Een bezoek aan de Horti Sallustiani

17 juli 2019

Vandaag brengen we een bezoek aan de restanten van de fabelachtige villa en tuinen van Sallustius, de Horti Sallustiani. Om de beklemmende hitte, de drukte en de chaos van de binnenstad te ontvluchten, had de Romeinse hogere klasse in de oudheid de gewoonte de gezonde lucht van de heuvels (binnen de muren) op te zoeken. De allerrijkste Romeinen hadden daar monumentale parken aangelegd om te verpozen en vooral om mooie sier en indruk te maken op hun tijdgenoten.

Zo ontstond vanaf de eerste eeuw v. Chr. een ononderbroken groene gordel van tuinen rond de stad. De hellingen van de heuvels waren het meest in trek omdat daar bronnen en waterloopjes aanwezig waren voor het besproeien en irrigeren van de tuinen en voor de vele fonteinen en nymphaea.

Op de Pincio, de Collis Hortulorum, lagen de legendarische tuinen van Lucullus. Op de Quirinaal, bij de Servische Muur, bevond zich de tuin van Julius Caesar. Die had al uitgestrekte tuinen langs de Via Portuense, maar zou hier een tuin hebben aangelegd omwille van de nabijheid van de tempel gewijd aan Fortuna Publica, de godin van wie Caesar meende dat hij er zijn overwinningen aan te danken had.

Na de dood van Caesar in 44 v. Chr. werd zijn Horti Caesaris verkocht aan de historicus en schrijver Gaius Sallustius Crispus (86-35 v. Chr.). Sallustius was proconsul van de provincie Africa Nova (het oostelijke deel van Numidië) geweest en had daar op verdachte wijze een groot fortuin vergaard. Na zijn tumultueuze politieke carrière trok Sallustius zich na de moord op zijn beschermheer Julius Caesar in vrijwillige ballingschap terug in zijn tuin, waar hij zich gedurende de laatste negen jaar van zijn leven wijdde aan het schrijven van geschiedkundige en literaire werken.

Met het enorme fortuin dat hij had vergaard, kon hij zijn tuinen uitbreiden en verfraaien. De Horti Sallustiani omvatte een groot gebied tussen de huidige Via Salaria, de Via Veneto, de Via XX Settembre en de Aureliaanse Muur. Sallustius verwierf ook het terrein waarop de tempel van Venus Erycina uit 187 v. Chr. stond. Deze ronde tempel werd in de zestiende eeuw teruggevonden. De geel marmeren zuilen en het overige marmer werden ‘gerecycleerd’ en hergebruikt in de San Pietro in Montorio.

Bij opgravingen in deze zone van het domein werden een aantal spectaculaire kunstwerken ontdekt, die wellicht behoorden tot deze tempel. Het gaat onder meer om de beroemde Ludovisi-troon met als hoofdreliëf ‘Aphrodite ontspruit aan de zee’ en de Ludovisi Acroliet, beiden Griekse originelen uit de vijfde eeuw v. Chr. en afkomstig uit Zuid-Italië. Deze beelden zijn vandaag te zien in het Museo Nazionale Romano di Palazzo Altemps.

Ook het fraaie beeld De Stervende Galaat (beter bekend als De Stervende Galliër), één van de pronkstukken in de Capitolijnse Musea, werd hier ontdekt (foto hieronder). De obelisk die sinds 1789 bovenaan de Spaanse Trappen voor de kerk Trinità dei Monti staat, komt eveneens uit de tuin van Sallustius.

Na de dood van Sallustius ging het domein naar zijn neef Sallustius Crispus, een vertrouweling van Augustus en Tiberius. In 21 na Chr., bij de dood van Sallustius Crispus die geen erfgenamen naliet, kwamen de villa en het park in keizerlijke handen. Tiberius was toen aan de macht. De gunstige ligging van de tuinen, op een heuvel en dicht bij de Castra Pretoria, maakte de villa aantrekkelijk voor verschillende keizers. Sommigen verbleven liever hier dan in hun officiële residentie op de Palatijn. Zo zou Nero hier vaak zijn toevlucht hebben gezocht na zijn nachtelijke uitspattingen.

Keizer Vespasianus verbleef hier ook graag en opende het grote park voor het publiek. Keizer Nerva bracht in deze tuin de laatste jaren van zijn leven door en stierf hier ook. Onder keizer Hadrianus werd het park heraangelegd en het is uit deze periode dat de tot vandaag bewaarde gebouwen dateren. Keizer Aurelianus liet een monumentale portiek bouwen: de Porticus Miliariensis, met een lengte van 300 m, geplaveid met geel marmer waar hij met zijn paard oefende.

In 410 vielen de Goten onder Alarik I Rome binnen. Zij kwamen door de poorten van de Horti Sallustiani de stad binnen en richten daarbij grote schade aan het complex aan. De prachtige tuinen werden grotendeels vernietigd, een verwoesting die ze in de komende eeuwen niet meer te boven zouden komen. Tot in de middeleeuwen lag het domein er grotendeels verlaten bij. Het gebied werd gebruikt als moestuin en tussen de ruïnes stonden enkele hutjes. Pas toen paus Sixtus V een aquaduct had hersteld en er weer water naar de hoger gelegen delen van Rome stroomde, bouwde men hier weer huizen omgeven door moestuinen, wijngaarden en siertuinen.

Van alle gebouwen, portieken, tempels, fonteinen, thermen, paviljoenen en nymphaea die de tuinen sierden, blijven enkele zichtbare monumentale resten over in de Via Sallustiana. Waar in de oudheid de villa op een hoogte lag, moeten we nu 15 m onder straatniveau afdalen naar de ingang van het paviljoen, dat hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakte van de keizerlijke residentie van Hadrianus.

Wat we te zien krijgen, zijn de naakte muren, maar eens waren de buiten- en binnenmuren, de vloeren en gewelven, bekleed met marmer. Het paviljoen bestaat uit verschillende ruimtes. De grote glaspartij aan de ingang is een recente toevoeging. We gaan het paviljoen even binnen. Door het rechthoekige vestibulum komen we in een indrukwekkende ronde ruimte met een diameter van 12 m en een koepelgewelf met een hoogte van 13 m. De ruimte stond ooit vol beelden, de muren en vloeren waren uitgevoerd in kostbare marmersoorten, en het gewelf was bezet met veelkleurig stucwerk. Links en rechts van deze grote ruimte lagen vermoedelijk twee nymphaea. Achter de zaal lag nog een vestibulum met een nymphaeum. De rechthoekige ruimte was waarschijnlijk een zomereetzaal, die met gordijnen kon worden afgesloten. Via de trap kon je naar het terras. De overige ruimtes maakten deel uit van een insula waar het
personeel van de villa woonde.

Aan het begin van de zeventiende eeuw kocht kardinaal Ludovico Ludovisi het terrein waaron zich eeuwen geleden Horti Sallustiani en liet er een nieuw park aanleggen, waarin hij de Villa Ludovisi liet bouwen. Het is tijdens deze werkzaamheden dat de fraaie beelden en kunstwerken waarvan eerder sprake werden opgraven. In die periode werden tevens restanten van een cryptoporticus en een watertank ontdekt. De terreinen van de eens zo luisterrijke Horti Sallustiani vielen na de eenmaking van Italië uit elkaar. De Villa Ludovisi werd in 1894 afgebroken en het bijbehorende park werd verkaveld en in kleine delen verkocht.

Zo werd het gebied rond Piazza Sallustio in 1870 gekocht door de Duitse antiquair en uitgever Joseph/Giuseppe Spithoever. Enkele jaren na de aankoop verkavelde hij het domein en bij het ophogen en nivelleren van het gebied verdwenen de meeste antieke resten onder de grond. Rond de resten van de villa van Hadrianus bouwde hij hoge muren, zodat de gebouwen nu niet meer op een hoogte lagen, maar 15 m onder het straatniveau kwamen te liggen.

Op het terrein bevinden zich ook twee moderne constructies: een conferentiezaal en een villino. Spithoever bouwde boven het centrale gedeelte van het gebouw van Hadrianus een artiestenstudio, maar het paviljoen, dat zijn naam draagt, wordt nu gebruikt als conferentiezaal door Unioncamere. De kantoren van Unioncamere zijn gehuisvest in Villino Maccari uit 1902.

Gaius Sallustius Crispus was een bevoorrechte getuige van de geleidelijke ondergang van de Romeinse Republiek. Hij was een tijdgenoot van machtige en ambitieuze mannen zoals Caesar en Pompeius. Als 23-jarige jongeman maakte hij de mislukte staatsgreep van Catilina mee. Sallustius huwde met Terentia Varrones, de eerste vrouw van zijn politieke tegenstander Cicero van we ze na meer dan 30 jaar huwelijk gescheiden was. Er wordt ook verteld dat Sallustius door Milo betrapt werd op overspel met diens vrouw, Cornelia Fausta, de dochter van Sulla.

Antieke bronnen maken melding van zijn politieke engagement aan de zijde van de populares, maar ook van zijn morele falen in zijn persoonlijk en openbare leven. De belangrijkste werken van Sallustius zijn historische monografieën over de ‘Oorlog tegen Jugurtha’ (Bellum Iugurthinum) en de ‘Samenzwering van Catilina’ (De Coniuratione Catilinae).

Historiae (Romeinse Geschiedenis), in vijf boeken, was Sallustius’ belangrijkste werk, maar er zijn enkel fragmenten van overgebleven: vier redevoeringen en twee brieven. Het werk behandelde de gebeurtenissen uit de Romeinse geschiedenis na de dood van Sulla, van 78 tot 67 v.Chr.

Op naam van Sallustius staan ook nog de Invectiva in Ciceronem, een kort strijdschrift tegen Cicero dat veeleer afkomstig lijkt uit een school voor welsprekendheid, en twee Epistulae ad Caesarem senem de re publica , brieven waarin de auteur aan Gaius Iulius Caesar politieke wenken geeft.

Sallustius’ taal, stijl en spelling zijn erg persoonlijk. De hoofdkenmerken ervan zijn: streven naar bondigheid in de uitdrukking, stelselmatige archaïsering, waarnaast toch enkele gedurfde innovaties en een overvloedig gebruik van variatie en andere stijlfiguren. Als historicus is hij niet onpartijdig (hij is fel gekant tegen de optimates), maar toch streeft hij naar objectiviteit. Hierin en in zijn stijl is de Griek Thucydides zijn voorbeeld. Op zijn beurt diende Sallustius dan weer Tacitus tot voorbeeld.

In al zijn werken trekt Sallustius hard van leer tegen de zedenverwildering en de corruptie in zijn tijd. Altijd komt hij terug op de twee oorzaken die volgens hem het morele verval veroorzaken: de heerszucht en de hebzucht. Maar na een leven als het zijne was hij wellicht niet de juiste persoon om anderen de les te spellen.

Horti Sallustiani
Piazza Sallustio 21, Rome

www.hortisallustiani.it
Tel. +39 06 4201 1597

Praktische informatie

De site kan worden bezocht worden door verenigingen, groepen en wetenschappers op zaterdag van 9 tot 13 uur en op maandag van 9.30 tot 11.30 uur. Je moet vooraf een aanvraag indienen via convegni@hortisallustiani.it.

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Ninfeo degli Specchi op de Palatijn gereconstrueerd

15 juli 2019

Het Ninfeo degli Specchi op de Palatijnse heuvel is heropgebouwd. De vernuftig geconstrueerde Farnese-fontein met een ondergronds verborgen verrassing die de niets vermoedende voorbijgangers overrompelde, wordt toegeschreven aan Pirro Ligorio (1510-1583) die onder meer ook in Villa d’Este fraai werk afleverde. Het waterspel raakte in onbruik door verwaarlozing nadat de tuin werd verlaten door de adellijke familie. Het nymphaeum werd pas in 1914 herontdekt door archeoloog Giacomo Boni (1859-1925), de eerste directeur van het Forum Romanum.

Het nymphaeum ligt aan de zuid-oostkant van de Horti Farnesiani, waar Giacomo Boni zelf werd begraven, een uitzonderlijke eer. Oorspronkelijk was het nymphaeum bedekt door een koepel om eruit te zien als een grot. In de nissen bevonden zich drie saters die spiegels in hun handen hielden. Het geheel was rijkelijk versierd met glaspasta en mozaïeken. Het nymphaeum werd gevoed door water dat afkomstig was uit de inmiddels verdwenen Fontana dei Platani, de fontein van de platanen.

Door de afwezigheid van de dakkoepel koos landschapsarchitect Gabriella Strano voor de reconstructie van het nymphaeum voor een moderne installatie die, met respect voor het historische gebouw, een soortgelijke ervaring oproept. Zo zijn er nu tientallen waterstralen die uit de rand van de fonteinkuip en uit de muren komen en lichtspiegelingen creëren. Eén van de oorspronkelijke saters die de fontein sierden is teruggevonden en geïdentificeerd en zal binnenkort eveneens worden tentoongesteld. Ook de originele mozaïekvloer zal spoedig worden hersteld.

Volgens Alfonsina Russo, de directeur van het Parco Archeologico del Colosseo is met het nymphaeum het ‘waterpad’ op de Palatijn verrijkt: je maakt letterlijk een frisse reis tussen de vele tijdperken die de heuvel heeft meegemaakt en die vandaag mee het uitzicht ervan bepalen. Het project maakt deel uit van de geplande herontwikkeling van alle fonteinen, oud en modern, van het Parco Archeologico del Colosseo.

Een vroegchristelijk doopbassin onder de San Marcello al Corso

12 juli 2019

Over de barokke San Marcello al Corso heb je recent al enkele bijdragen kunnen lezen. Maar in de ondergrond van Piazza di San Marcello en onder de kerk ligt een interessante bezienswaardigheid verborgen: een middeleeuws doopbassin gebouwd op een vroegchristelijke doopvont (late vierde of vroege vijfde eeuw) opgetrokken op de plaats van een catabulum of poststation uit de tijd van Augustus.

Dat catabulum werd gebouwd in de eerste eeuw v. Chr. (einde bouw in 7 v. Chr.) als hoofdstation van het segment van de cursus publicus aan de Via Flaminia/Via del Corso en was dus voorzien van grote paardenstallen. Zoals we weten was de cursus publicus de keizerlijke koerier- en postdienst van het Romeinse Rijk.

De belangrijke heirbanen werden op regelmatige afstanden voorzien van een halteplaats (statio) of fort (castellum), waar paarden konden worden gewisseld en reparaties aan koetsen en karren konden worden uitgevoerd. De reizigers moesten over een door de keizer getekend document beschikken om van deze wegen gebruik te mogen maken. De koeriers te paard waren meestal legionairs en de koetsen werden gebruikt door magistraten.

De Romeinen baseerden hun koeriersdienst op het systeem dat werd gebruikt in het Perzische Rijk. Keizer Augustus gebruikte in eerste instantie hetzelfde systeem als de Perzen, waarbij op de halteplaatsen de berichten aan een andere koerier werden doorgegeven, maar hij stapte al snel over op een systeem waarbij dezelfde koerier steeds van paard verwisselde. Dit was efficiënter omdat zo de koerier zelf, die de berichten van de verzender had ontvangen, naar extra informatie kon worden gevraagd. De transportsnelheid was wel iets lager, maar de berichtgeving was veiliger en betrouwbaarder.

Dankzij deze sneldienst kon Augustus dagelijks nieuws uitwisselen met zijn generaal Agrippa, met zijn raadgever Mecenas en met zijn vrouw Livia, waar ze zich ook bevonden. Op de plaats waar deze keizerlijke paardenstallen lagen, zou de Heilige Marcellus als martelaar gestorven zijn.

De bronnen over het leven van Paus Marcellus I(308-309) zijn niet eenduidig. Hij wordt soms verward met de paus vóór hem, de Heilige Marcellinus die ook stierf als martelaar en op dezelfde dag, 16 januari, maar een paar jaar eerder in 304. Mogelijk gaat het zelfs om één en dezelfde persoon en heeft één van beiden nooit bestaan.

Volgens sommige bronnen werd Marcellus door keizer Maxentius gearresteerd en veroordeeld tot dwangarbeid in het postsorteercentrum naast de stallen, waar hij tewerkgesteld was als slaaf in de afdeling zwaar vervoer. Volgens een andere versie zou Marcellus op bevel van de keizer hier jaren als stalknecht gewerkt hebben en moest hij de stallen onderhouden. De oude paus moest deze stallen met de blote handen schoonmaken en zou bezweken zijn aan nausea (misselijkheid) ten gevolge van de stank.

Nog een andere overlevering vertelt dat hij na negen maanden werd bevrijd door het volk of de Romeinse clerus, maar vervolgens opnieuw gearresteerd voor het inzegenen van een huiskerk. Dat huis zou dan omgevormd zijn tot stal, waar hij na enkele dagen stierf van uitputting op 16 januari 309. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Heilige Marcellus de patroon is van de stalknechten en paardenfokkers. Volgens nog andere bronnen werd Marcellus uit Rome verbannen naar een onbekend oord en stierf hij in ballingschap.

In de vierde eeuw werd op of vlak bij de plaats van de stallen (volgens sommige bronnen aan de overkant van de straat) en het martelaarschap van Marcellus een kerk gebouwd, de Titulus Marcelli. De oude doopkapel van die kerk werd in 1912 ontdekt en ligt nu onder de Banca di Roma links van de kerk. Vanuit de salon van de bank kan je door een koepel in de vloer een blik werpen op het middeleeuwse doopbassin, maar wij daalden via een toegang in de sacristie van de kerk af in de ondergrondse ruimtes.

Onder de vloer van de middeleeuwse doopvont uit de twaalfde-dertiende eeuw werd in 1978 een nog oudere, vroegchristelijke (eind vierde – eerste helft vijfde eeuw) doopvont bloot gelegd met dezelfde vorm, het middeleeuwse bassin werd bovenop het oude gezet en heeft de oorspronkelijke achthoekige vorm behouden. De vrijwel intacte structuur valt op door haar grootte, de dopeling kon er gedeeltelijk worden in ondergedompeld, een eerder uitzonderlijk gegeven binnen de muren in Rome. Goed zichtbaar zijn ook de nissen aan de binnenzijde en de marmeren bekleding.

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Het miraculeuze kruisbeeld van de San Marcello al Corso

10 juli 2019

In de San Marcello al Corso, waar we de voorbije dagen verbleven, bevindt zich boven het altaar van de vierde kapel rechts, de Cappella del Crocifisso, een vijftiende-eeuws crucifix waarvan het corpus in prachtig zwart hout indrukwekkend is. De San Marcello is bekend omwille van de verering van dit kruisbeeld. Dit realistische beeld van de stervende Christus, dat als het ware niet naar het leven gesneden is maar naar de dood, gaf aanleiding tot een macaber verhaal.

Er wordt verteld dat de onbekende kunstenaar op zoek ging naar een model om het lijden van de Heer zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Op straat vond hij een arme drommel die er uitzag alsof hij niet lang meer zou leven en de kunstenaar nam hem mee naar zijn atelier. Bij wijze van vergoeding liet hij de man zich eerst opwarmen en gaf hij hem overvloedig te eten en te drinken. Toen het model zich te goed gedaan had en voldaan begon te poseren, vertoonde hij echter helemaal niet meer de trekken van een stervende, waarop de kunstenaar hem meedogenloos zou toegetakeld hebben om de doodstrijd te kunnen uitbeelden. Nadat het werk voltooid was, dumpte hij het lijk van de ondertussen overleden man in de Tiber.

Na de alles vernielende kerkbrand van 22 mei 1519, waarbij het gebouw instortte, werd het kruisbeeld onbeschadigd teruggevonden. Na een processie in 1522 waarbij het met goudpoeder beklede crucifix door de stad werd gedragen, stopte plots de heersende pestepidemie. Dit was de aanleiding tot de oprichting van de broederschap van de ‘Sanctissimo Crocifisso’.

Tijdens de volgende eeuwen werd het kruisbeeld van de San Marcello bij verschillende gelegenheden doorheen de stad gedragen en bij de opening van elk heilig jaar in processie naar de Sint-Pietersbasiliek gebracht. Tijdens de hele vastentijd van het heilig jaar 2000 kreeg het een plaats naast het pauselijk hoogaltaar van de Sint-Pietersbasiliek.

Aan de voet van het kruis celebreerde paus Johannes-Paulus II de ‘Giornato del Perdono’, de dag van de vergiffenis. Bij de opening van het Tweede Vaticaans Concilie werd het kruis eerst naar de Santa Maria Maggiore gebracht en daarna naar de Sint-Jan van Lateranen. Ook vandaag is het kruis nog steeds een bron van verering.

Voor alle persoonlijke intenties die men hier kan noteren, wordt elke maand op de eerste vrijdag en op de 23ste, ter herinnering aan het terugvinden van het kruis op 23 mei 1519, een speciale mis opgedragen. Het indrukwekkende kruisbeeld heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het muzikale ‘oratorium’. Deze muziekvorm ontstond zowat gelijktijdig met de opera op het einde van de zestiende eeuw en net als de opera bestond het oratorium uit solopartijen met recitatieven, een koor en musici maar de tekst was spiritueel en religieus gebonden.

Het idee kwam van Filippo Neri die de gelovigen een meer directe en emotionele vorm van geloofsbelijdenis wilde geven. Op informele bijeenkomsten werd een speciaal daartoe gecomponeerd muziekstuk uitgevoerd samen met een preek. De eerste dergelijke door Neri georganiseerde muzikale ontmoetingen vonden plaats in een bidruimte (oratorium) naast de in aanbouw zijnde Santa Maria in Vallicella, beter bekend als de Chiesa Nuova.

Met de tijd werden de uitgevoerde composities, die in tegenstelling tot de opera meestal beroep deden op een verteller en zonder enige enscenering uitgevoerd werden, oratoria genoemd. Tijdens de zeventiende eeuw was Giacomo Carissimi (1605-1674), nu door bijna iedereen vergeten, de leidende oratoriumcomponist in Rome.

Ondanks vele prestigieuze aanbiedingen zoals deze van opvolger van Monteverdi in de San Marco in Venetië, bleef Carissimi zijn hele leven ‘maestro di cappella’ van het Collegium Germanicum, het machtige jezuïetenbastion in Rome. Hij componeerde zijn talrijke oratoria echter niet voor het collegium maar voor de broederschap van het heilige kruis in de San Marcello.

Tijdens de plechtigheden ter ere van het ‘Sanctissimo Crocifisso’ werden de composities van Carissimi met groot succes uitgevoerd. Händel was zo onder de indruk dat hij van Carissimi de finale koorpartij ontleende van zijn ‘Jepthe’ voor zijn eigen oratorium ‘Samson’. In een commentaar over dit werk van Händel lazen we in een New Yorkse krant ‘you would swear that you hear the sobs and moans of the weeping girls’.

Wat Bach betekende voor de cantate was Händel voor het oratorium, vele grote componisten wijdden zich aan deze muziekvorm, we denken alfabetisch aan Beethoven (Christus am Ölberge), Berlioz, Brahms, Elgar, Franck, Gounod, Haydn, Honegger, Liszt, Mendelssohn, Saint-Saëns, Schütz, Stradella en zelfs Stravinsky, maar de geestelijke vader was dus Carissimi. Ook vandaag worden nog regelmatig fraaie concerten opgevoerd in de San Marcello al Corso. Deze zijn doorgaans gratis bij te wonen.

We blijven bij de vierde kapel waarvan de decoratie werd uitgevoerd door Perino del Vaga (1501-1547). Deze meester, die heel wat succes had met zijn gesofistikeerde en vernieuwende stijl, kennen we vooral van zijn fresco’s in de Engelenburcht. Hij was net als Michelangelo een leerling van Domenico Ghirlandaio (1449-1494) en behoorde in Rome tot de kring rond Rafaël.

Bij de Sacco di Roma in 1527, waarvan Erasmus schreef ‘niet de stad is ten onder gegaan maar de wereld’, kwamen de decoratiewerken van deze kapel stil te liggen omdat de schilder, net als de architect van de San Marcello, de stad ontvluchtte. Del Vaga had dan reeds de ‘Schepping van Eva’ (middendeel van het gewelf) en de evangelisten Marcus en Johannes beëindigd. Decennia later werden de plafondfresco’s voltooid met de twee overige evangelisten door Daniele da Volterra (1509-1566) en Pellegrino Tibaldi (1527-1596).

Deze laatste, ook een alleskunner, werd zoals da Volterra sterk beïnvloed door Michelangelo, we herinneren ons zijn fresco’s in de San Luigi dei Francesi. Tibaldi, die door de Romeinen Pelligrino Pellegrini genoemd werd, kennen we vooral als de decorateur van het Escurial-complex nabij Madrid waar hij niet minder dan 46 verbluffende fresco’s schilderde.

Nog in de vierde kapel van de San Marcello al Corso zien we onder het altaar een derde-eeuwse Romeinse cippus, een vierhoekig zuiltje dat hier gebruikt werd voor het bewaren van relieken. Aan de zijkanten van deze stele zien we militaire versierselen, de voorkant heeft een veelkleurig twaalfde-eeuws marmeren paneel. In het oude Rome was het ‘pomerium’, de stadsgrens, afgebakend met deze witte zuiltjes, de cippi. Oorspronkelijk bepaalden ze de door Romulus omgeploegde grenslijn van de pas gestichte stad, maar met de tijd breidde Rome zich uit en schoven de cippi verder op.

Leuk om weten: het Latijnse woord voor stad is ‘urbs’ (vandaar urbaan, urbanisatie) dat zelf afgeleid is van het oud-Latijnse woord ‘urvum’ dat de staart van een ploeg betekent. Zo verwees het woord naar de ploeg waarmee Romulus het pomerium afbakende van het Roma Quatrate, en die gevisualiseerd werd door de cippi.

We verplaatsen ons naar de linker zijbeuk. In de tweede kapel links, werden de gewelfschilderingen uit 1549 uitgevoerd door ene Lorenzo di Rotterdam, hier aangegeven als een Vlaamse meester. In de kerstperiode staat in deze kapel een uiterst aantrekkelijke kerststal.

De vierde kapel links toont een reünie van het oud-Romeinse geslacht Frangipani, tijdens de late middeleeuwen hadden zij hun vesting in het Colosseum. Omstreeks 1635 portretteerde Alessandro Algardi (1598-1654) zes leden van deze familie, al worden volgens de recente literatuur enkel nog de drie beelden rechts aan de meester zelf toegeschreven.

Algardi was naast Bernini de belangrijkste beeldhouwer in Rome, maar zijn werken zijn soberder en klassieker van opzet. Enkel mannenbustes worden hier getoond, maar de ironie wil dat het een vrouw was, Jacoba Frangipani (Jacoba de’Settesoli), die de familienaam eeuwige bekendheid gaf. Ze was een volgelinge van Franciscus van Assisi (dertiende eeuw) en de bedenkster van het amandelgebakje dat we nu nog kennen als frangipane. Zij zou amandelkoekjes hebben gebakken voor de stervende Franciscus.

De overige decoratie van deze vierde kapel is het werk van de begaafde gebroeders Zuccari. Deze fresco’s die het leven van Paulus tonen verdienen aandacht want ze vormen één van de belangrijkste cycli uit de zestiende eeuw. Het topwerk van de kapel is het op leisteen geschilderde altaarstuk uit 1564-1566 met de ‘Val van Paulus’, een mooi werk van Taddeo Zuccari (1529-1566), de belangrijkste vertegenwoordiger van het Romeinse maniërisme.

De iconografie van dit altaarstuk gaat terug tot een werk van Michelangelo in de niet te bezoeken Cappella Paolina in het Apostolische paleis in Vaticaanstad. Als gevierd frescoschilder maakte Taddeo Zuccari een synthese van Michelangelo en Rafaël, maar zijn stijl was vrij droog en houterig. Hij werd in het Pantheon begraven vlakbij Rafaël die op dezelfde leeftijd stierf, namelijk 37.

Op de linkermuur in deze vierde kapel wordt de blindmaking van Elymas getoond, uitgevoerd door Taddeo en zijn broer Federico, rechts zien we de genezing van een kreupele, eveneens een gezamenlijk werk. Zowel het gewelf als de beschilderde boog zijn het werk van Taddeo, men merkt hier de invloed van de klassieke, schilderachtige Rafaël. De gebroeders Zuccari ontmoeten we in vele Romeinse kerken en paleizen.

Het mooie plafond van de middenbeuk van de San Marcello al Corso heeft brede, veelkleurige cassettes en fonkelt van het goud. Het dateert uit 1592 en maakt op zich al een bezoek aan de San Marcello de moeite waard. Het werd geschilderd door Giovanni Battista Ricci (1537-1627), niet te verwarren met de beter gekende Sebastiano Ricci (1659-1734).

Boven het hoogaltaar hangt een ‘moderne’ (1866) Triomf van San Marcello door de Romeinse schilder en decorateur Silverio Capparoni (1831-1907). De fresco’s van de in drie delen opgesplitste concha zijn ook het werk van voornoemde Giovanni Battista Ricci: ze tonen de dood, kroning en hemelvaart van Maria.

Als we ons omdraaien zien we boven de hoofdingang het immense fresco met de ‘Kruisiging’ uit 1613 dat eveneens van de hand is van Ricci. Let op het witte paard dat we ook in het altaarstuk van de vierde kapel links zagen. Van deze meester herinneren we ons de beschilderde gewelven boven het graf van Santa Monica in de Sant’ Agostino, evenals de prachtige fresco’s in het transept van de San Giovanni in Laterano die Ricci uitvoerde in samenwerking met de iets minder begaafde Cavalier d’ Arpino.

In de sacristie rechts van het koor (toegang langs de vijfde kapel rechts) bevindt zich uiterst rechts een klassieke ‘Kruisiging’ door Antoon Van Dyck (1599-1641). Hier vinden we ook de toegang tot de meestal gesloten crypte met overblijfselen van een zeshoekige bakstenen kuip die in de eerste San Marcello gebruikt werd voor het doopsel door onderdompeling.

Ze heeft een doorsnede van 3,2 m en is 1,2 m diep. De oudste bouwelementen van de crypte dateren uit de vierde eeuw, en brengen ons terug tot ons beginpunt, de titulus van San Marcello. Over deze doopkapel lees je maandag meer in het laatste deel van deze minireeks over de San Marcello al Corso.

Een bezoek aan de San Marcello al Corso

8 juli 2019

Links van de hoofdingang van de San Marcello al Corso waarover je al eerder een bijdrage kon lezen, staat tegen de gevelmuur een prachtig dubbelgraf in Venetiaanse stijl. Het is een werk van Andrea Sansovino (zoals eerder verteld de leermeester van Jacopo die de San Marcello ontwierp en decoreerde). Het ontwerp van het monument herhaalt het architecturale plan van de graven die Andrea Sansovino verwezenlijkte in het koor van de Santa Maria del Popolo.

Bovenaan ligt kardinaal Giovanni Michiel (spreek uit Mikjèl, hier genoteerd als Michaelio). Hij was een neef van de Venetiaan paus Paulus II (1464-1471) en bisschop van Verona. Hij woonde in het gebouw met de zuilen dat zich naast de San Marcello bevindt. Deze kardinaal, die familie was van de doge van Venetië, werd op 14 april 1503 in het Castel Sant’ Angelo op bevel van Alexander VI Borgia (1492-1503) vergiftigd door zijn zoon Cesare Borgia, een paar maanden voordat de paus zelf (wellicht ook door gif, er bestaan speculaties) eveneens de dood vond.

Eronder rust zijn neef bisschop Antonio Orso op een baar, geplaatst boven stapels boeken. Ze herinneren aan de 750 kostbare handschriften die de bisschop naliet aan het klooster van de San Marcello. Let ook op de putti met neerwaarts gerichte toortsen.

De mooie derde kapel rechts toont sterk dynamische fresco’s met scènes uit het leven van Maria, ze werden door Francesco Salviati (1510-1563) uitgevoerd net vóór zijn dood. Salviati, een leerling van Andreo del Sarto en goed bevriend met Vasari, was een maniërist uit Firenze. Hij werd sterk beïnvloed door Michelangelo en Parmiggiano. We kennen hem van de fresco’s in de Chigikapel van de Santa Maria del Popolo en in de Santa Maria del Anima. Boven het altaar zien we een gehavend maar mooi fresco uit het begin van de veertiende eeuw met een ‘Madonna en Kind’ dat afkomstig is uit de vorige San Marcello uit de achtste eeuw. De marmeren omlijsting is vijftiende-eeuws.

De meesterlijke gevel van de San Marcello al Corso

5 juli 2019

Gisteren maakten we kennis met de San Marcello al Corso, gelegen aan het kleine Piazza di San Marcello, langs de Via del Corso. Velen wandelen zonder meer langs deze kerk, maar het loont de moeite om op het pleintje even stil te staan om vervolgens onder de indruk te komen van de ongelooflijke dynamiek van deze in de literatuur vaak geroemde gevel. Het is een ontwerp van Carlo Fontana en zonder meer zijn meesterwerk.

Carlo Fontana (1638-1714) mogen we niet verwarren met zijn verre familielid Domenico Fontana (1543-1607) die aan de San Luigi dei Francesi werkte, en ook bekend was als de oprichter van verschillende obelisken. Carlo Fontana werd in Bruciato (kanton Ticino) geboren en kwam reeds op zijn zeventiende naar Rome. Hij ging in de leer bij Pietro da Cortona (1596-1669) en werkte een tiental jaren als assistent van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680).

Carlo Fontana werkte als architect vrijwel nooit alleen maar ging doorgaans een samenwerkingsverband aan met vele andere grote barokarchitecten uit zijn tijd. Tot zijn gedeelde realisaties behoren het Palazzo Montecitorio en de Lancellotti-kapel in de Sant’ Andrea della Valle. Carlo Fontana bouwde ook de doopkapel van de Sint-Pietersbasiliek.

De gevel van de San Marcello, die in 1682-1683 gewoonweg voor de voorlopige zestiende-eeuwse gevel ‘geplakt’ werd, is een evenwichtige mengeling van klassieke en barokke elementen en een voorbeeld van de eclectische stijl van Carlo Fontana. De ingang steekt zo ver vooruit, dat om de continuïteit en de eenheid te herstellen, de architect palmvormige voluten plaatste. Een voluut is een krul- of spiraalvormige versiering die kenmerkend is voor het kapiteel van een Ionische zuil. Kapitelen met een dergelijke versiering worden voluutkapiteel of krulkapiteel genoemd. In de renaissance en de barok werden voluten ook als decoratie op de hoeken van topgevels en op consoles gebruikt. De naam is afgeleid van het Latijnse woord voluta, wat boekrol betekent.

De open lijst op het fronton boven de ingang van de San Marcello wacht nog steeds op een niet gerealiseerd halfreliëf, de mooi uitgevoerde beelden zijn het werk van assistenten van Fontana. Kijk terloops ook even naar het gebouw op nr. 5, links van de San Marcello. Het heeft een vijftiende-eeuwse ingang met twee indrukwekkende zuilen. Hier woonde een kardinaal van wie we morgen tijdens een bezoek aan het interieur van de San Marcello het merkwaardige grafmonument zullen ontdekken.

De San Marcello al Corso

3 juli 2019

Als je vanaf Piazza Venezia de lijnrechte Via del Corso richting Piazza del Popolo inwandelt kom je aan je rechterzijde (tegenover de ingang van het immense palazzo Doria Pamphilj) al gauw aan het kleine Piazza di San Marcello, waar zich de gelijknamige sierlijke barokkerk bevindt: de San Marcello al Corso. Deze interessante kerk, één van de mooiere barokkerken van Rome, heeft een verleden dat ver teruggaat: ze zou gesticht zijn door paus Marcellus (308-309) en was één der eerste tituli in Rome. Volgens de overlevering is de kerk gebouwd op de plaats waar Marcellus door keizer Maxentius werd gevangen gezet. De eerste aanduiding van de kerk als titelkerk dateert uit 418, toen paus Bonifatius I in deze kerk werd gekozen tot nieuwe paus. Vandaag is de San Marcello de titelkerk van de Italiaanse kardinaal Giuseppe Betori.

Tijdens de meedogenloze christenvervolgingen door keizer Diocletianus (284-305) stierf paus Marcellinus (296-304) de marteldood. Gezien de moeilijke omstandigheden in de stad was het voor de gelovigen niet mogelijk om op dat moment een nieuwe leider te kiezen. Pas in 308 kozen ze Marcellus (308-309) als bisschop van Rome.

Eerst bekommerde de nieuwe ‘paus’ zich over de interne organisatie. Zo verleende hij de bestaande Romeinse tituli de officiële status van ‘parochie’ met nauwkeurig omschreven bevoegdheden en scherp afgebakende grenzen. Omdat de eerste christenen zich in deze aardse wereld als vreemden beschouwden en ze zich volledig wilden richten op een hemelse wereld die volgens hen weldra zou komen, noemden ze hun gemeenschap ‘paroikoi’, de kolonie van vreemdelingen. Het woord is de etymologische oorsprong van parochie.

Rome werd ingedeeld in 25 parochies, elk beheerd door een priester die onder andere instond voor de opleiding van catechumenen (zij die zich voorbereiden op het doopsel), het toezicht op de bekeerde afvalligen, het onderhoud van de catacomben en het bijhouden van het martelaarsboek.

Het hoofdprobleem voor paus Marcellus vormden echter de ‘lapsi’, gelovigen die tijdens de vervolgingen uit angst voor folteringen en de dood het christendom zogenaamd hadden afgezworen en die opnieuw deelnamen aan heidense rituelen en offerdiensten. Achteraf, toen het gevaar geweken was wilden ze echter opnieuw binnen de Kerk opgenomen worden. Maar kon dit zo maar? Paus Marcellus eiste dat de lapsi zich zouden onderwerpen aan een zeer strenge boetedoening, maar raakte hierover in conflict met een groot deel van de clerus en het kerkvolk die weigerden de lapsi terug in de Kerk op te nemen. De twist liep zo hoog op dat men ten einde raad de wereldlijke macht te hulp riep.

Keizer Maxentius (306-312) wist niets beter te verzinnen dan paus Marcellus uit zijn functie te ontzetten en als slaaf te veroordelen tot dwangarbeid. Kort daarna, op 16 januari 309, stierf de paus van ontbering. Hij werd net als zijn voorganger Marcellinus begraven in de catacomben van Priscilla. Zijn relieken bevinden zich vandaag onder het hoogaltaar van de San Marcello.

De overlevering wil dat de titulus van San Marcello gebouwd werd boven de stallen van het toenmalige hoofdpostgebouw waar paus Marcellus op last van de keizer als slaaf werkte en wellicht ook stierf. Of dat klopt valt niet meer te achterhalen. De oudst gekende vermelding van deze titulus dateert van 418. De eerste cultusplaats die hier werd opgericht raakte met de tijd in verval tot de bouwlustige paus Hadrianus I (772-795) een nieuwe, grote kerk liet bouwen in de vorm van een drieschepige basilica met atrium.

De buitenmuren van de huidige kerk volgen nog het tracé van dit gebouw uit de achtste eeuw en de noordelijke zijmuur (dus links) dateert zelfs nog uit die tijd. De basilica van Hadrianus had echter een andere oriëntatie dan de huidige kerk want de apsis lag aan de huidige Via del Corso en de hoofdingang aan de Via San Marcello (dus precies omgekeerd dan vandaag het geval is). In 1354 werd het aan stukken gescheurde lichaam van volkstribuun Cola di Rienzo enkele dagen in de San Marcello tentoongesteld.

Tijdens de nacht van 22 op 23 mei 1519 werd de San Marcello-basilica uit de achtste eeuw door brand verwoest. Jacopo Sansovino leverde het ontwerp voor de nieuwbouw, ditmaal met de hoofdingang aan de Via del Corso. Het werd, typisch voor de renaissance, een éénschepige basilica met zijkapellen. Jacopo Sansovino (1486-1570) kennen we in Rome onder meer als beeldhouwer in de Sant’ Agostino; als architect tekende hij onder andere de San Giovanni dei Fiorentini.

In 1505 was hij in de voetsporen van zijn leermeester Andrea Sansovino (1467-1529) naar Rome gekomen om er de klassieke beeldhouwkunst te bestuderen. Zeer vlug behoorde hij tot de kring van Bramante en Rafaël. Bij de Sacco di Roma, de grote plundering van Rome in 1527, verliet Sansovino de stad om in Firenze samen te werken met Andrea del Sarto, daarna werkte hij met succes in Venetië waar hij de prachtige bibliotheek aan het San Marcoplein bouwde.

Na de vlucht van de architect werden de werken aan de San Marcello voortgezet door Antonio da Sangallo de Jongere, die we in Rome vooral kennen als bouwer van paleizen, en door Annibale Lippi die de zoon was van Nanni di Baccio Bigio, de rivaal van Michelangelo. Zoals gewoonlijk behoorde de gevel niet tot het basisontwerp van de kerk. Volgens de Romeinse gewoonte was dat een zorg voor later.

Krijgshaftige aanwinst voor Rijksmuseum van Oudheden in Leiden

3 juli 2019

Het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden (Nederland) kocht in maart op de bekende kunstbeurs TEFAF in Maastricht een marmeren reliëf uit de Romeinse keizertijd (170-180 na Chr.). Het bevat een scène uit de amazonomachie, de mythische oorlog tussen de ‘beschaafde’ Grieken en de ‘barbaarse’ amazonen, een strijdlustig volk van vrouwelijke ruiters. De afbeelding toont een felle strijd tussen een amazone op een steigerend paard en een Griekse krijger te voet. Het reliëf werd in de negentiende eeuw in zee gevonden bij Piraeus, de haven van Athene. Het reliëf heeft een ereplaats gekregen in de klassieke beeldengalerij en is te zien op de eerste verdieping van het museum.

De amazonomachie was een geliefd thema in de kunst van zowel de Grieken als de Romeinen. Het stond symbool voor de strijd tussen de beschaafde samenleving en barbaars geweld. Waarschijnlijk heeft dit reliëfstuk (86 x 87 x 16 centimeter) ooit deel uitgemaakt van een grote sarcofaag. Het stuk is in klassiek-Griekse stijl gebeeldhouwd en herinnert aan de reliëfs van het Parthenon.

Volgens de mythe stamden de amazones af van de oorlogsgod Ares en waren ze verzot op geweld. De vrouwen stonden bekend als dappere, maar ook wrede krijgers. Ze leefden in een afgezonderde gemeenschap zonder mannen. Die levenswijze stond haaks op de ‘beschaafde’ wereld van de oude Grieken – daar maakten mannen de dienst uit. De spanningen tussen Grieken en amazonen liepen uit in een conflict toen de Griekse held Heracles de kostbare gordel stal van Hippolyta, de koningin van de amazonen. De Atheense prins Theseus die deel uitmaakte van deze expeditie werd verliefd op Hippolyta’s zuster Antiope. Hij ontvoerde haar naar Athene, met een felle oorlog tussen Atheners en amazonen als gevolg.

Bijna de helft van het aankoopbedrag van 260.000 euro financierde het museum uit de jaarlijkse bijdrage van de BankGiro Loterij, de andere helft werd bekostigd uit eigen middelen en particuliere fondsen, waaronder het Eega van Asklepios Fonds en het Elisabeth Huss Fonds.

Omstreden plannen voor het KNIR in Rome worden uitgevoerd

2 juli 2019

Ondanks een door 2.600 mensen ondertekende petitie krijgt de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) groen licht voor haar plannen met het Koninklijk Nederlands Instituut Rome (KNIR). Dat schrijft het Dagblad van het Noorden. In de petitie wordt de vrees uitgesproken dat ‘de RUG het KNIR tot een algemene buitenlandcampus degradeert, ten koste van de nationale academische gemeenschap’. Het rekest werd op vrijdag 28 juni overhandigd aan het koepelbestuur van de Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland (NWIB), waar het KNIR onder valt.

Het KNIR houdt zich bezig met onderwijs en onderzoek op gebieden als kunstgeschiedenis, archeologie, architectuur en klassieke talen. De RUG beheert het KNIR mede namens vijf andere universiteiten. Het NWIB besprak vrijdag de plannen van de RUG, waarmee de Groninger universiteit het instituut toegankelijker wil maken voor bachelorstudenten, zodat zij internationale ervaring kunnen opdoen. Ook wil de RUG haar aandeel in de activiteiten van het instituut uitbreiden naar 50 procent. De andere helft is voor onderwijs en onderzoek van de andere Nederlandse universiteiten.

Dit is tegen het zere been van veel academici die de huidige opzet van het KNIR koesteren en prijzen. Ze voorspellen dat de toekomst van het instituut als onderzoeksinstelling onder grote druk komt te staan als de RUG haar plannen doorzet. Het NWIB rept in haar verklaring over het beraad van afgelopen vrijdag met geen woord over de petitie: ‘Het NWIB-bestuur staat positief tegenover initiatieven die leiden tot het openstellen van de wetenschappelijke instituten met extra activiteiten. Vastgesteld is dat het KNIR, net als de andere NWIB-instituten, als nationaal instituut een meerwaarde heeft met de RUG als beherende instelling. Het KNIR blijft samen met de andere instituten voluit deel uitmaken van de koepel NWIB, de gezamenlijke aansturing blijft.’

Mede-initiatiefnemer van de petitie Minou Schraven interpreteert deze verklaring volgens het Dagblad van het Noorden als een instemming met het beleid van de RUG. Zij stelt dat we pas echt zullen zien welke kant de RUG op wil gaan met het KNIR als de vacature van de nieuwe directeur bekend wordt gemaakt. Dat roept vragen op: staat de vacature open voor kandidaten van alle universiteiten, hoe ziet de RUG de extra activiteiten concreet voor zich, en wat doet men met het signaal van inmiddels 2.600 handtekeningen?. Maar Schraven ziet ook lichtpuntjes. Het KNIR blijft integraal een NWIB-instituut met een gezamenlijke aansturing.

De benoeming van voormalig rector magnificus Elmer Sterken als tijdelijk directeur van het instituut viel niet in goede aarde bij de huidige en vertrekkende directeur Harald Hendrix. Die vraagt zich hardop af waarom is gekozen voor een niet-Italiaans sprekende econoom. Het NWIB heeft vrijdag ingestemd met de tijdelijke benoeming van Sterken. Hij blijft aan tot 1 januari.

Bron: Dagblad van het Noorden.

Dinsdag 2 juli stiptheidsacties op Brussels Airport

1 juli 2019

Wie morgen vanuit Brussels Airport in Zaventem naar Rome (of elders natuurlijk!) vertrekt, houdt best rekening met hinder en vertragingen. De vakbonden van de bagage-afhandelaar Swissport plannen vanaf dinsdag 2 juli stiptheidsacties. Morgen duren die van 8 tot 9 uur in de ochtend. De vakbonden onderhandelen ook niet langer met de directie van Swissport en willen een externe bemiddelaar inschakelen.

De bonden hadden vorige week al met acties gedreigd als de directie van Swissport tegen vandaag maandag geen aanwervingsplan zou voorstellen. Het personeel van de bagage-afhandelaar klaagt al geruime tijd over een tekort aan personeel. Swissport is op Zaventem de bagage-afhandelaar van Brussels Airlines en andere maatschappijen van de Lufthansa Group, maar ook van onder meer Alitalia en Emirates.