Mode-ontwerpster Carla Fendi begraven in Rome

Posted in Romenieuws on 22 juni 2017 by romenieuws

Vandaag is Carla Fendi begraven in Rome. Familie en vrienden bewezen de laatste eer aan de befaamde mode-ontwerpster na een dienst in de Santa Maria in Montesanto aan Piazza del Popolo, ook bekend als de chiesa degli artisti of de kerk van de kunstenaars. Ook de burgemeester van Rome, Virginia Raggi, en de actrice Sharon Stone woonden de begrafenis bij. Toen de kist werd buitengedragen weerklonk een langdurig applaus als eerbetoon. De overleden ontwerpster was het zakelijke brein achter het bedrijf. Carla overleed maandag op 79-jarige leeftijd na een langdurige ziekte.

Carla Fendi was de belangrijkste van vijf zussen die een kleine bont- en leerwerkplaats van hun ouders omtoverden tot het luxe internationale modemerk dat het nu is. Ze werd al snel het gezicht van het bedrijf, dat wereldberoemd werd met de baguette-vormige Fendi-bags die per stuk duizenden euro’s kostten.  Het smalle tasje, een ontwerp van Silvia Fendi, wordt onder de bovenarm gekneld ‘zoals de Fransen hun stokbrood dragen’. Zodra ze merkte dat vrouwen storm liepen voor de nieuwe handtas lanceerde Carla Fendi het geniale idee om het printje op de Baguette-tas om de zes maanden te vernieuwen. Het succes was ongezien.

Heel praktisch of nuttig was dat smalle, langwerpige tasje niet, maar het werd ondanks de dure aankoopprijs al gauw ongelooflijk populair. Klanten moesten zich zelfs op een wachtlijst inschrijven om een exemplaar te kunnen bemachtigen. Fendi beschikte nu over een icoontas waarvan er in totaal reeds meer dan 700 versies uitgekomen zijn. Talrijke vrouwen wereldwijd proberen de verschillende versies zelfs te verzamelen.

De jongste jaren ontpopte Fendi zich ook als beschermer en sponsor van heel wat Romeinse fonteinen. Vorig jaar bekostigde het modehuis nog de restauratie van de Trevifontein.

 

Italië schaft kleine euromuntjes af

Posted in Romenieuws on 22 juni 2017 by romenieuws

Italië zal vanaf 1 januari 2018 geen munten meer slaan van 1 en 2 eurocent. In de toekomst zullen de prijzen van producten en diensten afgerond worden op 0 of 5 eurocent. De centrumlinkse Democratische Partij van ex-premier Matteo Renzi had een aantal maanden geleden een voorstel in die zin ingediend. De reden om de muntjes af te schaffen is de dure kostprijs om ze te slaan, een probleem waar verschillende andere eurolanden eveneens mee kampen. Zo zou het 4,2 eurocent kosten om een muntstuk van 1 eurocent te slaan en 5,2 eurocent voor de productie van een muntstuk van 2 eurocent. Een bijkomende reden is dat de kleine muntstukken tegenwoordig nog maar zelden worden aanvaard in parkeermeters of in snoep- en drankautomaten.

Een persoonlijke Romegids met vele tips

Posted in Romenieuws on 20 juni 2017 by romenieuws

Niet geheel toevallig verscheen op 21 april, de feestdag van Rome, het nieuwe boek van de Nederlandse blogster Saskia Balmaekers, bekend van Ciaotutti.nl. Mijn Rome is een persoonlijke Romegids met veel fijne tips, unieke adresjes en bijzondere bezienswaardigheden. Het boek is rijkelijk geïllustreerd en doet je meteen watertanden naar Rome. Er is uiteraard aandacht voor het rijke verleden van de stad, maar vooral ook voor het Rome van nu, dat de historische setting mooi verweeft in het huidige straatbeeld. Zo zijn er bv. 24 pagina’s gewijd aan streetartkunst.

“De bekende bezienswaardigheden laat ik zo veel mogelijk links liggen. In plaats van het Colosseum neem ik je mee naar de wijk Monti, waar vroeger de gladiatoren, hoeren en zigeuners woonden (en waar de jonge Caesar zelfs even zou hebben gewoond om te laten zien dat hij deel uitmaakte van het gewone volk), waar nu een mix van boetieks, restaurants en wijnbarretjes te vinden is”, vertelt Saskia.

Het boek laat je proeven van de Romeinse keuken, van een maritozzo bij het ontbijt tot romige cacio e pepe als lunch, van authentieke gerechten uit het voormalige getto (zoals de gefrituurde artisjokken) tot cocktails in een voormalig klooster. De lezer staat stil bij marmeren bordjes en beschilderde muren, bij kleurrijke mercati en klaterende neuzen, bij scherven en straataltaartjes, bij gebroken harten en verborgen dieren.

In het voorwoord van haar boek schrijf Saskia: “Mijn eerste voetstappen in Rome zette ik alweer bijna twintig jaar geleden, maar ik herinner het me als de dag van gisteren. Ik was meteen onder de indruk. Niet zozeer van de grootse monumenten, maar van de sfeer die de stad ademde. De druk gebarende mensen, de pleinen en pleintjes, het gesis van de espressomachines in de vele barretjes, de fonteinen, de restaurantjes waar het geroezemoes van gezellig etende gasten af en toe werd verstoord door een ploppende kurk of een kok die een aria de lucht in slingerde…”

“Ik kon dan ook niet wachten om meer van de stad te ontdekken. Twintig jaar later ben ik ontelbaar veel keren in Romes warme omhelzing gedoken. Soms voor enkele dagen, soms voor een paar maanden, maar altijd met ongebreideld enthousiasme, met een hart dat elke keer weer sneller ging kloppen en steeds meer van Rome in zich opnam. Ik ontdekte steeds weer nieuwe favoriete plekken, maakte lijstjes met nieuwe plaatsen en verhalen om aan nader onderzoek te onderwerpen en ontmoette nieuwe vrienden”.

“Mijn hart en hoofd vulden zich steeds meer met het Romeinse stratenplan. Ik liet me leiden door het advies van barista’s en beeldhouwers, door taxichauffeurs en toevallige passanten. Ik dwaalde uren rond zonder plattegrond, tot het spinnenweb aan straten en steegjes langzaam maar zeker een herkenbaar geheel werd. In Mijn Rome laat ik jou de stad ontdekken. Niet met een opsomming van de bekende bezienswaardigheden, maar met een unieke duik in een stad die haar gelijke niet kent. Ik deel al mijn favoriete Romeinse plekken, restaurants, verhalen en ‘geheimen’, zodat je Rome beter leert kennen dan menig Romein. Zet al je zintuigen op scherp en geniet van la bella Roma!”.

Zo, nu heb je het eens van de auteur zelf gehoord. We weten behoorlijk zeker dat vele clubleden die gevoelens ook bij zichzelf zullen herkennen.

Mijn Rome
Auteur: Saskia Balmaekers
Aantal pagina’s: 240
Taal: Nederlands
Afmetingen: 20 x 215 x 165 mm
Gewicht: 540 g
Eerste druk: april 2017
ISBN10 9401606609
ISBN13 9789401606608
Uitgever: Xander Uitgevers, Amsterdam
Prijs: 19,99 euro

Bank van Vaticaan verdubbelt winstcijfers

Posted in Romenieuws on 19 juni 2017 by romenieuws

De Vaticaanse bank, officieel het Instituut voor Religieuze Werken (IOR), heeft haar winst vorig jaar meer dan verdubbeld. Het instituut tekende in 2016 een nettowinst van 36 miljoen euro op. Een jaar eerder ging het slechts om 16,1 miljoen euro. Volgens de Vaticaanse bank is het goede resultaat ‘te danken aan efficiënte onderhandelingen, in een context van grote onzekerheid op de markten, politieke instabiliteit na onverwachte verkiezingsuitslagen en lage rentevoeten’.

Het IOR telde in 2016 ongeveer 15.000 klanten, voornamelijk religieuze instellingen en congregaties, maar ook werknemers van het Vaticaan. Eind vorig jaar had de bank ruwweg 5,7 miljard euro op haar balans staan. De Vaticaanse bank werd de jongste decennia door grote schandalen geplaagd. Zo zou de Italiaanse maffia er op grote schaal geld hebben witgewassen. Paus Benedictus XVI, de voorganger van de huidige paus Franciscus, begon daarop met een grote zuiveringsoperatie. Als gevolg van die grote schoonmaak werden bijna 5.000 rekeningen bij de bank afgesloten.

Nederlandse koning en koningin op staatsbezoek in Italië en Vaticaanstad

Posted in Romenieuws on 18 juni 2017 by romenieuws

De Nederlandse koning Willem-Alexander en koningin Máxima arriveren dinsdag in Rome voor een staatsbezoek. Ze worden ontvangen door president Sergio Mattarella, premier Paolo Gentiloni, burgemeester Virginia Raggi van Rome en de voorzitters van de Senaat en het Parlement. Ze brengen daarna ook een bezoek aan Vaticaanstad. Paus Franciscus heeft een kwartier uitgetrokken om het koninklijke duo te ontvangen. Ze zullen er ook spreken met staatssecretaris-kardinaal kardinaal Pietro Parolin. Ze bezoeken ook de Friezenkerk, die vlakbij het Sint-Pietersplein is gelegen.

Koning Willem-Alexander en Máxima werden op 25 april vorig jaar ook al eens ontvangen door de paus, maar toen ging het om een privébezoek. Het is van 1985 geleden dat een Nederlands vorstenpaar (toen koningin Beatrix en prins Claus) nog eens een staatsbezoek brachten aan Italië. Ook toen werd een bezoek gebracht aan Vaticaanstad, al was de ontvangst door paus Johannes-Paulus II een informele gebeurtenis en geen officieel staatsbezoek. Willem-Alexander en Máxima bezoeken ook Milaan en Palermo. Over de Oranjes in Rome lees je meer in een ouder bericht.

 

De privétrein van de paus

Posted in Romenieuws on 11 juni 2017 by romenieuws

We schreven al eerder over de frisse wind die sinds enige tijd doorheen de Centrale Montemartini waait (zie onder meer onze bijdrage De pop van Crepereia Tryphaena). In dit fraaie maar minder bekende museum aan de Via Ostiense 106 zijn tot tenminste 31 december 2020 enkele rijtuigen te bewonderen die omstreeks 1858 deel uitmaakten van de privétrein van paus Pius IX. Een nieuwe renovatiefase van de voormalige elektriciteitscentrale maakte de opening van een nieuwe zaal mogelijk. In deze Sala del Treno komen nu als permanente tentoonstelling de pauselijke wagons te staan die zich eerder in het Museo di Roma Palazzo Braschi bevonden.

Giovanni Maria Mastai-Ferretti, alias Pius IX (1846-1878), was de paus die een fundamentele rol zou spelen in de ontwikkeling van het (latere) Italiaanse spoorwegnet. Al vanaf het begin van zijn pontificaat begon hij met de aanleg van een aantal spoorlijnen waardoor de belangrijkste centra van de Pauselijke Staat met elkaar verbonden werden.

Dat deed de paus uiteraard ook uit eigenbelang: reizen per trein was in die tijd niet alleen een echte luxe, maar vooral ook sneller en veiliger. Dat de tijden ook toen al snel konden veranderen, bewijst het feit dat paus Gregorius XVI in 1840 de komst van de spoorwegen nog omschreef als “volkomen tegennatuurlijk” en treinen veroordeelde als “het verdorven werk van Satan”.

De Pauselijke of Kerkelijke Staat bestond uit een aantal gebieden die zich onder directe soevereine heerschappij van het pausdom bevonden. Op zijn hoogtepunt besloeg deze staat het grootste deel van de moderne Italiaanse regio’s Romagna, Marche, Umbrië en Lazio. In de vroege negentiende eeuw hoorden de pauselijke staten van Centraal-Italië tot de meest achtergebleven gebieden van het land. Het waren middeleeuwse miniatuurstadjes, die behoorlijk ver stonden van de manier van leven elders in Europa.

Paus Gregorius XVI (1831-1846) realiseerde zich dat door de komst van de trein mensen zich alsmaar meer zouden gaan verplaatsen, van hun woning naar een verre werkplek of van de ene stad naar een andere. Daardoor zouden ze volgens de paus het contact verliezen met hun eigen plek in de wereld. Zonder het toeziende oog van ouders, partners of kinderen (en niet te vergeten de plaatselijke dorpspastoor of parochieherder) zouden mannen en vrouwen wellicht dubbele levens beginnen leiden.

De mensen zouden volgens Gregorius XVI het besef van hun eigen identiteit verliezen en niet langer weten wie ze echt waren of waar ze zouden moeten zijn. Treinen om snelle verplaatsingen van de ene naar de andere realiteit te maken waren dus tegennatuurlijk, net zoals woekerrente, godslastering en homoseksualiteit tegennatuurlijk waren in Dantes Inferno. Een trein was gewoon een verleiding om iets anders te worden dan God met zijn schepselen voorhad.

De opvolger van Gregorius XVI, paus Pius IX, was in meer dan één opzicht een opmerkelijk man. Hij was paus van 1846 tot 1878 en geldt daarmee na Petrus (35 jaar) als de langstzittende paus in de geschiedenis. Onder Pius IX kwam een einde aan de wereldlijke macht van de paus, waarbij de rooms katholieke kerk het bestuur over de gehele Kerkelijke Staat, inclusief de stad Rome, kwijtraakte aan het in 1861 ontstane koninkrijk Italië.

In 1854 kondigde Pius IX het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria af. Als hoofd van de Kerk riep Pius het Vaticaans Concilie (1869-1870) bijeen, waarop de onfeilbaarheid van de paus als dogma werd goedgekeurd. Tijdens zijn lange pontificaat werden 206 nieuwe bisdommen of vicariaten opgericht. Vanaf 1870 beschouwde Pius zich als de gevangene van het Vaticaan en zou hij elke samenwerking met de Italiaanse staat afwijzen.

De eerste officiële spoorlijn was Rome – Frascati (lijn Pio – Latina); de inhuldiging gebeurde op 7 juli 1856. De route van ongeveer 19 km kon worden afgelegd in een half uur. In 1859 opende de lijn Rome – Civitavecchia (PioCentrale), met een lengte van 73 km en in 1862 volgde de lijn Rome – Velletri – Ceprano. De eerste treinreis maakte Pius IX op 3 juli 1859.

De locomotief met de luxueuze rijtuigen vertrok vanaf het station Porta Maggiore, toen het eindpunt van de pauselijke spoorwegen, de trein bereikte het station van Cecchina (Albano Laziale). Na 1870 werden de pauselijke rijtuigen ondergebracht vlakbij station Termini, waar ze jarenlang bleven staan en ontdaan werden van de belangrijkste versieringen en ornamenten.

In 1911 kreeg het publiek nog eens een wagon te zien in Castel Sant’Angelo, dit ter gelegenheid van een tentoonstelling rond de viering van de vijftigste verjaardag van het Koninkrijk Italië. Daarna bleven ze in de opslag tot ze in 1930 een plaatsje kregen in een nu verdwenen museum aan de Via dei Cerchi, vlakbij de voormalige Pantanella-pastafabriek.

Op 2 augustus 1951 werden de pauselijke treinwagons overgebracht naar Palazzo Braschi, wat behoorlijk spectaculaire beelden opleverde in de straten van Rome. De wagons werden vervoerd met een speciale kar van tien meter lang en acht wielen die 3.000 ton konden dragen. Dat transport is uitvoering gedocumenteerd, de foto’s bevinden zich in de archieven van Palazzo Braschi.

Om de rijtuigen in het gebouw te kunnen krijgen, was het nodig om in de muur van het gebouw, aan de zijde van Piazza Navona, een grote opening te maken. De opening werd nadien weer dichtgemaakt en bleef gesloten tot juni 2008. Bij die gelegenheid werden de rijtuigen er langs dezelfde weg weer uitgehaald en overgebracht naar een niet publiek toegankelijk gedeelte van de Centrale Montemartini, dit in afwachting van de renovatie van de gebouwen die nu, ruim acht jaar later, eindelijk voltooid is.

De muuropening naar Palazzo Braschi aan Piazza Navona is er vandaag nog altijd en fungeert tegenwoordig als doorgang naar het binnenpleintje. In een gebouw op het binnenplein bevinden zich de ticketbalie en de boekwinkel van het museum.

Het eerste pauselijke rijtuig beschikt over een soort balkon van waarop de pauselijke zegen kon worden gegeven. Daarnaast is er de vergulde en met fluweel ingerichte troonzaal met aangrenzend een kleinere kamer waar de paus in alle rust kon verblijven. Het interieur wordt gedomineerd door de pauselijke kleuren wit en geel. Hier en daar vind je het pauselijke embleem.

De derde wagon fungeerde als kapel. Het was een gewijde ruimte waar de paus een eucharistieviering kon houden tijdens één van zijn reizen. De rijtuigen werden gebouwd in Parijs door de firma’s Delettrez en de Compagnie Générale de Matériels Chemis de Fer.

Die toestand van koude oorlog tussen de Heilige Stoel en de Italiaanse staat zou blijven duren tot 1929, toen de Italiaanse staat van Il Duce Mussolini en het Vaticaan, het bekende Verdrag van Lateranen sloten. Daarbij kreeg de paus zijn wereldlijke gezag terug, maar dan wel beperkt tot een heel klein stukje grondgebied, namelijk de 44 hectare van Vaticaanstad in Rome.

Het Verdrag regelde een heleboel praktische zaken en de aansluiting van Vaticaanstad op het Italiaanse spoorwegnet was daar één van. De Italiaanse staat verbond zich ertoe een aansluiting op het Vaticaanse spoorwegnet te voorzien en een station te bouwen binnen de muren van Vaticaanstad.

De bouw van de Vaticaanse spoorlijn begon op 3 april 1929, in maart 1932 volgden de eerste testritten. De officiële inhuldiging gebeurde op 2 oktober 1934. De aftakking van het Romeinse station San Pietro (een gewoon spoorwegstation vlakbij het Vaticaan, maar niet te verwarren met het pauselijke station) naar het station van Vaticaanstad is welgeteld 862 meter lang, waarvan zich amper 100 meter spoorlijn binnen de muren van Vaticaanstad bevinden.

Het spoor loopt letterlijk door de muur: er is een doorgang gemaakt in de Leonische muur rond Vaticaanstad. De tunnel is 95 meter lang. Een dubbele metalen poort van 35 ton sluit de toegang af. Die poort wordt enkel weggerold wanneer een trein binnen of buiten moet rijden, wat tegenwoordig eigenlijk vrij zelden gebeurt. Er worden af en toe op onregelmatige tijdstippen nog weleens goederenwagons gelost.

De laatste keer dat de paus per trein vertrok, was in 1979, toen hij een bezoek bracht aan enkele duizenden spoormannen in een rangeerstation in het noordoosten van de stad, vlakbij station Nuovo Salario. Zoals verteld waren niet alle pausen even gelukkig met de komst van de spoorwegen in Italië en de rest van de wereld.

Het Vaticaan heeft overigens nooit een eigen trein gehad, ze huren er eentje wanneer nodig van de Italiaanse spoorwegen. Bij diverse gelegenheden in het verleden kreeg de paus al wel eens een luxueuze treinwagon als geschenk. Die wagons bevinden zich in de Vaticaanse archiefruimtes.

Het stationsplein in Vaticaanstad is 370 meter lang. Hier vlakbij bevindt zich ook de pauselijke helihaven. Vandaag hebben helikopters de pauselijke treinen volledig vervangen. Het Vaticaanse stationsgebouw werd in 1929 ontworpen door ingenieur Giuseppe Momo, de vaste architect van paus Pius XI, en ingehuldigd in 1933.

Het is ongeveer 60 bij 21 meter groot en 17 meter hoog. Het is eigenlijk een enorme wachtzaal in marmer, abnormaal groot voor dit wel bijzonder beperkte spoorwegnet. Tijdens Wereldoorlog II sloeg een Britse vliegtuigbom vlak voor het gebouw in maar richtte nauwelijks schade aan. Het gebouw is weelderig ingericht en rijkelijk bekleed met marmer en ander kostbaar gesteente. De ontwerper moest er immers rekening mee houden dat hier regelmatig belangrijke gasten zouden arriveren, waarop zoveel mogelijk indruk moest worden gemaakt. De buitenzijde van het station is bekleed met travertijn, met uitzondering van de beide zijvleugels.

De bovenverdieping fungeert tegenwoordig als commercieel centrum van het Vaticaan. Er is ondermeer een winkel in ondergebracht waar diplomaten, kardinalen en belangrijke bezoekers belastingvrij allerlei luxegoederen kunnen kopen. Ook het Ufficio Filatelico e Numismatico, dat zich bezighoudt met de munten- en postzegelverkoop voor verzamelaars bevindt zich hier.

De nieuwe tentoonstellingsruimte in de Centrale Montemartini is uitgerust met drie multimedia werkstations en een videoinstallatie. De expo wordt vervolledigd met foto’s die de geschiedenis van de pauselijke trein illustreren en documenten die een gedetailleerde beschrijving van het interieur geven.

www.centralemontemartini.org

De goudschat van Lienden en het einde van het Romeinse gezag in Nederland

Posted in Romenieuws on 9 juni 2017 by romenieuws

Archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) presenteerden in Museum Het Valkhof in Nijmegen een unieke goudschat uit het derde kwart van de vijfde eeuw. De schat zal omstreeks 460 na Chr. zijn begraven, niet lang vóór de definitieve val van het West-Romeinse rijk in 476. De goudschat is vanaf nu in het museum te zien.

Amateurs met een detector vonden het goud in een boomgaard in de Betuwe en seinden professionele archeologen in, die voor de opgraving zorgden. Bijzonder is dat de vinders en de grondeigenaar de goudschat in langdurig bruikleen afstaan aan Museum Het Valkhof, zodat iedereen deze bijzondere vondst kan bekijken. Archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans van de Vrije Universiteit Amsterdam en Jos Bazelmans, hoofd archeologie van de RCE, belichtten de betekenis van deze goudschat als een sleutelstuk voor onze kennis van de eindfase van het Romeinse gezag in Nederland en de overgang naar de Vroege Middeleeuwen.

De Vrije Universiteit heeft vanaf de zomer van 2016 een meldpunt geopend voor archeologische vondsten gedaan door privé-personen die zoeken met een metaaldetector, genaamd PAN, wat staat voor Portable Antiquities of the Netherlands. Al in de eerste maand kwam er een melding van een opmerkelijke vondst van 23 gouden Romeinse munten die in 2016 waren aangetroffen in een boomgaard in het Gelderse Lienden, gemeente Buren. Men kwam ook in contact met twee andere zoekers die al in 2012 op precies dezelfde plek acht gouden munten hadden gevonden, toen de akker machinaal werd voorbewerkt om als boomgaard te worden ingeplant.

De zoektocht werd voortgezet in de archieven. Het bleek namelijk dat in 1905 en in de jaren 1840 van de negentiende eeuw op hetzelfde perceel al een partij goudstukken is ontdekt die vrijwel zeker tot dezelfde schatvondst behoort. In 1846 meldt dominee Kist dat hij bij een bezoek aan Lienden een aantal gouden munten te zien kreeg welke op het perceel ‘Den Eng’ waren verzameld, destijds eigendom van de lokale grondheer Baron van Brakell. Kist noemt drie munten van Valentinianus, drie van Constantijn tn twee van Honorius.

Enkele jaren eerder had een Leidse archeoloog al een gouden munt van keizer Majorianus onder ogen gekregen. De locatie wordt niet genoemd, maar wel staat vermeld dat de munt in het bezit was van Baron van Brakell, eigenaar van hetzelfde perceel op ‘Den Eng’ waar in de negentiende eeuw en recentelijk de andere munten zijn ontdekt.

De munten zijn alle zogenoemde solidi, de Romeinse gouden standaardmunt uit de late vierde en vijfde eeuw. In totaal zijn nu 42 stuks bekend. Dit is echter een minimum aantal omdat de schatvondst zeker incompleet is. Onbekend blijft hoeveel munten in de jaren 1840 (en mogelijk al eerder?) gevonden zijn. De toen ontdekte munten zijn helaas niet meer te traceren.

Deze verzameling van tenminste 41 solidi uit Lienden bestrijkt een lange tijdsperiode tussen 375 en 457. 29 munten zijn geslagen in de late vierde of vroege vijfde eeuw: vijf van Valentinianus II; tien van Honorius; dertien van Constantijn III en één van Jovinus. Van enkele munten is niet exact bekend door welke keizer ze zijn geslagen. Verder zijn er munten uit het midden van de vijfde eeuw: één munt van Johannes, acht stukken op naam van Valentinianus III en tenslotte de jongste munt of sluitmunt van Majorianus. De munten van de schat zijn dus gespreid over een lange periode geslagen door verschillende keizers. Een dergelijke gemengde samenstelling blijkt kenmerkend voor alle Laat-Romeinse solidusschatten.

De Liendense schat is om twee redenen zeer bijzonder te noemen: Het is de grootste thans bekende solidusschat uit Nederland en het  blijkt de allerlaatste Romeinse muntschat die we uit Nederland en aangrenzende regio’s kennen. De sluitmunt is van keizer Majorianus, die regeerde van 457 tot 461. Dit betekent dat de schat rond 460 of kort daarna zal zijn begraven. Het West-Romeinse rijk eindigde in 476 toen de laatste keizer werd afgezet.

Naar aanleiding van de meldingen hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een kleine opgraving uitgevoerd, waarbij op de vondstplek van de munten een zone van ongeveer 75 m² werd onderzocht. Men wilde eerst weten of er nog meer munten of eventueel sieraden in de bodem aanwezig waren. Een tweede vraag was of de vondsten in een pot, buidel of andere container hadden gezeten. Tevens is het voor archeologen belangrijk om de aard van de vindplaats te kennen: was de schat begraven bij een huis in een nederzetting, bij een heiligdom, of wellicht bij een begraving meegegeven aan een persoon? Dit laatste was een serieuze optie, aangezien de vinder van 2016 ook onverbrand menselijk botmateriaal aantrof op de vondstplek van de munten.

Wat zijn nu de resultaten van deze opgraving? Er werden helaas geen nieuwe munten meer gevonden. Ook werden geen scherven ontdekt van aarden of metalen vaatwerk, hetgeen wellicht betekent dat de schat destijds in een buidel van leder of textiel is verborgen. Er zijn wel andere resultaten te melden. Dat betreft vooral de vondst van onverbrande botresten van drie menselijke individuen. In één geval kon nog worden vastgesteld dat de persoon met opgetrokken onderarmen iets op de zij was neergelegd.

Daarnaast was er een crematiegraf in de vorm van verbrande botten in een urn van aardewerk. Een verrassing volgde, toen de resultaten uit het laboratorium binnenkwamen; uit de radiokoolstofdateringen bleek dat de onverbrande botten dateren uit het begin van de Midden Bronstijd, ca. 1800 v. Chr. Dat is veel vroeger dan gedacht en betekent ook dat er dus zeker geen relatie is tussen de muntschat en de skeletresten. Het crematiegraf is jonger: waarschijnlijk uit de IJzertijd. Uit de Romeinse tijd en met name de Vroege Middeleeuwen is tenslotte wat los vondstmateriaal geborgen, niet gekoppeld aan sporen uit die periode. Dat suggereert dat het terrein in die tijd de periferie van een nederzetting vormde.

De Midden Bronstijd staat bekend als een periode waarin ook in het rivierengebied grafheuvels werden opgericht. Met de opgraving heeft men niet onomstotelijk kunnen vaststellen dat hier een grafheuvel lag, maar de aanwezigheid van een heuvel kan wel verklaren waarom iemand hier in de vijfde eeuw, ruim twee millennia later, een muntschat begraaft. Een dergelijke schat is doorgaans bedoeld om later nog eens terug te halen, en daarvoor moet de begraver in het landschap een herkenbaar punt uitkiezen. Een oude grafheuvel in de buurt van een nederzetting is dan een ideale plek om een schat te begraven, met de intentie die later weer op te halen. Dat laatste is echter nooit gebeurd, tenminste niet door de oorspronkelijke eigenaar.

De conclusie is dat de muntschat vermoedelijk is begraven in een oude, toen nog zichtbare grafheuvel uit de Midden Bronstijd. De directe aanleiding daartoe blijft onzeker. Het meest voor de hand liggend is een begraving uit veiligheidsoverwegingen in een crisissituatie, waarbij de keuze voor een oude grafheuvel als verstopplek mede kan zijn ingegeven door religieuze overwegingen. In ieder geval beschikken de onderzoekers dankzij de opgraving in Lienden nu over een goed gedocumenteerde Laat-Romeinse goudschat uit Nederland.

De Liendense schat dient begrepen te worden binnen de context van de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse rijk in de vijfde eeuw, uitmondend in zijn definitieve ondergang in 476. De toenemende afhankelijkheid van Germaanse groepen, waaronder in onze streken de Franken, speelde daarbij een belangrijke rol. Gouden munten ofwel solidi vormden het betaalmiddel bij uitstek waarmee Romeinse keizers vanaf de late vierde eeuw Frankische leiders beloonden in ruil voor militaire steun. Die leiders konden dan de munten weer distribueren onder hun eigen aanhang.

Keizer Aantal
Valentinianus II 375-392 5
Honorius 395-423 10
Constantinus III 407-411 12
Jovinus 411-413 1
Johannes 423-425 1
Valentinianus III 425-455 8
Valentinianus II/III 3
Maiorianus 457-461 1
Totaal 41

De Liendense schat zal – gezien de aanwezigheid van munten van Valentinianus III en vooral de sluitmunt van Majorianus – omstreeks of kort na 460 zijn begraven. Ondanks het grote aandeel van oudere solidi uit de late vierde en het begin van de vijfde eeuw in de schat, is het waarschijnlijk dat deze in één keer is ontvangen van een Romeinse gezagsdrager.

Uit Nederland en aangrenzende gebieden kennen we thans 27 Laat-Romeinse solidusschatten. Daarin tekent zich een duidelijk patroon af. Verreweg de meeste schatten zijn in het begin van de vijfde eeuw begraven. Uit die fase kennen we een hele serie goudschatten en losse solidi, zowel ten noorden als ten zuiden van de Rijn. De spreiding van deze goudvondsten reflecteert ultieme pogingen van het Romeinse gezag om vooral de Maas- en Rijnvallei te controleren en greep te krijgen op de hier woonachtige Frankische groepen. Er is in deze fase sprake van een duidelijke schathorizon en uit de datering van de muntschatten blijkt dat een substantieel deel van dit goud ten tijde van Constantijn III is binnengekomen. Daarna kennen we een viertal solidusschatten met munten geslagen tussen 425 en 445 onder Valentinianus III. De Liendense schat is van nog wat latere datum: rond 460.

De vraag is hoe we die extreem late instroom van Romeins goud moeten begrijpen. De instroom van een partij goud omstreeks 460 hangt waarschijnlijk samen met activiteiten van de West-Romeinse keizer Majorianus en diens generaal Aegidius in Gallië. Het meest plausibele scenario is dat Aegidius militaire steun vroeg van Frankische koningen in ruil voor goudbetalingen. Aegidius was legerleider in Gallië onder Majorianus. Als antwoord op voortdurende pogingen van Germaanse groepen om hun macht in Gallië te vergroten, ondernam hij in de zomer van 457 een veldtocht tegen de Ripuarische Franken  waarbij Keulen ontruimd moest worden.

De Ripuarische Franken waren een Germaans stamverband van Frankische stammen die aan rivieren (onder andere de middenloop van de Rijn) woonden. Hun naam Ripa betekent dan ook oever in het Latijn. De Tencteren, Sugambriërs, Cherusken en Chatten worden er gewoonlijk toe gerekend. Hun gebied werd Francia Rinensis genoemd en de voornaamste residentie van hun vorsten was Keulen. Het gebied van de Ripuarische Franken, ook wel Rijnfranken geheten, besloeg het gehele Rijngebied, het gebied ten oosten van de Maas en het gebied langs de Moezel.

In 458 heroverde Aegidius in opdracht van Majorianus Lyon op de Bourgonden en verdedigde hij met succes Arles tegen de Visigoten. In augustus 461 werd Majorianus door de Germaanse generaal Ricimer ten val gebracht. Deze benoemde Libius Severus tot opvolger. Aegidius weigerde echter samen te werken met Ricimer en deed een poging met zijn leger tegen Ricimer op te trekken. Maar hij was weinig succesvol doordat de Bourgondische koning Gundioc hem de pas naar Italië afsneed.

Aegidius raakte verder in moeilijkheden toen de Visigoten in opdracht van Ricimer tegen hem optrokken. Hij werd hierdoor gedwongen zich terug te trekken naar het gebied rond Parijs, waar hij een zelfstandig Gallo-Romeinse Rijk stichtte met Soissons als zijn residentie. In 463 voorzag Aegidius zich van steun van Frankische bondgenoten onder aanvoering van Childerik. Met hulp van deze bondgenoten slaagde hij erin de Visigoten te verslaan in de slag bij Orléans, waarmee hij zijn machtsbasis in Gallië versterkte. In 464 werd Aegidius vergiftigd. Het door hem gestichte rijk bleef voortbestaan. Het werd eerst overgenomen door Paulus en daarna door zijn eigen zoon Syagrius, die het in 486 verloor aan de Franken onder Clovis.

Het is een interessante vaststelling dat de schatbegraving in Lienden (omstreeks 460) ongeveer gelijktijdig gebeurde met het aan de macht komen van de reeds genoemde Frankische kleinkoning Childerik I (ca. 436-481/482). Childerik verkreeg het leiderschap bij de dood van zijn vader omstreeks 458. Hij had zijn machtsbasis rondom de stad Doornik, waar zijn uitzonderlijk rijke graf is teruggevonden. Childeric wordt daarin gepresenteerd als een generaal in Romeinse dienst. Hij steunde Aegidius en zal daarvoor goud hebben ontvangen om zijn volgelingen te kunnen belonen. Zou de eigenaar van de schat van Lienden een volgeling van Childeric kunnen zijn geweest? In ieder geval mogen we denken aan een Frankische leider uit het Nederlandse rivierengebied die rond 460 in het Romeinse netwerk moet hebben gezeten.

Het mag duidelijk zijn dat de goudschat van Lienden een vondst is met een bijzonder verhaal. Het betreft een uniek tijdsdocument voor de laatste fase van het Romeinse gezag in Nederland dat ons een blik gunt op de politiek-militaire situatie tijdens de overgangsfase naar de Vroege Middeleeuwen. Tevens kunnen we zeggen dat het hier gaat om de laatste Romeinse goudschat uit Nederland die bij ons het einde markeert van het West-Romeinse rijk.

Het wetenschappelijk belang van de goudschat van Lienden:

• Het is de grootste Laat-Romeinse solidusschat uit Nederland.

• Het is de allerlaatste Romeinse goudschat uit Nederland.

• De schat was eigendom van een Frankische leider die waarschijnlijk behoorde tot de volgelingen van Aegidius en Childeric.

• De schat vormt een uniek tijdsdocument voor wat betreft de overgang van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen.

• Ze markeert het definitieve einde van het Romeinse gezag in Zuid-Nederland.

• De schat werd mogelijk begraven in een grafheuvel uit de Bronstijd.