Andrea Bocelli in de Thermen van Caracalla

14 december 2019

De beroemde Italiaanse tenor Andrea Bocelli opent op 21 juni volgend jaar het traditionele zomerprogramma 2020 van het Teatro dell’Opera di Roma in de Thermen van Caracalla. Begeleid door een groot orkest zal de zanger een verzameling van de beroemdste aria’s van de grootste componisten uitvoeren. De organisatoren beloven een repertoire vol passie en tragedie. De voorverkoop is begonnen via de Ticketone-website. Tickets zijn ook beschikbaar op de gebruikelijke verkooppunten vanaf 11 december.

Filmotheek Vaticaan viert zestigste verjaardag

13 december 2019

Het Vaticaanse filmarchief, de Filmoteca Vaticana, viert zijn zestigste verjaardag. De Filmotheek bevat wellicht de meest unieke en waardevolle collectie cinematografische schatten ter wereld. Het gaat om een collectie van ongeveer 8.000 films, wat niet zoveel lijkt, maar het zijn dus doorgaans wel unieke beelden. Ter gelegenheid van het jubileum werd een korte documentaire gemaakt over dit weinig bekende filmarchief.

De Vaticaanse Filmotheek is gehuisvest bij de Pontificio Consiglio delle Comunicazioni Sociali (de Pauselijke Raad voor Sociale Communicatie) in Palazzo San Carlo, vlakbij Casa Santa Marta. Het archief bestaat uit een kijkkamer op de begane grond en een ruimte voor het opslaan van films op de bovenste verdieping. Je kan de ruimte beschouwen als de bioscoop van het Vaticaan.

De paus pikt hier zelf ook weleens een filmpje mee. Bekende regisseurs komen er soms persoonlijk een film voorstellen aan de paus. Een tijdje geleden was Martin Scorsese er nog te gast, maar het is niet bekend of de paus gekeken heeft naar The Irishman, Scorseses nieuwste misdaadfilm met Al Pacino, Robert De Niro en Joe Pesci.

De Filmoteca Vaticana werd opgericht op initiatief van paus Johannes XXIII op 16 november 1959. Die gaf opdracht om alle belangrijke films over het kerkelijke leven en films met een grote artistieke waarde te verzamelen. De bedoeling was om het geheugen van de Heilige Stoel ook op cinematografisch vlak te bewaren. In die periode werd televisie steeds belangrijker en steeds meer evenementen werden gefilmd en bliksemsnel doorheen heel het land verspreid.

De filmcollectie bevat zowel korte films, opnamen met en zonder geluid, commerciële en artistieke speelfilms, als documentaires over verschillende thema’s. De films worden opgeslagen in speciale bewaarcellen met een constante temperatuur van ongeveer 16 graden Celcius en een luchtvochtigheid van 30%.

De Vaticaanse filmbibliotheek bewaart er onder meer de eerste Italiaanse film, Sua Santità papa Leone XIII (Zijne Heiligheid paus Leo XIII) van Vittorio Calcina uit 1896. Daarop is paus Leo XIII te zien, tijdens een wandeling in de tuinen van het Vaticaan. Het was ook de eerste keer dat een paus op film werd vereeuwigd.

Een ander collectiestuk is L’Inferno van Giuseppe Berardi uit 1911, de eerste Italiaanse speelfilm waarin speciale effecten werden gebruikt. Het archief bezit echter ook zeldzame fragmenten van de griezelfilm Frankenstein uit 1931 of filmrollen van de Duits-Italiaanse film Quo Vadis, een stomme film uit 1924 naar de roman van Henryk Sienkiwicz.

Eén van de kostbaarste en historisch belangrijkste collectiestukken is de serie filmopnamen van het conclaaf van 1939, met ook de allereerste opnamen ooit van concilievaders die zich naar de Sixtijnse kapel begeven om er een nieuwe paus te kiezen. Op dit conclaaf zou Eugenio Pacelli worden verkozen als paus Pius XII.

De voorbije jaren werden vele beelden die enkel op pellicule bestonden gedigitaliseerd om ze niet verloren te laten gaan. Zo werd in 2014 de restauratie en digitalisering voltooid van Het evangelie volgens Matteüs (Il Vangelo secondo Matteo), een merkwaardige zwart-witfilm uit 1964, geregisseerd door Pier Paolo Pasolini.

De regisseur gebruikte dit evangelie als draaiboek. De dialogen waren enkel letterlijke citaten. De acteurs waren allemaal amateurs, waarvan de meesten afkomstig waren uit Matera (regio Basilicata) waar de film ook werd opgenomen. De rol van Jezus werd vervuld door de Spaans-Catalaanse economiestudent Enrique Irazoqui. De moeder van Pasolini speelde de oude Maria.

Pasolini ontving voor deze film op het Festival van Venetië in 1964 de speciale prijs van de jury. Wat later werd de film ook in het Vaticaan vertoond voor een publiek van hoofdzakelijk rooms-katholieke hoogwaardigheidsbekleders. Na afloop zouden de aanwezigen een veertig minuten durend applaus hebben gegeven. Opmerkelijk is dat regisseur Pasolini zelf een atheïst was.

Het is overigens niet de eerste keer dat de bij het publiek weinig bekende Vaticaanse Filmotheek zichzelf even in de kijker plaatst. Tien jaar geleden werd naar aanleiding van de vijftigste verjaardag door het Vaticaan een dvd uitgegeven met unieke beelden van het Tweede Vaticaans Concilie.

Maar de ‘pauselijke bioscoop’ heeft dus niet altijd bestaan. Vóór 1959 was het pauselijke appartement uitgerust met een speciale kijkkamer waar de paus naar de nieuwste films kon kijken. De introductie van een speciale kijkzaal die voldeed aan alle cinematografische en akoestische normen was een grote vooruitgang.

Vóór het ontstaan van de Filmotheek werden ook al wel beelden en films bewaard, maar die kregen aanvankelijk een plek in de gewone Vaticaanse archieven. Toen ze daar teveel plaats begonnen in te nemen werden ze overgebracht naar een opslagruimte in de Vaticaanse Gendarmerie.

De oprichting van het filmarchief door Johannes XXIII is het resultaat van een lang proces dat al in gang werd gezet tijdens het ponticicaat van Pius XII. De goede relatie tussen Egenio Pacelli en cinema is bekend. De camera volgde de paus regelmatig. Johannes XXIII professionaliseerde dus enkel iets wat de Heilige Stoel al veel eerder was begonnen.

Vatican Media heeft ter ere van het zestigjarige jubileum van de Vatiaanse Filmotheek een korte documentaire gemaakt waarin enkele belangrijke momenten en filmherinneringen in de kijker worden gezet.

Je kan het filmpje hier bekijken of downloaden

Inwoners Sagalassos waren bierbrouwers

12 december 2019

Jeroen Poblome, directeur van het Sagalassos Archaeological Research Project, meldt een recente ontdekking in de Romeinse stad Sagalassos (Turkije) waar archeologen van de KU Leuven al vele jaren opgravings- en onderzoekswerk verrichten. De Leuvense wetenschappers hebben resten geïdentificeerd waaruit blijkt dat er meer dan waarschijnlijk bier werd gemaakt in Sagalassos.

Dat lijkt misschien niet zo spectaculair, maar het aantreffen van bier, en zeker het procedé om het maken, is een zeer zeldzaam gegeven is in de Klassieke Archeologie. Niet alleen wordt algemeen aangenomen dat wijn de alcoholische drank bij uitstek is, zeker in de gebieden rond de Middellandse Zee, maar ook zijn in de archeologie vrijwel geen brouwinstallaties bekend.

In de Romeinse wereld staan Egypte, Spanje en Gallië bekend omwille van hun bier. In de lange geschiedenis van Klein-Azië zijn de Hettieten uit de Bronstijd en het Phrygische Gordion uit de IJzertijd dan weer bekend omwille van hun bierproductie. Maar het betreft hier vooral indicaties uit geschreven bronnen en heel weinig archeologie. Gelukkig is dr. Elena Marinova, een wereldvermaarde specialiste in de studie van archeologische plantenresten, sinds jaar en dag lid van de Sagalassosploeg. Zij mag de recente ontdekking bijschreven op haar palmares.

Waar gaat het nu concreet over? De jongste jaren gebeuren grootschalige opgravingen in de zone onmiddellijk ten oosten van de Boven Agora. Hier hebben de archeologen een zogeheten Marktgebouw ontdekt, dat met zijn datering in de eerste helft van de tweede eeuw v. Chr. meteen één van de oudste monumentale gebouwen is in Sagalassos.

“Zoals dat gaat met grote gebouwen krijgen die na verloop van tijd al eens een andere invulling. In dit geval zien we dat het oorspronkelijke Marktgebouw in de loop van de eerste eeuw na Chr. grondig verbouwd is geweest en feitelijk een onderdeel werd van een Gymnasium. Waar het Marktgebouw een eenvoudige rechthoekige structuur was, met verschillende verdiepingen, was het Gymnasium veel groter, met vier portieken geschikt rond een binnenplein”, vertelt Jeroen Poblome.

“Dat het Gymnasium in de tweede helft van de vierde eeuw vernield en in brand gestoken is geweest helpt de studie van het gebouw niet vooruit, zeker omdat met de restanten ervan in de Late Oudheid een nieuw stuk agora en een lange stoa ingericht werden; kwestie van de zaken nog wat ingewikkelder te maken. Waar we als archeoloog wel geluk mee hebben is dat, op het moment van de vernieling van het Gymnasium, de kamers op de onderste verdieping quasi ongemoeid zijn gelaten. Het is te zeggen, heel veel van de inhoud van bepaalde kamers is blijkbaar blijven staan en die is bedolven geweest onder het puin van de in brand gestoken bovenbouw van het Gymnasium” vervolgt Poblome.

Zo werd in ruimte 1A een kleine archeologische schatkamer teruggevonden, met verschillende volledig bewaarde grote voorraadpotten, honderden andere borden, kommen en kruiken, veel vaatwerk in glas en allerlei metalen voorwerpen. Ook na grondige studie blijft het moeilijk uit te maken welke voorwerpen er bij de oorspronkelijke functie van deze ruimte horen en welke er eventueel zijn ingegooid ten tijde van het opgeven ervan. Toch blijft de hypothese overeind dat we hier te maken hebben met een ruimte, gelegen achter een vermoede winkelruimte, waar een en ander werd geprepareerd. Teveel van het vaatwerk vertoont immers sporen van gebruik of van aanpassing door bijvoorbeeld zorgvuldig de nekken van keramieken kruiken eraf te snijden.

“Vanzelfsprekend hebben we in deze kamer ook tal van grondstalen genomen en is het met deze dat dr. Elena Marinova aan de slag is gegaan. Het merendeel van de stalen leverde zeer goed bewaarde plantenresten op. Naast redelijke hoeveelheden graan, linzen en fruit, die wellicht als voorraad waren opgeslagen, werd haar aandacht getrokken door de inhoud van één van de grote voorraadpotten. Hier zaten graankorrels in van voornamelijk gerst die duidelijk gebroken waren vooraleer ze verkoold werden in de grote brand, wat kaf en stukken stengel van gerst en zemelen”.µ

“Bepaalde graankorrels vertoonden spruiten. Ze identificeerde ook vloeistof die verkoold was tot korsten, en de vorm van de korsten deed haar denken aan een verhitte zetmeel oplossing. Met deze ingrediënten kan je brood maken, maar de spruitende graankorrels en de zetmeeloplossing suggereren in dit geval eerder dat we te maken hebben met de productie van bier. Er moeten nog verdere analyses en microscopische observaties van de plantenresten gebeuren vooraleer dit een vaststaand wetenschappelijk betoog kan worden, maar ondertussen zijn er ook andere aanwijzingen in dezelfde richting”, schrijft Jeroen Poblome in een bericht aan het thuisfront.

Immers, ook in andere voorraadpotten werden gelijkaardige verkoolde korsten teruggevonden, waarvan sommige poreus bleken en andere dan weer stukjes gesponnen draad of stoffen bevatten. Hun staat van bewaring gaf aan dat deze stukken stof niet echt verkoold zijn geweest in de grote brand, maar eerder tot een temperatuur van ongeveer 200°C zijn verhit geweest in een omgeving zonder zuurstof.

“We gaan er hierbij van uit dat deze stof, zeg maar doeken, als zeef voor een vloeistof werden gebruikt, dan wel om de inhoud van de voorraadpotten, ons bier, af te dekken om te verhinderen dat er vuil of beesterij in kon vallen, en dat bij de grote brand stukken van die doeken in het bier zijn gevallen, dat wellicht aan de kook is geraakt door de omgevende hitte. Zonde van het bier, maar zo zijn zeldzame materialen voor ons bewaard gebleven. Wat minder aangenaam, maar ook duidend op de rijke organische inhoud van deze voorraadpotten was de identificatie van verkoolde maden of larven van vliegen. In ons bier begot!”, lacht Poblome.

In alweer een andere voorraadpot zat dan weer een fijn gesneden kruidenmix, met voornamelijk een hoeveelheid zaadjes, bloemen, blaadjes en andere stukjes van bergbonenkruid, zuring, lipbloemen en bilzekruid. Alvast in de middeleeuwen zijn dit typische kruiden die gemengd werden bij, jawel, bier.

“De archeologische en macrobotanische resten samen lijken er dus inderdaad op te wijzen dat we hier te maken hebben met de installatie van een brouwer. We hebben geen enkele andere historische of iconografische aanduiding over het belang van bier in Sagalassos of de wijde omgeving. En toch kunnen we deze ontdekking enigszins plaatsen, gezien het relatieve belang van graanteelten voor Sagalassos. Aan een frisse pint met een schoon kolleke mogen we wel niet denken. Hop kwam er bij de bereiding immers niet kijken. Denk eerder aan een typisch Engelse ale of aan boza dat vandaag nog in de Balkan, Turkije en Centraal-Azië geserveerd wordt. Wellicht met een laag alcoholpercentage, en eerder op kamertemperatuur waardoor het bier van Sagalassos niet lang kon bewaren. Maar het blijft wel bier dat we ontdekt hebben, en zoals gezegd, is dit zowel eenvoudig als spectaculair nieuws!”, besluit de directeur van het Sagalassos Archaeological Research Project.

Wie interesse heeft in het ontvangen van allerlei archeologisch nieuws uit het antieke Sagalassos en de voortdurende studie van een heuse brok antieke cultuur de moeite waard, kan overwegen om weldoener te worden van het Sagalassosproject.

https://www.arts.kuleuven.be/sagalassos/nl

Een bezoek aan Villa Blanc

11 december 2019

Het park en de gebouwen van Villa Blanc aan de Via Nomentana 216 huisvesten vandaag een afdeling van de privé-universiteit LUISS Business School. We hadden de gelegenheid de campus met de vorig jaar schitterend gerestaureerde villa en de mooie tuinen te bezoeken onder leiding van een alumnus van de universiteit.

De villa werd tussen 1895 en 1898 gebouwd door Giacomo Boni als residentie in de hoofdstad voor de Turijnse baron Alberto Blanc na zijn aanstelling als minister van Buitenlandse Zaken. Van de oorspronkelijke villa is weinig ongeschonden bewaard gebleven, het huidige gebouw is het resultaat van een grondige restauratie en verbouwing door de Università LUISS.

De villa is in eclectische stijl, en is daarmee een zeldzaam voorbeeld van een harmonieus samengaan van verschillende elementen en stijlen uit diverse periodes en culturen. Zo vertoont de schouw in de Sala del Camino vijftiende-eeuwse invloeden, de loggia met kariatiden neo-classisistische elementen en versieringen in liberty-stijl, en is de toren neogotisch.

Hierbij werden uiteenlopende materialen gebruikt, gaande van hout, ijzer, gietijzer, leder, cement, travertijn, graniet en marmer tot keramiek. De (letterlijk schitterende wintertuin is opgetrokken uit glas en staal en heeft een midden-oosters geînspireerd plafond.

De bouw van de villa kende een bewogen geschiedenis. Markies Lorenzo Lezzani, die straten aanlegde voor de Pauselijke Staat, kocht in 1848 een terrein met een wijngaard; hij liet er een lustpaviljoen met tien kamers optrekken. In 1893 werd het landgoed voor 75.000 lire verkocht aan baron Alberto Blanc.

De bouw van de residentie werd voltooid in 1898, maar lang kan baron Blanc niet van zijn villa genieten, want in 1904 sterft hij. Na de dood van de baron gaat de villa over naar de erfgenamen, zijn echtgenote Natalia en hun vier kinderen. Die laten in het park vijf gebouwtjes neerzetten, waaronder het paviljoen aan de ingang, dat later het atelier wordt van de beeldhouwer Pietro De Laurentis.

Na amper twintig jaar, tegen het einde van de jaren ’20 van de vorige eeuw, begint de neergang van de villa. Een deel van de oorspronkelijke inrichting van het park als Engelse tuin (met o.a. een namaakruïne) en een aantal van de magnifieke palmen, ceders, cica’s en bananenplanten zouden het verval echter overleven.

In 1950 worden de residentie en het park aangekocht voor 180 miljoen lire door de Società Generale Immobiliare. De hele inrichting van de villa, het meubilair, … alles wordt bij opbod verkocht. Dan komt de beruchte Michele Sindona (*) in beeld, een Italiaanse advocaat, bankier en crimineel. In een extra stukje onderaan deze nieuwsbrief lees je meer over deze maffiose figuur.

Michele Sindona was eigenaar geworden van de Generale Immobiliare. Hij wilde in 1972 de terreinen en gebouwen van Villa Blanc verkopen aan de Duitse ambassade voor 15,5 miljoen Duitse mark, maar met de clausule dat de bouwvoorschriften teniet worden gedaan. Hier stak de stad Rome echter een stokje voor door het hele terrein te bestemmen als publiek park. De verkoopproducere werd dus stopgezet, de Generale Immobiliare ging falliet en het domein kwam in handen van de vereffenaar.

In 1992 werd andermaal een verkoopcontract opgesteld voor het park en de villa ter waarde van 23 miljard lire. Ditmaal is het Ministero per i beni culturali e ambientali de spelbreker van dienst. Het Ministerie wil van de eigendom een club voor medewerkers van Defensie maken.

De verkoop, nu al voor de som van 28 miljard lire, ging echter andermaal niet door. Er werd een onderzoek ingesteld waarom de villa op enkele maanden tijd plots 5 miljard lire duurder is geworden. Minister van Cultuur Alberto Ronchey en zijn algemeen directeur Francesco Sisinni worden vervolgens beschuldigd van verduistering.

Maar de onderzoeksprocedure bleek vol gaten te zitten en het Hooggerechtshof werd op zijn beurt gedwongen om een procedure tegen de betrokken rechter en de officier van justitie te starten. Op 3 november 1994 werden zowel de minister als zijn directeur door de rechtbank vrijgesproken en van alle blaam gezuiverd.

Op een openbare verkoop in 1997 verwierf uiteindelijk de Università LUISS het park en de gebouwen voor de som van 6,3 miljard lire. De terreinen bleven echter bestemd als publiek park, wat bij de nieuwe eigenaars in dovemansoren valt. Ondertussen waren het gebouw en het park verder in verval geraakt. Wat overbleef van de oorspronkelijke villa was leeggeroofd, door vandalen beschadigd, gedeeltelijk ingestort en gebruikt als onderkomen voor landlopers.

De Università LUISS begon uiteindelijk met conservatiewerken en restauratiewerkzaamheden, het verwilderde park werd aangepakt en de inmiddels behoorlijk vervallen villa werd opgeknapt. De restaurateurs hebben prachtig werk geleverd en de oorspronkelijke schoonheid van het pand opnieuw tevoorschijn gebracht zoals die destijds in volle glorie te zien was.

Er waren twintig jaar en 25 miljoen euro nodig om de Villa Blanc en het park haar huidige aanzien te geven. De restauratie werd vorig jaar afgerond. Het resultaat is een prachtige universiteitscampus in een oase van groen, een uniek gebouw dat harmonie en discrete verfijning uitstraalt, luxueuze leslokalen, een fraaie ‘eetzaal’ en een ronduit schitterende wintertuin.

Een deel van het oorspronkelijke park is ingericht als speelplein en is vrij toegankelijk via de ingang aan Piazza Giovanni Winckelmann. Het kinderpark is uitgerust met speeltuigen en de tuin zelf bevat meer dan tweehonderd bomen en 40.000 planten en bloemen.

Als je naar de ingang van de villa gaat aan de Via Nomentana 216, zie je op een zijmiddenberm van de weg en vlak bij de omheining van het park een cilindervormig gebouwtje. Het gaat om de helft van een Romeins mausoleum uit de eerste/tweede eeuw na Christus, dat in 1875 langs de Via Flaminia werd ontdekt.

Baron Blanc kocht één van de twee ronde constructies om zijn park te verfraaien, de andere bleef ter plaatse. Het grafmonument stond toen immers nog binnen zijn terrein, nu ligt het er net buiten.

Het park was oorspronkelijk veel groter, maar door onteigeningen voor verkavelingen en een verbreding van de Via Nomentana werd in de jaren ’50 en ’60 van vorige eeuw de oppervlakte van de tuinen van 47.000 m² teruggebracht tot 39.000 m².

De hoofdvilla is in principe niet te bezoeken, maar er zijn nu en dan opendeurdagen (hou hiervoor de website van de school in de gaten) en bepaalde ruimtes worden nu en dan gebruikt voor stedelijke culturele activiteiten zoals lezingen of kamerconcerten.

Het park van de villa is elke dag open voor publiek:
Van 1 oktober tot 31 maart van 7.30 uur tot 19 uur
van 1 april tot 30 september van 7 uur tot 20 uur

Villa Blanc (LUISS Business School)
Via Nomentana 216, Rome
(ingang park via Piazza Giovanni Winckelmann)

https://businessschool.luiss.it/

Dit was een bijdrage van
clublid ANN DE LATTER

—————————-
(*)

WIE WAS MICHELE SINDONA?

Tijdens Wereldoorlog II was Michele Sindona de verbindingsman tussen de Siciliaanse maffia en de geallieerden. Die hadden de maffia nodig om de Amerikaanse invasie in Sicilië te doen slagen. Na de oorlog leverde dat Sindona een vruchtbare samenwerking met de Amerikaanse maffia op.

Op 12 oktober 1957 was Sindona in de salons van het Hotel del Palmes in Palermo aanwezig bij een samenkomst van de belangrijkste hoofden van de Amerikaanse en de Siciliaanse Cosa Nostra. Onder de aanwezigen waren Joe Bananas, Joseph Palermo, John Di Bellis van de familie Genovese, Vito Vitale, Genco Russo en Lucky Luciano.

Op dat maffiacongres werd toen de strategie voor de internationale drugs- en wapenhandel opgesteld. Op die samenkomst werd ook de liquidatie bevolen van Albert Anastasia, de baas van de Gambino’s, één van de vijf machtigste New Yorkse maffia-families. Tien dagen later werd Anastasia in New York vermoord.

Begin 1959 kochten Michele Sindona, het Istituto per le Opere Religiose (IOR, de bank van het Vaticaan) en de Continental Illinois Bank (de grootste bank in de Verenigde Staten) de Banca Privata Finanziaria. Het imperium van Sindona bestuurde vanaf toen een groot aantal banken en financiële instellingen.

In 1968 ging Sindona zaken doen met Roberto Calvi, de directeur van de Banco Ambrosiano. Op 15 april 1973 omschreef de Italiaanse premier Giulio Andreotti tijdens een bezoek aan New York Michele Sindona als ‘Salvatore della Lira’ (Redder van de Lire). In januari 1974 werd Sindona door de Amerikaanse ambassadeur in Rome gelauwerd als ‘Man van het Jaar’.

Maar slechts enkele maanden later ging in de V S de Franklin Bank failliet, waarop de Amerikaanse regering Sindona beschuldigde van bankbreuk. Dit betekende het begin van de instorting van zijn kaartenhuis aan financiële instellingen in Europa en in Amerika.

In de crash was ook het Istituto delle Opere Religiose betrokken. Sindona moest de VS ontvluchten. Met hem verdween ook een lijst van 500 Italianen die via zijn banken clandestien enorme bedragen naar het buitenland hadden laten verdwijnen.

Op 24 oktober 1974 vaardigde de Italiaanse magistratuur een opsporingsbevel uit tegen Sindona wegens bedrieglijke bankbreuk. De rechters bevestigden dat hij fungeerde als witwasser van geld van de belangrijkste exponenten van Cosa Nostra, waaronder Stefano Bontade, Salvatore Inzerillo en John Gambino. Hij investeerde hun geld in beleggingsinstellingen, onroerend goed en hotels in Florida en op Aruba.

Deze banden werden door Giorgio Ambrosoli ontdekt. De rechtbank van Milaan veroordeelde Sindona op 27 juni 1976 tot 3,5 jaar gevangenisstraf wegens overtreding van de bankwetten. Op 28 september werd hij gearresteerd in de VS, maar kwam meteen weer vrij na betaling van een borgsom van drie miljoen dollar. Op 12 juli 1979 werd Ambrosoli vermoord door de Amerikaanse huurmoordenaar William Joseph Aricò.

Tijdens die periode, van 1974 tot 1979, stond Sindona in nauw contact met Licio Gelli en de geheime vrijmetselaarsloge P2, waarvan 963 broeders lid bleken te zijn. Onder hen agenten van de geheime diensten, politici, beleggers, bankiers, hoge ambtenaren en personen uit de showbusiness.

Opmerkelijk was dat de meesten van hen uitgesproken katholiek waren, en dat het Vaticaan een paar weken eerder nog een persbericht had uitgegeven waarin verwezen werd naar het canoniek recht, volgens welke regels mensen op straffe van excommunicatie geen lid mogen zijn van de vrijmetselarij.

In het kielzog van Sindona’s arrestatie ging de Banco Ambrosiano met president Roberto Calvi (foto boven) ten onder. In juni 1982 werd Calvi’s lichaam aangetroffen in Londen, hangend onder de Blackfriars Bridge. Op diezelfde dag viel Calvi’s secretaresse, Graziella Corracher, uit een raam van de bank in Milaan. Calvi’s geheimzinnige en verdachte dood is vandaag nog steeds een bron voor vele complottheorieën.

Bij de loge P2 leek alles samen te komen: de bomaanslag op de Piazza Fontana, de olieschandalen, de intriges van de geheime diensten, de banden tussen Licio Gelli, Michele Sindona, Roberto Calvi, de internationale financiële wereld, de maffia, de CIA en plegers van staatsgrepen in Argentinië en Italië. Ook kwamen de banden tussen de Vaticaanse bank Istituto per le Opere Religiose onder leiding van aartsbisschop Paul Marcinkus, de maffia en de loge P2 aan het licht.

Het doek viel definitief voor Sindona op 13 juni 1980 toen de Amerikaanse rechter Sindona tot 25 jaar veroordeelde wegens het faillissement van de Franklin Bank. Op 12 juli werd hij ook in staat van beschuldiging gesteld voor de moord op Ambrosoli. Op 25 maart 1984 gingen de VS akkoord met de uitlevering van Sindona aan Italië waar hij terecht moest staan voor de bankbreuk van de Banca Privata.

Op 25 september werd hij overgebracht naar de Regina Coeligevangenis in Rome. Na de Italiaanse rechtszaak werd Sindona op 19 maart 1986 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Nadat hij enkele interviews gegeven had waarin hij dreigde zijn banden met de maffia prijs te geven, stierf Sindona in de zwaar beveiligde gevangenis van Voghera na het drinken van een espresso. Die bevatte meer cyanide dan koffie.

Carlo Levi in het Musei di Villa Torlonia

10 december 2019

In het Musei di Villa Torlonia (Casino dei Principi) is vrijdag de tentoonstelling Carlo Levi e l’arte della politica begonnen. De tentoonstelling is samengesteld door het Centro Carlo Levi di Matera (regio Basilicata) en de Fondazione Carlo Levi.

Ze is opgebouwd rond de veelzijdige persoonlijkheid van de schrijver en kunstschilder Carlo Levi, die zich uitstrekte van literatuur tot poëzie en van schilder- tot tekenwerk. Levi was vooral bekend omwille van zijn anti-fascistisch activisme dat hem de nodige problemen en zelfs een verbanning opleverde. De tentoonstelling is te bezoeken tot 22 maart 2020.

In deze tentoonstelling gaat de aandacht vooral naar de politieke grafische afbeeldingen van Carlo Levi, die grotendeels werden geproduceerd in de periode 1947-1948 en waarvan de meeste werden gepubliceerd als antifascistisch pamflet of in de socialistische pers.

Het gaat om een dertigtal politiek gekleurde tekeningen waarbij vooral de originaliteit en autonomie van Levi als satirische illustrator zichtbaar wordt. Voor wie Carlo Levi alleen maar kent als auteur van Cristo si è fermato a Eboli (1945, Christus kwam niet verder dan Eboli) of de roman L’orologio (1950) gaat hier wellicht een nieuwe wereld open.

Een tweede deel van de tentoonstelling presenteert 46 schilderijen van de kunstenaar. Ze komen voor het grootste deel uit de collectie van de Fondazione Carlo Levi en worden aangevuld met nooit eerder getoonde bruiklenen uit privécollecties. Ze omvatten de periode 1932-1973.

Carlo Levi werd geboren in 1902 in Turijn. Hij werd arts maar gaf zijn praktijk op om zich aan het schilderen te wijden. Hij was een fervente anti-fascist, wat hem in 1935 een verbanning opleverde naar het onooglijke bergdorpje Aliano in de Zuid-Italiaanse regio Basilicata.

Het is dit zuiden, met zijn archaïsche boerenbeschaving vol bijgeloof en magie, dat hem inspireerde tot het boek waarop zijn faam berust, Cristo si è fermato a Eboli, een mengvorm van verhalen, schetsen, dagboek en politieke studie, geschreven in een neorealistische stijl.

Andere literaire werken van Levi zijn Paura della libertà (1946), het voormelde L’orologio (1950), Le parole sono pietre (1955, een reisverslag, Sicilië), Il futuro ha un cuore antico (1956), La doppia notte dei tigli (1959) en Tutto il miele è finito (1964, een reisverslag, Sardinië).

Carlo Levi e l’arte della politica
Musei di Villa Torlonia – Casino dei Principi
Via Nomentana 70, Rome
Tot 22 maart 2020

Open van dinsdag tot zondag van 9 tot 19 uur (maandag gesloten)
Op 24 en 31 december van 9 tot 14 uur
Het loket sluit altijd 45 minuten vóór het einduur
Gesloten op 25 december en 1 januari
Audiogidsen beschikbaar in het Italiaans, Engels en Frans

www.museivillatorlonia.it

Praktische informatie

Dit jaar vlogen in Rome al 29 bussen in brand

9 december 2019

Dat in Rome regelmatig een bus van de openbare vervoermaatschappij ATAC in brand vliegt is ondertussen welbekend.  De kans is zelfs behoorlijk groot dat je er zelf ook al eens eentje zag branden. Gewonden zijn er tot dusver nog niet gevallen. Het lijkt er echter op dat dit jaar een triest record zal worden gevestigd.

Waar in het nabije verleden het gemiddelde aantal brandende bussen beperkt bleef tot een tiental per jaar, is gisteren het 29ste voertuig in brand gevlogen. Sinds 1 januari 2019 welteverstaan. Andermaal gelukkig zonder gewonden of erger. Het was de derde bus in drie dagen die in Rome in vlammen opging.

Vele bussen zijn compleet verouderd en verkeren in slechte staat. Zowat de helft van de hele ATAC-vloot staat in het onderhoudsdepot voor herstellingen. Sommige voertuigen wachten op wisselstukken die nooit zullen arriveren omdat ze niet meer verkrijgbaar zijn. Regelmatig vallen bussen tijdens de rit gewoon stil. Of vliegen ze in brand.

Gisteren was het nog eens prijs op lijn 708 in de Via Vinicio Cortese in de zuid-zuidwestelijke buitenwijken van Rome. De bestuurder had net de laatste passagier afgezet. 16 van de 29 voertuigen die sinds begin dit jaar in brand vlogen zijn door het vuur of de bluswerken zo fel beschadigd dat ze onherstelbaar zijn.

La Vucciria van Renato Guttuso uitzonderlijk te zien in Rome

9 december 2019

De Camera dei Deputati in Rome (de Kamer van Afgevaardigden) in Rome stelt ‘La Vucciria’ tijdelijk tentoon voor het publiek. Dat schilderij is het absolute meesterwerk van de Siciliaanse schilder Renato Guttuso (1911-1987). De toegang is gratis en het beroemde doek is vanaf nu tot 12 januari 2020 te zien in de prestigieuze Sala della Lupa van Palazzo Montecitorio, naast twee andere werken van de kunstenaar, ‘Il Cristo deriso’ (1938) en ‘Carro siciliano e carrettieri’ (1946 ). Deze twee schilderijen behoren tot de collectie van de Camera dei Deputati en werden nooit eerder tentoongesteld voor het publiek.

La Vucciria van de Siciliaanse meester verlaat dus tijdelijk zijn gebruikelijke locatie in Palermo, waar het kunstwerk normaal te vinden is in het Palazzo Chiaromonte-Steri, een museum waarin ook de zetel van het rectoraat van de universiteit van Palermo is gevestigd.

Dat het beroemde kunstwerk tijdens de eindejaarsperiode te bewonderen is in Rome is te danken aan de l’Università degli Studi di Palermo en de Fondazione Sicilia. Het initiatief komt van Civita, met medewerking van Igea Banca. De bedoeling is om het Siciliaanse erfgoed te promoten en moet het begin inluiden van een reeks nieuwe evenementen die in de toekomst ook andere Italiaanse regio’s in de kijker zullen plaatsen in Rome.

La Vucciria is een kunstwerk van drie vierkante meter en werd door Renato Guttuso geschilderd in 1974, op het hoogtepunt van zijn artistieke bestaan. De schilder schonk het werk aan de universiteit van Palermo. Het wordt algemeen beschouwd als zijn beroemdste werk.

Foto’s geven een indruk van het doek maar kunnen het onmogelijk weergeven. Het is vooral de realistische en suggestieve benadering van een dagelijkse scène op de gelijknamige markt in Palermo, één van de meest fascinerende in de stad, die het kunstwerk bijzonder maakt. Het schilderij brengt de de markt haast tot leven en je voelt bijna de geuren en smaken van de groenten en het fruit die de kraampjes vullen met hun rijkdom aan kleuren.

Het woord ‘vucciria’ is afgeleid van het Franse ‘boucherie’ (slagerij). Uiteindelijk werd de naam in het Italiaans verbasterd tot bocceria om in Sicilië te eindigen als vucciria, wat in het Siciliaans ook verwarring of chaos betekent. De naam past dus perfect bij de onbegrijpelijke mix van stemmen, mensen, objecten, uitdrukkingen en gebeurtenissen die typisch zijn voor een drukke buitenmarkt zoals je die alleen maar in Sicilië kan aantreffen.

Desondanks is de chaotische willekeurige structuur van de markt door Guttuso perfect gevat in een schilderij en op een warme en realistische manier tot leven gebracht. Zelfs de chromatische roze kleur van de zwaardvis geeft de kijker zo’n realistische indruk dat je de oceaan bijna kunt ruiken.

Het is niet de eerste keer dat het beroemde schilderij in Rome te zien is. In het Complesso del Vittoriano (Piazza Venezia) vond in het najaar van 2012 een grote overzichtstentoonstelling plaats over het leven en werk van Renato Guttuso. Alle belangrijke werken van de Sicliaanse schilder werden daar toen getoond, samen met zijn vroege tekenwerk, stillevens en portretten tot de dromerige doeken uit de laatste jaren van zijn leven. Ook La Vuccaria was er toen bij. In Romeinse culturele kringen werd de tentoonstelling toen omschreven als één van de grootste kunsthappenings van het jaar.

Renato Guttuso verbleef lange tijd in Rome. Nog steeds is in Rome de vereniging Archivi Guttuso actief, gevestigd in het voormalige atelier van de schilder in Palazzo del Grillo (Piazza del Grillo 5). Deze organisatie is de wettelijke vertegenwoordiger van de nalatenscap van de kunstenaar, controleert de authenticiteit van Guttuso’s werk (er circuleren nogal wat valse kunstwerken van Guttuso) en beheert ook het uitgebreide archief van de schilder dat niet alleen tekeningen en grafische ontwerpen bevat maar ook talrijke documenten, foto’s en handschriften.

Renato Guttuso werd geboren op 26 december 1911 in Bagheria, in de buurt van Palermo. Vanaf 1937 werkte hij grotendeels in Rome, een stad die hij nooit beu zou worden en die in talrijke van zijn werken figureert. Als fervent anti-fascist trad hij in 1940 toe tot de toen verboden Italiaanse Communistische Parij (PCI).

Guttuso was ook een actief tegenstander van de maffia, hoewel hem dat nooit problemen bezorgde met de criminele organisatie. In 1972 ontving de schilder de Lenin Vredesprijs en in 1976 werd hij zelfs verkozen in de Italiaanse Senaat als vertegenwoordiger van de PCI voor het kiesdistrict Sciacca in Sicilië.

Guttuso begon al heel jong met schilderen en zoals uit zijn eerste werken uit 1925 blijkt werd meteen duidelijk dat de jongen beschikte over uitzonderlijke talenten. Guttuso ging naar de middelbare school in Palermo en trok vervolgens naar de universiteit. Zijn kunstwerken openden toen al heel wat deuren en brachten hem tot in Milaan van waaruit hij reizen doorheen heel Europa ondernam.

Terug in Palermo opende hij een eigen studio en vormde samen met de schilder Lia Pasqualino Noto en de beeldhouwers Nino Franchina en Giovanni Barbera een kunstenaarscollectief, de Gruppo dei Quattro. Later verhuisde hij definitief naar Rome waar hij in de Via Margutta een nieuwe studio opende. Het was het begin van een zeer lange en erg vruchtbare carrière. Guttuso stierf op 18 januari 1987 in Rome op 75-jarige leeftijd. In zijn geboortestad Bagheria is in de Villa Cattolica een museum gewijd aan zijn leven en werk.

De Sala della Lupa in Palazzo Montecitorio is open voor bezoekers van maandag tot vrijdag van 10 tot 18 uur (laatste toegang om 17.30 uur). Ingang via Piazza del Parlamento 25.

Het bezoek aan de kunstwerken van Renato Guttuso zal ook worden opgenomen in het maandelijkse publieke bezoek aan Palazzo Montecitorio, van 10.30 tot 16 uur (laatste toegang om 15.30 uur). Voor dit maandelijkse bezoek moet je wel online reserveren.

Paus brengt vandaag bloemenhulde aan de Colonna dell’Immacolata

8 december 2019

Paus Franciscus zal straks om 16 uur een bloemenkrans bevestigen aan de Colonna dell’Immacolata, een erezuil op de Piazza Mignanelli, vlak naast Piazza di Spagna in Rome. Ook kardinaal Angelo De Donatis, de vicaris-generaal van het bisdom Rome, zal aanwezig zijn, evenals een afvaardiging van het stadsbestuur. Het ophangen van de krans gebeurt met behulp van een ladderwagen van de brandweer.

Het aanbrengen van de bloemen is een jaarlijkse traditie. 8 december is de feestdag van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria. Paus Pius XII trok in 1950 als eerste paus op deze feestdag naar het Mariabeeld. Paus Johannes XXIII zette in 1958 die traditie voort, net als al zijn andere opvolgers.

Het was Paus Pius IX die in 1854 het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria afkondigde. Al sinds de middeleeuwen werd ernaar gestreefd om dit als dogma te laten erkennen om duidelijk te maken dat Maria zonder zonde werd geboren en van bij aanvang vol van genade was. Vaak wordt ten onrechte gedacht dat dit dogma betrekking heeft op de maagdelijke toestand waarin Jezus werd verwekt.

De zuil met het Mariabeeld werd opgericht in opdracht van Ferdinand II der Beide Siciliën en werd ontworpen door de architect Luigi Poletti (1792-1869).  De monumentale zuil werd geplaatst vóór het Palazzo di Propaganda Fide en werd onthuld op 8 december 1857. Het monument bestaat uit een marmeren voetstuk met diverse gebeeldhouwde voorstellingen, daarboven verrijst een zuil met een lengte van 11,8 m, gemaakt uit cipollino marmer, met een Korinthisch kapiteel.

Deze zuil werd in 1777 ontdekt op het Marsveld en wordt bekroond door een bronzen beeld van Maria, gemaakt door Giuseppe Obici. Op de vier hoekstukken van het voetstuk zijn beelden geplaatst van koning David (door Adamo Tadolini), de profeet Jesaja (door Salvatore Revelli), de profeet Ezechiël (door Carlo Chelli) en Mozes (door Ignazio Jacometti), elk begeleid door een Bijbeltekst in de sokkel onder het beeld. In het staande deel van de sokkel achter de beelden zijn inscripties in het Latijn aangebracht.

De grafsteen van Licinia Secunda

8 december 2019

Avonturen met opschriften – VII

Enkele maanden geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de zevende bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel VII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen .

In de vorige aflevering verwijlde uw gids door de wondere wereld der opschriften in het onherbergzame Noorden. De weg terug naar Rome is lang en voert door vele streken.

Pas na Lugdunum en Vienna verandert het landschap in de richting van het mediterrane zoals wij dat in Rome gewoon zijn. De olijfbomen verschijnen, de velden worden omzoomd met cipressen, pijnbomen doemen op en breiden hun schaduw uit over de grond: we komen in bekend gebied.

En daar ligt Arelate aan de Rhône, dat latere generaties Arles zijn gaan noemen. Uw gids veroorlooft het zich nogmaals om een opschrift buiten de Eeuwige Stad te presenteren, voordat hij zich opnieuw in het eeuwige gewoel van Rome stort voor andere afleveringen.

Uw gids verwijlde enkele dagen in Arelate. Hij klom over amfitheater en theater, wrong zich door de Thermen, was verbluft door de cryptoporticus die het lokale Forum ondersteunde en bezocht het uitstekende Musée départemental Arles antique. Uiteindelijk dwaalde hij langs de oude Via Aurelia die vanuit Italië naar Arles liep en die – zoals te doen gebruikelijk – omzoomd was door grafmonumenten.

Tot daar niets bijzonders, maar dit stuk van de Via Aurelia is ook in latere eeuwen in gebruik gebleven als begraafplaats, en ook menige kerk verrees op deze plaats in de middeleeuwen. Het terrein stond bekend onder de naam Elyseïsche velden oftewel Alyscamps.

Beeld u in: een weg in een flauwe bocht met daarlangs cipressen en ander geboomte en tegelijk letterlijk omzoomd door één ononderbroken rij sarcofagen van grijze steen, soms zelfs twee rijen.

Sommige hiervan zijn tot aan het deksel ingegraven in de bodem, andere lijken los te staan. De meeste zijn wat grof, met dikke wand, zonder opschrift of versiering. Vaak zit er een goed zichtbaar gat in, waar grafrovers hebben toegeslagen.

De versierde exemplaren die eens hier stonden, zijn al eeuwen geleden verwijderd. Sommige vindt u in de Saint-Trophime, de hoofdkerk van Arles, andere in bovengenoemd museum dat na het Museo Pio Cristiano in de Vaticaanse Musea de rijkste collectie vroegchristelijke sarcofagen claimt.

Uw gids dwaalde verder en verder (daar is hij heel goed in, eerlijk gezegd) tot hij aan het einde van het terrein kwam bij de kerk van Saint-Honorat, een romaanse bouw, waarbij de Michelingids expliciet opmerkt dat de bezoeker voorzichtig moet zijn bij het betreden omdat het geheel in slechte staat verkeert.

In gewone taal zou dat betekenen dat het ding op instorten staat. Uw gids laat zich (uiteraard) niet door dit soort bangmakerijen weerhouden en drong dus binnen in het binnenste van de kerk. De deur stond wijd open, een eventuele instorting leek nog niet meteen voor vandaag of morgen.

En daar zag hij haar. Licinia. Althans, laten we vooral correct zijn: hij zag haar grafsteen die naar binnen gesleept was en op zijn kant gelegd. Een vreemde gewaarwording: een duidelijk niet-christelijke grafsteen in een christelijke kerk, maar uw gids vergat daarbij stil te staan. Hij zag (en las) het opschrift en was vreemd ontroerd (CIL, XII, nr. 845; EDCS-08401465):

LICINIA
SEX F
SECVNDA

Het zal de trouwe lezer van deze reeks niet moeilijk vallen om de tekst aan te vullen of te vertalen:

Licinia / Sex(ti) f(ilia) / Secunda

‘Licinia Secunda, dochter van Sextus’

Moeilijk is dit niet. Het is eigenlijk zowat het gemakkelijkste opschrift dat in deze reeks zal (kunnen) voorkomen. Alleen de naam, meer niet. Dit rest er van een mensenleven. Maar uw gids was vreemd aangedaan (hij heeft van die momenten): wie was Licinia en wat kunnen we van haar weten?

Het ergste was geschied. De filoloog in uw gids was ontwaakt. En eenmaal dat een filoloog wakker wordt, is er geen houden meer aan en blijkt hij zelfs erger dan tien archeologen samen…

Punt één: de steen. Nagenoeg vierkant, met een rand die als kader dient. Midden op het zo gevormde veld bevindt zich een schriftveld met twee zwaluwstaartvormige wiggen aan de korte zijkanten. Dat laatste is hier niets bijzonders: heel Arles staat er vol mee. In Rome zie je dat beduidend minder vaak. Geen andere versiering dan de lijnen van de verschillende velden.

De letters zijn mooie klassieke kapitalen met schreef en al, van goede kwaliteit. Dat is een belangrijk punt. Anders dan de meeste filologen heeft uw gids ook een klein hartje voor archeologie en let hij sterk op de materiële verschijningsvorm van het object dat de tekst bevat. U ziet het, uw gids kan het mooi zeggen…

De kwaliteit van de schrifttekens is een belangrijk punt, maar wat het precies wil zeggen is nog niet duidelijk. Het beschrijven van het object is één ding, het interpreteren is een ander. Daarbij kunnen in principe alle gesignaleerde elementen een rol spelen om tot een resultaat te komen, maar niet altijd speelt elk element afzonderlijk ook inderdaad een rol. Wat iets wil zeggen blijkt pas in de combinatie met andere elementen.

Punt twee: wat er niet staat. Dit is een lastige, want er staat per definitie heel veel niet en in verhouding maar heel weinig wél. Het gaat er natuurlijk om te zien wat er had kunnen staan, maar er dus niet staat. Vele grafschriften beginnen met de letters D M = Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’.

Dat staat er niet op de steen voor Licinia. Omdat het plaatsen van deze afkorting pas echt in voege is vanaf de Flavische periode (dus vanaf ruwweg 70 na Chr.), kan dat betekenen dat het opschrift ouder is. Dat laatste is in ieder geval compatibel met de fraaie uitvoering van de letters. Het gebeurt zelden, maar hier zijn dus twee elementen die elkaar ondersteunen…

Punt drie: wat er wél staat. Dit lijkt zo voor de hand te liggen dat het overbodig lijkt. En toch. Wat staat er nu eigenlijk? We krijgen in één formule (zoals normaal) de twee namen die Licinia droeg alsmede de aanduiding van haar vader. Deze structuur komt tienduizenden keren voor en is als zodanig niets bijzonders.

Hieruit volgt in eerste instantie dat zij voluit Licinia Secunda heette en dat haar vader in ieder geval Sextus Licinius heette. Dit betekent ook dat Licinia zelf vrijgeboren was (anders had hier eerder de naam van haar voormalige eigenaar of (om het sympathieker te zeggen) patronus gestaan met de afkorting L voor liberta ‘vrijgelatene’.

Meisjes kregen d’office de naam van de familie of gens en hadden geen voornaam. Om de verschillende dochters uit elkaar te houden verschijnen er in de klassieke periode ook cognomina of bijnamen. In dit geval is dat Secunda. Letterlijk vertaald betekent dat ‘de tweede’. Erg prozaïsch, maar zo is het Romeinse namensysteem nu eenmaal.

Als we Secunda in deze letterlijke betekenis mogen nemen, kan dat betekenen dat onze Licinia de tweede dochter van Sextus Licinius was, maar zeker is dat niet. Bovendien kan secundus ook ‘voorspoed brengend’ betekenen. Deze conclusie is dus enkel een voorzichtige hypothese.

Bij de naam van haar vader ontbreekt het cognomen. Dat is in deze context normaal. Uiteindelijk wordt alleen de voornaam vermeld om de filiatie van Licinia Secunda aan te geven.

De naam van de gens is te reconstrueren uit het feit dat meisjes deze familienaam als hun eigenlijke naam dragen. Voor het cognomen van de vader is geen plaats in deze formule. Dat is vervelend, want hierdoor is het nagenoeg onmogelijk deze persoon precies te identificeren.

Romeinse voornamen zijn notoir beperkt, zodat men snel in herhaling valt. Bovendien wemelt het van de Licinii. Zeker in Gallia Narbonensis komt dit nomen gentilicium heel veel voor: we kennen op dit moment 46 opschriften met de vorm ‘Licinius’, 60 met de vorm ‘Licinia’, 26 met de vorm ‘Licinio’, 22 met ‘Liciniae’, 3 met ‘Licinii’ (geteld naar het aantal hits in de Epigraphik-Datenbank Clauss-Slaby).

Een Licinius Crassus hoorde tot de grondleggers van de colonia Narbonne, terwijl ook Publius Licinius Crassus Diues (consul in 97 v.Chr., † 87 v.Chr., de vader van de latere triumvir Crassus uit het eerste driemanschap) Narbonne financieel ondersteunde. Het is heel goed mogelijk dat een van deze stad-Romeinse Licinii een lid van de inheemse elite het Romeinse burgerrecht verleend heeft en daarbij zijn eigen nomen gentilicium.

Zo vermeldt een opschrift uit Beaucaire (Ugernum in de Romeinse periode), net aan de overkant van de Rhône, een Sextus Licinius Irenaeus (CIL, XII, 2830, EDCS-09201289), terwijl in Nîmes een steen gevonden is voor een Sextus Licinius Helicon (L’Année épigraphique (1987), nr. 752, EDCS-07400560). Het is eerder onwaarschijnlijk dat onze Sextus Licinius met een van deze twee te identificeren is. Uit Arles is er verder geen opschrift bekend dat onze Sextus Licinius zou kunnen bevatten.

Wel kennen we uit Arles een Publius Licinius (L’Année épigraphique (2008), nr. 832; EDCS-48500028), een vrijgelatene die voor zijn gelijknamige patronus een grafsteen oprichtte (met Dis Manibus, dus jonger dan het Licinia-opschrift). Uit Nîmes zijn tien inscripties voor een Licinius bekend: zoals al gezegd, komt deze familienaam vrij veel voor in Gallia Narbonensis.

Het ontbreken van het cognomen betekent ook dat wij moeilijk kunnen gissen naar het maatschappelijk statuut van de betrokkene: vrijgelatenen behielden vaak hun oorspronkelijke naam als cognomen. Omdat deze naam meestal niet van Latijnse origine is (maar Grieks of Keltisch of wat dan ook), valt deze wat uit de boot in vergelijking met de keurig Latijnse voornaam en nomen gentilicium die afkomstig zijn van de patronus.

In dit laatste zit misschien wel een aanwijzing. Dit is uiteindelijk een taalkwestie en daar zijn we in dit land bijzonder goed in… De naam van Licinia is zuiver Latijns en dus Romeins: geen Keltisch in dit door Gallische Salluvii bewoonde gebied, geen Grieks, puur Latijns en Romeins. Nu was Gallia Narbonensis al vanaf iets voor 120 v. Chr. Romeins gebied, maar het duurt altijd enige tijd voordat namen in de inheemse talen helemaal wijken voor Latijnse.

Tijd voor een voorlopige conclusie! Wat weten we zeker? Licinia Secunda was een dochter van Sextus Licinius. Zij was vrijgeborene en draagt een volledig Latijnse naam. Waarschijnlijk dateert het opschrift van vóór 70 na Chr. Haar vader heette Sextus Licinius, maar zijn cognomen blijft onbekend, zodat het niet mogelijk is bijkomende conclusies of identificaties te maken. Mogelijk was onze Licinia Sextus’ tweede dochter, maar dat is niet zeker.

Als de datum ‘vóór 70’ klopt, moet de familie vrij vroeg sterk geromaniseerd zijn geweest: dat blijkt onder meer uit het volledig Latijnse karakter van de naam dat uw gids al enkele keren sterk benadrukt heeft. In Gallia Narbonensis is dat zeker mogelijk.

Het is niet nodig daarvoor een immigratie uit Italië te vermoeden. Het zuiver Latijnse karakter van de naam kan eventueel wijzen naar de bovenlaag van de maatschappij, wat eventueel ondersteund kan worden door de uitvoering van de schrifttekens. Hiermee zijn we overigens wel conclusies aan het trekken uit eerdere conclusies en interpretaties en dat is enigszins riskant…

Punt vier: wat er niet staat. Dat hebben we al gehad, maar hier moeten we nog een keer doorheen. Veel grafschriften uit de Romeinse wereld bevatten de naam van degene die het monument heeft opgericht. In Epigraphia (Opschriftenland) wemelt het van de allerzoetste moeders, onvergelijkelijke zonen, allervroomste dochters en liefste echtgenoten die allemaal het beste verdiend hebben.

Wat dat betreft, komt Licinia er maar bekaaid van af. Zij is niets adjectiefs, zij is enkel Licinia Secunda, dochter van haar vader. Wat dat betreft, doet dit opschrift sterk denken aan dat voor Caecilia Metella aan de Via Appia (foto boven en onder) dat in een vorige aflevering aan bod is gekomen. Dit kan andermaal een argument zijn voor een vroege datering van het opschrift voor Licinia.

In vergelijking met het opschrift voor Caecilia Metella is er nog iets wat er niet staat: er ontbreekt in dit opschrift elke allusie op een huwelijk. Nu hoorde onze Sextus Licinius weliswaar niet tot de stad-Romeinse elite die huwelijken uit politieke motieven sloot en waarvoor de vermelding een rol kon spelen in het ingewikkelde labyrint dat politiek heet, maar op stedelijk niveau herhaalde dat spel zich ook.

Met excuses aan onze lezeressen, maar in de klassieke oudheid speelden vrouwen met name een rol als ‘dochter van’, ‘vrouw van’ en als ‘moeder van’. Van de twee laatste is bij Licinia geen spoor.

Een mogelijke verklaring hiervoor (maar hier belanden we opnieuw in de wereld van de hypothese) kan liggen in het feit dat ze niet gehuwd was. En als ze niet gehuwd was, kan dat zijn omdat ze jong gestorven is en dus niet de kans heeft gehad om gehuwd te zijn.

In hoeverre dit hypothetische feit dan weer weerspiegeld wordt in de sarcofaag en de kwaliteit van de uitvoering van het opschrift, is uiteraard stof voor verdere speculatie, maar uw gids draait hier om. Hij is aan het eind van de Alyscamps gekomen en heeft zin in koffie. De Alyscamps is een necropolis op enkele honderden meters afstand van het centrum van Arles.

Dat brengt ons terug bij de vraag: Wie was Licinia? Licinia Secunda was de (tweede?) dochter van Sextus Licinius (cognomen onbekend). Zij leefde vermoedelijk vóór 70, mogelijk zelfs nog in de eerste eeuw v. Chr. en hoorde tot een echt geromaniseerde familie, zoals blijkt uit haar volledig Latijnse naam.

Omdat het nomen gentilicium Licinius vrij vaak in Gallia Narbonensis voorkomt, zij het niet specifiek in Arles, hoorde ze misschien (gelet op de technische uitvoering van het opschrift) tot de oude bovenlaag. Het is evenwel niet zeker dat haar familie uit Arles zelf afkomstig was.

Het is niet onmogelijk dat Licinia Secunda op jonge leeftijd gestorven is en daarom ongehuwd was. Meer kunnen we waarschijnlijk niet zeggen. Wel kunnen we de pijn vermoeden die haar overlijden haar nabestaanden bezorgd heeft. Pijn die in het uiterst sobere, maar zeer verzorgde opschrift nazindert.

Uw gids kan verder alleen maar hopen dat hij er niet te ver naast zit…

Maar hoe dan ook: Vaarwel, Licinia!
Of in de taal die ze zelf sprak: Vale, Licinia, sit tibi terra leuis!

Het oudste restaurant van Rome

7 december 2019

Welk restaurant kan zeggen dat Caravaggio en Goethe vaste klanten waren? Zoiets is alleen in Rome mogelijk. We brengen vandaag een bezoek aan het oudste restaurant van de stad en, bij uitbreiding, waarschijnlijk van de wereld. De zaak ligt een beetje verborgen in een klein steegje, maakt geen reclame en is in principe niet terug te vinden in gidsen. Toch bestaat La Campana al vijfhonderd jaar. Het jubileum werd door eigenaar Paolo Trancassini een tijdje geleden gevierd met de uitgave van een herinneringsboek.

Dat leverde de zaak een heleboel publiciteit op, waardoor deze behoorlijk verborgen plek voorgoed uit de anonimiteit is gerukt. Waar de vaste klanten, doorgaans locals, vroeger in alle rust en discretie konden genieten van hun maaltijd, loopt het de jongste maanden storm voor La Campana. Nu de baas zelf de schijnwerpers heeft opgezocht, verhindert niets ons om het restaurant even voor te stellen.

Uit een volkstelling van 1526 blijkt dat de osteria enkele jaren voordien werd opgericht door Pietro de la Campana. De officiële stichting zou zelfs al in 1518 hebben plaatsgevonden omdat een niet nader genoemde zaak op deze locatie in dat jaar reeds belasting op wegen betaalde. In die tijd was het vooral een herberg met eetgelegenheid voor passerende buitenlanders die hier een tijdje verbleven om het verdere verloop van hun reis te plannen of om wat te rusten. Bij de zaak hoorde toen ook een postkantoor.

La Campana kreeg in de loop der eeuwen talrijke bekende gasten over de vloer. Caravaggio en Goethe natuurlijk, die hier allebei in de buurt woonden, maar ook recentere kunstenaars zoals Pablo Picasso en Renato Guttuso kwamen hier graag even langs. Voor Caravaggio was La Campana zelfs één van zijn vaste lunchplekken. In zijn gedichtenbundel Römische Elegien uit 1790 herinnert Johann Wolfgang von Goethe zich deze osteria en noemt ook een bepaald dienstmeisje dat indruk moet hebben gemaakt op de Duitse schrijver, filosoof en wetenschapper.

Hongerige prominenten uit een minder ver verwijderd verleden waren onder meer Pier Paolo Pasolini, Alberto Sordi, Anna Magnani, Maria Callas, Federico Fellini en Mario Draghi. Een leuk weetje: eigenaar Paolo Trancassini is zelf ook een beetje bekend: hij is de voormalige burgemeester van Leonessa, een gemeente in de naburige provincie Rieti, eveneens in Lazio. De zaak is sinds 1830 in handen van zijn familie, precies net zo lang als België bestaat.

De huidige eigenaar Paolo Trancassini krijgt ook vandaag nog nationale en internationale figuren op bezoek. De Franse president Emmanuel Macron kwam hier een tijdje geleden tijdens een privébezoek aan Rome een hapje eten en met wat geluk zie je ook Giorgio Napolitano, de vorige president van Italië, weleens aanschuiven.

Ook de koningshuizen van België en Spanje kennen de weg naar La Campana. Ondanks al die beroemde klanten is het restaurant altijd zichzelf gebleven en doet de familie gewoon waar ze goed in is: eenvoudige en traditionele Romeinse gerechten op een fijne manier presenteren. Toeristsen of presidenten: ze zijn allemaal welkom en ze krijgen allemaal dezelfde behandeling, met of zonder bodyguards.

De zaak bevindt zich in de Vicolo della Campana, een smal steegje tussen de Via della Scrofa en Piazza Nicosia. De keuken is traditioneel, met een sterke nadruk op Romeinse specialiteiten die soms al eeuwenlang op de kaart staan. Alles wordt vers bereid, al is het aantal klanten sinds het restaurant met de publicatie van het herdenkingsboek uit de lokale anonimiteit trad, zoals verteld explosief gestegen. Iedereen wil weleens een hapje eten in het oudste restaurant ter wereld.

Je smult er onder meer van artisjokken, tagliolini met verse ansjovis en pecorino, pastasoep, lamsvlees, gnocchi, stoofpot van ossenstaart, een keuze aan verse vis, appeltaart, zoete broodjes, enz. Het restaurant biedt plaats aan ongeveer 120 personen, verspreid over enkele kamers en beschikt over een afzonderlijke ruimte die gereserveerd kan worden voor privé-samenkomsten. Met de prominenten die hier zoals verteld soms opduiken is dat weleens nodig.

La Campana
Vicolo della Campana 18, Rome
Tel. 06 6875273
Open van 12.30 uur tot 15 uur
Open van 19.30 tot 23 uur
Maandag gesloten
www.ristorantelacampana.com