Het imposante Theater van Marcellus

Grenzend aan de Via del Portico d’Ottavia, langs de Via del Teatro di Marcello, ligt het imposante gelijknamige Theater van Marcellus (Teatro Marcello). Als je via de Cordonata, de brede trap richting Capitool loopt, en tijdens die klim even achterom kijkt, heb je een prachtige kijk op het ronde gebouw. Het theater werd gebouwd door keizer Augustus en in 13 vóór Christus ingewijd. Augustus bouwde het ter ere van de jong gestorven Marcellus, de zoon van zijn zus Octavia en de man van zijn dochter Julia. Marcellus overleed tien jaar eerder op twintigjarige leeftijd, vermoedelijk aan de gevolgen van malaria. Het is mogelijk dat hij werd vergiftigd door Livia, de derde vrouw van Augustus, die liever haar eigen zoon Tiberius keizer zag worden. Marcellus was overigens de eerste die werd bijgezet in het toen pas gebouwde Mausoleum van Augustus. Bewijzen voor die theorie ontbreken.

De ruïne van het theater zoals we ze vandaag zien werd pas tussen 1926 en 1929 vrijgemaakt, vóór die tijd waren de bogen nog bezet door allerlei winkeltjes, was de omringende (vandaag verdwenen) Piazza Montanara een levendige markt en liep er een tramlijn vlak naast het gebouw.

De fundamenten van het theater werden gelegd tijdens het bewind van Julius Caesar nadat zijn rivaal Pompeius in 55 v. Chr. het eerste in steen uitgevoerde Romeinse theater had gebouwd. Het eerste stenen theater in Griekenland werd overigens reeds opgetrokken in 330 v. Chr.

Het door de op 15 maart 44 v. Chr. vermoorde Caesar geplande theater werd pas in 13 v. Chr. door Augustus ingehuldigd, hij wijdde het aan Marcellus, de jong overleden zoon van zijn zuster Octavia uit haar eerste huwelijk. In 25 v. Chr. was de toen zeventienjarige Marcellus, ‘een jongeman met nobele eigenschappen en een opgewekte aard en instelling’, getrouwd met zijn veertienjarige nicht Julia, de dochter van zijn oom Augustus. Marcellus was dus niet enkel de neef maar ook de schoonzoon van de keizer die hem als zijn opvolger had aangeduid.

Augustus, de vader van de bruid, was zelf niet aanwezig op de trouwplechtigheid omdat hij op dienstreis was, daarom kreeg opperbevelhebber Marcus Agrippa de opdracht ‘in loco parentis’ op te treden. Later zal de ironie van deze keuze blijken wanneer dezelfde Agrippa (64 v. Chr. – 12 v. Chr.) met dezelfde jonge weduwe Julia zal trouwen en zo op zijn beurt schoonzoon wordt van Augustus (63 v. Chr.-14 na Chr.).

De strenge, sobere architectuur van het Theater van Marcellus, met verschillende orden boven elkaar, was een voorloper van het Colosseum dat een kleine eeuw later werd gebouwd. Beide gebouwen hadden echter elk hun eigen verschillende doel. Het podium bevond zich aan de kant van de Tiber. Anders dan de gelijkvormige Griekse theaters werd dit gebouw niet tegen een berghelling gebouwd maar staat het volledig vrij.

Voor de verschillende delen werden diverse technieken gebruikt, vooreerst opus quadratum uitgevoerd in tufsteen voor de radiale muren en ambulatoria, waarbij het metselwerk bestaat uit rijen gelijke rechthoekige stenen die eenvoudig naast elkaar gelegd werden en waarna blokken met ijzeren klemmen vastgezet werden.

Vervolgens werd opus caementicium of Romeins beton gebruikt voor de binnenzijde. Dat was een beton dat bestond uit een bindend mengsel van tufsteen of kiezel vermengd met cement. Vele materiaalkwaliteiten van dit Romeinse beton zijn vergelijkbaar met het moderne Portlandcement dat in de negentiende eeuw werd uitgevonden.

Tenslotte volgde opus reticulatum voor de buitenmuren waarbij de betonnen constructies als het ware van een beschermingslaag werden voorzien. Deze mozaïekvorm bestaat uit rechthoekige tufstenen tegels die in de natte onderlaag worden vastgezet. Na het drogen van het beton of de specie biedt deze stenen tegellaag een uitstekende bescherming tegen zowel de zon als de regen. De regelmatige vierhoekige blokken werden in een vast patroon geplaatst zodat het geheel een regelmatig en afgewerkt uitzicht bood.

Tijdens de bouw werd de bekisting van opus reticulatem volgestort met beton zodat de buitenmuren na het harden geen dragende functie meer hadden, het diende dan als glad oppervlak om marmer of stucwerk op aan te brengen. Voor de cavea werd travertijn gebruikt, een marmerachtige poreuze kalkafzetting die in Tivoli overvloedig voorkwam en gebruikt werd als muurbekleding. Tufsteen is een grauwe, poreuze steensoort bestaande uit verharde vulkanische lava.

Elke verdieping had een eigen orde, de onderste arcadenverdieping was verdeeld door Dorische halfzuilen, de volgende arcadenverdieping had Ionische halfzuilen. De bovenste verdieping, die niet bewaard is gebleven, had wellicht Korinthische halfzuilen, maar dat is niet met zekerheid geweten. Het is zelfs niet bekend of er wel echt een derde verdieping was of alleen een attiek.

De combinatie van een dragende boog en een decoratieve orde is typisch Romeins. Langs de bogen waren marmeren theatermaskers aangebracht. Van de binnenzijde van het theater is niets bewaard gebleven. Wel is bekend dat zich aan beide zijden van het podium een diepe exedra bevond, waarin kleine altaren stonden die mogelijk de tempel van Diana en de tempel van Pietas vervingen die bij de aanvang van de werken door Julius Caesar verwijderd waren om plaats te maken voor het nieuwe theater.

De oorspronkelijke tempel van Pietas werd gebouwd in het jaar 151 v. Chr. op het Forum Holitorium. De tempel was de meest noordelijke tempel aan de Via de Teatro Marcello en werd gebouwd door Manius Acilius Glabrio, die consul was in 191 v. Chr. De tempel had twee binnenpleinen, waarvan er eentje was gewijd aan Diana, de godin van de maan en de jacht. Pietas was een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden.

In de nabijheid van de tempel van Pietas verhief zich de ‘columna lactaria’, de melkzuil, waar volgens Festus de kinderen samengebracht werden die melkvoeding nodig hadden. In de vroege middeleeuwen bracht men het ‘Pietas’ van de tempel en de ‘melkzuil’ met elkaar in verband, zodat het verhaal ontstond dat men destijds de tempel van Pietas had opgericht ter ere van een vrouw die haar oude vader in de onderliggende gevangenis met borstvoeding in leven had gehouden.

Deze legende van Cimon en Pero werd in het jaar 31 opgetekend door de Romeinse schrijver Valerius Maximus in zijn negendelige werk Facta et dicta memorabilia. Het verhaal werd in 1611-1612 door de net uit Rome teruggekeerde Rubens uitgebeeld in ‘Cimon en Pero’ of ‘Carità Romana’; dit schilderij bevindt zich nu in het Hermitagemuseum in Sint-Petersburg.

Het Theater van Marcellus bood plaats aan 20.500 personen waarvan 14.000 zitplaatsen, dat was slechts de helft van de grote concurrent, het Theater van Pompeius. De halve cirkel van het in 13 v. Chr. gebouwde theater van Balbus, bevatte ‘slechts’ 11.510 plaatsen waarvan 7.700 zitplaatsen. Deze drie theaters konden dus samen plaats bieden aan hoogstens 60.000 toeschouwers, relatief weinig vergeleken met de 225.000 plaatsen van het Circus Maximus dat uiteraard wel een totaal andere functie had.

Maar als je deze aantallen vergelijkt met bijvoorbeeld de opera Garnier in Parijs met 2.156, de San Carlo in Napels met 2.900 en de Scala in Milaan met 3.600 plaatsen, was de bouw van het theater van Marcellus een ongekende krachttoer die bovendien al in de eerste eeuw werd gerealiseerd. Het nieuwe theater beschikte ook over technische snufjes. Op bepaalde momenten werd uit een stelsel van buizen, pijpjes en gaatjes fris geparfumeerd water over de toeschouwers gesprenkeld.

Toen het halfronde theater in 11 v. Chr. klaar was, was het meer dan 30 meter hoog. Het gedeelte waar de toeschouwers konden zitten, de cavea, had een diameter van 130 m. De bezoekers werden van elkaar gescheiden volgens een door Augustus opgelegde hiërarchie, daarbij was het hoogste en dus van het podium verst verwijderde gedeelte bestemd voor vrouwen, buitenlanders en slaven.

De officiële opening van het theater, naar het Grieks ‘theatron’ zijnde schouwplaats, verliep volgens Suetonius niet geheel vlekkeloos. Een deel van de cavea stortte in, juist dat gedeelte dat wij de eretribune zouden noemen. Zelfs keizer Augustus viel achterover doordat de voegen van zijn ‘sella curulius’, zijn ambtszetel, het begaven. Maar Augustus ging rustig elders zitten en de voorstelling werd gewoon voortgezet.

Het Theater van Marcellus werd gebruikt voor het opvoeren van pantomimes, waarbij acteurs via ritmische lichaamsbewegingen gemoedstoestanden uitdrukten. ‘Met verwijfde gebaren’ schimpt Tacitus (55-120), ‘op meer dan vrouwelijke wijze’ vindt Seneca, de leraar van Nero. De voorstellingen waren meestal grof, sentimenteel en simpel. Vooral verhalen uit de mythologie waren geliefd, waarbij een orkestje zorgde voor de muzikale omlijsting.

Ook hier zochten de Romeinen naar een manier om hun hang naar fel realisme te bevredigen. Als er volgens het script een personage werd verkracht, moest dat ook werkelijk gebeuren. Ook het bloed was echt en wanneer het verhaal eiste dat er een dode viel, werd er ook werkelijk een terdoodveroordeelde opgeofferd, zodat niet alleen in het Colosseum maar soms ook in dit theater van bloedige taferelen kon worden ‘genoten’.

De Romeinen hebben nooit erg veel van toneel gehouden, uit de antieke literatuur zijn alleen werken van de blijspeldichters Plautus (250-184) en Terentius (195-159) behouden gebleven, er is dus geen Romeinse tegenhanger van Sophocles of Aristophanes. Vernieuwend theater in de Griekse zin was dood. Plautus en Terentius vertegenwoordigen dus niet het begin van een nieuwe Romeinse benadering van drama en komedie, maar het einde van de Griekse traditie.

Na eerst in 64 na Chr. door brand en daarna in 69 in de strijd tussen Vespasianus en Vitellius te zijn beschadigd, werd het theater vanaf het begin van de vierde eeuw niet meer gebruikt en niet meer gerestaureerd. Spoedig werd het een kant-en-klare steengroeve waaruit men de gewenste steenvormen maar te rapen had. Dat gebeurde ook al eens in de periode 365-370 toen men stenen nodig had voor de restauratie van de hier vlakbij gelegen Ponte Cestio, tussen het Tibereiland en Trastevere.

Pas tijdens de middeleeuwen ging men zich weer voor het gebouw interesseren toen tijdens de twaalfde eeuw de restanten van het theater door de familie Pierleoni tot een vesting werd omgebouwd, dezelfde familie die een burcht bezette op het Tibereiland. In de daaropvolgende jaren zou het fort onderdak bieden aan verscheidene adellijke Romeinse families die zich hier kwamen verschansen tijdens hun strijd tegen pausen, andere families en buitenlandse vijanden.

Het gebouw kwam omstreeks 1400 in handen van de familie Savelli. Die gaf in 1519 aan de bekende kunstschilder, architect en decorateur Baldassare Peruzzi, die zich toen in Bologna bevond, de opdracht om het voormalige fort te transformeren in een mooi nieuw gebouw. Dat bleek een geniale zet. Peruzzi bouwde boven de originele tweede bogenrij een elegante woonverdieping. Daarmee ontwierp hij niet alleen alleen één van de meest begerenswaardige woonplekken in heel Rome maar redde hij het theater van Marcellus ongetwijfeld ook van verder verval.

Het grote woonverblijf kwam in 1712 tegen betaling van 29.000 kronen in handen van de familie Orsini, die het geheel nogmaals verfraaiden en nieuwe gedeeltes lieten bijbouwen. In de daaropvolgende eeuwen bleef het complex dat inmiddels was opgedeeld in verschillende appartementen en woonverblijven in handen van deze familie.

Op één appartement na verkocht de familie Orsini het palazzo omstreeks 1950 aan Iris Origo, de auteur van het bekende oorlogsdagboek Oorlog in de Val d’Orcia, 1943-1944 dat in diverse talen werd uitgebracht. Origo stierf in 1988 op 86-jarige leeftijd. Haar familie bracht het volledige bewoonbare bovengedeelte zes jaar geleden via een gespecialiseerde vastgoedmakelaar op de markt. Vraagprijs: 32 miljoen euro.

De appartementen zijn inmiddels allemaal verkocht. Sommige worden verhuurd; afhankelijk van de grootte betaal je hiervoor tussen de 24.000 en 32.000 euro per maand. De toegang tot de woonvertrekken bevindt zich aan de Via di Monte Savello. De grond waarop het uiteraard beschermde Theater van Marcellus staat is eigendom van de Italiaanse Staat en het antieke onderste gedeelte is eigendom van de stad Rome.

In de kunstgeschiedenis was het Theater van Marcellus, net als het Colosseum, van uitzonderlijk belang. Gedurende vele eeuwen stonden hier ontelbare kunstenaars en architecten, met hun ‘De Architectura’ onder de arm, te schetsen en te meten. In deze bijbel van de Romeinse bouwkunst uit 23 v. Chr., onderscheidde Vitruvius drie ‘bouworden’, al gebruikten de Romeinen ook de composiete orde die in ‘De Architectura’ niet vermeld wordt. Vitruvius omschreef de Dorische pilaar als ‘met de proportie, de kracht en de gratie van het lichaam van de man’, terwijl de Ionische ‘het slanke van een vrouw had’ en de Korinthische ‘het smalle figuur van een meisje’.

Vanuit de theorie van Vitruvius, en de studie van gebouwen als het Theater van Marcellus en het Colosseum, ontstond in Europa een standaard voor het gebruik van pilaren op verschillende verdiepingen van een gebouw. De meer solide Dorische pilaar werd dus als de ideale basis beschouwd en werd onderaan geplaatst, de smallere en elegantere Ionische en Korinthische zuilen kwamen erboven te staan.

De afmetingen en verhoudingen werden gestandaardiseerd, dat alles werd samengebracht in het referentiewerk voor de westerse architecten, de ‘Regole degli cinque ordini’, in 1562 geschreven door Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573). Deze architect kennen we in Rome onder meer van de Gesù.

Over Vitruvius nog dit: in gespecialiseerde handschriften leest men dat zijn ‘De Architectura’ in Europa onbekend was tot 1414, toen de Italiaanse humanist Poggio het herontdekte. Dit is niet juist, er bestonden veel over het continent verspreide kopieën van het boek, zelfs het kleine kartuizerklooster van Zelem bij Diest (België) bezat een Karolingische kopie, maar al deze informatie werd eeuwenlang niet gebruikt. Het was wachten op het exemplaar van Poggio, en de daaruit gedistilleerde bijbel van Leon Battista Alberti (1404-1472) ‘De Re Aedificatoria’ opdat de westerse architectuur opnieuw zou aansluiten bij het grote verleden. De Re Aedificatoria werd geschreven in 1450, maar werd pas voor het eerst gepubliceerd in 1486, na Alberti’s dood.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.