De Santa Maria in Aracoeli (II)

Posted in Romenieuws on 22 april 2018 by romenieuws

Het uiterlijk van deze fraaie basiliek Santa Maria in Aracoeli is sedert de dertiende eeuw nauwelijks veranderd. De gevel maakt een zeer bescheiden indruk. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat deze met mozaïeken zou worden bekleed, maar dit is nooit gebeurd, al heeft de aanleg ervan niet veel gescheeld. Hier en daar zijn in de gevel nog openingen te zien waar de balken zaten waarop destijds het steigerwerk rustte.

Let op de drie ingangen: deze links en rechts dragen zeer mooie zestiende-eeuwse reliëfs met evangelisten. De halve boog boven de hoofdingang met een sobere renaissancedeur, wordt ondersteund door twee kraagstenen in de vorm van een hand. Een tekst herinnert aan de volkstribuun Cola di Rienzo die in 1348 de hoge trap, de scalinata d’Aracoeli inhuldigde. Op die trap komen we in een volgende bijdrage terug.

Hier vlak naast, ongeveer halverwege de andere trap, de zogenaamde cordonata, richting Piazza del Campidoglio, het stadhuis van Rome en de Capitolijnse Musea, staat een standbeeld van Cola di Rienzo. Dit kleine bronzen beeld, een werk van Girolamo Masini uit 1887 verwijst naar de plaats waar di Rienzo in 1354 vermoord werd, en staat dicht bij de plaats vanwaar hij het volk toesprak en in 1347 tot de allerlaatste volkstribuun van Rome werd aangesteld.

Cola di Rienzo, een verbastering van Nicolà di Rienzo, was de zoon van een cafébaas en bracht het tot notaris. Geïnspireerd door zijn lectuur van de klassieke Latijnse teksten, wou di Rienzo de oude grandeur van Rome weer tot leven brengen. De paus verbleef sinds 1309 in Avignon en in het door de adel bestuurde Rome heerste algehele anarchie. Vóór de Aracoeli-kerk (de enorme, hoge trap bestond toen nog niet) hield Cola verkleed als keizer vlammende toespraken tot het volk. Het verhaal van Cola di Rienzo kon je al lezen in een eerdere nieuwsbrief.

Let op het bovenstuk van de gevel dat naar voor ‘gekromd’ is (een zogenaamde corniche en gorge) zoals bij de Santa Maria in Trastevere en de San Lorenzo fuori le Mura. Dit licht uitspringende bovendeel was vroeger overdekt met mozaïeken waarvan je rechts boven de ingangsdeur onder de boog nog een paar sporen ziet; het stelt de droom van Innocentius III (1198-1216) voor.

Op 27 december 1412 werd op de gevel het eerste publieke uurwerk van Rome aangebracht. Dat werd in 1806 naar de toren van het Senatorenpaleis verplaatst. Van hieruit kan je ook de moderne panoramische lift bereiken die bezoekers desgewenst naar het dak van het hiernaast gelegen Vittoriano brengt. Daarvoor volg je de linkerzijmuur van de Santa Maria in Aracoeli.

In 2007 werd aan de achterzijde van monument voor koning Vittorio Emanuele II, in Italië beter bekend als het Altare della Patria (Altaar van het Vaderland) of Il Vittoriano, een glazen panoramische lift gebouwd. Dat was een moderne architectonische ingreep die niet door alle Romeinen op gejuich werd onthaald.

Reeds vanaf de Via del Corso zie je helemaal bovenaan het monument de glazen uitstulping die door velen als storend wordt ervaren. Tegen de bouw van de lift werd destijds fel geprotesteerd maar Walter Veltroni, de toenmalige burgemeester van Rome, voerde zijn plan toch uit. Mits betaling word je met deze lift tot boven de structuur van het Vittoriano gebracht waar je kan genieten van een 360° uitzicht over Rome.

Sinds de plaatsing van de lift mogen de buitentrappen niet meer worden gebruikt. Dit betekent dat je niet meer zoals vroeger zelf kan klimmen tot de holronde zuilengalerij met erboven de beelden van de gevleugelde overwinning op twee bronzen vierspannen. Jammer, want van hieruit had de bezoeker een uniek uitzicht over de stad. Dat uitzicht is er natuurlijk nog altijd, maar is dus enkel betalend en met de lift bereikbaar.

Binnenkort betreden we de basilica Santa Maria in Aracoeli waar ons een visueel feest staat te wachten, opgeluisterd met elementen uit de oudheid, de middeleeuwen, talrijke kunstenaars en belangrijke figuren uit de geschiedenis van Rome. Deze plek is eigenlijk een museum, meer nog dan een basiliek.

Santa Maria in Aracoeli
Scala dell’Arce Capitolina 12, Rome
(tussen het Vittoriano en de Capitolijnse Musea, Piazza del Campidoglio)

Italiaanse regeringsvorming zit muurvast

Posted in Romenieuws on 22 april 2018 by romenieuws

De Italiaanse Senaatsvoorzitster Maria Elisabetta Casellati (Forza Italia) heeft na een informatieronde van twee dagen moeten concluderen dat de vorming van een nieuwe regering nog een hele tijd kan aanslepen. De Italianen hebben bij de recente verkiezingen van 4 maart de kaarten bijzonder moeilijk gelegd en het politieke landschap flink door elkaar geschud. De Italiaanse president Sergio Mattarella is al een tijdje bezig met de zoektocht naar een coalitie en had Maria ElisabettaCasellati woensdag die opdracht gegeven.

Mattarella wil nu een paar dagen nadenken over de volgende stap. De Vijfsterrenbeweging (MoVimento 5 Stelle, afgekort M5S) en de radicaal rechtse Lega waren de duidelijke winnaars van de parlementsverkiezing op 4 maart. M5S wil best samen met Lega besturen, mits Lega zijn (vóór de verkiezingen gesloten) alliantie met Silvio Berlusconi’s Forza Italia verbreekt.

Berlusconi zei gisteren nog liever met de centrumlinkse Partito Democratico in zee te gaan en vindt de leden van de M5S hoogstens goed genoeg om de toiletten van zijn mediabedrijf te komen kuisen. Dergelijke uitspraken zijn uiteraard geen goede basis om samen een regering te vormen. Opmerkelijk is hoe Lega-voorzitter Matteo Salvini de verdediging van M5S op zich nam. Hij maande Berlusconi aan een partij waarop een derde van de Italianen heeft gestemd, niet te beledigen en sloot samenwerken met centrumlinks uit.

Hoe het nu verder moet is een raadsel, maar hoe langer de regeringsvorming op zich laat wachten, des te groter de kans op een nieuw technocraten-bestuur.

De Santa Maria in Aracoeli (I)

Posted in Romenieuws on 21 april 2018 by romenieuws

De komende dagen staan we even stil bij de indrukwekkende Santa Maria in Aracoeli, een basiliek die ingeklemd zit tussen de Piazza del Campidoglio en het Vittoriano aan de Piazza Venezia. Het imposante kerkgebouw is gebouwd op de resten van de prille Romeinse oudheid en heeft een fantastische geschiedenis. Wie hier even een kijkje neemt, duikt meteen van de middeleeuwen naar de oudheid.

De oorspronkelijke kerk werd in de zesde eeuw gebouwd door een Grieks-Byzantijnse kloostergemeenschap. In de negende eeuw werd de kerk overgedragen aan de Benedictijnen, in 1250 werd ze door de paus aan de Franciscanen toegewezen, waarna ze nogmaals werd herbouwd. Tot ver in de dertiende eeuw heetten zowel de kerk als het aanpalende klooster ‘Santa Maria in Capitolio’. De huidige naam wordt voor het eerst vermeld in 1323. Daarbij wordt verwezen naar het volgende verhaal.

Om dat te vertellen moeten we eerst even de locatie situeren. De Capitolijnse heuvel had twee toppen, waarvan eigenlijk alleen de zuidelijke (49 m) Capitolium werd genoemd. De noordelijke top (46 m) was gekend als Arx. Op de zuidelijke top stond sinds de zesde eeuw v. Chr. de Tempel van Jupiter Optimus Maximus, Juno en Minerva, de belangrijkste tempel van Rome.

Op de noordelijke top, de Arx, stond op de plek waar tegenwoordig de kerk Santa Maria in Aracoeli staat, de Tempel van Juno Moneta, die in 344 v.Chr. door Camillus was ingewijd. Daar komen we binnenkort nog uitgebreider op terug. Het was op deze plek, op de top van de Arx, dat de Maagd Maria met het Kind zou verschenen zijn aan Augustus (31 v. Chr. – 14 na Chr.). Dat gebeurde nadat de keizer de Tiburtijnse sibille de vraag had gesteld of er ooit een groter man op aarde zou leven dan hij.

Toen de senatoren van Rome de schoonheid en de macht van de eerste keizer mochten ervaren, zeiden ze volgens het verhaal tegen hem ‘We willen u aanbidden omdat er een godheid in u is’. Augustus was volledig over zijn toeren, vroeg bedenktijd en raadpleegde de sibille. Deze vastte drie dagen en profeteerde dan met de volgende woorden ‘Er verschijnen duidelijke tekenen dat gerechtigheid zal heersen, spoedig druipt de aarde van het zweet en van de hemel komt de koning der eeuwen’. Terwijl Augustus aandachtig de woorden van de sibille overwoog, opende zich de hemel en in een verblindend licht zag hij de Maagd Maria met het Kind op haar arm neerdalen op een altaar.

Een stem riep: ‘Dit is de Maagd die in haar schoot de Verlosser van de wereld zal ontvangen en dit is het altaar van de eerstgeboren zoon van God, ecce ara primogeniti Deo’. Augustus was daar behoorlijk van onder de indruk en richtte op de plaats waar hij het visioen gezien had een altaar op, de Ara Filii Dei of Ara Coeli. Dit altaar is nog steeds te zien onder de achthoekige kapel waar de urn met de as van de moeder van keizer Constantijn bewaard wordt.

Keizer Augustus en Maria zijn vanwege de legende op de boog boven het hoge altaar te bewonderen. We mogen niet vergeten dat dit verhaal zich situeert in de prille keizertijd, heel lang vóór de derde eeuw waar keizer Constantijn I stilaan het christendom begint te omarmen.

Dit verhaal vond wellicht zijn oorsprong in de vroeg-middeleeuwse opvatting dat het keizerrijk, dat heel geleidelijk was opgekomen met de geboorte van Christus, door God gewild was om de verbreiding van het christendom te bevorderen en dat het Romeinse rijk later ten onder was gegaan omdat het de afgoderij had gesteund. Dat was onder andere de opvatting van de kerkvader Augustinus (354-430) in zijn ‘De Civitates Dei’. Het was bovendien een begrijpelijke christelijke reactie op de heidense opvatting dat de invallen van de barbaren het gevolg waren van de afschaffing van de eredienst voor de oude Romeinse goden en het verdwijnen van het palladium dat de stad eeuwenlang had beschermd.

Op de plek waar vandaag de basiliek staat, werd in de vroege middeleeuwen bovenop het puin van de Juno Monetatempel, een aan Maria gewijde bidkapel of oratorium met een klooster gebouwd voor en door Byzantijnse monniken. Zoals blijkt uit een oorkonde uit 883 werd het klooster sinds die tijd bewoond door benedictijnen. Zij bouwden op de plaats van het oratorium omstreeks 900 een eerste basiliek.

In 1130 schonk de ‘joodse’ tegenpaus Anacletus II (1130-1138) hen de hele Capitolinus ‘met alle huizen, crypten, cellen, binnenhoven, tuinen en bomen, samen met zijn muren en zuilen’. Vanaf 1250 werden het klooster en de kerk in gebruik genomen door de pas opgerichte franciscanenorde die het complex vanaf 1260 in romaanse stijl herbouwde.

Deze werkzaamheden werden gefinancierd met een georganiseerde inzamelingsronde langs de rijkste inwoners van de stad. Deze geldschieters kregen van paus Innocentius IV (1243-1254) als beloning een volle aflaat. Ze waren hun geld dan wel kwijt, maar konden tenminste voortleven in de zekerheid dat al hun zonden waren kwijtgescholden.

De Florentijnse architect Arnolfo di Lupo, ook bekend als Arnolfo di Cambio (1232-1302) de ontwerper van de Santa Maria del Fiore in Firenze, was één van de latere bouwmeesters. De oriëntering van de nieuwe kerk vormde een rechte hoek met de vorige, en ze was merkelijk groter want het nieuwe transept stemde ongeveer overeen met de hele vroegere benedictijnenkerk. Dit dertiende-eeuwse gebouw, waarvan de gevel oorspronkelijk met mozaïeken zou worden bekleed, maar die nooit voltooid werd, is de Santa Maria in Aracoeli die we vandaag kennen en de komende dagen zullen bezoeken.

De Santa Maria in Aracoeli werd niet enkel voor de eredienst gebruikt, maar groeide al gauw uit tot een soort forum en politiek centrum van Rome. Er werden ook bijeenkomsten gehouden van volksafgevaardigden die men de naam parlamenti gaf naar het Italiaanse ‘parlare’, een begrip dat later in Engeland werd overgenomen en als parlementarisme door de wereld trok. Hier galmden de stemmen van de demagogen en de kopstukken van de Romeinse adellijke families, zoals de Colonna, de Savelli, de Frangipani of de Orsini.

Cola di Rienzo sprak hier tot de raad na de evenementen van 1347, Charles d’Anjou hield er zijn parlement en Marcantonio Colonna vierde in deze kerk zijn overwinning in Lepanto. Tijdens de Franse bezetting in 1797 werd de kerk haar heilige karakter ontnomen, maar na de val en verwijdering van Napoleon kreeg ze weer een religieuze functie.

In 1412 werd de eerste ‘openbare klok’ van de stad Rome op de voorgevel van deze kerk gehangen. De sporen hiervan zijn nog te zien. Vermelden we nog dat de franciscanenmonniken destijds alom gewaardeerd werden als tandartsen. Tot ver in de negentiende eeuw werden in het klooster van de Santa Maria in Aracoeli elke ochtend gratis tanden getrokken.

Santa Maria in Aracoeli
Scala dell’Arce Capitolina 12, Rome
(tussen het Vittoriano en de Capitolijnse Musea, Piazza del Campidoglio)

Kunstvervalsingen en de link tussen Italië en het Lam Gods

Posted in Romenieuws on 20 april 2018 by romenieuws

S.P.Q.R. nodigt uit voor een lezing met als thema ‘Vervalsingen in de kunst en de link tussen Italië en het Lam Gods’. De lezing wordt gegeven door de gereputeerde antiquair en beoefenaar van de iconografie Cor Engelen.

Aan de hand van afgebeelde kleding en schoenen, de manier waarop plooien geschilderd zijn, op doek gezette harnassen en hoofddeksels, werktuigen, meubelen en andere instrumenten legt hij onverbiddelijk schokkende anomalieën bloot en komt hij tot verrassende conclusies die tal van kunsthistorische zekerheden op losse schroeven zetten. Ook het Lam Gods en diens link met Italië komen hierbij aan bod.

Datum en plaats van afspraak lezing: donderdag 3 mei om 20 uur in lokaal A.1.3. (eerste verdieping) in cultureel centrum Romaanse Poort, Brusselsestraat 63, 3000 Leuven. De toegang is gratis, iedereen is welkom.

 

De Santi Giovanni e Paolo na de oudheid

Posted in Romenieuws on 18 april 2018 by romenieuws

Op de Caeliusheuvel, niet ver van het Colosseum, stonden aan de huidige Piazza SS. Giovanni e Paolo al in de tweede eeuw enkele Romeinse huizen die meer dan gewone belangstelling verdienen. Enkele kamers van hun gelijkvloers (onder de kerk) zijn nog bewaard en mogen terecht pronken met een aantal muurschilderingen van eind derde en begin vierde eeuw. Ze bevatten ook een kleine bidkapel van eind vierde eeuw, ingericht voor enkele martelaren naar wie de kerk en het plein tot vandaag genoemd zijn. Zij zouden het slachtoffer geweest zijn van de antichristelijke keizer Julianus de Afvallige (361-363). In het appartementsblok op deze Romeinse woonsite zou bovendien een huiskerk ingericht zijn, een hypothese die de jongste decennia evenwel voorwerp van discussie is geworden. Begin vijfde eeuw verrees boven de woonsite een christelijke basilica, opgericht door Pammachius, senator en studiegenoot van Hiëronymus (347-420).

Tijdens de middeleeuwen bleef de kerk bekend zowel met verwijzing naar Pammachius, als naar de patroonheiligen, of zelfs beiden (titulus Pammachii sanctorum Johannis et Pauli). Het was een vanzelfsprekendheid dat de heiligen daar gedood waren en begraven. Ten gevolge van de verwoesting door Robert Guiscard in 1084 was ze dringend aan restauratie toe. Enkele kardinalen en pausen deden een ernstige inspanning om de kerk weer aanzien te geven. De basilica en omgeving kregen een uitzicht waarmee we vandaag nog vertrouwd zijn.

Begin twaalfde eeuw wordt een nieuw klooster gebouwd op het terrein van Claudius’ tempelplatform, vlakbij de kerk. Op de zuidwesthoek van dit platform verrijst een klokkentoren (campanile), eerst verdieping één en twee, in een latere fase nog vijf (fraaiere) verdiepingen erbovenop. Men bouwt een totaal nieuwe porticus ter vervanging van de oude, aanvankelijk met één verdieping boven de zuilenrij. De acht (herbruikte) zuilen zijn van rood of grijs graniet, met Ionische en Korintische kapitelen. Op de architraaf staat een inscriptie ter ere van de kardinaal die het werk voltooide (…Johannes hec animi voto dona vovendo dedit martiribus Christi…).

Paus Honorius III (1216-1227) verdient bij naam te worden genoemd. Hij zette op de voorhal nog een tweede verdieping. Aan hem danken we de gracieuze dwerggalerij buiten aan de apsis (de vier vensters werden dichtgemaakt en hun bovenste bogen afgesneden). Hij legde de cosmatenvloer aan in de porticus en een vloer in opus vermiculatum (figuren in kleine dicht bij elkaar gelegde mozaïeksteentjes) in de kerk, waarvan nu nog stukken zichtbaar zijn.

De vloer van de oude basilica, in wit marmeren tegels, bevond zich zestig centimeter lager. De bogen die de straat links van de kerk overspannen zijn hoofdzakelijk van de dertiende eeuw. Binnen werd de vijfde en negende zuil van elke rij omsloten door T-vormige pijlers. Zij moesten in de kerk twee dwarsbogen dragen. Aan de zuidkant, boven de zijbeuk langs de Clivo di Scauro, verstevigen twee steunmuren deze constructie. Vanuit de linkerzijbeuk kan je via een trap in een onderliggende ruimte komen (D3), met name een deel van de portiek van de Case Romane langs de Clivo di Scauro. Hier werd reeds in de achtste eeuw een oratorium ondergebracht.

De wanden bevatten schilderingen handelend over het lijdensverhaal, w.o. de kruisiging van Christus (in een blauwe tunica) geflankeerd door Maria en Johannes (de apostel). De fresco met Christus tussen de heilige Gabriël en Michaël en de martelaren Johannes en Paulus dateert van de 12e eeuw. Deze is overgebracht naar het antiquarium (museum) onder de kerk, te bereiken langs de Clivo di Scauro in de Case Romane.

Uit 1255 is nog een fresco aanwezig in de sacramentskapel links vooraan in de kerk: Christus met zes apostelen. Als je de sacristie binnen geraakt vind je een Madonna-met-kind samen met de martelaren Johannes en Paulus, Hiëronymus (met leeuw) en Johannes de Doper (1455). De zoldering werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw verlaagd.

Toen de latere paus Adrianus VI kardinaal was (1517-1522), kreeg hij SS. Giovanni e Paolo als titelkerk. Hij droeg de titel vervolgens over aan Willem van Enckenvoirt, zijn rechterhand in Rome en de enige kardinaal die hij gecrëeerd heeft. Begin achttiende eeuw (1715-1718) vormen kardinaal Paolucci en architect Canevari het interieur van de kerk helemaal om in barokstijl. Van Pammachius’ kerk van eerste helft van de vijfde eeuw zijn nog enkel acht zuilen te zien van donkergrijs graniet, de anderen zitten in grote en heel grote pilasters. In deze tijd vernieuwt men de vloer en het altaar en worden de vier rechthoekige vensters gestoken. De zijbeuken worden verdeeld in kapellen en krijgen een overwelving.

In de apsis zijn drie taferelen te zien die momenten uit het martelarenverhaal van Johannes en Paulus voorstellen: de marteldood van Johannes en Paulus (midden) op bevel van keizer Julianus de Afvallige (361-363), Johannes en Paulus delen aalmoezen uit aan de armen (links), Terentianus’ zoon, door de duivel bezeten, geneest bij zijn bezoek aan de kerk. Ten gevolge daarvan bekeert zich de legeroverste Terentianus (rechts). Zij zijn aangebracht in 1726. In 1911 heeft men nog de effen witte muren beschilderd met marmerimitatie, misschien geen al te gelukkige ingreep.

Vanuit de rechterzijbeuk stap je in een kruisvormige kapel door de paters Passionisten in de jaren 1857-1860 gebouwd voor de relieken van hun stichter Sint-Paulus van het Kruis. Een deel van de oude Clivo di Scauro (Via San Paolo della Croce) is naar hem genoemd. In 1773 had paus Clemens XIV het klooster naast de kerk aan hen toevertrouwd. Deze paus had de orde van de jezuïeten opgeheven. De koepel-met-lantaarn staat op een hoge trommel. Samen met de campanile bepaalt deze “toren” de skyline van de Caeliusheuvel zoals in de oudheid de tempel van keizer Claudius deed. De Passionisten hebben zijn plaats nu ingenomen. De basilica functioneert niet meer als parochiekerk maar is een geliefkoosde plek voor kerkelijke huwelijken.

Rechts vooraan in de middenbeuk staat op de vloer een inscriptie (zestiende eeuw) aan de patroonheiligen gewijd: LOCUS MARTYRII SS. IANNIS ET PAULI IN AEDIBUS PROPRIIS. Elk jaar op hun feestdag, 26 juni, worden er bloemen gelegd. Wat verder kan men door een stukje glazen bevloering de confessio zien waaronder zij misschien begraven werden. In 1887 en 1913 ondernamen de Passionisten opgravingen onder de kerk, op zoek naar de graven van de heilige Johannes en Paulus. Zij waren overtuigd dat zij de graven van de martelaren gevonden hadden. Het geloof in het verhaal van hun martelaarschap kwam weer helemaal tot leven. En de vele discussies daaromtrent ook.

De jongste belangrijke restauraties gebeurden van 1948 tot 1952 op initiatief van monseigneur Spellman, aartsbisschop van New York, titulair bisschop van deze kerk van 1946 tot 1967. Hij wou de kerk, althans aan de buitenzijde, zoveel mogelijk laten zien in haar staat van oudchristelijke basilica. Daarom haalde men aan de voorzijde van de kerk de bovenverdiepingen weg zodat de bovenste arcades van de oude basilica weer zichtbaar werden. Er staat nu de bovenbouw met één verdieping zoals het in de oudheid en de middeleeuwen even geweest is. Het zal voor jaren het beeld van de basiliek van de Santi Giovanni e Paolo bepalen voor wie, na tien minuten stappen vanaf het Colosseum, het gelijknamige plein betreedt.

LECTUUR BIJ DEZE REEKS

Algemeen

  • Amanda Claridge, Rome. An Oxford Classical Guide, New York, Oxford University Press, 1998, 304-317.
  • Filippo Coarelli, Rome and environs. An archeological guide, Berkeley-Los Angeles-London, California University Press, 2007, 212-224.
  • Sible de Blaauw, Cultus en decor. Liturgie en architectuur in laatantiek en middeleeuws Rome, Delft, Eburon, 22007, 1-45.
  • Giovanna di Giacomo, Le case Romane sotto la basilica dei SS. Giovanni e Paolo al Celio, Roma, 2007.
  • Maxim Invernizzi, Tolerant of puriteins? Keizer Julianus en de christenen, RUG, 2010-2011, 37-94.
  • Peter Lampe, Christians at Rome in the first two centuries, London, T&T Clark International, 2003, 359-367.
  • Hans Teitler, Julianus de Afvallige, Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2009.

Een huiskerk in de Case Romane

  • Gioacchino De Sanctis, I Santi Giovanni e Paolo, Martiri Celimontani, PP. Passionisti, Roma, 1962.
  • Richard Krautheimer, Corpus basilicarum christianarum Romae, I,4, Vatican City, 1948, 265-303.
  • Georgina Masson, Agon gids voor Rome, Amsterdam, Agon, 1988, 291-293.
  • Arnold Provoost, Jan Vaes, Johnny Pelsmaekers, De materiële cultuur van de eerste christenen, Leuven, Acco, 1983, 199-202.
  • Arnold Provoost, Ontstaan van het vroege christendom en de verdere evolutie ervan in het westen. Een archeologische kijk op de vroegchristelijke maatschappij, kunst en beeldtaal, KUL, 2005.

Een reliekschrijn in de Case Romane

  • Hugo Brandenburg, Ancient Churches of Rome from the fourth to the seventh century, Turnhout, Brepols, 2005, 156-162.
  • Beat Brenk, Microstoria sotta la chiesa dei SS. Giovanni e Paolo: la christianizzazione di una casa privata, in Revista dell’ Istituto Nazionale d’Archeologia e Storia dell’ Arte, Ser. III, XVIII, 1995, 169-205.
  • Kate Cooper and Julia Hillner, Religion, Dynasty, and Patronage in Early Christian Rome, 300-900, Cambridge, University Press, 2007.

Basilica Santi Giovanni e Paolo

Veel dank aan Els Hendrickx, clublid, en Herman de Kuyffer  voor het nalezen van de teksten en de vele nuttige opmerkingen.

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel V en het slot van een uitgebreide bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.

De basilica Santi Giovanni e Paolo

Posted in Romenieuws on 17 april 2018 by romenieuws

Omstreeks 410 begon in Rome op de Caeliusheuvel langs de Clivo di Scauro aan de Piazza Santi Giovanni e Paolo de bouw van een basilica, aanvankelijk bekend als de titulus Pammachii. Zij werd opgericht bovenop drie aan elkaar palende woningen: een herenwoning, een woonblok (insula) en een huis ernaast. Deze huizen waren gebouwd, verbouwd en ingericht in de tweede, derde en vierde eeuw. Alleen de gelijkvloerse kamers zijn gespaard gebleven en nu nog te bezoeken onder de kerk. Zij staan bekend als de Case Romane. De voorgevels (ca. 250)  langs de Clivo di Scauro vormen tot vandaag de linkerzijgevel van de kerk.

Volgens een bepaalde hypothese was in het tweede woonblok een christelijke huiskerk gevestigd, wat in een andere hypothese echter wordt ontkend. De vijfde-eeuwse basilica komt inzake omvang overeen met de hedendaagse Santi Giovanni e Paolo. Zij was ontworpen volgens het gangbare concept van de toenmalige basilica-wijkkerk: een middenbeuk met apsis en twee zijbeuken en een portaal (narthex) en/of voorhof (atrium).

Aan de buitenzijde vertoont de basilica zich nog grotendeels zoals ze werd opgericht in het begin van de vijfde eeuw. Het is een bakstenen gebouw zonder architectonische esthetiek. De ingang in de oostelijke voorgevel bestond uit vijf arcaden op vier zuilen (13 m breed en 8 m hoog) en nam de ganse breedte van het middenschip in.

Twee van deze zuilen kan je nog zien in het huidige voorportaal. Deze zuilenrij met arcades (even breed maar minder hoog) herhaalde zich in de façade boven de huidige galerij. Deze constructie betekent het belangrijkste restant van de voorgevel van de oude basilica. De zuilen, met Korintische kapitelen, zijn herbruikt materiaal (spolia), aangevoerd uit depots in de buurt van Rome (wie weet uit Portus, de haven nabij Ostia). Dergelijke zuilen dragen dikwijls nog de sporen van het neerhalen en het vervoeren.

De façade was beschermd door een voorportaal (narthex) of misschien een atrium. Al vlug werd boven deze narthex een eerste verdieping opgericht (te vergelijken met de huidige bovenbouw die van latere datum is) en kort daarop nog eens een tweede verdieping. Van de oorspronkelijke voorbouw is dus niet veel meer te zien.

Het best bewaarde deel van de oude constructie is de middenbeuk die boven de zijbeuken uitrees, met name de lichtbeuk of clerestorium. Deze bevatte aan beide zijden dertien grote vensters met daarboven nog dertien kleine ronde vensters (oculi, ogen). Zij zijn vanaf de Clivo di Scauro in de zuidelijke zijgevel nog na te tellen. De vier rechthoekige vensters zijn van latere datum, evenals de twee steunberen.

De buitengevel van de linkerzijbeuk (langs de Clivo di Scauro) verdient bijzondere aandacht. Deze buitenmuur bestaat zoals gezegd uit de voorgevels van het al vermelde tweede woonblok en het huis, daar ooit opgericht in de tweede helft van de derde eeuw. De portieken en vensters werden dichtgemetseld. Men had namelijk besloten het licht alleen te laten binnenvallen door de dertien vensters en oogvensters van de lichtbeuk. Volgens een bepaalde hypothese was achter een aantal van deze vensters een huiskerk gevestigd.

De apsis (6 m doorsnede) had vier boogvormige vensters. Zij zijn dichtgemaakt omwille van een later aangebrachte lieflijke dwerggalerij die hun bovenste boogvormen afsneed. Voor wie nauwkeurig toekijkt zijn de ‘blinde vensters’ zijn nog te bespeuren. Tegen de apsis leunde een steunmuur aan. Aan het eind van de linkerzijgevel verrees een steunboog met recht bovenstuk.

De basilica was 50 m lang (met apsis) en 30 m breed (met zijbeuken). Zij moet opgevallen zijn door haar hoogte, 23 m (evenals Santa Sabina op de Aventijn, gebouwd in dezelfde tijd, tussen 425 en 435). Zo verkreeg men een optimale lichtinval. De kerk stond langs de oplopende Clivus Scauri (Clivo di Scauro) op de Caeliusheuvel en domineerde ongetwijfeld de omgeving.

Ook in het interieur herkennen we het geëigende plan van een basilica uit de periode vierde-vijfde eeuw. Twee rijen van twaalf zuilen in donkergrijs graniet (herbruik, spolia) droegen de lichtbeuk en vormden de scheiding tussen middenschip en zijbeuken. Deze twee colonnades waren overspannen door dertien bogen. Acht zuilen zijn in de huidige barokkerk nog zichtbaar. Voor deze zuilenrij waren onder de kerk steunmuren nodig, dus in de gelijkvloerse verdieping van de Case Romane. Deze bemoeilijken in enige mate het bezoek aan de site.

Het licht van de bovenvensters viel in de eerste plaats op de muurstrook tussen de bovenrand van de bogen en de onderrand van de vensters. Deze strook (5,5 m hoog) was de aangewezen ruimte voor decoratie. In een collectie opschriften van de abdij van Lorsch (Duitsland) uit de negende eeuw zijn inderdaad acht disticha (dubbelverzen) opgetekend die toebehoorden aan fresco’s in deze lichtbeuk. Het zou gaan om corresponderende afbeeldingen uit het oude en het Nieuwe Testament. Een schittering van mozaïeken zoals in de middenbeuk van Santa Maria Maggiore, in dezelfde tijd gebouwd (paus Sixtus III, 432-440), is het waarschijnlijk niet geweest.

De apsis was onderaan helemaal rondom bekleed met marmer waarboven een kroonlijst een rij zuiltjes droeg, wat leek op een tribune. Zo schreef althans Ugonio in 1588 in zijn boek over de statiekerken (kerken bestemd voor een jaarlijkse viering met paus, clerus en gelovigen samen) in Rome.

Wie bouwde de kerk van de heiligen Johannes en Paulus en wanneer? Volgens de vermelde verzameling inscripties van Lorsch stond bij de ingang van de oude basilica een opschrift waarschijnlijk ter ere van paus Leo I (440-461). Velen nemen aan dat hij de kerk heeft voltooid of schitterend heeft hersteld na een aardbeving in 442. Maar wie is de oprichter geweest? Het antwoord staat op het einde van hetzelfde opschrift: Pammachius.

Velen wijzen onmiddellijk naar een studiegenoot van Hiëronymus (de vertaler van de bijbel in het Latijn), die van 382 tot 385 in Rome verbleef. Pammachius behoorde tot de familie der Furii en werd later senator in Rome. Hij was gehuwd met de dochter van senator Toxotius en Paula die na de dood van haar man (380) zich onder de spirituele leiding stelde van Hiëronymus. Toen Hiëronymus in 385 uit Rome vertrok, bleef Pammachius met hem corresponderen.

Na de dood van zijn vrouw in 397 begon hij een ascetisch leven te leiden en wijdde zich aan de zorg voor de armen. Hij bouwde samen met Fabiola, van patricische huize en eveneens uit de kring van Hiëronymus, een gasthuis (xenodochium) voor noodlijdende pelgrims in Portus aan de monding van de Tiber. In zijn tijd was het christendom in Rome doorgedrongen tot de hogere standen. Het was niet ongewoon dat mannen en vrouwen uit deze kringen een sober leven leidden, zich toelegden op zorg voor de armen en zelfs genereuze bouwprojecten opzetten, zoals bv. kloosters.

Hiëronymus had een dergelijke kring rond zich gevormd. In de brieven van Pammachius echter aan Hiëronymus noch in andere correspondentie komt de bouw van een basilica ter sprake. Daaruit leidt men af dat met de kerk begonnen werd kort voor zijn dood (410) of in opvolging van zijn nalatenschap. Pammachius is later heilig verklaard.

Sommige onderzoekers staan evenwel sceptisch tegenover deze traditie. Niet de vriend van Hiëronymus, maar een onbekende naamgenoot en laatste eigenaar van de Case Romane zou de bouwer zijn van de basilica. Zij stellen de vraag of de vriend van Hiëronymus na het besteden van zijn bezit aan de armen nog in staat is geweest tot zo’n prestigieus bouwproject. Het is voor hen ook niet zo zeker dat het opschrift aan de ingang van de kerk tot paus Leo I gericht was.

Over de bouwperiode verschaft, naast de literaire en epigrafische bronnen, uiteraard ook de archeologie ons informatie. Overeenkomsten qua bouwmaterialen en bouwtechniek met contemporaine basilica’s wijzen eveneens in de richting van de eerste helft van de vijfde eeuw: San Clemente (paus Syricius 384-399), Santa Sabina (begonnen onder paus Celestinus I, 422-431), Santa Maria Maggiore (paus Sixtus III, 432-440), San Sebastiano fuori le Mure (aan de catacomben). In deze kerk is een chrismon aanwezig (met de datum 401-417) dat ook is aangebracht in de rechterzijmuur van de basilica van Pammachius. Het is een typische kerk van begin vijfde eeuw

Hoe zijn de verschillende (opeenvolgende) benamingen van de basilica te verklaren? Er is een evolutie vast te stellen van de vijfde naar de zesde eeuw. Begin vijfde eeuw duikt de naam Byzas/Byzantius op. Hij zou met de bouw begonnen zijn, die daarna werd voortgezet door zijn zoon Pammachius. Zo luidt het althans in de legende van de martelaren Johannes en Paulus. Op een grafschrift uit de tijd van paus Innocentius III (401-417) staat inderdaad de titulus van Byzantius (titulus Byzanti) vermeld.

De term titulus verwijst in Rome naar een huiskerk/kerk waarop de Kerk van Rome een eigendomsaanspraak (titulus) liet gelden. Werd dit “heiligdom” overgedragen (door schenking of nalatenschap) aan de bisschop van Rome dan werd de naam van de donor eraan toegevoegd. Het was niet uitgesloten dat ook een donatie voorzien werd voor b.v. de liturgische uitrusting van de kerk en het onderhoud van de priesters.

In de notulen van de Romeinse synoden van 499 en 595 verschijnt een lijst van dergelijke tituli. De benaming titulus Byzantii (Bizantis) verwijst dan volgens sommigen naar de huiskerk die in de tweede helft van de derde eeuw werd gevestigd in de Case Romane (in een zaal op de eerste en tweede verdieping). Pas begin vijfde eeuw verrees op de plek van de Romeinse huizen (inclusief huiskerk) de basilica; deze werd dan aangeduid met de naam titulus van Pammachius (titulus Pammachii).

Toch staan de twee benamingen nog samen onder de notulen van de synode van Rome in 499. Er bestaat een plausibele verklaring voor. Van de 67 aanwezige priesters ondertekenden twee voor de titulus Pammachi, waaronder Gordianus. Eén priester onderschrijft de tekst namens de titulus Byzanti.

Ook al was op dat ogenblik de voormalige huiskerk samen met de Case Romane al ruim een halve eeuw verdwenen, de ‘kerk’ van Byzas had toch nog een vertegenwoordiging. Zij had blijkbaar nog een eigen zelfstandigheid, een eigen clerus, een eigen vermogen, een eigen gebedsruimte binnen de basilica van Pammachius. Het is niet duidelijk welke de verhouding was tussen Byzas en Pammachius. Zijn het eigenaars geweest van de woonhuizen?

Vanwaar de benaming naar de martelaren Johannes en Paulus? Hun verhaal is verbonden met de korte regering van keizer Julianus de Afvallige (361-363). Julianus was een periode na enkele erg christelijk aangeschreven keizers, Constantijn de Grote en zijn zoon Constantius II, aan de macht gekomen. Hij wou het christendom terugdringen (zonder dat daarbij martelaren vielen) en opteerde voor een levensbeschouwing die uitging van de Hellenistische filosofie.

Volgens het martelarenverhaal was hij uit op het geld van de christenen. Hij hoorde van de soldaten Johannes en Paulus, die lijfwachten geweest waren van Constantina, de dochter van Constantijn de Grote (306-337). Met de rijkdom die zij hun had nagelaten konden zij zich bekommeren om de armen. Julianus wou hen terug in zijn leger en zij moesten hem hun trouw betuigen. Dit weigerden zij. Zij waren christenen en onderwierpen zich niet aan zijn gezag. Een legeroverste, Terentianus, werd naar hun huis gestuurd. Zij moesten voor de keizer bidden en wierook branden. Daar gaven ze geen gehoor aan en zij werden ter plaatse onthoofd en begraven.

Een versie van hun martelarenverhaal staat, al ca. 600, in een manuscript van de abdij van Corbie (Frankrijk). Begin zesde eeuw moet hun verhaal al bekend geweest zijn in Rome. Een belangrijke bron van informatie vormt het Pausenboek (Liber Pontificalis, redactie ca. 530 en ca. 686), waarin het leven en de daden van de pausen staan verteld. Hier duiken de namen Johannes en Paulus op, inderdaad al bij het begin van de zesde eeuw. Paus Symmachus (498-514) liet een trap bouwen buiten tegen de apsis van Johannes en Paulus.

Gordianus, de priester die namens de titulus van Pammachius op de synode van 499 handtekende, kwam om bij schermutselingen (502-506) tussen twee kandidaat-pausen. Hij staat vermeld als een priester van de heiligen Johannes en Paulus. Volgens dezelfde bron nog was zijn zoon Agapetus vóór hij paus werd (535-536) een geestelijke (clericus) in dezelfde kerk van de heiligen Johannes en Paulus. Hij is vooral bekend om de bibliotheek naar hem genoemd, vlakbij de kerk. Men acht het niet uitgesloten dat vader en zoon er de voorkeur aangaven de kerk aan deze patroonheiligen toe te wijden. De benaming zou alleszins in voege gekomen zijn tussen de synode van 499 en de jaren 530.

Het verhaal kon model staan voor enkele situaties en ontwikkelingen in de Romeinse Kerk van de zesde eeuw. De zorg voor de armen was in sommige fortuinlijke kringen in aanzien. Zij konden Johannes en Paulus inzetten als hun groot voorbeeld. Zo zette Pammachius na de dood van zijn vrouw eigen middelen in voor armenzorg, de bouw van een gasthuis in Portus (nabij Ostia) en de bouw van een kerk.

In deze zesde eeuw, de val van het West-Romeinse Rijk was allang achter de rug, stelde de Kerk zich meer en meer onafhankelijk op tegenover de overheid, zoals Johannes en Paulus zich verzetten tegen Julianus. Paus Agapetus (535-536) was naar Constantinopel getrokken en kon keizer Justinianus (527-565) dank zij zijn hardnekkigheid ertoe brengen Anthimus, patriarch aldaar en aanhanger van het monofysitisme (Christus heeft alleen een goddelijke natuur) af te zetten. In deze kringen, in het bezit van ruime estates, was het niet ongewoon eigen familieleden te begraven op eigen terrein, zelfs binnen de grenzen van Rome. Het voorbeeld van de twee dienstknechten van Constantina was dus welgekomen!

Op de Romeinse synode in 595 ondertekent een priester voor de titulus van heiligen Johannes en Paulus. Eind zesde eeuw is de benaming naar de beide martelaren dus een feit. De term titulus voor de kerk blijft verder in gebruik, evenals de verwijzing naar Pammachius.

De kerk is sinds 499 een titelkerk. De Nederlandse kardinaal Willem van Enckevoirt was titulair kardinaal-priester van deze basiliek. Drie pausen hielden deze titel: Cencio Savelli, de latere paus Honorius III, Adriaan Floriszoon Boeyens (1459-1523), de latere ‘Nederlandse’ paus Adrianus VI uit Utrecht en Eugenio Pacelli (1876-1958), de latere paus Pius XII. Sinds de titel in 1947 werd toegewezen aan Francis Spellman, is deze basiliek standaard de titelkerk van de aartsbisschoppen van New York geweest. De laatste houder van de Titulus Santi Ioannis et Pauli (of Titulus Pammachii) was de aartsbisschop-emeritus van New York, Edward Egan. In 2016 werd de Belgische kardinaal Jozef De Kesel titulair kardinaal-priester van deze basiliek.

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel IV van een vijfdelige bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.

Een reliekschrijn in de Case Romane

Posted in Romenieuws on 16 april 2018 by romenieuws

Onder de kerk van de Santi Giovanni e Paolo, aan het gelijknamige plein, is het gelijkvloers ontdekt van enkele Romeinse woningen, gebouwd, verbouwd en verfraaid in de tweede tot vierde eeuw. Zij staan bekend als de Case Romane. De woonsite is gelegen aan het tempelplatform van keizer Claudius. Sinds 2002 zijn zij weer voor het publiek opengesteld. Het is tien minuten stappen vanaf het Colosseum.

In het midden van de vorige eeuw kwamen sommige archeologen tot de overtuiging dat hier in de tweede helft van de derde eeuw een christelijke huiskerk was ingericht en naar het einde van de vierde eeuw er de martelaren Johannes en Paulus (niet de apostelen) werden vereerd. Over de hypothese van de huiskerk en de ware toedracht van het martelarenverhaal ontstonden heel wat controverses. Naar het einde van de vorige eeuw toe is men een sterk verschillende hypohese over beide vraagstukken gaan ontwikkelen. De bewoners zouden wel christen geworden zijn maar van een huiskerk is geen sprake.

De chronologie van de twee visies stemmen grotendeels overeen. Het grote verschil betreft het ontstaan van de woonsite. In de eerste hypothese stonden aan de huidige Piazza SS. Giovanni e Paolo een herenhuis en een woonblok (insula) met winkels en woonvertrekken parallel met elkaar op een trapeziumvormig terrein, en dit in de tweede eeuw (vanaf de tijd van Hadrianus, 117-138). De woonsite ligt op een prestigieuze plek aan het tempelplatform van keizer Claudius.

Een nieuwe eigenaar heeft vanaf het midden van de derde eeuw beide woningen verbouwd tot één geheel. In het rechterdeel van het woonblok wordt mettertijd de eerste en tweede verdieping samengevoegd tot een grote zaal die zich over het herenhuis erachter uitstrekt. Het wordt een ruimte voor christelijke erediensten (na de vervolgingen van keizers Decius en Valerianus vanaf de jaren 250).

De andere vertrekken van het complex blijven woonruimten of worden dienstruimten. De winkels op het gelijkvloers verdwijnen in deze periode stilaan en krijgen een erg decoratieve opsmuk (zie verder). In de binnenkoer wordt een confessio ingericht, een kapelletje ter ere van de martelaren Johannes en Paulus. Het gehele veranderingsproces is gerealiseerd vóór het einde van de vierde eeuw.

Het ontstaan van de woonsite kent in de tweede hypothese een ander verloop. De eigenaar van het herenhuis (R-T) uit Hadrianus’ tijd neemt bijna de hele oppervlakte van het terrein binnen de trapeziumhoek in. Er staat niet parallel en gelijktijdig een woonblok. Pas tegen het einde van de tweede eeuw breekt hij zuidelijke delen van zijn woning af en bouwt een woonblok langs de Clivo di Scauro.

Er ontstaat een binnenkoer (A), niet overdekt zoals in vorige visie aangehaald, maar verbonden door een kruisgewelf ter hoogte van de eerste verdieping. Het gelijkvloers bevat winkels met vóór- en achterkamers (B-J) en twee verdiepingen woonkamers. De voorgevel grenst aan de Clivus Scauri (K-O) en heeft een portiek met zes boogvormige doorgangen.

De achterkamers van de winkels geven uit op de binnenruimte of cortile. Dit veronderstelt een connectie tussen de neringdoeners (winkeliers, ambachtslui, vrijgelatenen of slaven) en de eigenaar die de handelsruimten bouwde. Wie weet mochten zij ook de waterput gebruiken op de binnenkoer. De nieuwe realisatie was een bron van inkomsten. Het gebeurde in de tijd van de Severische keizers (193-235) wel meer. Ook in Ostia blijken dergelijke transformaties te zijn gebeurd. Was hij wegens economische omstandigheden ertoe gedwongen?

In de tweede helft van de derde eeuw doen zich nogmaals ingrijpende veranderingen voor, zoals ook gesteld in de vorige hypothese. De eigenaar bouwt een trap in de binnenkoer; op de eerste verdieping komen zijn private vertrekken. Er is geen sprake van een zaal ingericht voor christelijke erediensten!

De binnenkoer en de gelijkvloerse vertrekken krijgen een florissante decoratie, met een chronologisch verloop zoals in de vorige visie. De winkels verdwijnen. Eind derde eeuw bouwt de eigenaar twee nimfea (wandfonteinen) in de binnenkoer, een aan het westelijk uiteinde en een aan de wand tegenover de trap.

De eroten op het fresco, een zeetafereel, boven het grote nimfeum (naast kamer V) zijn aan het spelevaren. Zit daar in het midden de godin Proserpina of Venus? Iemand schenkt wijn in (Bacchus ?). In deze hypothese ziet men het Isola Sacra (Ostia) afgebeeld dat toegewijd was aan Venus, de beschermster van de zeevaarders. Het lijkt erop dat de eigenaar een viridarium wou aanleggen in zijn stadswoning: een ruimte met fonteinen, wanden beschilderd met waterpartijen, godentaferelen, groen, vogels,…

Dit idee wordt gesteund door de wandschildering in kamer B, eveneens van eind derde eeuw. Tien jonge figuren, waarschijnlijk twaalf, dragen een guirlande; zij symboliseren de maanden van het jaar. Zijn het efeben? Of zijn het de genii (beschermers) van de seizoenen? Eroten spelen hier niet in het rond maar halen de wijnoogst binnen. De opsmuk in deze kamer, vlakbij het fresco boven de wandfontein, versterkt het idee dat de binnenkoer als een viridarium fungeert.

Begin vierde eeuw krijgen ook de andere kamers een opsmuk, typisch voor hun tijd. Inlegwerk met veelkleurig marmer wordt op de wanden nageschilderd. De winkels worden dus helemaal teruggedrongen. Ook kamer D heeft een wand in nageschilderd marmer. De decoratie van de zoldering bleef nog grotendeels bewaard. De sfeer van het geheel is bucolisch, filosofisch, religieus. Er staan schapen en bokken, er zijn maskers afgebeeld. Een man zit te lezen, een andere heeft een schrijftafeltje vast.

De meest opvallende figuur is een orante, de handen biddend naar boven gericht. We kennen deze emblemen ook uit een christelijke context, b.v. op sarcofagen (Santa Maria Antiqua, rond 300). Maar deze beeldtaal is evenzeer gekend in een niet-christelijke context. De decoratie straalt de cultuur uit van de gegoede kringen. De eigenaar die deze kamer liet opsmukken was een gecultiveerd man, met een belangstelling voor filosofische en religieuze themata.

In kamer G is bovendien een muurschildering aanwezig met een apisstier, een Egyptische god, voorgesteld als een stier met een zonneschijf tussen de horens. Men acht het uitgesloten dat dergelijke afbeelding aanwezig is in een huis waarvan de eigenaar een christen zou kunnen zijn of in een huis waar een christelijke gemeenschap zijn erediensten viert.

Dat de eigenaar gevoelig is voor een religieus-filosofische thematiek blijkt hiermee nog eens duidelijk. Waar in de vorige hypothese de afbeelding van de orante doorslaggevend was om een christelijke aanwezigheid in het huis te verdedigen, is de apisstier nu een afdoend bewijs van het tegendeel.

Naar het einde van de vierde eeuw wordt een zogenaamde confessio ingericht. De trap in de middenkoer wordt na veertien treden onderbroken, op het niveau van het overspannend kruisgewelf, en een platform leidt naar een open ruimte van goed een vierkante meter. Deze bevindt zich bovenaan een schacht die zich vanaf het gelijkvloers verheft. Nu de trap daar wordt onderbroken is de familie waarschijnlijk terug gelijkvloers komen wonen.

Een confessio is in een kerk de ruimte onder het altaar waar zich het graf bevindt van een heilige (of de relikwieën), eventueel zichtbaar door een opening. Het is de geschikte plaats om de heilige te vereren, bekend om de belijdenis (= confessio) van het geloof. Maar is deze ruimte werkelijk een confessio? Er is geen altaar aanwezig of een graf waarvoor de gelovige op de knieën kan bidden. De opening bevindt zich op ooghoogte, niet onder een altaar of een graf.

Volgens deze hypothese lagen onderaan de schacht van de confessio geen martelaren begraven! De Passionisten waren bij hun opgravingen onder de kerk eind 19de, begin 20ste eeuw nochtans overtuigd dat zij hier de graven van de martelaren Johannes en Paulus gevonden hadden. Zij zouden hier in dit huis op bevel van keizer Julianus (361-363) de dood gevonden hebben omdat zij, omwille van hun christelijk geloof, geen dienst wilden nemen in zijn leger.

Men is nu de mening toegedaan dat in de opening een kast aanwezig was die relikwieën bevatte van drie heiligen die de marteldood waren gestorven. De bewoners van het huis mogen nu als christenen beschouwd worden. Zij beschikken over voldoende middelen om deze relikwieën aan te schaffen en daarvoor een private kapel aan te leggen.

In de loop van de vierde eeuw, na Constantijn (306-337) was deze praktijk bij welgestelde christelijke gelovigen in de mode gekomen. De vervolgingen waren voorbij en de martelarenverering kwam op gang. Het grote voorbeeld was keizerin Helena geweest (gestorven in 330), Constantijns moeder. Zij had in Jeruzalem het kruis van Christus gevonden en droeg in haar diadeem een van de nagels van het kruis.

De wandschilderingen worden nu in functie van deze relikwieën begrepen. Links en rechts van de opening in de achterwand staan twee mannelijke figuren (zonder hoofd) gekleed in tunica en pallium (mantel over tunica). Indien zij de martelaren Johannes en Paulus waren, de belangrijkste personen in de kapel, dan zou men hun afbeeldingen nooit hebben “onthoofd” later bij het oprichten van de kerk. Men mag eerder denken aan de apostelen Petrus en Paulus.

Centraal onder de opening staat een mannelijke orante. Deze figuur beeldt vaak een overledene uit, gekend om de toewijding aan het geloof, symbool van vroomheid. De orante is tevens een bemiddelende figuur voor de heilige(n) wier relikwieën in de kast zijn bewaard. Links en rechts buigt zich een echtpaar (man en vrouw des huizes?) diep in verering neer (proskynesis).

Bovenaan links worden twee mannen en een vrouw gearresteerd door militairen (zie de lederen beret). Voor de afbeelding aan de overkant volgt weer de interpretatie dat dit drie martelaren zijn, wiens relikwieën in het reliekschrijn bewaard zijn. Hun namen zijn onbekend.

Ooit werd een verklaring geopperd voor de naam Rufina die in de linkerwand van de kapel staat gegrift. Deze inscriptie doet denken aan de legende, uit de vijfde eeuw, van Cyprianus, Justina en Teoctistus. Een voorname dame, zij heette Rufinq, liet hun relikwieën uit Nicomedia (ten oosten van Constntinopel) naar Rome overbrengen en nabij de tempel van Claudius deponeren.

Op de rechterwand onderaan schrijden twee vrouwen naar voor, op de linkerwand twee mannen; één draagt een glazen bokaal als om een offer te brengen. Zijn het leden van het huis die zich bij de verering aansluiten? Het zijn leken in elegante kledij (rode chlamys), geen leden van de clerus. Deze ruimte is eerder een oratorium, een bidplaats, geen echte confessio.

De ruimte is klein, voldoende voor private verering, niet voor een veelvuldigheid van gelovigen en pelgrims. Het is de plaats van verering alleen door de leden van het huis. Ware het een plaats geweest door kerkelijke instanties ingericht, dan zou de naam van de heilige(n) bekend geweest zijn door een inscriptie. Meer nog, zoals het gebeurde in de derde en vierde eeuw, zou zich een depositio ad sanctos (begraving nabij heiligen) ontwikkeld hebben. Gelovigen waren er immers op uit na hun dood in de buurt van het graf van een heilige te liggen. Ook toen enkele decennia een basiliek geplaatst werd bovenop de confessio/bidkapel is dit niet gebeurd.

In de eerste helft van de vijfde eeuw (vanaf ca. 410) moesten de Case Romane immers plaats ruimen voor een basilica. Alleen het gelijkvloers bleef gespaard en ook de voorgevel bleef overeind, hij vormt nu de linkerbuitengevel langs de Clivo di Scauro. De relikwieën zijn niet bewaard gebleven en de namen van de heiligen waren vergeten. In het opschrift bovenaan de ingang van de oude basilica stond vermeld dat Christus er moest vereerd worden en dat de oprichter Pammachius was.

Deze Pammachius is in deze hypothese echter niet de vriend van Hiëronymus, de vertaler van de bijbel in het Latijn onder paus Damasus (366-384), zoals algemeen werd aangenomen. Deze Pammachius is een onbekende naamgenoot, waarschijnlijk de eigenaar van het huis, die in de eerste helft van de vijfde eeuw de kerk heeft gebouwd en heeft overgedragen aan de bisschop van Rome. Het is een gedurfde visie die nog meer bewijsvoering vraagt. Aanvankelijk stond de basilica bekend als de titulus Pammachii. Het zal nog enkele decennia duren vooraleer formeel de naam Basilica Santi Giovanni e Paolo verschijnt.

Na de samenvoeging van de Case Romane (uit tweede eeuw), waarin al of niet een huiskerk aanwezig was (derde eeuw), werd alleszins door de oprichting van de huiskapel het christelijke karakter duidelijk (vierde eeuw). De bouw van de basilica is een uniek voorbeeld van een titulus (begin vijfde eeuw). Later werd deze toegewijd aan de martelaren Johannes en Paulus (begin zesde eeuw). Een geschiedenis van vier eeuwen!

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel III van een vijfdelige bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.