van de keizer omtrent het belang van hun voorzeggingen. Ook Cicero (106-43) heeft dit ambt bekleed. Herinneren we er aan dat ‘templum’ oorspronkelijk niet naar een sacraal gebouw verwees, maar naar een afgezonderde plek waar priesters samenkwamen om de vlucht der vogels te volgen en te interpreteren.

Binnenkort, bij een bezoek aan de Santa Maria in Aracoeli, komen we nog terug op de auguren en het verband met Augustus. In deze basiliek bevindt zich immers een belangrijk voorwerp dat de auguren tijdens hun bezigheden zouden gebruikt hebben. Schaarse overblijfselen van de originele tempel van Juno Moneta bestaande uit metselwerk in opus quadratum en opus caementicium vinden we vandaag nog terug in het parkje tussen de Santa Maria in Aracoeli en het Senatorenpaleis.

Treinbedrijf Italo verkocht aan Amerikaanse investeerders

Posted in Romenieuws on 17 februari 2018 by romenieuws

Nuovo Trasporto Viaggiatori  (NTV), het bedrijf dat met de Italo de tweede aanbieder is van hogesnelheidstreinverbindingen in Italië, na de Frecciarossa van Trenitalia, wordt voor 2 miljard euro verkocht aan een Amerikaans investeringsfonds. Italië beschikt over de onvoorstelbare luxe van twee topmaatschappijen die beiden uitstekende diensten aanbieden en erin slagen reizigers zeer snel en comfortabel doorheen heel het land te brengen. Die diensten lopen goed. De concurrentie zorgt niet alleen voor scherpe prijzen maar beide aanbieders proberen elkaar ook op technisch vlak af te troeven.

NTV heeft 35% van de markt in handen. Het bedrijf werd opgericht door vier Italiaanse ondernemers Luca Cordero di Montezemolo en Diego Della Valle, die enkele jaren geleden in Rome de restauratie van het Colosseum betaalde.  NTV ging met succes de concurrentie aan met de Italiaanse staatsspoorwegen en rijdt sinds 28 april 2012 onder de naam .italo. Het is het enige Europese hogesnelheidstreinbedrijf in private handen.

Een tijdje geleden maakte het bedrijf nog bekend dat het plannen had om naar de beurs te trekken, maar het Amerikaanse Global Infrastructure Partners (GIP) met hoofdzetel in New York, heeft ondertussen een overnamebod gedaan van 2 miljard euro. De Amerikanen nemen ook de schulden ter waarde van ongeveer 400 miljoen euro over. Het bod werd door de aandeelhouders van NTV aanvaard en de aanvraag voor de beursnotering wordt ingetrokken. GIP is een fonds dat investeert in de sectoren transport, energie en afval. Het is 40 miljard dollar groot en mag onder meer het Londense vliegveld Gatwick en de haven van Melbourne tot zijn beleggingen rekenen.

Het grootste deel van de opbrengst gaat naar de Banca Intesa Sanpaolo. Die heeft 19% van de aandelen in handen. Diego Della Valle en de grote verzekeringsgroep Assicurazioni Generali zijn de tweede en derde grootste aandeelhouder met respectievelijk 17 en 14%. Montezemolo, de voormalige topman van Fiat en Ferrari bezit 13%. De Italiaanse mededingingsautoriteit moet de overname wel nog goedkeuren.

De Italo biedt snelle treinverbindingen aan tussen de grote Italiaanse steden Venetië, Milaan, Turijn, Napels en Rome en vanuit treinstations busverbindingen naar andere steden. Het bedrijf kende wel een moeizame start omdat het nogal eens werd tegengewerkt door het staatsspoorwegbedrijf. Zo konden reizigers op de informatieborden in de stations aanvankelijk geen informatie vinden over wanneer en van welk spoor de Italo-treinen vertrokken. De plooien werden in de loop der jaren gladgestreken en beide maatschappijen maken winst.

De Italo is waarschijnlijk de meest moderne en comfortabele trein in heel Europa. De reizigers kunnen beschikken over een gratis draadloze internetverbinding en interactieve videoschermen. Aan boord kan je reserveren in een toprestaurant en in eerste klasse zijn alle drankjes gratis. In een speciale cinemawagon worden de nieuwste bioscoopfilms vertoond. Ook is er een babykamer, waar luiers verschoond kunnen worden, een service die in Italiaanse openbare toiletten nauwelijks bestaat. Als die toiletten zelf al te vinden zijn.